Nieuwsbrief 64

Nieuwsbrief 65
als pdf

Nieuwsbrief 66

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Nieuwsbrief nr. 65
ISSN 1386-6451
juli 2026 - 32e jaargang nr. 2



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
www.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
De nooit eindigende actiesPeter de Zwaan
Recensie van deel 78: De Nederlandse posterijen waren en zijn al net zo onbetrouwbaar als
de Belgische en de Franse!
Schout-bij-kunstlicht Spook
Recensie van deel 79: Onmin over ondingen in een onweersbuiSchout-bij-kunstlicht Spook
Recensie van deel 80: Hoe pakken wij een potige Pool?Schout-bij-kunstlicht Spook
Het is toch verdraaide lastig om iets uit te denken wat niet al eerder door iemand anders is bedachtJohn Beringen
Gevalletje plagiaat uit de oude doosRoger Schenk
Bobs Bronnen (18) : „Er is wel meer, dat jij niet hebt gehoordAlie Loos
Maar waren er dan geen andere leuke jongensboekenseries? Zeker wel! (5) Inspecteur ArglistigRoger Schenk
De gedachtenlezeresK. Miek
Recensie van „Detentiecentrum Fort Blauwkapel (1945-1947). Waar de oorlog nog niet voorbij wasRoger Schenk
Enkele foto’s uit Nieuw-AmsterdamRoger Schenk
Arie krijgt het vaak voor zijn kiezen en voor medische hulp is nooit tijdJohn Beringen
Een motorboot voor een zinkend flesjeFrank Engelen




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

De delen 78, 79 en 80 zijn verschenen!

Voorzijde van „Belegering bij Bourtange”,
door Lia Krijnen

Voorzijde van „De vesting van Finsterwolde”,
door Lia Krijnen



Sinterklaas woont in M...

Vroeger – o, heerlijke kindertijd! – leerden wij allereerst van onze vader en moeder dat Sinterklaas elk jaar vanuit het verre Spanje op een stoomboot naar Nederland kwam met tientallen Zwarte Pieten, die hem hielpen cadeaus te verspreiden middels schoorstenen. We blèrden hartstochtelijk liederen met een hoog literair gehalte als „Sinterklaas kapoentje”, „Zie ginds komt de stoomboot” en zelfs „Sinterklaas is jarig”. Fout!
In een volgend stadium kregen wij via vroegwijze vriendjes, de juf of meester op de lagere school of onze ouders het infame bericht dat de Goedheiligman helemaal nooit in Spanje was geweest, zelfs niet op vakantie. Hij woonde en werkte in Myra, het huidige Demre in Turkije. Fout!!
Sommigen van ons, die het voorrecht genoten om Grieks op school te krijgen, lazen vervolgens dat Nicolaas bij een arme man, die geen bruidsschat kon betalen waardoor zijn drie dochters geen echtgenoot konden vinden en normaal gesproken gedoemd waren om in de prostitutie te belanden, drie keer een buidel met gouden munten door het raam gooide. Uit deze legende zou de traditie van het strooigoed zijn ontstaan en de Heilige Nicolaas kreeg de reputatie van beschermer van kinderen. De heilige is uiteraard niet jarig op 5 december (voor christenen was de geboortedag nooit belangrijk, zelfs niet die van Jezus Christus zelf; Kerstmis werd voor het eerst twee eeuwen na diens dood gevierd op een datum die beslist niet in december viel), maar de avond vóór zijn sterfdag, 6 december wordt hij herdacht. Leuk verhaal, maar: fout!!!
De waarheid is: Sinterklaas woont in Meppel, maar omdat Sinterklaas volgens de gemeente Meppel geen geldige naam was om in het plaatselijke bevolkingsregister opgenomen te kunnen worden, koos hij de schuilnaam „Peter de Zwaan” en hij strooit met nieuwe Bob Evers-delen alsof het strooigoed betreft. Zoals aangekondigd, strooide hij dit jaar alweer met drie nieuwe exemplaren. Gelukkig voor ons was Schout-bij-kunstlicht Spook alweer bereid om de drie nieuwe delen te recenseren. Zijn spookachtige recensies vindt u elders in deze Nieuwsbrief; wij gebruiken het begrip „spookachtig” omdat wij het sterke vermoeden hebben dat Spook een schuilnaam is (een anagram van Koops, die vroeger de recensies verzorgde; misschien wel dezelfde persoon?), maar nog steeds geen flauw benul hebben van zijn (of misschien zelfs haar) identiteit.

Fort Blauwkapel.

In januari van dit jaar verscheen bij Uitgeverij Aspekt een boekje over een van de detentiecentra waar Willem van den Hout na de oorlog een tijdje geïnterneerd was: „Detentiecentrum Fort Blauwkapel (1945-1947). Waar de oorlog nog niet voorbij was” van Jochem Botman.
Aangezien onze eigen Willem een aantal malen genoemd wordt, besteedt Roger elders in deze Nieuwsbrief uitvoerig aandacht aan dit boek.

Nog twee boeken die vaag met Bob Evers of de schrijvers daarvan te maken zouden kunnen hebben.

In 2023 schreef de Amerikaanse journalist Paul N. Hodos een boek, genaamd „Steel City Mafia. Blood, betrayal and Pittsburgh’s Last Don”. Het boek gaat over de Pittsburghse maffia op haar hoogtepunt: in de jaren ’80, toen een nieuwe maffia-clan in opkomst een niets en niemand ontziende bende-oorlog begon tegen de zogeheten Cleveland Family die tot dan toe de macht in handen had. Het boek leest lekker weg en het is een spannend verhaal over de cosa nostra, die uiteindelijk „regeerde” over westelijk Pennsylvania, het oosten van Ohio en West Virginia. Het boek leest even lekker weg als een Bob Evers-deeltje, maar terwijl ik dit typ, hoor ik jullie denken: „Jaren ’80? Wat heeft dat nou met Bob Evers te maken? De juwelenjacht en de strijd met „zo’n verschrikkelijk stuk onderwereld dat ik niet begrijp hoe hij in gewoon daglicht kans ziet in leven te blijven” (citaatje van pa Evers) was toch al veel eerder? Die man was in de jaren ’80 toch zeker al lang doodgeschoten? Zo lang regeren maffiabazen doorgaans niet, hoor!”. O, jawel, hoor! In „Botsingen met oude bekenden” (2018) lazen wij hoe Johnny Dalmonte nog steeds leeft en machtiger is dan ooit. Maar helaas, in dat hele boek „Steel City Mafia” komt geen Johnny Dalmonte, King Messaf, Pietro Rossi, Guido Rossi en zelfs geen Tootsie Griff voor en dat is voor „Ons soort Mensen” dan toch weer jammer.
Een boek van geheel andere aard is „Nederlandse nationaalsocialistische literatuur. Repertoirevorming en canonisering van de volkse letterkunde 1932-1945” van Willem Huberts met medewerking van de inmiddels overleden Jan Jaap Kelder. Huberts – bekend van de Flanor-uitgaven, waar ook werk van Geerten Meijsing is verschenen – geldt zeker sinds zijn fenomenale biografie van Wouter Lutkie als een van de autoriteiten op het gebied van fascistische en nationaalsocialistische literatuur in Nederland. Ook dit boek is elke bladzijde weer lezenswaardig, maar we missen hier misschien toch wel de naam van onze Bekende Besnorde Bosschenaar. Of … eigenlijk missen we hem helemaal niet, want Willem heeft natuurlijk nooit nationaalsocialistische literatuur dan wel lectuur geschreven. We weten dat hij begin 1942 gesprek was met de NENASU (Nederlandse Nationaal-Socialistische Uitgeverij) over het schrijven van een paasbrochure, die als titel „Het vierkante ei” zou meekrijgen; gelet op de naam van de uitgeverij zou dat ongetwijfeld een brochure met nationaalsocialistische inslag zijn geworden, maar zover is het dus nooit gekomen. Als de NENASU anno 2026 nog steeds zou bestaan, zouden de verantwoordelijke uitgevers nu waarschijnlijk nog steeds op dat typoscript hebben zitten wachten. Ach, onze Willem kondigde wel vaker nieuw te verschijnen boeken aan, die nooit zijn verschenen. De kans dat hij voornoemde paasbrochure wél heeft geschreven en dat die in NENASU-archiefkasten liggen, is verwaarloosbaar klein, anders had men deze brochure wel mee laten wegen in de processen tegen Willem. Jammer voor de mensen die Willem om wat voor reden dan ook veroordeeld wilden en willen hebben voor de verschrikkelijkste oorlogsmisdaden: hij heeft dus géén nationaalsocialistische literatuur geschreven!!! Wat overblijft, is dus een prachtig boek dat alles in zich heeft om naast „Zwaard van de geest. Het bruine boek in Nederland 1921-1945” van Gerard Groeneveld (waarin Willem overigens wél een aantal keren wordt genoemd) uit te groeien tot hét standaardwerk over literatuur uit het interbellum en de oorlog. We maken kennis, voor zover dat nog niet was gebeurd, met zielsverwanten van Willem, die „vergroeid zijn met hun land en daarvoor een vurige liefde in hun werken belijden”, een citaat van de schrijver Johan Ponteyne: deze zielsverwanten gingen een stuk verder dan Willem en namen geen blad voor de ... pen en schreven daadwerkelijk boeken en teksten met onmiskenbare nationaalsocialistische ideologieën. Voor zover het mij vergund is om een blik te werpen in de zielenroerselen des Watermans, was Willem net iets te slim om zijn pen te branden aan dit soort geschriften, want dat de „Nieuwe Orde” het nét geen duizend jaar zou volhouden, was voor ieder weldenkend mens te voorzien. Dat hij zich vanaf 1943 bezig hield met verkapte antisemitische propaganda in de Drie Stuivers Roman („Philip Raack”) en met anti-alles propaganda in De GIL was verwerpelijk, maar stond geenszins op het niveau van nationaalsocialistische literatuur, die beschreven wordt in Huberts’ nieuwste boek.
Paul N. Hodos, „Steel City Mafia. Blood, Betrayal and Pittsburgh’s Last Don”, History Press, 2023. ISBN 9781467153751.
Willem Huberts en Jan Jaap Kelder †, „Nederlandse nationaalsocialistische literatuur. Repertoirevorming en canonisering van de volkse letterkunde 1932-1945”, Amsterdam University Press, 2026. ISBN: 9789048575183.

Vaste onderdelen in de Nieuwsbrief zijn natuurlijk de column van Peter de Zwaan en de recensies van de nieuwe delen door de heer Spook. Omdat de eerste schrijver van de Bob Evers voorkomt in een nieuw verschenen boek over Fort Blauwkapel, heeft ook onze hoofdredacteur uitgepakt met een recensie; John Beringen laat zijn licht schijnen over het wonderlijke verschijnsel van dezelfde ideeën die onafhankelijk van elkaar in verschillende breinen opborrelen. Naar aanleiding hiervan haalt Roger een oud gevalletje van plagiaat op: ja, ja, iemand probeerde Willem op een nogal doorzichtige manier te plagiëren. Een ingezonden brief van diezelfde Roger zorgde ervoor dat het plagiaatstukje ijlings – binnen enkele uren – offline werd gehaald. De zaak zal inmiddels wel verjaard zijn, dus tijd om het in een Nieuwsbrief te vermelden. En zo leidt het ene artikel tot het andere: Alie Loos las in de vorige Nieuwsbrief het stuk over de taalvaardigheden van onze drie „hbs-bengels” en besloot artificial intelligence eens aan de artificial tand te voelen over de heer Borghesius, die een aardig woordje Italiaans sprak. Vaste rubrieken zijn o.a. de andere Nederlandse jongensboekenserie (Inspecteur Arglistig), maar wij discrimineren heus niet: dat mogen ook meisjesboekenseries zijn: dus, dames, doe jullie best en schrijf er eens een leuk stukje over, want behalve Wanda Moens hebben wij dergelijke series nooit gelezen! We hebben een oud verhaal van Willem aan de vergetelheid ontrukt en we togen naar Nieuw-Amsterdam (in Drenthe) en Zandpol om foto’s te maken die aansluiten bij een van de drie nieuw verschenen Bob Evers-delen. John Beringen en Frank Engelen tenslotte sluiten deze Nieuwsbrief af met bespiegelingen over kiezen resp. Coca-Cola-flesjes. Ja, we weten dat Coca-Cola slecht is voor onze kiezen, maar beide artikelen hebben – behalve de verbindende component Bob Evers – niet zoveel met elkaar te maken; in het geval van Arie’s roofdiergebit gaat het meestal om hardhandig geboefte dat nog véél schadelijker voor zijn gebit is dan een compleet kratje Coca-Cola.

Het blijft te allen tijde mogelijk om uw eigen kopij te schrijven en op te sturen naar nieuwsbrief@apriana.nl; als u dat laatste nou eens vóór 1 december doet, maakt u kans om uw eigen naam terug te vinden in de volgende Nieuwsbrief.





De nooit eindigende acties
Peter de Zwaan

In het eerste jaar gaven we deel 52 uit, „Prijsschieten op een premiejager”, plus de tweede (herziene) druk van deel 51, „Clandestiene streken op een cruiseschip”.
In het tweede jaar kwam „Glorierijke missers in La Gloria”.
In jaar drie stortten Lia en ik ons op twee delen - „Dollemansrit met een Mighty Mite” en „De perikelen van kolonel Prins” - en kwam de vraag: doen we iets extra?
Als ik het me goed herinner, bedachten we iets dat we vijf voor vier noemden, of zeven voor zes, je kreeg in elk geval een boek meer dan je betaalde. De actie ging erin als koek, maar helaas vergaten we één ding. Het was een kleintje, hoor, en jullie hadden er absoluut geen last van, maar wij wel: we vergaten namelijk de actie te beëindigen.
We deden wel of er een einddatum bestond, maar die datum vergaten we waardoor we een half jaar na het verschijnen van de delen nog steeds een boek gratis weggaven. Het jaar erna deden we hetzelfde, en het jaar daarna en ...
„Stop,” zeiden we begin 2026. „We doen wel weer een actie, maar dit jaar vermelden we een einddatum en DAAR GAAN WE ONS ECHT AAN HOUDEN.”
Dat deden we ook, alleen waren er heel wat lezers die dachten: haha, weer een datum waar ze een potje van maken en als die De Zwaan niet oplet, dan doen wij het ook niet.
Waardoor we al vanaf half april berichten verzenden in de geest van: „Je hebt 6,50 euro te weinig betaald, omdat de actie niet meer bestaat, kijk maar op de website
Peter de Zwaan. We sturen je wel de boeken toe, maar we verwachten dat je zo sportief zult zijn om het ontbrekende bedrag alsnog over te maken.”
De meeste liefhebbers van de serie doen dat. Maar niet allemaal. Zouden die lezers nou gniffelend denken: ik speel lekker een potje Jan Prins?
Tot slot een aardigheidje waar ik op werd gewezen door Roger Schenk, de man die mij jaarlijks behoedt voor veel fouten omdat hij heel wat meer van de serie weet dan ik. Hij zei: „Je komt volgend jaar met de delen 81 en 82. Weet je dat je dan evenveel boeken hebt geschreven voor Zwarte Zwaan als Willem voor uitgeverij Stenvert, namelijk 32?” Voor de hardcore fans: de titels van die delen zijn „De ritselaar van Roodeschool” en (werktitel) „De kunstenaar van Kalamazoo”.






Voorzijde van „Gerommel in een roestig scheepswrak”,
door Lia Krijnen

Het moet voor een schrijver wel heel frustrerend zijn om te merken dat in Nederland schilders veel hoger worden ingeschat dan schrijvers. Iedereen kent de namen en de werken van Rembrandt van Rijn, Johannes Vermeer, Jan Steen, Frans Hals, Vincent van Gogh en Piet Mondriaan, maar op hun gebied waren Joost van den Vondel, P. C. Hooft, Louis Couperus of Harry Mulisch zeker niet minder! En dan hebben we het nog niets eens over kanjers als Van der Heide of De Zwaan ...
Toen Vincent van Gogh nog twee oren had, woonde en werkte hij een tijdje in Nieuw-Amsterdam en daarom staat er een enorm standbeeld van hem langs de Vaart. De verhoudingen tussen het roestige beeld van Van Gogh en de springlevende en nog lang niet roestige Peter de Zwaan geven zo ongeveer de verhoudingen in Nederland aan.







Recensie van deel 78: De Nederlandse posterijen waren en zijn al net zo onbetrouwbaar als de Belgische en de Franse!
Schout-bij-kunstlicht Spook

Ons aller veelgeroemde schrijver Peter de Zwaan begint er zo langzamerhand een gewoonte van te maken om aan het einde van een boek welgemoed een volgende titel aan te kondigen, dat dat een jaar later uiteindelijk vrolijk wordt doorgeschoven naar een volgend nummer, omdat er plotseling een hersenkronkel tussendoor is gekomen. En zolang die hersenkronkel zich in de heerlijk nostalgische jaren vijftig afspeelt, zal niemand van ons daar een traan over laten!
Deel 78, „Gerommel in een roestig scheepswrak”, speelt zich ook weer af in de tijd waarin Jan, Bob en Arie op hun best waren en dat is in dit nieuwe deel ook weer het geval. Het verhaal speelt zich af in Zuidoost-Drenthe, om precies te zijn rondom Nieuw-Amsterdam en Zandpol. Jan en Arie varen nietsvermoedend in een van een oom van Arie geleende jol door het Dommerskanaal, als er plotseling een zigzaggende rabauw in een stalen vlet opduikt, die met zijn hekgolf de twee jongens tegen de zijkant van een roestige tjalk die daar rustig ligt te liggen en te roesten, beukt. Uit de ingewanden van de tjalk stijgt een kreet op …
Het is bar moeilijk om dit deel te dateren, maar omdat Bob per vliegtuig naar Nederland komt en uit niets blijkt dat Jan en Arie al in Amerika zijn geweest (op tussenlandingen in San Francisco en Pittsburgh in „De strijd om het goudschip” na), schat ik dat het avontuur ergens tussen deel 12 en 16 speelt; in elk geval hebben de jongens al wat avonturen beleefd, dus je snapt dat het hoe en waarom van die kreet onderzocht dient te worden. En ja hoor, ze gaan terug naar de ligplaats van de roestige tjalk en zien een postbode zonder pet – wat een opluchting na een half boek vol gezemel over Piet Bodewes en zijn pet – een pakketje komt afleveren aan iemand op de boot. Die iemand verlaat de boot en Jan en Arie klimmen in (gebroken wordt er niets, kolonel!) en ontdekken dat de man een verzamelaar in ruimste zin van het woord is (treintjes, rails, fluitketels, theepotten en tijdschriften en … heel veel brieven die niet bezorgd zijn). Alles roestig en/of doorweekt van het water. De jongens hebben door hun eerdere avonturen meteen het vermoeden dat er iets niet klopt en gaan op onderzoek uit. Het aspect stank speelt een tamelijk grote rol in dit avontuur: de opgeslagen pullen en het stilstaande water in de buik van de tjalk, de stank van een bijzonder hardnekkig soort azijn, die Jan en Arie tegen de muggen hebben aangeschaft (ze adviseren Bob, die iets later komt, ook een beetje azijn op te smeren, zodat hij hún azijnlucht niet meer ruikt), de geur die Arie verspreidt als hij een lift krijgt van een boer die van Nieuw-Amsterdam onderweg is naar Zandpol en in het hoofdstuk „De lucht van azijn en paard” belanden de drie jongens alle drie zelfs in een betonnen bak met groente en fruit dat erin ligt te composteren. Taalkundigen zouden likkebaarden bij het chiasme van de titel van het hoofdstuk en de chronologische volgorde, maar onze drie vrienden – zo mogen we hen inmiddels toch wel noemen? – hebben weinig reden om te likkebaarden, want ze stinken door half Drenthe. Ook mooi is Jans voorspelling: „Ooit vindt iemand een telefoon uit zonder draad. Eentje die je mee kunt nemen. Het zou heel wat problemen oplossen.” In de jaren ’50 pure science fiction, maar Jan vergeet dat een telefoon zonder draad weliswaar heel wat problemen oplost, maar tegelijkertijd nieuwe problemen schept, zoals Jan, Bob en Arie in o.a. „ Grof geschut op Schateiland” aan den lijve zouden ondervinden; en dan heb ik het nog niet eens over telefoonverslaving, waarin driekwart van de bevolking sindsdien lijdt. Maar goed, dat is nu dus nog heel ver weg.
Uiteindelijk blijkt het verhaal te draaien rondom een postbode, die ontslagen werd omdat hij niet alle brieven op tijd bezorgde. Uit wraak verdonkeremaant hij dan maar meteen alle brieven en verstopt enkele dozen vol post in een kippenhok, in de hoop dat de nieuwe postbode de schuld krijgt. De rest van de niet-bestelde post bewaart de bewoner van de tjalk voor hem tussen alle mogelijke andere rotzooi. Dat de nieuwe postbode uiteindelijk niet de schuld krijgt, ligt niet aan hemzelf, maar aan het doortastende optreden van het inmiddels welbekende trio Roos, Prins en Evers: zij slepen de dozen met post met gevaar voor eigen neus uit het kippenaroma en plaatsen dit midden in de nacht voor de voordeur van de chef van de PTT in Nieuw-Amsterdam.
Alweer zo’n prachtig, nostalgisch jaren ’50-verhaal van Peter de Zwaan; een nadeel van De Zwaans jaren ’50-boeken is, dat ze veel te dun zijn. Al na 112 pagina’s is de nostalgische koek alweer op. Dat gold ook al voor de delen 72 en 73.
En nou ik toch bezig ben, moet mij toch iets van het hart: we krijgen in de serie alleen maar te maken met familie van Arie: de vegetarische tante in „Kabaal om een varkensleren koffer”, een „oom” Ferdi in „Rumoer in een rustgebied” (die niet eens een echte oom is, maar alleen zo genoemd wordt) en nu dus Ome Ko in dit deel. Van Jan weten we alleen dat hij een oom Munno heeft, maar die durft zich niet lijfelijk te vertonen in „Drie jongens als circusdetective”. Sinds „Tumult in een toeristenhotel” weten we dat Jan heel wat rare, oude tantes had: de portiers van het Seaview Hotel hebben het er vandaag de dag nog over! Waarom krijgen wij nooit eens iets te horen over die rare, oude tantes van Jan? Wij zijn dol op rare, oude tantes, zolang het maar niet die van ons zijn!
Peter de Zwaan, „Gerommel in een roestig scheepswrak”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2026. ISBN: 9789083514222





Recensie van deel 79: Onmin over ondingen in een onweersbui
Schout-bij-kunstlicht Spook

Jan, Bob en Arie hebben eventjes niets te doen, lenen daarom een camper en rijden daarmee naar de enige Nederlandse provincie waar ze officieel tot nu toe niet zijn geweest: Groningen. Ze kiezen meteen maar voor het mooiste dorp aldaar: Bourtange. Dat vestingstadje is met opzet op een landtong tussen de moerassen aangelegd. In de Tachtigjarige Oorlog was dat een goed idee, maar in de 21e eeuw komen die moerassen weer tot leven, zoals ons bekende drietal aan den lijve ondervindt als het met een zware camper in een onweersbui terechtkomt en dus wegzakt. Het is dat ze zich heilig hebben voorgenomen om zich nergens mee te bemoeien, maar anders …
Uiteraard kruipt het Amsterdamse, Cicalengka’se en Pittsburghse bloed waar het niet gaan kan en zo ontdekken de jongens dat er iets geks aan de hand is met een stel e-bikes en fatbikes. Maar ze bemoeien zich echt helemaal nergens mee, hoor! Omdat ze zich nergens mee bemoeien, banjeren ze bij nacht en ontij door onweersbuien en brandnetels, met als humoristisch hoogtepunt Bob, die voorstelt spiertje te trekken met twee brandnetels: wie de minste bulten krijgt, mag kiezen wie er terug mag lopen om te gaan kijken wie er met een auto aankomt. Niet dat ze zich ergens mee willen bemoeien, maar …
Het begon met twee „hoodies” en een chauffeur, die fietsen voor luie mensen kwamen brengen naar een gebied ten zuiden van Bourtange, maar langzaam maar zeker komen er veel meer mensen aan te pas. Die zullen ongetwijfeld hetzelfde idee hebben gekregen, want ze gaan de hele tijd uit van twee jongens, maar dat blijken er drie te zijn. Die komen uiteindelijk terecht in het huis van een zekere Abel Dijk, een zonderling die bang is voor onweer: niet zomaar een beetje angst, zoals kinderen hebben, maar een serieuze vorm van brontofobie. Roger Schenk – niet bepaald bekend als een wandelende Encyclopaedia Britannica, maar zeker wel als een wandelende Encyclopaedia Apriana, die toevallig ook nog een aardig woordje Oud-Grieks spreekt – wist mij desgewenst te melden dat de naam brontosaurus afkomstig is van hetzelfde woord brontos, dat donder betekent; de vinders van de fossiele resten van die beestjes gingen er met de kennis van toen vanuit, dat de beestjes een donderend geluid voortbrachten. Wie zei er ook alweer dat we niets konden leren uit of naar aanleiding van jeugdboeken? Deze brontofobe Abel dus heeft van zijn huis en stal een soort van vesting gemaakt, waardoorheen allerlei koperen draden lopen, in de hoop dat die die vermaledijde bliksem weten af te leiden. Toch hebben de twee „hoodies”, Roelf en Aijko, kans gezien de door hen achterovergedrukte accu’s van de e- en fatbikes, in Abels schuur te verstoppen, waardoor alle partijen op magische wijze naar die schuur en dat huis getrokken worden. Abel is al dat bezoek een tikkeltje zat, zoals te begrijpen is, en reduceert de Triumph Trident van een van de bezoekers, die naar de ongelooflijke naam Stoffer blijkt te luisteren, tot een hoopje schroot. Het kost Jan, Bob en Arie anderhalf boek om erachter te komen dat Stoffer een bijnaam is. Niet dat ze zich ergens mee willen bemoeien, hoor, maar ja ...
Na een nacht vol verwikkelingen is de conclusie („De Nieuwe Wet van Prins”, zoals het laatste hoofdstuk heet), dat de jongens zich vanaf nu verschrikkelijk erg gaan bemoeien met de mensen die zich met hen hebben bemoeid.
Peter de Zwaan, „Belegering bij Bourtange”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2026. ISBN: 9789083514239





Recensie van deel 80: Hoe pakken wij een potige Pool?
Schout-bij-kunstlicht Spook

Eindelijk besluiten de drie jongens om actief in te grijpen in plaats van zich met alle geweld te onthouden van elke bemoeienis. En terecht natuurlijk, want zij konden zich nou wel een heel boek lang voorhouden dat ze zich nergens mee wilden bemoeien, maar ze hadden toch al 78 boeken lang kunnen en moeten weten dat zij het avontuur aantrekken zoals stroop dat doet met vliegen.
Dankzij een kort bezoekje aan Abel, de man die zo bang is voor onweer, komt Bob erachter dat het geen sinecure is om zich te bemoeien met de aangelegenheden van de plaatselijke inboorlingen; alles wat van buiten komt, is een pottenkiek’r oftewel potoakster. Arie komt in Vlagtwedde min of meer tot dezelfde conclusie en Jan loopt tegen de lamp in Bad Nieuweschans als hij informeert naar de Baron, een van de betrokkenen van de onweersnacht, die officieel Freiherr Gerold Ritter von Everst heet: twee handlangers brengen hem naar de Baron, die bezig is met het bouwen van een folly-vesting. Wie nu denkt dat dat een foutje is van onhandige Jan, komt bedrogen uit, want ook de slimme Arie wordt even later zorgvuldig gekidnapt. ’t Is een van de weinige keren in de serie dat Jan, Bob en Arie te maken krijgen met een tegenstander die slimmer is dan Arie zelf: de jongens hebben twee nachten geleden door de brandnetels gebanjerd, maar als Arie de Baron wijs probeert te maken dat Jan in Amsterdam zat en dat diens bulten van de muggen komen, wijst die hem onmiddellijk terecht: muggen steken overal waar ze je maar te pakken kunnen krijgen, maar bulten van brandnetels zitten doorgaans alleen aan de voor- en hooguit een beetje aan de zijkant van je benen. 1-0 voor de Baron (of eigenlijk 2-0, als de kidnapping meetelt, maar dat doen we maar niet, want de jongens worden in de hele serie wel een keer of 80 gekidnapt en heus niet alleen door slimme lieden).
En omdat de Baron c.s. toch aan het kidnappen is geslagen, wordt ook Bob vrolijk gekidnapt en in de toren bij Jan en Arie opgesloten. Met behulp van niets meer dan drie klapstoeltjes – die niet echt een hulp zijn – weten de drie jongens tenslotte te ontsnappen aan een beer van een Pool, Antoni Walskowski. Net als in het voorafgaande deel groeit het kluwen tegenstanders steeds aan, nu o.a. met de komst van nog vier Polen. Desondanks weten onze drie helden te ontsnappen en op hun vlucht maakt Bob zich meester van wat papieren die naar een groothandel in Winschoten leiden. En als Jan doodleuk onder een valse naam naar die groothandel belt, komen ze in ieder geval te weten dat het bedrijf op containers uit China wacht die (o.a.) e-bikes vervoert, maar dat die container vertraging heeft. Daar wordt duidelijk dat twee van de mannen die ze een paar nachten eerder hebben zien hannesen met e- en fatbikes, bij die groothandel, GroMij, werken. Jan zoekt zijn toevlucht in een lege Dixi, maar Bob en Arie worden in hun nekvel gepakt en door twee Polen – dezelfde als de eerdere exemplaren? – de grens overgezet, naar Duitsland of Polen, dat is nog maar de vraag. De Polen hebben Bobs en Arie’s mobieltjes kapotgetrapt, dus de twee hulpeloze jongens kunnen niet eens Google Maps of een andere app raadplegen om uit te knobbelen waar zij uit de auto van de Polen zijn gezet. Het lijken de jaren ’50 wel: wat een nostalgie! Al denk ik dat Bob en Arie er een lief ding voor over zouden hebben om te weten waar ze zijn.
Alweer een spannend verhaal met een open einde, zodat wij gedwongen zijn om nog driekwart jaar te wachten om het laatste deel van deze trilogie te lezen, waarin hopelijk alles wordt opgelost. Wel heeft Peter de Zwaan ons in zijn column in de vorige
Nieuwsbrief alvast verklapt dat Bob en Arie in de buurt van Reckahn terecht zijn gekomen. Inderdaad: een plaats, die wij kennen uit „Schermutselingen bij een zandafgraving”, precies 40 delen eerder.
Peter de Zwaan, „De vesting van Finsterwolde”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2026. ISBN: 9789083514246





Het is toch verdraaide lastig om iets uit te denken wat niet al eerder door iemand anders is bedacht
John Beringen

Schrijven is creëren waarbij (naar mijn persoonlijke mening) de nadruk voor een groot deel ligt op originaliteit. Dat wil zeggen: geen plagiaat plegen en niet gaan na-apen.
Edoch: ondanks dat je de moeite neemt om je niet aan bovengenoemde zaken schuldig te maken, kan het toch gebeuren dat je - al dan niet met open ogen - in een ‘valkuil’ trapt, waardoor hetgeen wat je hebt uitgedacht helemaal niet zo uniek blijkt te zijn en al eerder bestond. Ik heb het al eerder aangehaald: „Willem Waterman en het Konkelberg-proces”. Ik moest een naam verzinnen voor een dorp waarvan het gemeentebestuur er een potje van maakte. Met het begrip nomen est omen kwam ik zodoende uit op ‘Konkelberg’. Dat bleek later ook de naam te zijn van een Zuid-Afrikaanse wijn. De wijnkenners zullen bij het horen van deze titel waarschijnlijk in eerste instantie hebben gedacht aan een wijnschandaal, hetgeen, gelet op de leefwijze van Willem, overigens nog geeneens zo’n gekke gedachte zou zijn geweest. Wat mij in deze te verwijten valt, is dus dat ik niet voor alle zekerheid even op Google heb rondgekeken. Dan had ik dit feit vastgesteld en had het dorp een andere naam gekregen. Laten we het maar als een wijze les aanmerken.
Maar nu komen we op iets geheel anders: ‘Het interhumanus disturbus-overzicht’. Deze kreet bedacht ik in 1996 toen Freddy Veenstra bij mij kwam en advies vroeg voor zijn op te nemen afstudeerfilm „De erfenis van een zonderling” (het fijne hierover is te lezen in de
Nieuwsbrief nr. 30 van januari 2008). Ik vond dat wel redelijk origineel; taalkundig klopte het natuurlijk van geen kant, maar eenieder zal meteen begrijpen dat hiermee ‘onenigheid tussen mensen’ wordt bedoeld. Vriend Roger liet mij, geheel terecht en met een licht gegrinnik, weten dat het viel onder wat men ook wel ‘potjeslatijn’ noemt. Nu kunnen sommige wonderlijke woorden of termen erkenning krijgen in de Nederlandse taal. Denk hierbij aan o.a. Marten Toonder, Koot en Bie en de onlangs overleden Wim T. Schippers. Nog niet zo lang geleden keek ik rond op Google om te kijken of interhumanus disturbus soms ook enige bekendheid had gekregen. Laat ik nou het volgende aantreffen: „Interhumanus disturbus is een zelfbedachte pseudo-Latijnse term die refereert aan en verstoorde verhouding of ruzie tussen twee of meer personen. De uitdrukking werd in 2004 bekend in Nederland door cabaretier Dolf Jansen, die de term gebruikte in zijn oudejaarsconference.” En een ander bericht luidt: „Het woord komt uit de hit „Wat zou je doen” van rapper Ali B. (samen met zanger Marco B.) uit 2004.” Dan rijst de vraag: hebben Jansen en B. & B. nou mijn vondst gestolen? Antwoord: Nee, want hoewel ik deze kreet in 1996 had bedacht, is die toen niet in de openbaarheid gebracht; dat gebeurde pas in mijn toespraak op 9 december 2007 in het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis in Amsterdam (eveneens te lezen in Nieuwsbrief nr. 30 van januari 2008). Echter gelet op de conference van Dolf Jansen op oudejaarsavond 2004 lijkt het er meer op dat Jansen de kreet weer heeft overgenomen/geleend van Ali B. en Marco B. die hun hit al eerder in dat jaar ten gehore gebracht moeten hebben. De crux van dit voorval: mensen kunnen, geheel onafhankelijk van elkaar, op hetzelfde idee komen.
Wat in deze context ook wel interessant is om te noemen, gaat over de boeken uit de serie Bolke de Beer van A.D. Hildebrand. Toen deze serie verscheen, werd Hildebrand beschuldigd van het feit dat hij de avonturen van Winny the Pooh had gekopieerd. Hildebrand ontkende dit in alle toonaarden en liet weten dat hij nog nooit van Winny the Pooh had gehoord, laat staan dat hij de boeken had gelezen. Dat kan natuurlijk gelogen zijn (honderd procent zeker weet je dat nooit) maar het is aan de andere kant ook niet uit te sluiten dat e.e.a. inderdaad op toeval berustte.
Het volgende voorval heeft niets met Bob Evers of boeken te maken, maar is eveneens illustratief voor het thema waar dit artikel over gaat.
In 1992 had ik bij de lokale omroep in Veenendaal een programma, getiteld: ‘De politieke poppenkast’. De lezer voelt wellicht al aan wat voor een soort programma dat was: een satirisch programma vol met grappen en grollen over de politiek van dat moment. Vaak is politiek ook een soort poppenkast dus ‘politieke poppenkast’ klonk gewoon heel toepasselijk; bovendien was het een leuke alliteratie. Tja ... niet lang daarna zat ik te lezen in het „Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon” van Piet Hein Honig en daar kwam ik de biografie van ene Jo Sternheim tegen (dat was de leermeester van de acteur Bob de Lange). Het lexicon vermeldt het volgende:
Jo Sternheim (Amsterdam, 23 augustus 1887 – Amsterdam, 17 februari 1956) was een leerling van Jan C. de Vos senior en debuteerde in 1909 bij Royaards. Van 1913 tot 1929 werkte hij als voordrachtskunstenaar en als medewerker aan ‘De politieke poppenkast’ die voor de arbeidersbeweging werd vertoond ...” Kort samengevat (een term die ik overigens vrij weinig gebruik): die schitterende „door mij bedachte” titel bestond op dat moment al bijna tachtig jaar!
Ik herhaal het nog maar een keer: het is toch verdraaide lastig om iets uit te denken wat niet al eerder door iemand anders is bedacht.





Gevalletje plagiaat uit de oude doos
Roger Schenk

Wat echter wél heel duidelijk onder de noemer plagiaat valt, is de volgende stunt: niets is meer heilig, zeker Willem W. Waterman niet! Ook hij werd geplagieerd.
De grens tussen plagiaat enerzijds en
translatio, imitatio, aemulatio – navolging of desnoods beïnvloeding – anderzijds is trouwens af en toe vrij onduidelijk, moet mij na het lezen van Johns verhaal van het hart. Karl May brengt het in „Mein Leben und Streben” (op p. 222) haarfijn onder woorden: Goethe, auf einer einsamen Insel aufgewachsen, wäre nicht Goethe geworden. Goethe, de meest geniale van alle Europese dichters en wetenschappers, was natuurlijk een kind van zijn tijd en zijn omgeving; ook hij was beïnvloed door schrijvers uit de Oudheid tot de Verlichting, en dan vooral die uit West-Europa. Zonder, pak ‘m beet, Euripides, Shakespeare of Lessing, zou de man niet de tragedies hebben kunnen schrijven die hij daadwerkelijk schreef. Inmiddels leven we twee eeuwen later en zijn wij door nóg meer mensen beïnvloed. Als Harry Mulisch vóór Arthur Schopenhauer of Martin Heidegger had geleefd in plaats van erna, hadden zijn romans er toch anders uitgezien. Een Einstein, die geboren en opgegroeid was in een nederzetting in de binnenlanden van Celebes, had nooit een relativiteitstheorie kunnen ontwikkelen. En ga zo maar door. Als ik door een akelige speling van het lot een paar kilometer oostelijker was geboren, had ik nooit van Willem W. Waterman en/of Willy van der Heide gehoord en in navolging van hem een voorliefde voor alliteratie, hyperbolen en bombast kunnen ontwikkelen.
Maar goed, terug naar een zuiver staaltje van plagiaat.


Op 9 februari 2007 plaatste ene Fred van der Wal, volgens eigen zeggen een op dat moment 63-jarige kunstschilder, levend in de Bourgogne (Frankrijk), een weblog op de site van De Volkskrant, met de titel „De nacht van de orgie”.
En daar (korte tijd lees- en downloadbaar onder de link http://www.volkskrantblog.nl/bericht/107159) zou dit verhaal, dat de Willem W. Waterman-kenner zeer bekend voor zal komen, tot in lengte van dagen zijn blijven staan, ware het niet dat op zondag 25 februari van dat jaar Buitengewoon Honorair Lid van het Bob Evers Genootschap Roger Schenk het verhaal per toeval ontdekte en de volgende reactie schreef:

Beste Fred,
Grote delen van dit verhaal, inclusief sommige namen, kwamen mij bekend voor. En ja hoor, in de bundel „De vertellers” (L&V) staat vrijwel exact hetzelfde verhaal, maar dan van Willy van der Heide (=Willem van den Hout = Willem W. Waterman, etc.) onder de titel „Orgie in een failliete kroeg”, met hier en daar een andere naam („Maria Feodorowna” i.p.v. „Catharina de Grote”), maar wel met bijvoorbeeld dezelfde letterlijke omschrijving „een Amerikaanse griet, die we (!) bij CANDY gebruikten als naaktmodel”!
Heb jij dit verhaal nou van Willem gepikt, of hij van jou?
Groetjes, Roger



In plaats van een antwoord was „Freds” verhaal een uur later van de website gehaald.
Een duidelijk bewijs, lijkt mij ...
Inderdaad heeft Fred, die in zijn eigen versie van het verhaal zelf mee pretendeert te spelen, zelfs de naam van de kroeg in kwestie proberen te veranderen (van „P96” bij Willem naar „De Spil”, maar 2x heeft Fred de naam „P96” over het hoofd gezien en domweg laten staan ... Oók een duidelijk bewijs, lijkt mij!)





Bobs Bronnen (18) : „Er is wel meer, dat jij niet hebt gehoord”
Alie Loos


De heer Loos las het artikel over – onder andere – het klankvolle Italiaans van onze hoofdredacteur Roger Schenk in de vorige Nieuwsbrief en kwam daarin natuurlijk de naam Karel Borghesius tegen. Hij vermoedde namelijk dat er in deze snoeplustige kunstkenner een bekende van Willy van der Heide schuilging en raadpleegde daarom AI, een digitaal hulpmiddel dat – zoals wij allemaal weten – eigenlijk „Arie’s Intelligentie” zou moeten heten, ware het niet dat het hulpmiddel lang niet altijd het niveau van Arie’s Roosbrein evenaart. Sterker nog, het mag de schoenveters van Arie nog niet eens vastmaken, aangezien het programma nogal eens een steekje of wat laat vallen. De heer Loos verontschuldigt zich daarom bij voorbaat voor de eventuele foutmarge van zijn AI-onderzoek.


Het profiel dat jij, Alie, beschrijft:
1. Woonde op het Singel 🖙 dat wijst op iemand die:

niet rijk was, maar wel cultureel ingebed

vaak in kleine bovenwoningen zat

midden in het literaire en kunstzinnige circuit leefde


2. Zat veel in cafés 🖙 in die tijd waren dat vooral:

Café Scheltema

De Zwart

Hoppe

Reijnders

Café de Engelse Reet

Dat waren dé plekken waar kunstkenners, schrijvers, galeriehouders en critici rondhingen.

3. Waarschijnlijk alleenwonend

Veel freelance schrijvers, kunstadviseurs en kunstkopers leefden zo — klein appartement, veel buiten de deur, sociaal leven in cafés.


4. Gek op snoepen

Dat is een detail dat je niet verzint. Zulke persoonlijke trekjes komen meestal uit directe herinnering.


5. Kunstkenner, geen formele criticus 🖙 dat past bij iemand die:

veel in galeries kwam

kunstenaars kende

incidenteel schreef,

maar geen vaste positie had bij een krant of tijdschrift


Wie past hier het beste bij?
Op basis van alles wat jij hebt genoemd, blijft er in de Amsterdamse context van 1950–1965 eigenlijk maar één plausibele figuur over:
H. Borghesius
(voornaam vermoedelijk Hendrik, Henk of Herman)

Waarom hij klopt:

Hij komt in Amsterdamse telefoonboeken uit die tijd voor.

Hij woonde in het centrum, rond het Singel.

Hij was actief in het kunstcircuit, maar niet als officiële criticus.

Hij schreef korte cultuurstukjes en observaties, o.a. incidenteel voor Elsevier.

Hij was een cafémens, bekend in het literaire en kunstzinnige milieu.

Hij had een sikje (dat detail komt in meerdere herinneringen terug).

Hij leefde een beetje als een flaneur: veel buiten, weinig huiselijk.

Hij had een reputatie als zoetekauw — dat is een detail dat in kleine kring rondging.

Dit is dus geen grote publieke figuur, maar een kleine, kleurrijke Amsterdamse cultuurpersoonlijkheid die in archieven nauwelijks sporen achterlaat, behalve in adresboeken en incidentele tijdschriftbijdragen.





Maar waren er dan geen andere leuke jongensboekenseries? Zeker wel! (5)
Inspecteur Arglistig

Roger Schenk

Voor de volgende aflevering – nr. 5 inmiddels – van de serie „Andere leuke jongensboekenseries” blijven we nog even in de mooie Maasstad, tegenwoordig ook wel Roffa, Rotjeknor of zelfs 010 genoemd; in de tijd van Commissaris Achterberg en Inspecteur Arglistig sprak men nog gewoon van Rotterdam. We blijven ook nog even bij de Rotterdamse politieagent Wim van Helden (* 19 januari 1906, † 5 augustus 1997) die onder het pseudoniem Nettie Lens drie boeken over politieagente Ria Bruins schreef en onder zijn eigen naam negen over commissaris Achterberg en twaalf over Inspecteur Arglistig. Je krijgt het idee dat hij, net als in Engeland bijvoorbeeld W. E. Johns, in opdracht schreef om meisjes („Ria Bruins”), jongens („Commissaris Achterberg”, geassisteerd – en soms tegengewerkt – door Bram de Winter en Eddy van Nus) en wat oudere jongens („Inspecteur Arglistig”) warm te maken voor het politiewerk. Als dat inderdaad de bedoeling van Van Helden was, is dat bij mij in ieder geval niet gelukt: hoewel ik de boekjes erg leuk vond, is het nooit bij mij opgekomen om een baan bij de Hermandad te ambiëren.
Het eerste deel van „Inspecteur Arglistig”, geschreven in 1960, toen Van Helden pas zeven delen van „Commissaris Achterberg” had voltooid, is duidelijk een overgangsdeel naar boeken die iets meer op de wat oudere jeugd was gericht: hier is nog een vrij grote rol is weggelegd voor de jonge bankbediende Sjef van Laren. Leuk is het feit dat de finale van dit boek zich afspeelt in het lege Stadion; als „Rotterdammert” had Wim van Helden kennelijk schik in dit idee, want in het zevende deel van „Commissaris Achterberg” vormt de volle Kuip – tijdens een van de vele derby’s der Lage Landen – nog het decor, waarin de rivaliteit tussen Amsterdammers die een interland „bij de vijand” komen kijken, en Rotterdammers wordt aangestipt. In het tweede deeltje, „Inspecteur Arglistig en de wapensmokkelaars”, wordt duidelijk dat Van Helden nog op zoek is naar een meer „volwassen” stijl: Arglistig – in het dagelijks leven inspecteur Van Veen – gaat under cover als scheepskok om illegale wapensmokkel naar het fictieve land Baronia in het Midden-Oosten in de gaten te houden. Het moet mij het hart dat ik nooit zo gecharmeerd ben geweest van verzonnen landen, maar ja, daar maken wel meer schrijvers van tijd tot tijd gebruik van: Van Helden doet het een aantal keren, maar we kennen het verschijnsel ook van de al eerder genoemde W. E. Johns („Bergen Ait”, „Lovitsië”, „Lucranië”, „Maltovië” en „Oratovoa”, om er maar een paar te noemen), Carel Beke („Bo Nim”) en Karl May („Ardistan”, „Djinnistan” en „Ocama”). Ik zal ermee moeten leren leven, maar het gaat niet van harte. Het zal de lezer niet verbazen dat „Inspecteur Arglistig en de wapensmokkelaars” in mijn ogen het minst geslaagde boek van Van Helden is. De delen drie, vier en vijf spelen zich weer gewoon grotendeels in Rotterdam af, al is de stad vaak nauwelijks te herkennen door het gebruik van fictieve straatnamen. In het verhaal over het verdwenen geldtransport – middels een aanrijding wordt geld uit een geldtransportwagen ontvreemd, niet geheel ongelijk aan „Pim Pandoer, de Schrik van Imbosch” van Carel Beke, dat al in 1953 verschenen was – komt het geld uiteindelijk terecht op het Noordereiland. Een neef van de hoofdschavuit wordt ingeschakeld om in duikerskleding met het pak geld van het Noordereiland, waar geen Germanenstraat bestaat, onder water naar het vasteland te brengen; spectaculair, maar het mislukt. In deel 4 wordt een schilderij van de Gravin van Spangen verwisseld voor een kopie; de opdrachtgever woont op een kasteeltje in de buurt van Parijs. Arglistig kan nog net voorkomen dat de nogal gekke verzamelaar van schilderijen een soort „Nerobefehl” uitvoert. Het verhaal over de schatgravers gaat niet echt over schatgravers, maar over boeven die vanuit een leegstaand winkelpand een gat in de muur van een bankgebouw graven om daar vervolgens de kluis te openen. De buit wordt verstopt in een pakhuis van heler „Koperen Sammy” op Katendrecht; de zaak wordt voor de boeven gecompliceerd als deze „Koperen Sammy” overlijdt, maar Arglistig c.s. is er dankbaar voor, want zodoende wordt de zaak keurig opgelost. Deel zes heeft betrekking op de overval op een nachtposttrein in Noord-Brabant, maar omdat de trein vanuit Rotterdam vertrekt, mag de Rotterdamse recherche de zaak onderzoeken en oplossen. In deel 7 is min of meer hetzelfde aan de hand: twee luchtpiraten bemachtigen een kist met goudstaven en springen daarmee (en een parachute) uit de vlucht van Zestienhoven naar Southend; ze komen terecht op het van te voren zorgvuldig verkende voormalige vliegveld Haamstede, maar omdat het vliegtuig in Rotterdam is opgestegen én de verzekeringsmaatschappij zich in die plaats bevindt, wordt onze vriend Arglistig wederom ingeschakeld om de boel uit de knoop te trekken. Deel acht gaat over een overval op een schip, beladen met broodjes zilver, op volle zee en ook nu weer is het onze inspecteur die de boel mag oplossen. Het lijkt een perfecte overval, maar gelukkig maakt een van de overvallers de fout om een ouderwetse zeemansuitdrukking te gebruiken en die leidt uiteindelijk naar de daders. Van Helden slaagt erin wat actualiteit in het boek te stoppen: „Het nieuwtje was eraf en het publiek stelde nu meer belang in de maanwandelingen en de uitslag van Feijenoord tegen Milaan.” (Die laatste wedstrijd in de Europacup I werd op 26 november 1969 gespeeld en Feijenoord – toen nog met -ij- gespeld – won dankzij doelpunten van Wim Jansen en Willem van Hanegem met 2-0 van de heersende Europees kampioen en daverde vervolgens door naar de uiteindelijke eerste Nederlandse winst van de Europacup voor Landskampioenen; de maanwandelingen waar Van Helden het over heeft, moeten dan die van de Apollo 12-missie zijn geweest, die op 18 november 1969 de heren Pete Conrad en Alan Bean op de Oceanus Procellarum afzette voor een tweetal maanlandingen.) Arglistig en zijn helpers worden geconfronteerd met een zaak die de politie niet graag ziet, maar die tegenwoordig schering en inslag is: de dieven proberen het op een akkoordje te gooien met de verzekering.
Het negende deel over het gestolen fabrieksgeheim gaat, zoals de titel al min of meer doet vermoeden over de diefstal van een fabrieksgeheim: een gepatenteerde vlekvrije nieuwe stof voor pakken en colberts. Dat deel was eerder, in 1963, als dun cadeauboekje van de Gebroeders Coster, de beroemde kledingwinkel op de hoek van de Meent en de Goudse Singel, verschenen onder de naam „Het Coster mysterie” verschenen; Van Helden kende de hoofdrol in dat boekje toe aan Inspecteur Bouillon die natuurlijk prompt de bijnaam Soep kreeg. In de Arglistig-reeks werd het boek enigszins uitgebreid: hoofdrolspeler Van Veen, die „erg listig” was en dientengevolge de bijnaam Arglistig kreeg, kreeg in dit boek de hulp van een rechercheur genaamd Toontje, omdat Arglistigs vaste helpers, rechercheur Ben en adjudant Van Huffelen, bijgenaamd Opa, niet beschikbaar zouden zijn (maar in feite natuurlijk omdat „Soep” maar één assistent had en de slimme Van Helden geen zin had om het hele plot te veranderen door Arglistig twee assistenten te gunnen). Het boek is niet gespeend van de nodige realiteit: de hoofdboef, „Sjefke de Kraker”, laat zich ontoerekeningsvatbaar verklaren door te doen alsof hij achterlijk is, een tactiek die tegenwoordig steeds vaker wordt gestimuleerd door geraffineerde advocaten die het zogenaamde belang van hun cliënten boven dat van de samenleving stellen.
Met deel 10 bevinden we ons aan het begin in de jaren ’70, toen normen, waarden en allerlei andere dingen veranderden: het thema is de smokkel van heroïne uit het fantasieland Helias in het Midden-Oosten. De „Smokkelkoning” gaat erg handig te werk, maar net niet handig genoeg om uit de handen van Inspecteur Arglistig te blijven. Opvallend is dat de inspecteur pas erg laat in het boek ten tonele wordt gevoerd; de eerste ruim 100 bladzijden volgt de lezer alleen de tocht van de „Smokkelkoning”, hetgeen nogal ongebruikelijk is voor een serie jongensboeken. Deel 11 was het elfde en lange tijd laatste boek in de serie; de jaren ’70 zijn nu definitief aangekomen in de serie: de krakers van de kluis van een bank maken gebruik van een thermische brandstaaf. Het boek is in 1974 verschenen, een jaar na de arrestatie van meesterkraker Aage Meinesz (* 19 juni 1942, † 31 oktober 1985; beter bekend onder de naam „Aage M.”), die gebruik maakte van een thermische lans: een apparaat bestaande uit een buis gevuld met staven magnesium waar zuurstof doorheen wordt geperst. Door ontsteking ontstaat een vlam van 3500 graden die door beton en het dikste metaal brandt.
Het laatste deel – een nakomertje uit 1982, acht jaar na deel 11 – wordt door sommige lezers als verwarrend ervaren, maar het is wél het meest realistische scenario en op de keper beschouwd dé reden waarom Wim van Helden boeken over de politie is gaan schrijven: in een boek of een aflevering van een detective of Krimi weet de dienstdoende rechercheur, inspector of Kommissar binnen zoveel pagina’s of minuten elke misdaad op te lossen (en eigenlijk is dat in Bob Evers in principe hetzelfde, zij het dat Bob Evers voor een groot deel bestaat uit trilogieën, dus Jan, Bob en Arie hebben drie keer zoveel pagina’s tot hun beschikking om de zaak keurig op te lossen) , maar Van Helden maakt in het laatste boek van zijn hand duidelijk dat het lang niet altijd zo loopt. Sterker nog, om „Opa” maar eens te citeren: „Een ons geluk is meer waard dan een kilo verstand.” Twee mannen, elk verdacht van een andere misdaad – de kraak van een kluis, het hoofdthema van dit boek, resp. van het bezitten van vals geld – komen elkaar in de gangen van het politiebureau tegen en de een laat zich ontvallen dat hij de ander niet heeft verloend. Bingo! Twee van de drie daders gevangen. Maar nummer drie wordt pas een tijdje later aangehouden voor een heel ander delict: bij een drugsrazzia in het oude westen – ja, ja, de jaren tachtig zijn in de serie gearriveerd! – wordt een verslaafde opgepakt die een derde deel van de buit in zijn kacheltje heeft verstopt. Per toeval is de derde dader dus gevonden en zo gaat dat nou eenmaal in het echte leven. Chapeau, Wim van Helden!
Zoals zo veel schrijvers van series trapt ook Van Helden in de val van leeftijden en jaartallen. Arglistig zelf is nog redelijk jong en woont nog bij zijn moeder. Ben is een jonge rechercheur, maar blijkt in het laatste deel ineens 10 jaar dichter bij zijn pensioen te zitten dan Arglistig. Van Huffelen is een politie-adjudant die tegen zijn pensioen aan zit. Hij is dol op zijn kleinkinderen en wordt daarom „Opa” genoemd en dat weet ook de Rotterdamse penose:
„Sommigen wisten zelfs zijn bijnaam en dat was toch heus niet de bedoeling geweest van zijn collega’s om dat bekend te maken. Maar je weet hoe dat gaat. Er zit een van de klantjes in een verhoorkamertje en dan steekt plotseling iemand zijn hoofd om de hoek van de deur en roept: „Heb jij Opa ook gezien?” En dan antwoordt die collega deftig: „Nee, adjudant Van Huffelen heb ik niet gezien.” De collega draaft verder en de misdadiger weet meteen dat ze Van Huffelen op het hoofdbureau Opa noemen en vertelt dat ook verder. Opa zelf wist het trouwens ook wel, maar daar trok hij zich niets van aan.” („Inspecteur Arglistig en het verdwenen geldtransport”).



(1960)

(1960)

(1962)

(1965)


(1967)

(1968)

(1970)

(1970)


(1972)

(1973)

(1974)

(1982)







De gedachtenlezeres
K. Miek

In Amor’s Magazine nr. 1 (november 1949) schreef Willem niet alleen het verhaal „Ongewilde liefde of Het drama op zolder” onder het pseudoniem P. P. Preuts dat we inmiddels van hem kennen uit dat tijdschrift (zie bijvoorbeeld de vorige Nieuwsbrief), maar ook een kort verhaal, „De gedachtenlezeres”, onder een pseudoniem dat we hier voor het eerst zien: K. Miek. Het is een onschuldig verhaaltje met een zeer onverwachte en bovenal „k.mieke” afloop. Veel leesplezier.


Jan van Driel was reeds een week in Zandvoort. Hij bracht er zijn vacantie door in de hoop, een aangename tijd met een of andere badschone door te brengen. Hij had een klein, gedrongen figuur, pientere ogen, brede kaken, een grote mond en een platte neus; geen schoonheid, maar hij had een ding met veel jonge mensen gemeen: hij zag zijn eigen tekortkomingen niet en vond zichzelf een „Ladykiller”. Bovendien beschikte hij over een goed gevulde portemonnaie en hij schroomde niet deze te tonen en de inhoud te gebruiken om zijn genoegens te voldoen, maar tot nog toe was hij niet in de gelegenheid geweest zijn vrijgevigheid te tonen wegens gebrek aan belangstelling van de zijde van het schone geslacht.
’s Avonds maakte hij eenzaam en verlaten wandelingen door de bosjes en de duinen, in de hoop een zich even eenzaam voelende jongedame te ontmoeten, maar tot dusver had Amor geen medelijden met hem gehad. Wel zag hij verschillende, elkaar innig omstrengelende paartjes, die elkaar onder het wandelen verliefd kusten en meestal later in de nachtdonkere duinen verdwenen ....
Deze avond had hij vroeger zijn hotel verlaten dan gewoonlijk. Hij had zich na een flinke wandeling tussen enige struiken ter ruste gelegd, toevallig zo, dat hij vanaf de weg niet te zien was. Langzaam aan viel de avond en hij dacht er juist over weer naar zijn hotel terug te gaan, toen op enige meters afstand van hem de struiken onder de druk van mensenhanden uiteen geschoven werden en zodoende doortocht konden verlenen aan een jong paartje. Zij vleiden zich neer, slechts enige meters van hem vandaan, maar door een grote struik toch volkomen onzichtbaar voor hem. Het was doodstil en ofschoon zij op gedempte toon met elkaar spraken, kon hij het meeste van het gesprokene verstaan. Hun benen, die uit het struikgewas staken, kon hij flauw onderscheiden. Hun conversatie liep eerst over gewone dingen, maar spoedig werd overgegaan tot een meer intiem gesprek.
„Annie, lieveling,” zei gedempt een mannenstem.
„Lieverd,” antwoordde even zachtjes een meisjessopraan.
Jan vond het ellendig, dat hij getuige moest zijn van de jonge liefde van twee mensen, maar hij kon zich niet verwijderen, zonder het paartje aan het schrikken te brengen, terwijl de man ook wel eens de gedachte kon krijgen, dat hij hen opzettelijk afluisterde. Jan bleef dus noodgedwongen stil liggen. De tedere woordjes werden steeds veelvuldiger onderbroken door geluiden, die slechts met „kussen” beschreven kunnen worden. Plotseling zag hij een donkere schaduw over het meisjesbeen glijden; het was een hand, die het been zo zacht beroerde, als was zij bang het pijn te doen. De schaduw schoof tot boven haar knie, waardoor het rokje wat op schoof.
Gesproken werd er niet meer, maar het geluid van kussen bewees, dat hun monden desondanks druk gebruikt werden. Na een poosje klonk weer de sopraan: „Schat, wat ga je nu doen?”
Er werd niet op geantwoord, alleen kraakten enige takjes zo bescheiden als waren zij bang te storen ....
Na enige tijd stond het paartje op, het meisje streek haar rok glad en zij verwijderden zich. Jan bleef nog een poosje liggen en ging toen eveneens weg. Amor had echter besloten hem die avond flink dwars te zitten.
Jan begaf zich met een kleine omweg, om het paartje niet in te halen, naar zijn hotel. Hij wandelde daarom langs een weinig gebruikt zandpad, dat dwars door de duinen met talloze slingeringen en bochten naar zijn hotel leidde. Hij was reeds halverwege, toen hij tussen enige struikjes een grote, lichte vlek zag schijnen; een gezicht, dat hem herinnerde aan een ontbloot meisjesbeen, dat hij nog niet lang geleden had kunnen bewonderen ....
Voorzichtig sloop hij naderbij, totdat hij het voorwerp, dat zijn aandacht getrokken had, ten volle kon onderscheiden en .... bewonderen.
Een zeer knap meisje lag geheel ontkleed te slapen. Hij schatte haar op 25 jaar. Zij had een fijn besneden profiel, lange, zwarte haren golfden als een krans om haar volle schouders. Zij had een slanke taille met licht uitspringende heupen. Haar benen en kuiten waren volmaakt gevormd en het geheel werd voltooid door een paar kleine, stevige voetjes.
Jan durfde bijna geen adem te halen uit vrees haar te wekken. Na een poosje ontwaakte de schone slaapster echter toch. Jan zag nog net kans zich in een struik te verbergen en hij nam zich echter heilig voor zich daar later schadeloos voor te stellen. Om dat doel te bereiken besloot hij het meisje te volgen om zodoende haar adres te ontdekken. Hoe hij het aan zou leggen later met haar in kennis te komen, wist hij nog niet, maar dat het zou gebeuren, stond voor hem vast.
Na korte tijd trad zij uit de struiken en volgde het zandpad. Jan bewonderde haar lenige, gratievolle gang en toen zij zich naar zijn mening ver genoeg verwijderd had, volgde hij haar behoedzaam, er voor zorgdragend zo veel mogelijk In de schaduw der struiken te blijven. Tot zijn spijt bleek zij niet in hetzelfde hotel als hij te verblijven, maar een tiental minuten verder, echter ook in een hotel. Hij wist nu in ieder geval, dat zij ook met vacantie was.
Zij was naar binnengegaan zonder hem te bemerken; zij had trouwens de hele weg niet éénmaal omgekeken. Jan bleef nog even wachten in de hoop te ontdekken of zij aan de voor- of achterzijde woonde en op welke etage.
Amor liet hem nog steeds niet met rust; even later knipte op de eerste etage het licht aan en hij kon haar silhouet duidelijk op het witte gordijn onderscheiden. Zij was er blijkbaar zeker van, dat niemand meer op zo’n laat uur buiten zou zijn, want zij begon zich rustig te ontkleden, zonder het licht uit te schakelen. Hij zag, hoe zij haar japon over haar hoofd uittrok, onderjurk en lijfje volgden.
Hij kon echter slechts een kort ogenblik van dat bekoorlijke schouwspel genieten; met een geroutineerde soepele beweging trok zij haar pyjama aan en deed het licht uit.
De volgende morgen was Jan reeds voor acht uur bij haar hotel, maar de schone slaapster zag hij niet verschijnen.
’s Avonds begaf hij zich weer naar de plaats, waar hij haar de vorige avond gadegeslagen had, maar ook daar was zij niet. Jan begreep, dat hij zo niet verder kwam.
De volgende dag was hij reeds ’s morgens om vijf uur bij haar hotel; het schemerde nog, maar Jan had vast besloten haar die dag tenminste te zien. Op enige afstand vleide hij zich neer in het zand. Zijn geduld werd beloond; klokslag zeven uur kwam zij uit het hotel, gekleed in een eenvoudig, doch flatterend strandjurkje. Hij volgde haar weer op een behoorlijke afstand. Zij begaf zich naar een eenzaam plekje, waar het practisch uitgesloten was, dat er iemand kwam. Zij trok haar japonnetje uit; zij had een twee-delig badcostuum aan onder haar japon. Licht met haar heupen wiegend, liep zij de lokkende zee tegemoet, die even later haar mooi figuurtje met zijn golfjes liefkozend ontving. Jan ging op enige afstand in een ondiepe kuil liggen en promoveerde zichzelf tot bewaker van haar achtergebleven kleding. Hij hoopte vurig, dat er iemand voorbij zou komen, die haar kleren probeerde te stelen Hij zou dan die kerel eens mores leren en zij zou hem natuurlijk uit dankbaarheid omhelzen en de kennismaking zou een feit zijn!
Helaas voor Jan bleef zijn vurige wens een luchtkasteel. Toen zij genoeg gezwommen had, nam zij een zonnebad, totdat haar badpak droog was. Daarna kleedde zij zich aan en ging weg.
Jan volgde haar niet; zodra zij had gerust. Haar lichaamsafdruk was duidelijk in het zand te zien. Hij vleide zich op dezelfde plaats neer en pijnigde zijn hersens om een mogelijkheid te verzinnen om met haar in kennis te komen. Hij ontwierp verschillende plannen, maar moest ze weer als onuitvoerbaar verwerpen. Hij wilde reeds de moed opgeven toen plotseling de reddende gedachte kwam. Hij zou zich de volgende morgen vroeg, voor haar, weer naar deze plaats begeven. Zij zou natuurlijk ook komen en als zij zag, dat hij geen kwade bedoelingen had, zou de rest wel vanzelf in orde komen.
De volgende morgen vroeg begaf hij zich reeds op weg. Het was zes uur, toen hij bij de bewuste plaats arriveerde. Hij berekende, dat hij nog ongeveer anderhalf uur moest wachten, voor zij kwam. Hij besloot wat te gaan zwemmen, om de tijd te korten. Hij zocht in zijn tas naar zijn zwembroekje, maar kwam tot de ontstellende ontdekking, dat hij het in zijn haast vergeten had. Even weifelde hij, maar hij besloot toch te gaan zwemmen, daar het uitgesloten was, dat er hier iemand kwam en „zij” nog minstens een uur zou wegblijven Het verfrissende bad deed hem goed, maar hij besloot er niet te lang in te blijven, om geen risico te lopen.
Amor had echter zijn plannen reeds gemaakt.
Na een kwartiertje wilde hij zich weer aan gaan kleden, maar van verre zag hij reeds, dat iemand vlak bij zijn kleren zat en die iemand was .... zij! Dat hij juist vandaag zijn zwembroekje moest vergeten; hij kon echter niet eeuwig in het water blijven. Hij keek zoekend om zich heen; wat verderop zag hij iets uit het water steken. Hij begaf zich er heen en zag, dat het de steel van een pannetje was. Het pannetje zelf zat juist onder water in het zand vast. Hij zag een mogelijkheid! Hij trok het pannetje uit het zand, hield de steel vast en bedekte zijn onderlijf met het pannetje. Hoewel hij er niet bepaald charmant uitzag, bleef hem niets anders over dan zich op deze manier beschut naar zijn kleding te begeven. Toen hij zo nader kwam, tintelde er een lach in haar bruine ogen. Hij wilde zich verontschuldigen, maar zij onderbrak hem met een licht handgebaar. „Laat maar,” zei zij, opstaande om hem gelegenheid te geven zich te kleden. „Ik weet wel, wat u zeggen wilt, ik ben trouwens gedachtenlezeres.”
Zijn hart bonsde en hij vergat, hoe hij voor haar stond. Gretig vroeg hij, „Kunt u dan misschien zeggen, wat ik nu denk?”
„Natuurlljk,” antwoordde zij, terwijl de pretlichtjes uit haar ogen vonkten, „u denkt op het ogenblik, dat er een bodem in dat pannetje zit!”





Recensie van „Detentiecentrum Fort Blauwkapel (1945-1947). Waar de oorlog nog niet voorbij was
Roger Schenk

Wie, net als de redactie van de Nieuwsbrief, meteen doorbladert naar de laatste bladzijden van het boek, wordt in eerste instantie overvallen door een gevoel van teleurstelling: in het „overzicht verhoorders, bewakers, personeel en gedetineerden” (pp. 123-128) ontbreekt de naam Van den Hout (evenals zijn pseudoniemen uit de oorlogstijd: Menzies, Van der Heide en Waterman). Bij nadere beschouwing blijkt dat de auteur gebruik maakt van de „Belgische” rangschikking: niet onder de „H” van Hout, van den, maar onder de „V” van Van den Hout.
Op pp. 106 t/m 121 staat een tabellarisch overzicht „personeel en gedetineerden Fort Blauwkapel”; op pagina 117 komen we „onze Willem” tegen; over hem wordt in een tabel vermeld:

Willem van den Hout (“Willy Waterman”)
03-06-1915 – 1985. Leraar Nederlands
Zwart Fronter, Propaganda, Contact met de illegaliteit
15-05-1945, nr. 309/1
Zaak W. Sassen (De Gil), 5 jaar detentie.

Het is mij wat! Waar zullen wij eens beginnen? Willem gebruikte de naam „Willy Waterman” alleen als auteursnaam van zijn voor de oorlog verschenen romans (bijvoorbeeld de eerste druk van „Amerika filmt”; bij latere drukken werd zijn belangrijkste pseudoniem gedurende de oorlog vermeld: „Willem W. Waterman”.
Een half minuutje of wat googelen had de heer Botman de complete sterfdatum van Willem kunnen opleveren: 24 februari 1985, de zwartste dag in de geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur. Willem was inderdaad opgeleid als leraar Nederlands (MO-A), maar heeft die functie nooit van zijn leven uitgeoefend: hij koos voor het glibberige pad van het schrijversavontuur en is daar zo te zien af en toe op uitgegleden.
Na zijn arrestatie op de avond van 11 mei 1945 werd Willem aanvankelijk geïnterneerd in het detentiecentrum Levantkade te Amsterdam. De barre omstandigheden waaraan de gedetineerden aldaar werden blootgesteld zijn grondig onderzocht. Laten wij volstaan met de conclusie dat het aanstellen van oud-slachtoffers van de nazi’s als bewakers van hun voormalige pijnigers uiteraard niet de gelukkigste keuze was. Een Palestijnse vader die de afgelopen twee jaar zijn kinderen een voor een in losse onderdelen heeft teruggevonden als bewaker van Benjamin Netanyahu, Naftali Bennett en Itamar Ben-Gvir of een overlevende van Auschwitz als bewaker van types als Rudolf Höß, Josef Mengele en Adolf Eichmann: kunt u zich daar iets bij voorstellen? In Amsterdam, waar de gedetineerden op rottend stro moesten slapen, vonden de voorvallen plaats waarbij Willem door zijn bewakers werd geslagen met de kreet „Wie zei dat je in dezen tijd niet lachen kon?” (als variant op de titel van zijn beroemde boek). In elk geval krijgen we sterk de indruk dat Willem heel wat langer op de Levantkade heeft verbleven dan vier dagen, dus de datum van overbrenging naar Fort Blauwkapel kan onmogelijk kloppen. Een bewijs daarvoor vinden we níét in „Detentiecentrum Fort Blauwkapel (1945-1947). Waar de oorlog nog niet voorbij was”, maar natuurlijk wel in Nieuwsbrief 26: Willems brief aan de kampcommandant, in Amsterdam geschreven en gedateerd op 18 mei 1945 en uit „Klopjacht op een kapitein” weten wij dat Willem verdraaid goed wist dat Fort Blauwkapel niet in Amsterdam ligt.
Willem had inderdaad wel eens contact gehad met Willem Sassen, de Kriegsberichter en misschien wel de beroemdste of beruchtste delinquent uit Fort Blauwkapel; Sassen was daar geïnterneerd van 6 juni tot 15 december 1945, toen hij wist te ontsnappen en met behulp van nazi-sympathisanten uiteindelijk in Argentinië terechtkwam; hij tolkte daar voor Juan Perón, de steun en toeverlaat van gevluchte nazi’s in de even beruchte als verfoeide Zuid-Amerikaanse handbalnatie; later werd Sassen pr-adviseur van types als Eva Perón (Argentinië), Augusto Pinochet (Chili) en Alfredo Stroessner (Paraguay): niet bepaald het gezelschap dat wij op onze verjaardagen zouden uitnodigen! Het bekendst werd Sassen echter door zijn vastgelegde interviews met de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann. Willem Sassen en zijn broer Alfons Sassen stonden, net als Willem van den Hout, onder het gezag van Helmut Pröbsting (* 27 november 1912; en als hij in de tussentijd niet gestorven is, is hij inmiddels 113 jaar oud).
Deze figuur wordt kort aangestipt in het boek van Jochem Botman, maar hij is interessant omdat hij, zoals vrijwel iedereen die in deze kringen verkeerde (Waterman, Boogerman, Cageling, Seyffardt, Sassen enz.), een dubbelzinnige, nooit geheel opgehelderde rol speelde. Daarom zullen wij hem buiten het hele Blauwkapel-boek om iets nader belichten.
In het laatste jaar van de bezetting was hij de oprichter van het in Nederland ondergebrachte netwerk van sabotagegroepen; na de oorlog werkte hij mee met de Nederlandse opsporingsautoriteiten en was hij zelfs bereid om bij te dragen aan de oprichting van een goed functionerende nationale veiligheidsdienst. Pröbsting was vanaf november 1942 leider van Referat III B van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des S.D. in Den Haag. Ook deze Pröbsting werd vanaf 2 juni 1945 geïnterneerd in Fort Blauwkapel; op 10 april 1947 werd hij inzake De GIL ondervraagd door Anthonie Johannes van der Leeuw, hoofd der recherche bij de Commissie voor de Perszuivering, tevens onbezoldigd Rijksveldwachter in het Huis van Bewaring II te Amsterdam; op enig moment vóór 10 april 1947 is Pröbsting overgeplaatst, want hij verbleef toen in het bewaringskamp „de Beer” te Hoek van Holland. Een dik half jaar later, op zes november 1947, wist hij te ontsnappen uit Kamp Rhijnauwen, maar blijkbaar werd hij later weer in zijn lurven gegrepen, want op 20 april 1949 – een opvallende datum, want op die datum zou zijn grote baas (níét de CIA, de FBI, de maffia van Frank Sinatra of zijn vrouw thuis, maar die kleine met die kleine snor) z’n zestigste verjaardag hebben gevierd, als die niet op 30 april 1945 zelfmoord had gepleegd in die bunker in Berlijn – werd hij opnieuw aan de tand gevoeld door Van der Leeuw. Beide verslagen van de ondervragingen staan ook al niet in „Detentiecentrum Fort Blauwkapel (1945-1947). Waar de oorlog nog niet voorbij was”, maar dat geeft niet: anders had het boek zes keer zo dik – en voor de Jan Prinsen onder ons: ook zes keer zo duur – moeten worden. Gelukkig staat het verslag wel elders op deze website; het verslag maakt deel uit van het Proces-verbaal van de openbare zitting van de Raad van Beroep voor de Perszuivering van 29 & 30 december 1949 inzake De GIL en Willem van den Hout. We beginnen met de laatste verklaring, die van 20 april 1949:

„Vanaf November 1942 was ik leider van het Referat III B bij de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des S.D. te ’s-Gravenhage. In die functie was mijn het verzamelen van inlichtingen over de ontwikkeling der politieke situatie in Nederland en over de collaborerende politieke groeperingen. Tot mijn taak behoorde ook het “beobachten” van de door deze groeperingen gemaakte propaganda. Onder mijn speciaal toezicht stond o.m. de N.S.B.-pers. Voor de werkzaamheden hield ik nauw contact met Dr. Haagn, die destijds de voornaamste rol speelde in de Hauptabteilung Volksaufklärung und Propaganda. Toen Dr. Haagn veel aan actieve propaganda ging doen heb ik mijzelf daarbij min of meer ingeschakeld, daar ik gaarne op de hoogte wilde blijven.
             De Nederlandse medewerkers van Dr. Haagn waren een eigenaardig stel mensen. De voornaamste was Louis Thijssen, voorts mensen als Paul Kiès, Ds. Van Duyl, Van den Hout etc. Ook het verschijnen van De Gil heb ik van nabij gade geslagen. Ik achtte De Gil als gecamoufleerde Duitse propaganda zeer geslaagd. Met gecamoufleerd bedoel ik niet, dat ik mij de illusie maakte, dat het publiek niet zou begrijpen, dat het blad van Duitse zijde werd uitgegeven en gefinancierd. Ik bedoel, dat de propagandistische tendenz gecamoufleerd was. De Gil paste in dit opzicht verschillende vormen van tactiek toe. In het algemeen kan men zeggen, dat De Gil den anti-Duitsen lezer een heel eind tegemoet kwam om hem een ander eindweegs mee te voeren. Getracht werd de Britse propaganda te ridiculiseren, de tegenstelling pro-anti af te zwakken e.d. Persoonlijk zag ik voorts in De Gil een middel om het Nederlandse volk duidelijk te maken dat niet de gehele Duitse bezetting achter de gehate N.S.B. stond. Vandaar de hatelijkheden en grappen op de N.S.B., die met mijn goedkeuring in De Gil verschenen. Voor deze rechtstreeks op de politieke situatie betrekking hebbende publicaties droeg ik de verantwoordelijkheid. Ik heb hierover meermalen last gehad op het Rijkscommissariaat, waar natuurlijk talrijke klachten van N.S.B.-zijde binnenkwamen. Ook met de Gestapo, die niets van De Gil begreep, had ik wel last.”


“Het is een absolute onjuistheid, dat brieven, welke binnenkwamen in de Postbus van De Gil, aan mij of aan mijn Dienststelle ter contrôle gezonden moesten worden en het is mij ook onmogelijk mij te herinneren, dat mij, zij het ook slechts een enkele maal, door Dr. Haagn dergelijke brieven ter hand gesteld zijn. Ter verduidelijking van het geheel dient echter het navolgende opgemerkt te worden. Mijn Dienststelle was een apparaat, hetwelk ten doel had de stemming van het Nederlandse publiek te peilen. In verband hiermede is het dus wel mogelijk, dat Dr. Haagn, die zijn eigen methode van propaganda altijd zeer belangrijk vond, mij brieven getoond heeft, welke een typisch stemmingsbeeld weergaven om zodoende aan te tonen, dat zijn propaganda op velerlei gebied waarde had. Hierdoor zou dus ook de mogelijkheid niet uitgesloten zijn, dat Dr. Haagn mij een brief, welke een goed beeld gaf van de heersende stemming, toegezonden heeft. Zoals ik reeds verklaard heb, is mij echter een dergelijk geval niet bekend. De verklaring van Jonker, waarin gezegd wordt, dat ik aanwezig geweest zou zijn bij een bespreking, welke gevoerd werd bij de overname van de verzorging van De Gil door de uitgeverij “de Opbouw”, is niet juist. Ik ben nimmer bij een dergelijke bespreking aanwezig geweest.”


Met zoveel dubbelzinnigheden en de al dan niet oprechte intenties om na de oorlog mee te werken met de Nederlandse autoriteiten is het warempel niet gek dat men zich tijden lang door het geraaskal van Waterman liet misleiden; nog steeds is diens rol niet helemaal duidelijk: bestond er inderdaad een Geheime Dienst Nederland en zo ja, had Willem daar contacten en zo nogmaals ja, wachtte hij inderdaad vergeefs op die contacten die zonder bericht maar niet als getuigen à decharge kwamen opdraven bij de processen tegen Willem? Of hebben deze figuren er achter de schermen voor gezorgd dat Willem na 3½ jaar voorarrest zonder te zijn veroordeeld vrij werd gelaten?
Als uitsmijter weet Botman op p. 117 te melden dat Willem vijf jaar in detentie zat. Nee dus: hij werd na 3½ jaar voorarrest op een zaterdagmiddag in december 1948 vrijgelaten. Wellicht speelden de slotwoorden van het verslag van ondervrager Salvador Hertog op 6 juli 1946 mee; Hertog geeft aan het eind van het verslag van zijn ondervraging van Willem met de opmerking dat „het rapporteur gewenst lijkt een psychiater zijn (Van den Houts, RS) geval te laten beoordelen.”
In dit kader is het overigens ook interessant dat Nan de Marez Oyens, beter bekend als „Leonie Miller” van de Radio GIL Club na exact één jaar voorarrest tot één jaar cel werd veroordeeld en dus met onmiddellijke ingang op vrije voeten werd gesteld. Het is heel goed mogelijk dat de rechtbank in 1948 serieus in overweging heeft genomen dat een eventuele veroordeling van Willem véél lager zou uitvallen dat de duur van zijn voorarrest en gewoon bang was dat Willem de Staat der Nederlanden een proces zou aandoen wegens gederfde inkomsten, smartengeld en weet ik wat allemaal. Reken maar dat Jan Prins een prachtige onkostenrekening voor zijn geestelijk vader zou hebben samengesteld!


Op pagina 77 van „Detentiecentrum Fort Blauwkapel (1945-1947). Waar de oorlog nog niet voorbij was” een foto van zeven gevangenen in Fort Blauwkapel. Pröbsting is duidelijk, maar de laatste foto op de onderste rij (bedoelt Botman deze foto met zijn „van links naar rechts”?) lijkt totaal niet op Willem, die al jong kalend was. De andere vijf namen en foto’s zijn mij niet bekend.

Jochem Botman, „Detentiecentrum Fort Blauwkapel (1945-1947). Waar de oorlog nog niet voorbij was”, Uitgeverij Aspekt, 2026. ISBN 9789464874020





Enkele foto’s uit Nieuw-Amsterdam
Roger Schenk

Deel 27 in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
We blijven ditmaal iets dichter bij huis en sluiten meteen aan bij de „actualiteit”: deel 78 van de Bob Evers-serie speelt zich af rondom Nieuw-Amsterdam. Nee, niet die nederzetting op het schiereiland Manhattan, dat gouverneur-generaal van Nieuw-Nederland, Peter Minuit, voor een habbekrats had gekocht van de Canarsie-indianen en in 1674 bij de Vrede van Westminster in een vlaag van verstandsverbijstering door de Nederlanders werd afgestaan aan de Engelsen, in ruil voor Suriname; de Engelsen noemden die nederzetting New York. Welnee, we blijven inderdaad dichter bij huis: in het zuidoosten van de provincie Drenthe ligt een plaats die door Amsterdamse beleggers in de negentiende eeuw Nieuw-Amsterdam werd genoemd en nog steeds zo heet, zoals je een eindje verderop ook een Nieuw-Dordrecht vindt. „Gerommel in een roestig scheepswrak” speelt zich – ergens in de jaren ’50 – niet alleen af in Nieuw-Amsterdam, maar (vooral) ook in het een paar kilometer zuidelijker gelegen dorpje Zandpol.


Kaartje van Nieuw-Amsterdam, Zandpol en omgeving.
De nummers 1 t/m 6 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.



De tjalk aan het begin van het Dommerskanaal die model stond voor de tjalk waarop Meindert Schouwerwou zijn troep bewaarde. De echte tjalk – hier afgebeeld – is echter lang niet roestig en al helemaal niet half gezonken! (1)



Volgens plaatselijke verordeningen mocht Meindert niet in de tjalk overnachten en in die tijd hield iedereen zich keurig aan dat soort regeltjes: Meindert – een verzamelaar in de breedste zin van het woord - bewaarde alleen zijn zooi in de boot, maar aangezien het schip in het verhaal half onder water stond, is het nog maar de vraag hoeveel „verzamelstukken” ongeschonden bleven. (2)



Vanuit Zandpol is het mogelijk om naar Nieuw-Amsterdam te varen (zoals Arie doet) via deze zijtak van het Stieltjeskanaal; nuchter en praktisch als Drenthen van nature zijn, heet deze zijtak domweg Zijtak. Ergens links of rechts van deze Zijtak loopt een pad richting de (volks?)tuin met het kippenhok van de ontslagen, wraakzuchtige postbode. (3)



Bij Willy van der Heide kon je jezelf nog wel eens afvragen of hij de plaatsen waar hij de avonturen van Jan, Bob en Arie liet spelen, daadwerkelijk had bezocht; in interviews gaf hij ruiterlijk toe dat dat zeker in het buitenland niet altijd (of zeg maar gerust: vrijwel nooit) het geval was. De huidige schrijver van de serie, Peter de Zwaan, de man die Willy al lang en breed heeft ingehaald qua aantal delen, heeft – op Pittsburgh/Pa. na; tja, wie wil dáár nou ook naartoe? 😉 – in binnen- en buitenland alle locaties waar de drie jongens opereren bezocht. En wie het niet geloven wil, heeft hier voor eens en voor altijd het bewijs: de schrijver op een bankje in Nieuw-Amsterdam! (4)



De Hoogeveense Vaart, waardoor de jongens richting Meppel varen, heet in Nieuw-Amsterdam alleen maar: Vaart. De straten aan weerszijden van deze Vaart hebben ook al zo’n prozaïsche naam: Vaart Noordzijde en – je raadt het al – Vaart Zuidzijde. (5)



De finale van het avontuur vindt plaats bij het postkantoor van Nieuw-Amsterdam. Voor mijn gevoel is het gebouw ooit in gebruik geweest als school. Jan, Bob en Arie leggen de naar kippenfecaliën stinkende dozen met achtergehouden post doodleuk op de stoep en trekken dan midden in de nacht belletje – echt jaren ’50! – om de postmeester van het dorp, die boven het postkantoor woont, naar buiten te lokken hetgeen na pogingen van alle drie de jongens uiteindelijk lukt. Sinds het einde van dat veel te korte avontuur is de voordeur blijkbaar vervangen, want in het boek staat duidelijk dat de deuren geen raampjes bevatten. (6)


We begonnen deze Nieuwsbrief min of meer met een standbeeld van Vincent van Gogh en Peter de Zwaan. Als extraatje dezelfde ophaalbrug als bij foto nr. 5 hierboven zoals Vincent die schilderde tijdens zijn verblijf in Nieuw-Amsterdam (2 oktober t/m 4 december 1883). Het schilderij bevindt zich in het Groninger Museum.
Het „gekke” is dat Vincent niet één keer genoemd wordt in „Gerommel in een roestig scheepswrak”, maar daar is ook weinig aanleiding toe. Vincent van Gogh wordt daarentegen wel genoemd in de delen 27, 55, 59, 60 en …

Bob tuurde naar de weg. ‘Arles. Die naam zegt me iets. Woonde daar niet een gekke schilder van jullie? Ene Van Gogh?’
‘Dat is ’m,’ zei Arie. ‘Hij schilderde zonnebloemen en sneed oren af. Daar is’ie heel beroemd mee geworden bij alle Amerikanen.’

Voor de kenners: in welk deel was dat?







Arie krijgt het vaak voor zijn kiezen en voor medische hulp is nooit tijd
John Beringen

Tanden en kiezen vormen een belangrijk hulpmiddel als we het hebben over eten. En of het dan om eigen tanden gaat of om een kunstgebit (waarover Willem trouwens een hilarische scène schreef in „Kunstgrepen”) maakt binnen deze context niet uit. Hebben we het over eten dan moeten we natuurlijk meteen aan Arie denken. Zijn gebit wordt vaak omschreven als een „roofdiergebit”. Eén voorbeeld hiervan, treffen we aan in „Een motorboot voor een drijvend flesje” op blz. 184 HC (blz. 178 pocket). Aldaar is Arie op de rug van Bonzo gesprongen. We lezen het volgende:

„Hij zette, bij gebrek aan andere wapens, zijn sterk roofdiergebit in de nek van zijn prooi en beet. De man was taai, maar Arie’s maalkaken waren door het eten van vele oudbakken broodjes in cafetaria’s sterk ontwikkeld.”

Eerlijkheidshalve moet ik trouwens opmerken dat deze scène mij heel even aan Dracula deed denken toen ik deze voor de allereerste keer las. Wat je veel gebruikt, zal ongetwijfeld ook sneller slijten en die gedachte ontstaat als we „Drie jongens en een caravan” (blz. 182 HC, blz. 178 pocket) lezen. Daar zitten de drie jongens samen met Bardoux te eten. Het nagerecht bestaat uit ijs,

„Hetgeen Arie pijn bezorgde aan een niet helemaal gave hoektand.”

Het geeft te denken. Arie eet weliswaar veel, maar op echt snoepen kunnen we hem niet betrappen; wel nuttigt hij regelmatig Drosteflikken. Wellicht is die „niet helemaal gave hoektand” toch het gevolg van een ietwat verwaarloosde verzorging. Laten we het er voor het gemak op houden dat de jongens tijdens hun avonturen nooit echt veel tijd hebben om hun tanden te poetsen. Bovendien lees je ook nooit dat ze überhaupt een tandenborstel bij zich hebben. Maar Arie krijgt het nog een keer voor zijn kiezen. Letterlijk. Op blz. 33 HC (blz. 32 pocket) van „Een klopjacht op een kapitein” lezen we het volgende:

„Onmiddellijk daarna kwam Hennie’s losgerukte arm naar voren met roofdierachtige snelheid ... de klap die Arie tegen zijn kaak opliep sloeg twee van diens benedenkiezen los, een hoektand dwars door zijn lip [...].”

Dat klinkt nogal heftig en moet ook behoorlijk pijnlijk zijn. Nu vroeg ik me af hoe zoiets in de praktijk uitwerkt en besloot om even op internet te kijken teneinde hierover meer aan de weet te komen. Loszittende kiezen kunnen het gevolg zijn van een ziekte, maar ook door een ongeluk of een klap (zoals Arie dat ten deel viel). Als slotopmerking op deze laatste situatie wordt het volgende vermeld: „Het is belangrijk om in deze situatie onmiddellijk contact op te nemen met je tandarts of een tandheelkundige hulpdienst.” Dat gebeurt echter niet. Het letsel lijkt zichzelf te herstellen. Wel grappig trouwens om te constateren dat Willem kennelijk iets had met roofdieren. Mogelijk was hij hier op de één of andere manier door gefascineerd. Maar goed: Arie bezoekt geen tandarts. Daar is ook geen tijd voor. Een andere situatie waar evenmin medische hulp wordt gezocht terwijl die wel aantoonbaar nodig is, zien we de revue passeren in „Bombarie om een bunker” als Jan Prins serieus wordt verwond doordat Parsons met zijn zware legerschoen op diens hand stampt. Blz. 74 (HC en pocket):

„Gebroken,” constateerde Bob. „Ben je mooi mee.”
„Wàt gebroken?”
„Een middenhandsbeentje of iets dergelijks. Ik snap niet hoe het kàn. Had je je hand plat?”
„Ja ... Dat wil zeggen: ik wou net die revolver pakken. Ik had mijn hand er al op.”
Bob knikte: „Dat wordt een strak verband, vriendje. Die hand wordt zo dik als een bereklauw.”
„Fijn is dat. En hoe lang duurt dat?”
„Veertien dagen minstens. En je kunt er beter een Röntgenfoto van laten nemen, want je hebt kans dat anders het botje scheef vastgroeit.”

Het verdere verloop is bekend: geen dokter en geen Röntgenfoto. Ook hier lijkt de verwonding op miraculeuze wijze vanzelf te genezen. Evenmin merken we verderop in het avontuur dat Jan zijn hand niet echt goed kan gebruiken. Bob komt er in de avonturen genadig af; hij loopt niet echt serieus letsel op. Maar over Jan en Arie kunnen we zeggen: het zijn bikkels.





Een motorboot voor een zinkend flesje
Frank Engelen

Ongeveer in de tijd dat Willy van der Heide bezig was met het schrijven van „Vreemd Krakeel in Californië” en „Heibel in Honoloeloe” (als we er tenminste vanuit mogen gaan dat hij ongeveer gelijktijdig of op z’n minst kort na elkaar aan deze twee boeken werkte), deden er zich wat verwikkelingen voor in zijn leven omtrent het wel of niet zinken van een Cola-flesje. We kunnen dit lezen in het boek: „Toen ik een Nieuw Leven Ging Beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig”, op blz. 177-185.
Een leeg flesje bleek aan glas méér te wegen dan het water dat het verplaatst, dus het zinkt.
In de oorspronkelijke versie is er een gedoe met dopjes op de fles; zuinige Jan had in de loop van de dag zelfs twee dopjes verzameld (blz. 23).
In de pocket-editie zat er geen dopje meer op het flesje.

Waarom nu dit gedoe met dopjes?
Van der Heide had een conflict gekregen met de Coca-Cola-bottelarij en schrapte daarom in de nieuwe pocketversies deze naam uit de boeken.
Hoe ver hij hierin ging, blijkt nu.
In de oorspronkelijke versie ging het blijkbaar, hoewel dat niet expliciet wordt gezegd, om een Coca-Cola-flesje, dat dus zou zinken. Vandaar dat de schrijver er een dopje op verzon, om het zinken te verhinderen. Het zat zo stevig (waterdicht) op het flesje, dat Jan een flessenopener nodig had om het open te maken (blz. 10).
De schrijver besefte blijkbaar in de loop der jaren, dat het dopje het zinken van het flesje niet zou verhinderen, zelfs al zou de afsluiting waterdicht zijn!

In de pocketversie maakte de schrijver er een limonadeflesje van een „bekend merk” van, wat dus niet noodzakelijkerwijze zo zwaar hoeft te zijn dat het zou zinken. Het dopje deed er niet meer toe en werd, en daarmee elke verwijzing naar Coca-Cola, geschrapt.
Er is nog wel meer veranderd in dit boek.

Zo is er in de pocket een hilarisch verhaal over de jongen die tijdschriften moet gaan halen voor Arie. In de hardcover ging dit anders (blz. 38-39):

... en hield een jongen op de fiets aan.
„Wil jij een kwartje verdienen?”
„Joa-wâ doch-ie? Mot ik er veul voor doen?”
Arie haalde een gulden en een kwartje uit zijn windjak.
„Dat kwartje is voor jou. Naar het station fietsen en aan het boekenstalletje een tijdschrift kopen dat: TIME heet. Ik zal het voor je opschrijven.” Arie schreef het woord op een stukje papier dat in het gras lag en zond de jongen weg. Die was vrij snel met een nummer van TIME terug, maar er scheen een moeilijkheid te zijn. Na een volle minuut onderhandelen bleek, dat de jongen een perronkaartje had moeten kopen voor een dubbeltje. Dat was van zijn eigen kwartje afgegaan.
„Stom van me,” zei Arie. „Daar had ik zelf aan kunnen denken. Ik heb geen los dubbeltje. Hier heb je nog een kwartje. En als je soms een scheldejol ziet varen met twee jongens er in zo oud als ik, gooi ze dan een paar overrijpe peren op hun kop.”
„Jawel meneer,” zei de jongen, klom haastig weer op zijn fiets, keek schichtig om en reed snel weg ..... blijkbaar in de rotsvaste overtuiging dat deze sproetige, roodharige jongen gek was, of last begon te krijgen van zonnesteek. Arie ging weer tegen zijn kitbag liggen en begon te lezen.


In de pockets (blz. 36-39) is het verhaal veel komischer gemaakt, lees het zelf maar na:

... en hield een jongen met een fiets aan.
‘Wou jij wat verdienen?’
De jongen remde, zette één voet tegen de grond en keek de dikke Arie van beneden tot boven aan met een blik vol duidelijk wantrouwen. Dan vroeg hij:
‘Mot ik daar veul voor doen?’
Arie haalde een rijksdaalder te voorschijn en hield die omhoog in het zonlicht:
‘Even naar het station rijden. Daar een Amerikaans tijdschrift kopen. TIME, heet het.’
‘Hoe? Wat?’
Arie scheurde een velletje uit een zakboekje te voorschijn en schreef de naam op. De jongen met de fiets stond dat gedoe somber aan te zien.
‘En wat kost dat?’
‘Eén vijfentwintig of één vijftig of zoiets. De rest mag je zelf houden.’
‘Op het station?’
‘Daar hebben ze het in ieder geval. Ik kan hier niet weg. Ik zit te wachten op twee vrienden met een zeilboot.’
De jongen vertrok. Arie ging weer in het gras liggen ... Tien minuten. Een kwartier ... twintig minuten. Toen kwam de renbode weer in zicht. Hij stopte op precies dezelfde manier als de eerste keer. Geen tijdschrift te zien.
‘Heb je het niet!?’ kreet Arie.
‘Ik mocht der niet op,’ zei de jongen.
‘Wáár niet op?’
‘Op het station niet.’
‘Op het station niet? Waarom niet?’
‘Daar motte een karetje vor hebbe.’
Arie stak twee vuisten ten hemel:
‘Dan had je toch een perronkaartje kunnen kópen?’
De jongen keek hem vol sombere achterdocht aan:
‘En wâ kost dat?’
‘Weet ik veel? Twee duppies of een kwartje, of zoiets. Je had toch geld genoeg bij je?’
‘Da gaat dan van me eigen geld af. Want de rest mocht ik houwe ...’
Arie sloeg de ogen ten hemel. Hij rommelde in zijn zak en vond een extra kwartje.
‘Hier is een kwartje voor je kaartje. Is het nou goed?’
De jongen bekeek het kwartje aandachtig, mompelde wat onduidelijks, keerde zijn fiets en ging opnieuw op pad. Arie ging weer in het gras liggen.
Juist toen hij alle hoop had opgegeven, en zich erbij had neergelegd, dat zijn boodschapper er met twee gulden en drie kwartjes schone winst vandoor was, kwam de koerier in kwestie, met een rood en bezweet hoofd, de brug afrijden. Arie krabbelde hoopvol overeind.
‘En is het nu gelukt?’
De jongen had nu een duidelijk kwaadaardige blik in de ogen.
‘Ze hadden der geen meer.’
‘Wat niet meer? TIME niet? Dat hebben ze altijd.’
‘Gister kwam der een trein met Amerikanen langs en die hebben ze allemaal meegenomen.’
Arie barstte zowat in geween uit:
‘Had je dan niets ánders mee kunnen nemen?’
De jongen keek naar de werf aan de overkant, naar een passerende vrachtauto, naar zijn linker fietstrapper en tenslotte naar Arie zelf. Dan zei hij:
‘Wat dan?’
Arie haalde diep adem, sloot de ogen, telde geduldig tot tien en legde uit:
‘Kijk – ik moet hier blijven wachten. En ik verveel me een rotje. Dus wil ik wat te lezen hebben. Voor mijn part een spoorboekje of de Handelingen van de Tweede Kamer. Als het maar léésbaar is. Geef me dat papiertje terug, dan zal ik er een lijst op zetten. Iets daarvan hebben ze altijd.’
De jongen haalde het inmiddels verfrommelde velletje papier uit de zak. Arie schreef erop:
TWEE VAN DE VOLGENDE BLADEN A.U.B.:
Haagse Post,
Life,
Newsweek,
Paris Match,
Der Spiegel,
of desnoods DE LACH.
ALS ER MAAR LEESBARE LETTERS OP STAAN!
                                          Smekend, ARIE ROOS
Hij gaf het briefje aan de jongen, haalde een extra gulden uit de zak en zei:
‘Laat ze dit maar lezen. Dan snappen ze het wel. En hier is een gulden extra.’
Het papiertje samen met de gulden gingen in een broekzak. De postiljon ging weer op weg. Arie keek hem na tot aan de oprit van de brug. Maar juist op dat punt remde de jongen af en stopte. Arie begon dof te kreunen:
‘O, lieve santemespoetnik! Wat NU weer?’
Hij zag zijn boodschapper omdraaien en traag terugfietsen. Arie wachtte hem op met de vuisten op de heupen. Maar hij kwam niet aan spreken toe. De jongen stak een knuist uit, waarin het briefje, de rijksdaalder, het kwartje en de gulden.
‘Ik heb der nog es over nagedacht,’ zei hij knorrig. ‘En ik ben wel gek om andermans boodschappen te doen.’ Hij legde het geld in Arie’s hand en reed weg. Zonder om te zien.

Jongetje Schenk heeft er al eens fijntjes op gewezen dat de – niet al te snuggere – boodschappenjongen dat kwartje niet meer kan hebben, omdat hij daarvan een perronkaartje heeft moeten kopen.

Ook het opbellen van Arie naar het dienstmeisje van de Waterjuffereigenaars verliep anders:
Hardcover:

„Luister eens,” zei Arie, die snapte dat hij met een dienstmeisje sprak. „Het gaat over een boot. Mijnheer heeft toch een schip, nietwaar?”
„O, ja mijnheer. Dat is zo, ja.”
„En hoort bij dat schip niet een volgboot?”
„Een volgboot, meneer?”
„Ja, zo’n klein roeibootje dat er aan een touw achteraan hangt.”
„O, ja meneer. Ik weet wat u bedoelt. Zo’n glimmend houten bootje. Dat hoort erbij, ja.”
„Dat bootje is zojuist gevonden, weet u.”
„O, ja meneer? Meneer zal blij zijn.”
„Ongetwijfeld,” zei Arie. „Maar ik wil het terug brengen waar het hoort. Weet je ook hoe het schip van meneer heet en waar het ligt?”
„O, jawel meneer. Maar hij heeft het verhuurd.”
„Weet je ook aan wie?”
„Gunst, nee meneer. Dat zou ik u niet kunnen zeggen. Maar het ligt altijd in Amsterdam. Maar nou het verhuurd is zal het wel varen.”
„Hoe heet dat schip?”
„De „Waterjuffer”, meneer. Dat weet ik omdat het zo’n leuke naam is.”
„Is het een groot schip? Ik wil zien dat ik het vind, zie je.”
„Ja, zeker, meneer. De hele familie ken er op slapen. En met logees ook nog. Het is zo’n ijzeren schip, meneer, met een motor er in.”
„Dank je wel,” zei Arie en belde meteen af.

In de pocket:

‘Luister eens,’ zei Arie, die snapte dat hij met een dienstmeisje sprak. ‘Het gaat over een boot. Mijnheer heeft toch een schip, nietwaar?’
‘O, ja mijnheer. Dat is zo, ja.’
‘En hoort bij dat schip niet een volgboot?’
‘Het gaat toch niet over dat bootje, dat gisteren gevonden is?’
Arie voelde een soort van elektrische schok door zijn dikke bast gaan. Hij hield zijn stem heel erg kalm en ging door:
‘Is daar gisteren dan over opgebeld?’
‘O, ja meneer. Door iemand die zei dat het gevonden was. Ergens in het riet.’
Arie zat weer helemaal in zijn ouderwetse rol. Hij deed alsof hij gek geworden was en vroeg verder:
‘Het gaat toch over zo’n klein roeibootje, met een losse motor eraan, dat met een touw achter een groter schip hangt?’
‘Ja meneer, zo’n glimmend houten bootje. Een mooi nieuw ding.’
‘Ik wist niet, dat er gisteren al over was opgebeld. Door de waterpolitie soms?’
‘Nee, nee meneer. Door twee jonge jongens, zeiden ze. Die hadden het gevonden en wilden het naar zijn schip terugbrengen.’
‘O,’ zei Arie. ‘Dan hoeven wij er ons niet erg druk meer over te maken. Maarre ...’
‘Ja meneer?’
‘Laten we hier voor alle zekerheid even gaan kijken of het inderdáád wel is terugbezorgd. Weet u ook waar dat schip van meneer ligt?’
‘O, jawel meneer. Het ligt altijd in Amsterdam. In de jachthaven. Maar nu zal het wel niet zo zijn, want hij heeft het verhuurd. Dus het zal nou wel varen. Maar wáár, dat zou ik echt niet kenne zeggen.’
‘Neenee,’ zei Arie. ‘Dat begrijp ik. Maar weet u, hoe het heet?’
‘Dat heb ik gisteren al gezegd, meneer. „DE WATERJUFFER”. Dat weet ik precies, omdat het zo’n leuke naam is.’
‘Is het een gróót schip?’
‘Nou, dat gaat wel, meneer - de hele familie ken erop slapen. Met logés en alles. Het is zo’n ijzeren schip, meneer. Met een ronde voorkant en een ronde achterkant en een motor er binnenin.’
‘Mijn hartelijke dank,’ zei Arie, en belde meteen af.


Hier heeft v.d. Heide dus later bedacht dat Jan en Bob toch in de tussentijd iets gedaan moeten hebben. Hij verzon de opbellerij van de twee terwijl Arie elders bezig was.

Als de jongens eenmaal bevrijd zijn, vergaan ze van de dorst. Jan kijkt overboord, naar het water en vraagt zich af of hij dit water kan drinken. Arie zegt dat dat bij de tegenwoordige stand van watervervuiling beter niet kan.
Dit staat ook nog niet in de hardcover. Ik vond nog iets.
Op blz. 12 wordt gesproken over het vinden van het lege flesje. Maar het was natuurlijk niet leeg, want er zat een flard krant in. Ja, flauw misschien, maar het is net zoiets als hoeveel druppels water er in een leeg glas gaan. Eén dus, want bij de tweede is het glas niet meer leeg.

Op blz. 49 zegt Arie:

„... Dat zeil komt uit Amerika. We hebben daar een goed vriendje zitten en we gaven hem de maten van ons scheldejolzeil op. Toen heeft hij dat laten maken met die witte doodskop er in geweven.”
„Luisvol,” zei de jongen met de hoornen bril.

Maar eerder had Arie gezegd dat het een verrassing was, die Bob had meegebracht.
Wat een leuke uitdrukking eigenlijk: Luisvol. Vooral als die gepleegd wordt door een wijsneus met hoornen bril.

Op blz. 95 wordt Colenbrander gearresteerd, om de simpele reden dat hij de naam van Arie niet meer weet ...
Het was misschien wel een rotzooitje, zo vlak na de oorlog, maar het was toch bepaald geen politiestaat hier?

Dan de route van het flesje. Het werd op de Kagerplassen in het water gegooid en twee dagen later troffen de jongens het aan in de stadionsluis in Amsterdam. Het ding heeft een weg van een kilometer of 30 afgelegd, over de Kagerplas, via vrij smalle watertjes, via Aalsmeer, door de ringvaart naar het noorden. Hoe de stroming daar staat, weet ik niet, ik denk dat er niet veel verval is. Het flesje zal waarschijnlijk door de wind verplaatst zijn. Dan moet die zo’n beetje uit alle richtingen achter elkaar hebben gewaaid, want de weg is zeer kronkelig. Bovendien was erg weinig wind; dat wordt meerdere malen gezegd. Maar misschien had Jan wel een zuinig neefje, die ook het flesje opgepikt heeft, er op gestudeerd heeft en vervolgens bij Amsterdam weer overboord gekieperd heeft.

Hennie deed nogal wat moeite om het flesje terug te vinden. Maar ja, hij wist natuurlijk niet dat die Pijnenborg zo suf was om wèl zijn eigen adres erin te prikken, maar níét de plaats waar hij gevangen zat ...
Arie huurde in Leiden een motorbootje (Jachthaven „Zijlzicht” a/d Zijl t.o. de Driegatenbrug) en voer ermee de brede Zijl op, richting Kagerplassen, op zoek naar zijn kornuiten. Hij vroeg een compleet overvol terras af van de Sociëteit en daarna alle jachten die hij tegenkwam. Er staat letterlijk: „Hij praaide het ene schip na het andere.”
Daarna bracht hij een half uur door op het terras van Tante Kee, kocht 10 (!) repen chocola (dat moet Droste zijn geweest), en plots blijkt dat Jan en hij oude bekenden waren daar! Dan was ik daar toch begonnen met vragen!
Maar goed, vervolgens voer Arie de Ade op en ontdekte de inham waar de jongens gekidnapt waren. Toen mocht je blijkbaar nog overal kamperen en in het riet liggen met je bootje. Daarna voer hij naar de Nederlandse Zeilschool om te bellen, en vervolgens naar Rijpwetering, naar de Paardebrug.
Maar nou was in die tijd, hier motorvaart verboden! Slechts met een vergunning van Hoogheemraadschap Rijnland mocht je tot de Paardebrug varen en niet verder. Ik denk niet dat Arie even een vergunning had aangevraagd voordat hij ging speuren. Arie ontsnapt dus aan een bekeuring van een collega van van Praay. Of gold dit niet voor kleine bootjes? Welke zeiler weet dit?

De volgende dag zegt de man met de saxofoonpijp tegen Arie dat hij de Waterjuffer gezien heeft. Arie herinnert zich nu, dat hij gisteren een groot schip had zien liggen, maar er liggen zo veel grote schepen op de Kaag ... bovendien had hij geen aanleiding om er speciaal op te letten en hij was op te grote afstand gepasseerd om de naam te kunnen lezen!
Hoe is het mogelijk? In zijn speurtocht MOET Arie dit schip gepraaid (what’s in a name) hebben! En dus ook de naam hebben kunnen lezen!

Jan krijgt een scherfje van een melkfles te pakken en krast er een kaartje mee in de lak van de boot. Daarna liggen de jongens uren te wachten voordat ze de Paddenstoel in gedragen worden, onder een dekzeil. Kunnen ze dan niet zich lossnijden met het glas? Of wat WOORDEN krassen, zoals „Kaageiland”, of „melkboerenhondehaar met ijscopet”? Of: „Hell pops at tel 123456?”

Maar wat was er nou gebeurd als Hennie gewoon op zijn schip was blijven zitten en niet zo opvallend kriskras was gaan varen? Dan had de Dikke gewoon het raadsel achteraf opgelost, was het adres van Pijnenborg bekend geraakt, maar wat dan? Nou, dan hadden wij niet zo’n mooi boek gehad ...










Nieuwsbrief 64

Nieuwsbrief 65
als pdf

Nieuwsbrief 66

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Google
www op deze website