Nieuwsbrief 63

Nieuwsbrief 64
als pdf

Nieuwsbrief 65

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Nieuwsbrief nr. 64
ISSN 1386-6451
januari 2026 - 32e jaargang nr. 1



Hoofdredactie: Roger Schenk en John Beringen; medewerkers: Hans en Ton Kleppe,
allen buitengewoon honorair leden van het Bob Evers Genootschap.
redactieadres: Mauritsweg 62 , 3314 JH DORDRECHT - internetredactie: nieuwsbrief@apriana.nl
www.apriana.nl




INHOUD :
Nieuws van de redactieRoger Schenk & John Beringen
VroegerPeter de Zwaan
Recensie van deel 76: Jolijt met gejatte jachtenSchout-bij-kunstlicht Spook
Recensie van deel 77: Leergeld betalen om labelsSchout-bij-kunstlicht Spook
DAT hebben er meer geweten!John Beringen
Hoe zit het nou eigenlijk met de linguïstische vaardigheden van Jan, Bob en Arie?Roger Schenk
Historisch geluidsdocumentJohn Beringen
Bobs Bronnen (17) : „De Kanaken-stuurman heette, vreemd genoeg, Muriloff”Roger Schenk
WebsitePeter de Zwaan
Maar waren er dan geen andere leuke jongensboekenseries? Zeker wel! (4) Commissaris AchterbergRoger Schenk
Enkele foto’s uit HonoluluHans Kleppe & Roger Schenk
Ongewilde liefde of Het drama op zolderP. P. Preuts
Cameo in CaïroAlie Loos




Nieuws van de redactie
Roger Schenk & John Beringen

U bent nog lang niet van ons af! De Nieuwsbrief is helemaal terug!

Nieuwsbrief 63 verscheen inmiddels alweer zo’n anderhalf jaar geleden. Een vast onderdeel van de Nieuwsbrief was jarenlang een kort verhaal van Willy van der Heide (of een van zijn vele pseudoniemen). Helaas is de voorraad korte verhalen in het bezit van de redactie op. Wat niet bepaald helpt, zijn de „onmogelijke” namen van de tijdschriften waarin onze grote vriend Waterman – onder welk pseudoniem dan ook – heeft gepubliceerd: probeer maar eens te googelen op Jeugd, Jeugdkampioen of Post. De redactie beschikt wel over een stapeltje Candy’s waaraan Willem enthousiast aan mee heeft gewerkt, maar diezelfde redactie heeft unaniem besloten om die bijdragen niet in de Nieuwsbrief te publiceren. Wij zaten dus met de handen in het – nou ja, dat spul dat lang geleden onze koppen sierde. Jaren geleden gedane toezeggingen om (kopieën van) die tijdschriftjes te geven, werden niet nageleefd en daarom had de redactie er even balen tabak van, zoals dat heet.
Gelukkig verscheen na verloop van tijd een reddende engel in de vorm van Klaas de Krijger! Hij voorzag de redactie van een aantal nummers van Amor’s Magazine, waardoor wij eindelijk weer (even) vooruit kunnen. Klaas, dè ge bedankt bent, dè witte!
En ach, we hebben met z’n allen na „Cnall-effecten” toch zeker veertien jaar gewacht op het verschijnen van een nieuw Bob Evers-deel („Bob Evers belegert Fort B”), vervolgens nog eens tien op weer een nieuw deel („Een zeegevecht met watervrees”, en ook tussen de delen 50 en 51 (eerste druk) zaten enkele jaren, tussen 51 (eerste druk) en 52 nogmaals, dus ja, wat maakt een jaartje wachten op een nieuwe Nieuwsbrief nou uit in een mensenleven?

De delen 76 en 77 zijn verschenen!

Voorzijde van „Driftbuien in Driewegsluis”,
door Lia Krijnen

Voorzijde van „Met zakgeld naar Zanzibar”,
door Lia Krijnen



Ook in 2026 is driemaal nog steeds dat goeie, ouwe scheepsrecht!

Zoals uit Peters en Lia’s kerstkaart op Facebook blijkt, staan er voor dit nieuwe jaar staan alweer drie nieuwe Bob Evers-delen op stapel. De nummering schuift wederom een beetje: een verhaal uit de begintijd van de vriendschap van Jan, Bob en Arie, „Gerommel in een roestig scheepswrak”, verdringt het begin van een nieuwe trilogie van de 078ste plaats. Dat verhaal speelt zich niet af in 078, zoals u misschien zou denken: dat is alleen maar het kengetal van enkele plaatsen waar in totaal een slordige 75% van de buitengewoon honoraire leden van het Bob Evers Genootschap woonachtig is. Het verhaal speelt zich zelfs niet af in Nieuw-Dordrecht, maar wel daar in de buurt: Nieuw-Amsterdam en omgeving.
De delen 79 en 80, „Belegering bij Bourtange” resp. „De vesting van Finsterwolde”, spelen zich af in het hedendaagse Groningen, de provincie waar Jan, Bob en Arie tot nu toe nog nooit zijn geweest. Daar komen zij o.a. wederom in conflict met een aantal Polen, waardoor hier en daar een communicatieprobleem ontstaat. Meer over conversaties met buitenlanders, met name in het buitenland, maar deze keer dus in Nederland, leest u in het artikel „Hoe zit het nou eigenlijk met de linguïstische vaardigheden van Jan, Bob en Arie?” elders in deze Nieuwsbrief.

Bob Evers leeft nog steeds!

In de krant „Argus”, die het wel vaker over Willy van der Heide in al z’n verschijningsvormen heeft gehad, vermeldde Ewoud Sanders in zijn rubriek „Woordhoek” de term lawaaikraai, volgens hem gemunt door Willy van der Heide in een van diens boeken. Gelukkig was daar de ons allen Peter Stöve, die middels een ingezonden brief op 15 januari 2026 meldde, dat onze schrijver dit woord niet in de Bob Evers-, maar in de Wanda Moens-serie gebruikte, om precies te zijn in „Drie meisjes en een Lord”; dat deed hij natuurlijk niet onder het pseudoniem Willy van der Heide, maar onder Sylvia Sillevis.

Kerstkaart van Lia Krijnen en Peter de Zwaan



Maar het Bob Evers Genootschap betreurt een van zijn oprichters

Eind mei 2025 bereikte ons het verschrikkelijke bericht dat Frans Verpoorten jr. op de vijftiende van die maand was overleden. Frans Verpoorten jr., geboren op 25 januari 1949, was in 1972 een van de vijf oprichters van het Bob Evers Genootschap. Het stemt ons intens treurig dat inmiddels meer dan de helft van hen onder de groene zoden ligt. Frans’ vader was de beroemde kunstschilder Frans Verpoorten (sr.) (* 5 januari 1924, † 27 juni 1997). Frans jr. was van beroep fotograaf en maakte begin jaren ’70 deel uit van het schrijvers- en filmerscollectief Joyce & Co., de groep rond Geerten Meijsing. Laatstgenoemde, een van de twee nog levende bestuursleden van Het Genootschap, liet Frans Verpoorten jr. met enige regelmaat in zijn romans figureren onder de namen Frans en Tony Mascini.
In de laatste jaren van zijn leven heeft Frans Verpoorten jr. tegen de bierkaai in de vorm van de hardvochtige gemeente Haarlem moeten vechten: Frans woonde al sinds 1970 in het pand van zijn vader, dat van origine een atelier was, maar volgens de gemeente officieel niet als woonhuis mocht fungeren. Deze ongelijke en onnodige strijd, waarbij rücksichtslos voorbij werd gegaan dat deze gemeente meer dan een halve eeuw heeft toegestaan dat Frans hier heel officieel en heel prettig woonde, vergalde de laatste levensjaren van de sympathieke fotograaf. Veel van Frans’ foto’s zijn door hemzelf gedigitaliseerd en gearchiveerd op
popstockfoto.com; veel daarvan hebben de Stones en Geerten Meijsing als onderwerp. Meijsing schreef ooit over Frans:

Eigenlijk was Frans de enige onder ons die een afwijkend gedrag liet zien, doordat hij zich kleedde en bewoog als een kruising tussen Mick Jagger en Prins Philip, en ook zijn smaak was een wonderlijke combinatie van kitsch, kennislacunes en charme. Hij had een merkwaardig talent om mensen naar zijn hand te zetten en wekte voortdurend de indruk koortsachtig met iets bezig te zijn. In zijn ogen stond doorgaans een prikkelende opwinding te lezen en de gewoonste routinehandelingen kregen in zijn bijzijn de glans van een spannend avontuur.

Wij houden de gedachte aan Frans Verpoorten jr. levend en wensen hem het allerbeste, waar hij ook is.


Frans Verpoorten jr. (links) in gelukkiger tijden, om precies te zijn op 4 oktober 2003. Op de foto is het moment te zien waarop hij Roger Schenk (midden) de bul, behorende bij het buitengewoon honorair lidmaatschap van het Bob Evers Genootschap overhandigt. Voorzitter Peter J. Muller (rechts) kijkt goedkeurend toe.



Helaas betreurt de Bob Evers-gemeenschap nog een ouwe getrouwe

Bob Evers en andere boekwerken van onze besnorde boezemvriend bemachtigen bleek vroeger lastiger dan u in het internettijdperk denkt, maar niet onmogelijk. Herinnert u zich nog de lichtblauwe catalogus van Antiquariaat De Spreng in Almkerk, die met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk op onze deurmat plofte? Nou ja, ónze deurmat? De werkelijk geraffineerden onder ons lieten de catalogus op hun werk bezorgen, zodat zij er als het pluimvee bij waren om een ijltelefoontje richting Almkerk te plegen, terwijl anderen nog niets vermoedend aan het werk waren en hun catalogus pas ’s middags of ’s avonds thuis aantroffen. Die tijden dus, wie kent ze niet? Het zal deze en gene wellicht zijn opgevallen dat we al een tijdje geen lichtblauwe catalogi meer ontvangen. En daar is helaas een „goede” reden voor, want Ton van der Heijden is, naar de redactie onlangs pas hoorde, in de zomer van 2024 overleden. Rust zacht, Ton, de gedachten van ieder die ooit boeken bij jou gekocht heeft, zijn bij jou en je nabestaanden.

In deze Nieuwsbrief treft u behalve de vaste rubrieken Bobs Bronnen (aflevering 17 alweer), de nog jonge serie waarin aandacht wordt besteed aan andere series dan Bob Evers (deel 4) en Enkele foto’s uit ... (deel 26), een voorbeschouwing van Peter de Zwaan op de drie nieuwe delen aan. Peter heeft de smaak van het schrijven goed te pakken, want behalve met drie nieuwe delen verrast hij ons in 2026 twee columns in dit blad. John Beringen heeft bandrecorderbanden ontdekt waarop Pia Beck geïnterviewd wordt door de zus van Willem van den Hout; in Johns andere bijdrage aan dit nummer verschijnt dan weer een ander familielid van de grote schrijver ten tonele. Schout-bij-kunstlicht Spook laat als vanouds zijn visie schijnen op de twee laatst verschenen delen. In het tamelijk lange hoofdartikel heeft Roger minutieus uitgeplozen hoe het nu precies zit met de kennis van buitenlandse talen van Jan, Bob en Arie (en indirect ook een enkele keer van Willem zelf). De Nieuwsbrief wordt afgesloten door een bijdrage van Frank Engelen.
Ik zou zeggen: veel leesplezier!

In principe zou het zomaar kunnen dat u zelf nieuwstips, kopij, vragen, opmerkingen of een reactie hebt. Dat is dan goed nieuws, want uw bijdrage is meer dan welkom, liefst vóór 1 juni a.s., gericht aan nieuwsbrief@apriana.nl, zodat wij uw pennenvrucht in Nieuwsbrief 65 kunnen verwerken.





Vroeger
Peter de Zwaan

Laten we het eens hebben over vroeger. Ik ben van vroeger, veel lezers van Bob Evers zijn van vroeger. Dat schept een band en het scheelt een hoop uitleg.
Neem de jaren vijftig, daar weten we nog wel wat van, óf omdat we toen al rondliepen óf omdat we de boeken van Willy lazen en daardoor automatisch een paar honderd pagina’s lang in die jaren werden ondergedompeld. Mooie jaren, die met 50 erin. Waarin ik naar de lagere school in Meppel liep met mijn vriendje Henk en we teksten uit de Bob Evers-boeken herhaalden en herhaalden. Ik noemde de laatste regel van pagina 68, waarna hij de eerste regel van pagina 69 foutloos op moest zeggen. Blijf oefenen en het lukt. Ter hoogte van, toen, hotel Ogterop vielen we stil en liepen we langzamer. Daar zat hij, onze held, voor het raam en achter een typemachine. Aangesproken hebben we hem nooit, die lange, besnorde man ... je durfde niet. Mijn vader wel en daaraan dank ik een „Stille Zuidzee” met een handtekening en een opdracht.
Mooie jaren, zei ik, en een paar jaar geleden dacht ik: te mooi om te blijven negeren. Waarna ik „Fietspompen voor een fortuin” maakte, gevolgd door „Geduvel rond een duffel”. Een feest om te schrijven, boeken die zich afspelen in wat je jeugd was, waar je je dingen van herinnert ... maar helaas vaak wel een beetje fout. Waarna je gaat zoeken. In boeken, in
Wikipedia, overal waar je denkt iets van vroeger te kunnen vinden. De resultaten spreken elkaar soms tegen waardoor je een keuze moet maken. „Volgens mij zat het zo,” zeg ik dan tegen mezelf en ga aan de slag met een verhaal waarin nog telefooncellen zijn, waarin je een telegram kunt versturen, waarin je met een dubbeltje nog iets kunt doen. En waarin Jan, Bob en Arie elkaar niet kunnen bereiken door op knullige knopjes op een mobieltje te drukken en de een soms geen idee heeft waar de ander uithangt.
Ik beleefde zoveel plezier aan het schrijven van de twee jaren vijftig-boeken dat ik er nog eentje heb gemaakt: „Gerommel in een roestig scheepswrak”. Een avontuur zonder geweren, kanonnen en ander zwaar geschut, gewoon een verhaal over jongens die iets vreemds zien, achter hun neus aanlopen en daar mee in de boter vallen.
Als het niet zo moeilijk was om een origineel thema te vinden voor een boek dat zich dik zeventig jaar geleden afspeelt, dan zou ik meteen weer aan de slag gaan. O, nee, kan niet: ik moet eerst nadenken over het derde deel van de trilogie die begint met „Belegering bij Bourtange”. Deel twee is „De vesting van Finsterwolde”. Meestal bedenk ik de titel van deel drie als ik met deel twee bezig ben. Dat is dit keer niet gelukt en daarom kan ik jullie alleen de titel van het eerste hoofdstuk geven: „Een galerie bij Reckahn”. Reckahn? Het komt jullie niet onbekend voor en terecht. Het is het oord waarover jullie vele jaren geleden al lazen. Niet helemaal de jaren vijftig meer, maar wel een heel stuk terug.
Voor veel lezers is een Bob Evers-boek een lawine aan nostalgie. Voor mij ook en reken maar dat ik zit te genieten als ik schrijf.





Recensie van deel 76 : Jolijt met gejatte jachten
Schout-bij-kunstlicht Spook

Driftbuien in Driewegsluis” is het slotdeel van de Bokken-trilogie. Zuinige Jan reist van Emmeloord helemaal naar Beverwijk om Durk Leport aan de tand te voelen; tijdens dat gesprek blijkt dat Leport meer weet en dat de zaak heel anders in elkaar steekt dan Jan, Bob en Arie dachten. Ze krijgen ook hoe langer hoe meer het idee dat Leport niet het achterste van zijn tong laat zien. Leuk, zo’n opdrachtgever. Hij is niet de enige: voor- en tegenstanders munten uit door onvriendelijk en onsympathiek gedrag. Jan en Arie worden weggejaagd door vader en zoon Vinke, van wie jachten zijn gestolen en je dus iets meer medewerking of op z’n minst vriendelijkheid zou verwachten en Bob komt terecht op een briljanten huwelijksfeest en vervolgens midden in een zwerm kinderen, zoals Arie dat lang geleden op de Kaag overkwam in „Een motorboot voor een drijvend flesje”. Een door vader of zoon Vinke gestuurd karateduo gaat er met de Skagerrak vandoor en Bob raakt het spoor bijster.
Als Bob daarna verenigd is met Jan en Arie, zetten zij de achtervolging van de Skagerrak in, maar omdat de brug in Ossenzijl niet opengaat vanwege een enorme opstopping op de plaatselijke Hoofdweg, komen Jan en Bob niet verder, dus Arie zet de achtervolging in zijn eentje per fiets voort en hij komt terecht in Driewegsluis. Daar vindt hij inderdaad de Skagerrak, maar die blijkt ineens een andere naam te hebben: de aloude plakletters blijken anno 2025 ook nog te werken. Als Jan en Bob zich eindelijk bij Arie gevoegd hebben, zien ze het karateduo weggaan en gaan dan aan boord van het jacht. Het karateduo komt terug en wat volgt, is een miniatuur-zeeslagje, dat sterk doet denken aan de strijd op de Beulaker met Buikmans en Van Busekom; alleen waren dat geen karate-, kendo- of mixed martial arts-types, dus deze strijd is spannender. Er zijn van die mensen die – zonder de boeken van
Peter de Zwaan ooit gelezen te hebben – al lang geleden voor zichzelf (of misschien wel heel stoer: voor anderen) bepaald hebben dat Willy „alles” was en Peter „niks”. Nou, op mijn erewoord als oud-schout, in vechtscènes doen de nieuwe delen (vanaf de tweede helft van deel 36) echt niet onder voor de delen die Willy ooit schreef! De zeeslag gaat naadloos over in een complete veldslag bij „Paviljoen Driewegsluis”; de talloze bezoekers van het paviljoen bemoeien zich ermee en ineens verschijnen Ger en Suum, de ons inmiddels welbekende worstelaar van Wanneperveen, als duveltje resp. duvel uit een doosje ten tonele. Zij vechten het verder uit met het karateduo; intussen staat de Ramin in de hens: alsof je zit te kijken naar „Waterjuffer” meets „Roadhouse Valleyglade”. Prachtig!
Uiteindelijk wordt duidelijk dat de Vinkes de diefstal van twee jachten, een Skagerrak en een Nimbus, op de verzekering proberen te verhalen, terwijl zij beide jachten al lang en breed terug hebben. De finale vindt plaats op een industrieterrein aan de rand van Heerenveen; daarbij worden de Nimbus en de Maserati van Vinkes zoon onherstelbaar beschadigd; waarschijnlijk is dat ook het geval met de Skagerrak, maar dat wás al: door het fikkie en de daaropvolgende bluswerkzaamheden bij Driewegsluis.
Een schitterende afsluiting van deze trilogie! Dank u wel, meneer De Zwaan. Wij reizen graag met u af naar Zanzibar.
Peter de Zwaan, „Driftbuien in Driewegsluis”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2025. ISBN: 9789083514208





Recensie van deel 77 : Leergeld betalen om labels
Schout-bij-kunstlicht Spook

In dit deel scheiden de wegen van Bob en Arie enerzijds en van Jan anderzijds; dat komt er nou van als je twee kantoren hebt, eentje in Sausalito/Ca. en een in Amsterdam. Het kantoor van REP Research International in Sausalito/Ca. bestaat uit een woonboot en daar is onlangs ingebroken, zo luidt het bericht uit de Verenigde Staten. De inbreker heeft een gat in de wand van de boot geslagen en nu ligt het ding scheef in het water. Bob en Arie gaan poolshoogte nemen en komen al snel op het spoor van een Tanzaniaanse transportonderneming. Toeval bestaat niet, maar het blijkt een lang gekoesterde wens van Jan te zijn om Zanzibar te bezoeken, sinds 1964 een semi-autonome provincie binnen de Verenigde Republiek Tanzania. Jan gaat eerst inlichtingen inwinnen bij pa Roos. Tijdens de conversatie met de oude reder blijkt dat onze geliefde Bob Evers-boeken nog steeds even leerzaam zijn als in de tijd van Willy van der Heide. Behalve alle ins en outs over containerschepen heeft pa Roos het over Dar es Salaam en hij noemt dat de grootste stad van Tanzania, dus niet: hoofdstad; lang geleden, toen uw schout-bij-kunstlicht nog op de hbs zat, leerde hij echter dat Dar es Salaam de hoofdstad was van Tanzania, maar zoals in zo vele Derde Wereldlanden werd een of andere negorij in het binnenland uitverkoren om voor nieuwe hoofdstad te spelen: Dodoma.
Terwijl Jan zo goedkoop mogelijk naar Zanzibar reist (met o.a. een zestien uur durende tussenstop in Istanboel), achtervolgen Bob en Arie een geheimzinnige vrachtwagen naar Idaho. Ze passeren daarbij o.a. het plaatsje Carey, waar – zoals wij (bijna?) allemaal weten – in 1947 of 1948 een heus vliegveld werd aangelegd en officieel geopend door president Harry S. Truman. Wie het niet meer weet, moet „voor straf” nog maar eens in „Lotgevallen rond een locomotief” grasduinen. Dat geldt ook voor Bob en Arie zelf, want zij reppen met geen woord over deze greatest airport opening, zoals een van Trumans opvolgers deze historische gebeurtenis ongetwijfeld zou omschrijven. In de buurt van Mackay in Idaho blijken een soort van naai-ateliertjes te staan, waar labels van dure merken in de tweedehands kleding die de firma TransAA ophaalde en afleverde, worden genaaid. Dat begint warempel een beetje te lijken op wat Mexicanen in „Feestelijke veldslagen in San Antonio” deden.
Intussen is Jan in zijn eentje, met slechts wat zakgeld bij zich, zoals de titel van het boek aangeeft, via Dar es Salaam op Zanzibar gearriveerd en neemt zijn intrek in „Tembo B&B Apartments”. Zie de foto hiernaast. Nou kan ik me vergissen, maar ik heb toch sterk de indruk dat ik op de foto palmen zie, veel palmen zelfs, hoewel die volgens Jovin Filipo, de Tanzaniaanse barkeeper in San Francisco in Tanzania, nauwelijks voorkomen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld baobabs, acacia’s en kigelia’s. Of geldt dat alleen voor het vasteland? Het appartementencomplex en bijbehorend hotel – dat tot Jans vreugde een stuk duurder is: dat verschil heeft de zuinige kolonelszoon alvast terugverdiend – liggen op nog geen 50 meter van het als museum ingerichte geboortehuis van de bekendste oud-inwoner van Zanzibar, Farrokh Bulsara, die onder de naam Freddie Mercury o.a. de prachtige en bombastische Boheemse rapsodie componeerde en zong. Jan, die qua muzieksmaak nooit veel verder is gekomen dan jazz en blues (met eind jaren ’70 in de „Saturday Night Fever”-era, in „Kloppartijen in een koelhuis”, een uitstapje naar de Bee Gees), kijkt er niet eens naar. Hij passeert wel een ander museum, maar dat ligt een eindje verderop, voorbij de plek waar de veerboten aanleggen.
Een van de werknemers van de onderneming brengt Jan naar een ander eiland van de Zanzibar-archipel, waar hij een ontmoeting heeft met Nguvu Mitende, de grote baas van bedrijven als TransAA, TranZanz en ZanzCycle en die ontpopt zich als een eerlijke kerel, die niet in de gaten heeft wat er allemaal in de Amerikaanse afdeling van deze bedrijven speelt. Hij is Jan – en Bob en Arie – zo dankbaar dat hij Jan in zijn privéjet meeneemt naar San Francisco, waar de ontknoping volgt, met als hoogtepunt de ontsnapping van Bob en Arie uit een vrachtwagen, waarbij ze hun eigen vriendje Jan aanvallen. Tot nu toe is van het trio dus alleen Jan een paar uurtjes op Zanzibar geweest, maar op kosten van Mitende mogen zij alle drie op vakantie naar het hoofdeiland van de archipel, dus alles sal reg kom, om het maar eens in een andere taal die op het Afrikaanse continent wordt gesproken te zeggen. Ook dit is weer een leuk boek, waarvan de titel indertijd al is bedacht door Willy van der Heide, zoals we in de vorige Nieuwsbrief al konden lezen, maar de inhoud is 100% van de hand van
Peter de Zwaan.
Een minpuntje is toch wel dat dezelfde Peter de Zwaan zich door de „woke” waanzinnigen heeft laten overhalen (blz. 148) om Bob te laten zeggen dat men geen indianen meer mag zeggen. De meeste indianen hebben geen bezwaar tegen het gebruik van het woord indiaan (per slot van rekening is het geen scheldwoord, maar een historische vergissing), zolang wij Europeanen maar terdege beseffen dat er tussen indianen net zo veel verschillen zitten als tussen Europeanen: een Zweed is immers geen Italiaan en een Bask is geen Rus. Zo is een Navajo geen Seneca en een Kwakiutl geen Cheyenne. „Woke” wezens maken de zaken alleen maar nodeloos ingewikkeld.
Peter de Zwaan, „Met zakgeld naar Zanzibar”, Uitgeverij Zwarte Zwaan, 2025. ISBN: 9789083514215





DAT hebben er meer geweten!
John Beringen

Vele jaren geleden bezocht ik regelmatig de tweedehands boekwinkel van Gerard Welmers in Utrecht. Deze zaak was gevestigd in de Priokstraat, gelegen in de wijk Lombok. Je kon daar heel goed terecht om missende delen van Biggles te scoren. Voor boeken van Willem kwam ik daar allang niet meer, want ik had alles inmiddels al compleet. Het nu volgende hilarische voorval dat ik aldaar meemaakte, moet hebben plaatsgevonden rond 1990. Hou mij ten goede: het kan ook iets eerder geweest zijn; precies weet ik het niet meer.
Gerard was er niet zodat zijn vrouw in de zaak stond. Zij wist (ook) dat ik een Bob Evers-liefhebber was en vertelde mij iets opmerkelijks: „Een poosje terug kwam hier een meisje binnenlopen. Een leuk kind om te zien; ik denk dat ze een jaar of achttien was. Volgens mij een studente. Ze liet weten op zoek te zijn naar boeken van haar opa. Ik vroeg wie haar opa was en dat bleek Willy van der Heide te zijn.”
Nou weet ik niet meer of de vrouw haar nog aan wat boeken heeft kunnen helpen. We spraken nog even over Bob Evers en de vrouw liet weten dat ze al het andere werk van Willem ook kende: Otto Onge, Dick Boei en natuurlijk ook de romans van zijn hand onder het pseudoniem Willem W. Waterman. Ik liet me ontvallen dat Willem ook meisjesboeken had geschreven onder het pseudoniem Sylvia Sillevis. Het resultaat op deze opmerking bleef niet uit. Haar mond viel open; ze leek even naar lucht te happen. „DAT hebben er meer geweten,” bracht ze tenslotte uit.
Onderweg naar huis moest ik inwendig grinniken en bedacht dat hier twee conclusies waren te trekken. De eerste is het feit dat noch zij, noch haar man ooit het boek „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” had gelezen, want daarin kon je het verhaal over de meisjesboeken, met vermelding van het pseudoniem, glashelder aantreffen. En de tweede conclusie is dat ze hoogstwaarschijnlijk inderdaad ooit boeken heeft gehad van de haar totaal onbekende Sillevis en dat ze die (naar nu bleek) dus veel te goedkoop had verkocht.
Maar laten we wel wezen: internet, waar je alles na kunt snuffelen, bestond nog niet. En nou had je in de bibliotheek weliswaar de „Brinkman’s cumulatieve catalogus van boeken” waarin alles, keurig op naam van de schrijver of schrijfster, staat opgesomd, maar als je iedere keer bij een onbekende naam daar naartoe moet gaan om te bladeren en je vervolgens in 99 van de 100 gevallen ontdekt dat het niets bijzonders is dan schiet het natuurlijk ook niet op. Dat doe je begrijpelijkerwijs dus niet.
Maar ik was het helemaal eens met haar: dát hebben er meer geweten.





Hoe zit het nou eigenlijk met de linguïstische vaardigheden van Jan, Bob en Arie?
Roger Schenk

Voor we het daarover gaan hebben, zullen wij even een paar woorden moeten wijden aan het Nederlandse onderwijssysteem vóór en na de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) van 14 februari 1963, een geesteskind van KVP-minister Jo Cals; vanwege de hoeveelheid onderwerpen die in de wet werd vastgelegd, noemde het Tweede Kamerlid namens de AR Anton Roosjen deze wet gekscherend een „mammoetwet” en onder die naam is deze wet die de verslechtering van het Nederlandse onderwijs inluidde, voort blijven leven. Ze trad in werking op 1 augustus 1968 en is sindsdien volgens Wikipedia maar liefst meer dan 250 (zegge: tweehonderdvijftig) keer gewijzigd en aangepast.
Voor die datum 1 augustus 1968 kende Nederland de volgende onderwijstypes: de huishoudschool, een school voor meisjes, die in 1888 van start ging met de Haagse Kookschool. In 1968 werd de naam gewijzigd in Lager Huishoud- en Nijverheidsonderwijs (LHNO) en het lesprogramma werd enigszins aangepast. Een van de belangrijkste aanpassingen is dat school vanaf toen ook toegankelijk werd voor jongens. Jongens die een echt vak wilden leren, gingen tot de invoering van de onzalige wet naar de ambachtsschool; in 1968 werd de naam hiervan gewijzigd in Lagere Technische School (LTS) en kende vanaf die tijd een praktijk- en een theoriestroom. In die laatste stroom, die leerlingen voorbereidde op een vervolgstudie op de Middelbare Technische School (MTS), werd begin jaren ’70 het vak Engels verplicht, met alle drama’s van dien. Net zoals jongens op het LHNO mochten meisjes vanaf het mammoetgedoe de LTS bezoeken. Huishoudschool en Ambachtsschool boden een driejarige opleiding; na de wet van Cals en de verlenging van de leerplicht werden dat vier jaar. Wie iets anders wilde, kon ook kiezen voor het Lager Economisch en Administratief Onderwijs (LEAO); hier werd de leerling voorbereid op een beroep in de winkel of op kantoor. De drie schooltypen behoorden na de invoering van de „Mammoetwet” tot het zogeheten Lager Beroepsonderwijs. 1992 gingen ze op in wat Voorbereidend Beroepsonderwijs (VBO) is gaan heten. Samen met het MAVO ging dit in 1999 op in het VMBO: Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs. Sindsdien maakt dit schooltype met zijn talloze praktische richtingen ook deel uit van het middelbaar onderwijs, terwijl het LHNO, de LTS en de LEAO daar niet toe behoorden. De L was het belangrijkst: de scholen golden als voortzetting van de lagere school (een schooltype dat helaas ook al niet meer bestaat; het werd opgevolgd door het zogeheten basisonderwijs. Gekke naam eigenlijk, als je erover nadenkt: van de lagere school kwamen wij allemaal rond ons twaalfde jaar af met een bepaalde basiskennis, maar sinds het ding basisschool heet, ontbreekt het veelal aan elke vorm van basiskennis). Van de huidige generatie middelbare scholieren bezoekt ongeveer 60% het VMBO, terwijl het HAVO en het VWO elk aan circa 20% van leerlingen onderdak bieden.
De laagste vorm van voortgezet onderwijs was van 1857 tot 1968 het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs (MULO), dat eigenlijk bedoeld was als vervolg op de lagere school. De focus bij deze brede algemene opleiding lag op praktische vakken. Bij deze drie- of vierjarige opleiding waren de vakken Nederlands, Frans, Duits, Engels, algebra, meetkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, natuurkunde (vaak aangeduid als fysica), bedrijfsrekenen, boekhouden en gymnastiek verplicht. In 1920 werd de naam overigens veranderd in ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs), maar veel scholen bleven de naam MULO voeren. Met de invoering van de „Mammoetwet” veranderde de naam in Middelbaar Algemeen Voortgezet Onderwijs (MAVO), waarbij alleen Nederlands en Engels verplicht waren; alle andere vakken, inclusief de andere twee moderne vreemde talen, waren vanaf 1968 keuzevakken, net als bijvoorbeeld Arabisch, Fries, Spaans en Turks. In 1999 werd het MAVO, zoals gezegd, opgenomen in het nieuw gevormde VMBO; omdat dit schooltype al snel een negatieve naam kreeg, noemen steeds meer scholen de richting VMBO-Theoretische Leerweg weer „ouderwets” MAVO.

Niet zomaar een voormalige Rijkshoogereburgerschool, maar een bijzondere: dit is de HBS in ’s-Hertogenbosch die de jonge Willy van den Hout drie jaar lang bezocht en daarna schielijk en zonder diploma verliet om zijn loopbaan te vervolgen op een van de plaatselijke kweekscholen. In zijn HBS-tijd werd Willy betrapt op het aanvullen van zijn zakgeld door het aan klasgenoten verkopen van blaadjes met een inhoud die types als een Bert Meppelink of een Peter J. Muller hogelijk op prijs zouden stellen, maar de brave HBS-docenten bepaald niet!
De tijdens de wet van Thorbecke al bestaande gymnasia stonden vooral in de grote steden en werden door de respectievelijke gemeenten onderhouden; het rijk richtte vooral in kleinere plaatsen
Ho(o)gere Burgerscholen op. Vreemd genoeg kwamen zowel de spelling Ho(o)gere Burgerschool als Ho(o)gereburgerschool en zelfs Ho(o)gere-burgerschool voor.

Omdat de HBS en het gymnasium tot 1887 alleen toegankelijk waren voor jongens, werden er voor meisjes particuliere scholen, de vijfjarige Middelbare Meisjesschool (MMS) opgericht, met dezelfde verplichte vakken als op het MULO, maar op een beduidend hoger niveau; het curriculum werd aangevuld met creatieve vakken. De vakken Nederlands, Frans, Duits, Engels, aardrijkskunde en geschiedenis waren verplichte examenvakken. De talen wogen bij de bevordering zwaarder dan de economische en exacte vakken, omdat de meisjes die dat wilden, natuurlijk vanaf 1887 naar de HBS konden gaan. De MMS gold als een goede opleiding voor het beroep van lerares of secretaresse. Met het in werking treden van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) op 1 augustus 1968 ging de MMS op in het HAVO en het Atheneum; de laatste MMS-examens werden in 1973 afgenomen.
Jongens uit de gegoede klassen gingen naar de Hogere Burgerschool (HBS), het schooltype dat in dit kader onze bijzondere belangstelling geniet, omdat de beide schrijvers van de Bob Evers-serie plus twee van de drie hoofdpersonen uit die serie de HBS – met wisselend succes – bezochten. Soms noemde Willy ook Amerikaanse Bob een „HBS-bengel”, maar ook toen Willy zijn boeken schreef, werd dus al op afkomst gediscrimineerd, want hij heeft natuurlijk nooit een HBS van binnen gezien. Gedurende die vijfjarige opleiding, ingevoerd bij de Wet op het Middelbaar Onderwijs van Johan Thorbecke in 1863, kregen de leerlingen, die werden voorbereid op „hogere functies” in handel en industrie, les in praktische vakken als boekhouden, handelskennis, wis-, natuur- en scheikunde plus natuurlijk de moderne vreemde talen. Vanaf 1917 gaf het HBS-diploma toegang tot de medische en natuurwetenschappelijke faculteiten van de universiteiten. Vooral in de tijd waarin gymnasia zich vooral concentreerden op de klassieke talen, denk ik dat de HBS de hoogste allround opleiding van het land bood. In 1968 werd deze prachtopleiding vervangen door het HAVO en het Atheneum.
Het HAVO (voluit: Hoger Algemeen Vormend Onderwijs). Het vijfjarige HAVO kende tot 1998 de verplichte vakken Nederlands, Engels en wiskunde; de andere vakken, waaronder de moderne vreemde talen, waren keuzevakken. Vanaf 1998, toen scholen verplicht werden mee te doen met de door PvdA-politici die verantwoordelijk waren voor de herziening van het onderwijs zeer bejubelde „Tweede Fase”, is wiskunde als verplicht vak verdwenen, maar kwamen daar nieuwe vakken als Algemene Natuurwetenschappen en Culturele en Kunstzinnige Vorming en een rekentoets bij. De moderne vreemde talen komen er, zoals bij alle onderwijsvormen van na de „Mammoetwet” weer eens bekaaid vanaf.
Dat geldt helaas ook voor wat tegenwoordig als hoogste vorm van onderwijs in Nederland wordt beschouwd: het Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs (VWO). Dat type onderwijs, dat leerlingen voorbereidt op universitair onderwijs, is onderverdeeld in het atheneum (als opvolger van de HBS en MMS) en het gymnasium; het onderscheid tussen beide vormen van VWO zit ’m in de Klassieke Talen, die op gymnasia nog steeds bloeien ondanks talloze pogingen van linkse politici om die talen af te schaffen: liefhebbers van Grieks en Latijn konden het bloed van types als Jos van Kemenade en Jacques Wallage met hun achterlijke en achterhaalde „Middenschool”-ideeën wel drinken. Tegenwoordig zijn er ook VWO’s die zichzelf technasium noemen; een ander deel biedt tweetalig onderwijs aan; dan gaat het naast Nederlands natuurlijk om het door velen als zaligmakend beschouwde Engels: scholen in de grensstreek die tweetalig onderwijs in de vorm van Nederlands en Duits wilden invoeren, kregen daar geen toestemming voor, hoewel elk kind beseft dat men zo tegen de grens met Duitsland, bovendien onze belangrijkste handelspartner, meer aan Duits dan aan Engels heeft. Op het HAVO en het VWO kan men kiezen uit vier profielen; elk profiel heeft een aantal verplichte vakken; daarnaast zijn Nederlands, Engels en wiskunde voor elke leerling verplicht, maar ook een tweede moderne vreemde taal (Duits, Frans, Arabisch, Chinees, Italiaans, Russisch, Spaans of Turks; eventueel Fries – in een bepaalde provincie – of Papiamento – in het Caribische deel van Nederland) of Grieks of Latijn voor degenen die een gymnasiumopleiding volgen.

Het gymnasium is de opvolger van de Latijnse school, maar pas bij de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 werd de inrichting van het gymnasium centraal geregeld. En zo kon het gebeuren dat Lodewijk van Deyssel, of liever gezegd: Karel Albertingk Thijm, in de zomer van 1876 als een van de eerste leerlingen „tussen allemaal Limburgse jongetjes die pastoor wilden worden” onderwijs volgde aan Gymnasium Rolduc, op de kop af honderd jaar vóór de schrijver van dit artikel. Het verschil is dat ik die school wel heb afgemaakt, maar Van Deyssel niet, maar laatstgenoemde schreef dan weer een prachtboek over zijn tijd op Rolduc, „De kleine republiek”; pastoor zijn we allebei niet geworden, maar de „Limburgse jongetjes die pastoor wilden worden” waren in 1976 al lang en breed verdwenen en om mij moverende redenen had ik geen zin om daar verandering in aan te brengen. Maar dit uiteraard geheel terzijde. In dit wet van 1876 werd het gymnasium verdeeld in een α- en een β-richting: op gymnasium-β werden behalve klassieke en moderne talen ook wis-, natuur- en scheikunde onderwezen, op gymnasium-α werd in plaats van de drie β-vakken behalve geschiedenis vooral meer Grieks en Latijn gegeven. Wie een universitaire opleiding theologie, rechten of letteren wilde volgen, moest een gymnasium-α-diploma kunnen overleggen, en wie medicijnen en natuurwetenschappen wilde doen, moest een gymnasium-β-diploma hebben. Vanaf 1917 volstond voor die laatste opleidingen dus ook een HBS-diploma. Behalve een drastische teruggang van vooral de uren Grieks en Latijn veranderde er voor gymnasia bij de invoering van de „Mammoetwet” niet zo gek veel. Na de invoering van de mislukte, maar de na tientallen aanpassingen hardnekkig gehandhaafde Tweede Fase met haar vier profielen, verschilt het gymnasium eigenlijk nauwelijks van het atheneum, behalve dat men als tweede vreemde taal naast Engels ook Grieks of Latijn kan kiezen.


Niet zomaar een voormalige Rijkshoogereburgerschool, maar een bijzondere: dit is de HBS in Meppel die de jonge Peter de Zwaan vijf jaar lang bezocht en daarna mét diploma weer verliet. Het gebouw ligt vrijwel naast het voormalige „Hotel Ogterop”, alwaar … ach, u kunt het nalezen in diverse interviews, niet in de laatste plaats in de eerste column van Peter in deze Nieuwsbrief.

In het algemeen geldt dat de „Mammoetwet” een desastreuze uitwerking heeft gehad op de beheersing van de drie moderne vreemde talen door generaties Nederlanders. Waar „wij” er vóór 1968 (1974, als we de laatste eindexamens „oude stijl” in aanmerking nemen) wereldwijd om bekend stonden dat „wij” de drie moderne vreemde talen vlot beheersten, zijn de meeste mensen in ons koninkrijk inmiddels teruggevallen tot het niveau Frankrijk, Groot-Brittannië, Spanje, Italië en Duitsland: we kennen maar één taal en dat is die van ons – en dat nog lang niet altijd even goed. O ja, en natuurlijk een paar woordjes van dat taaltje dat door slechts 4,5 miljoen inwoners van de Europese Unie als moedertaal wordt gesproken.
Als lakmoesproef om te staven dat mijn verzuchting over de teloorgang van de beheersing van de drie belangrijkste moderne vreemde talen nemen wij de gedrukte exemplaren van De Nederlandse Top 40 erbij: zeker sinds de jaren ’50 is Engels de taal van de popmuziek geworden; daarnaast bleven sommige Nederlandse artiesten een poging doen om zwaar geschut – dat is tenminste de indruk, die kernachtig Hollands in vergelijking met de immer charmante Franse taal maakt – in stelling te brengen. Maar tot pakweg 1974 of 1975 stonden er elke week wel een stuk of vijf chansons dan wel Schlager in de Top 40. Vanaf 1975, het jaar waarin de desastreuze invloed van de „Mammoetwet” een belangrijke rol in de samenleving ging spelen, zijn Franse en Duitse liedjes net zo zeldzaam, exotisch en „onbegrijpelijk” als Italiaanse, Mandinka, Moldavische, Spaanse, Tagalog of Turkse.
Huiskamervraag 1: welk lied in het Mandinka stond ooit op de eerste plaats in de Nederlandse Top 40?
Huiskamervraag 2: welk lied in het (oorspronkelijk) Moldavisch heeft ooit de eerste plaats in de Nederlandse Top 40 gehaald?
Huiskamervraag 3: welk lied in het Tagalog schopte het ooit tot de tweede plaats in de Nederlandse Top 40?

Na deze sombere bespiegelingen over de teloorgang van het Nederlandse onderwijs na 1968 wordt het tijd om eindelijk eens aandacht te besteden aan Jan, Bob en Arie. Hoe zat en zit het met hun talenkennis? Die zal ongetwijfeld goed en grondig zijn, want twee van hen zaten, ver voor de „Mammoetwet”, op de HBS. Daar komt bij dat Jan en Arie vooral door hun omgang met Bob en de talloze avonturen in Engelstalige landen uitstekend Engels spreken, maar het begin is aarzelend:

‘Jan Prins,’ zei Jan. Hij wees achter zich. ‘En dat is Arie Roos, maar dat had je begrepen.’ Hij zei het in het beste Engels waarover hij beschikte en wist zeker dat hij net zo ingespannen keek als de jongen tegenover hem. ‘We hebben Engels op school,’ zei hij als verklaring, ‘en Arie is zoon van een reder en als ze ergens Engels praten ...’ Hij rondde de zin af met een gebaar dat meer dan duidelijk was.
(„Geduvel rond een duffel”, p. 4)

„Arie verstond zowat geen snars van dat neusklankige Amerikaans. Hij was zacht en beschaafd school-Engels gewend met wat „How do you do’s” en „Good morning’s”
(„Avonturen in de Stille Zuidzee”, p. 146 HC).

Dat wordt snel beter:

„Je spreekt goed genoeg Engels en je bent al lang genoeg hier om de verkeersregels te kennen.”
(„Hoog spel in Hong-Kong”, p. 85 HC),

om uiteindelijk te resulteren in:

„Hij sprak wel veel vlotter Engels, maar dat zei niets. Zowel hij als Arie spraken even gemakkelijk Engels als Nederlands.”
(„Cnall-effecten in Casablanca”, p. 73 HC).


Frans is van een andere orde, maar in de taal van Marianne weten Jan en Arie zich uitstekend te redden; een eerste bewijs daarvan wordt geleverd in de buurt van Thionville, al is Arie’s Frans hier nog wat rammelend en hij moet even nadenken over de vraag van de Franse douanier, omdat die zijn zin andersom bouwde dan in het Hollands gebruikelijk is. („Een dollarjacht in een D-trein”, p. 54 HC).
Een avontuur later is het ook weer Arie, die er blijk van geeft een hekel te hebben aan mensen die om half negen in de ochtend Frans staan te gillen.

„Als het nou nog Grieks was.”
(„Drie jongens en een caravan”, p. 174 HC)

Kijk, Arie, now we’re talking! Of, voor de gelegenheid: maintenant on parle! En voor de mensen die dit artikel om half negen in de ochtend lezen, wil ik daar desnoods nog aan toevoegen: τώρα μιλάμε!
Jaren later blijkt Arie, door een brutale greep in zijn zak met school-Frans te doen en zich met een soort van hakbijl een weg door de Franse grammatica te banen, aardig met het zenuwachtige Fransmannetje te kunnen communiceren („Stampij om een schuiftrompet”, p. 51 HC).
Dat school-Frans heeft hij zo goed en zo kwaad als het ging geleerd van zijn vroegere Franse leraar – niet alleen een leraar Frans, maar inderdaad ook een echte Franse leraar –, met wie Arie nimmer heel vette vrienden was geworden en van wie Arie zelfs in een bestelwagentje van Johnny Dalmonte in San Francisco droomt; de man met woest fladderende haren scheldt Arie in vloeiend, alhoewel niet zuiver grammaticaal Nederlands, uit:

„Ontzettend dikhuidige, eigenwijze, over alle nijlpaarden getilde gloriesufferd!”
(„Hoog spel in Hong-Kong”, pp. 97-98 HC)

In Casablanca kunnen Jan en Arie zich uitstekend redden in het Frans. Wat ik hierboven over Arie schreef, geldt natuurlijk ook voor Jan:

„Jan Prins had, „met goed gevolg” zoals dat heet, een Hollandse HBS afgelopen, en sprak dus redelijk Frans en Duits. Heel redelijk zelfs, want al die jaren Frans van de HBS waren, tijdens hun avonturen in het buitenland, zo nu en dan weer opgehaald en gebruikt, zodat Jan’s Frans zelfs spreek-Frans was geworden in plaats van hakkelig school-Frans.”
(„Cnall-effecten in Casablanca”, pp. 174-175 HC)

Hetzelfde geldt natuurlijk voor de avonturen in Zuid- („Superslag in een supermarkt” en „Een festival vol verwikkelingen”) en Midden-Frankrijk („Ratzelraadsels bij het château de Faux” en „Schatgraven in een stationshal”).
Dat Jans „spreek-Frans” nog steeds gepaard gaat met een Nederlands accent is geen schande:

„Het gesprek ging nog steeds in het Frans. De man bekeek Jan van top tot teen, en vroeg nu:
„Jij bent Hollander, is het niet? Aan je accent te horen?”
(„Cnall-effecten in Casablanca”, p. 73 HC)

Over accent gesproken: in ieder geval Arie spreekt met een onmiskenbare hoofdstedelijke tongval:

„Hollander!” schreeuwde Arie in zijn beste Amsterdams.
„Maar ik ben óók Hollander!”
(„Vreemd krakeel in Californië”, p. 14 HC)

Heel gek is in dat verband overigens de passage uit „Kabaal om een varkensleren koffer” (p. 36 HC), waarin de piccolo van „Pension Zeerust” blijkbaar niet het verschil tussen een Haags en een Amsterdams accent kan horen:

„Jij spreekt natuurlijk steengoed Turks,” zei Arie droog.
De piccolo begon nijdig te worden en deed een stap naar voren:
„Luister es hier, Haagse lefgooser... Ik kom uit Amsterdam en in Amsterdam zijn we niet op ons neus gevalle.”

Jan Prins is natuurlijk geboren in „Theodoor - Jasses - Idioot - weer Theodoor -”, maar vermoedelijk al op zeer jonge leeftijd, vóór de Jappen met Ons Indië deden wat Trump met Groenland van plan is, naar Nederland gekomen, want in de hierboven geciteerde passage uit „Cnall-effecten” heeft hij dus een Hollands accent en niet dat mooie, licht zangerige accent dat Nederlanders die lange tijd in Insulinde hebben gewoond kenmerkt.

De derde moderne vreemde taal die ulo-, hbs- en gymnasiumleerlingen destijds op school leerden, was Duits. Jan, Bob en Arie komen regelmatig met Duitsers in gesprek, een enkele maal met een Zwitser. Uit:

Jan [...] haalde zijn beste Duits voor de dag, trachtte zich zo goed mogelijk te herinneren, welke woorden de derde en welke de vierde naamval regeerden, [...]
(„Een dollarjacht in een D-trein”, pp. 66-7 HC)

en

Jans Duits was grammaticaal niet helemaal in orde en hij maakte een potje van de naamvallen, maar de strekking was helder en mocht Lothar iets niet hebben verstaan, dan kon hij uit de toon wel opmaken dat de tijd voor grollen voorbij was.
(„Schermutselingen bij een zandafgraving”, pp. 169-70)

meen ik te mogen afleiden dat Jan, zoals zo vele van onze landgenoten, een zekere gêne aan de dag legt bij het spreken van vreemde talen, in dit geval Duits, de taal met de prachtige en nuttige naamvallen, omdat zij zich meer zorgen maken om het gebruik van de juiste grammatica dan op het aan de gang houden van een gesprek. We kunnen er „balkenbrij” op zeggen dat Arie zich, door net als in het Frans een brutale greep in zijn zak met school-Duits te doen en zich met een soort van Panzerfaust een weg door de Duitse grammatica te banen 😉, ogenschijnlijk met meer flux de bouche dan Jan staande weet te houden in Duitstalige gesprekken. Bij de eerste gesprekken die Jan, Arie en zelfs dat ene woord van Bob in „Een dollarjacht in een D-trein” in het Duits beginnen, gaan hun gesprekspartners (Herr Ingenieur Dausenberg, Frankenthal en Sardoni) vrijwel allemaal onmiddellijk over op het Engels; alleen de taxichauffeur van Arie en de nachtwaker van Dausenbergs fabriek praten Duits, of liever gezegd Schwyzerdütsch, een dialect dat kenners en liefhebbers van de taal van Goethe meestal als laag-Roemeens of verbasterd Boliviaans in de oren klinkt; het zal voor Arie en Jan niet gemakkelijk zijn geweest om deze lieden te verstaan.
In „Een raderboot als zilvervloot” doet Jan het woord in het Duits tegen de receptionist van „Das goldene Pferd” in Krefeld en Arie doet hetzelfde, maar dan vele malen uitgebreider, tegen Johann. Dat gaat allemaal vlekke- en probleemloos. In „Nummer Negen seint New York” voert Arie al even vloeiend gesprekken met Brüns, de tweede machinist van de „Surfpride”. Een deel later zijn Jan en Arie door Peraira in dezelfde cel opgesloten als Schumann, de springstoffenexpert van de Britse uraniumexpeditie op de tafelberg in Mexico. ’s Mans accent verraadt de Duitser in hem; het wordt niet duidelijk of dit gesprek in het Duits of in het Engels plaatsvindt; waarschijnlijk in het Engels, omdat hij de jongens kort daarvoor verzoekt Amerikaans te spreken, want: „Het is hier geen Linguaphone-cursus.” Hoe dan ook, de explosief-algebraïsche formule O = 2D komt zeer begrijpelijk over („Een meesterstunt in Mexico”, p. 153).
In „Ali Roos als Arie Baba” komen de jongens kort in Duitsland, waar vooral Arie met de Duitsers communiceert. Veel langer is Jans en Arie’s verblijf in Duitsland in „Arie Roos wordt geheim agent”. Ook nu weer blijkt Arie uitstekend met de Duitse taal uit de voeten te kunnen, hoewel het mannetje met de gleufhoed van de Frankfurter afdeling van de Digazo-organisatie Nederlands uitstekend blijkt te verstaan.
In het motorblokkenavontuur („Schermutselingen bij een zandafgraving”, „Bakkeleien in een Berlijnse bios” en „De Stripman van Słubice”) komen Jan, Bob en Arie ook weer geruime tijd in Duitsland –, ditmaal in de voormalige DDR – en als alle voortekenen niet bedriegen, zullen ze dat in 2027 eindelijk wederom doen. Behalve Bob maken de jongens zich op uitstekende wijze verstaanbaar bij de plaatselijke bevolking. We gaan het zien, hoe de jongens het er ditmaal linguïstisch afbrengen. Duitsers treden ook op in wat
Peter de Zwaan de Otto-trilogie noemt: het avontuur dat de lezer van Buurse via Domburg naar uiteindelijk Nijkerk voert.

Behalve de drie talen die elk kind in Nederland vroeger goed op school leerde, zijn er nog meer vreemde talen waarmee Jan, Bob en Arie te maken krijgen. De eerste maal is dat in „Een meesterstunt in Mexico”, maar de illegale would-be-immigranten blijken zich – in tegenstelling hun collega’s van meer dan een halve eeuw later, die de massale oversteek vanuit met name Afrika in gammele bootjes wagen – wél voorbereid te hebben op een (gedroomd) bestaan in een nieuw land, want er zijn geen communicatieproblemen tussen hen en Jan en Arie: zij spreken en verstaan Engels. Die illegale immigranten komen overigens alleen op de laatste pagina’s van het boek voor; alle andere hapsnuiters in „Meesterstunt” zijn Amerikanen, Britten en die ene Duitser die ik hierboven al aanhaalde.
Anders wordt het in „Lotgevallen rond een locomotief”, waar Jan zich voor het eerst serieus afvraagt:

„Wie van ons kent er eigenlijk Spaans?” informeerde Jan.
Bob liet een minachtende snork horen:
„Je maag wrijven betekent: honger. Een drinkgebaar met je hoofd achterover is: dorst. Je rechterwang op je handpalm is: slapen. Een pistool op iemands middenrif richten betekent: handen omhoog. Woorden zijn daarbij overbodig.” (p. 22 HC).

Jan heeft 178 bladzijden nodig om zich enigszins te bekwamen in het Spaans:

Het fantastische was weer, dat Jan op een of andere manier kans had gezien om de Spaanse telwoorden te leren. Alles wat met rekenen en geldzaken te maken had, kwam hem gewoonweg aangewaaid.
(p. 200 HC).

Pas in veertien delen later komen de drie jongens weer in contact met Spaanstaligen, maar gelukkig beschikken ze in dat deel over Hun Man Rikkers, die als tolk dienstdoet:

„Luister, nu kun je alles verstaan, dikke.”
„Jij wel, maar ik niet.”
„Hou je waffel nou. Straks vertaal ik wel voor je.”
(„Bob Evers belegert Fort B”, p. 137 H&W-editie; p. 149 Eekhoorn)

en:

„Het is een logisch gevolg van het feit dat ik toevallig Spaans versta en Arie Roos niet. [...]”
(„Arie Roos als ruilmatroos”, p. 17 H&W-editie; p. 18 Eekhoorn).

In de Mexico-trilogie (de delen 51, 52 en 53) blijkt dat Jan, Bob en Arie nog niet veel vorderingen hebben gemaakt op het gebied van de lengua castellano:

‘Geen ros,’ zei Jan vol overtuiging. ‘Geen Mexicaanse voederbiet. Kon je horen wat ze zeiden?’
‘Ze spraken Spaans, joh. Het grootste deel van de tijd in elk geval, maar het woord Acapulco was te verstaan. Dat woord klonk vaak en elke keer zaten ze dan alledrie om het hardst te knikken. Cristina zei twee keer dat Eduardo de Derde Engels hoorde te spreken, maar daar bracht hij niet veel van terecht.’
(„Clandestiene streken op een cruiseschip”, pp. 134-5 Eekhoorn; p. 136 ZZ)

En

Daarom moet je nooit alleen zijn, dacht Jan met een hart vol wanhoop, daarom moet een mens altijd zorgen voor reservetroepen, helaas zou ik niet weten waar ik die vandaan moet halen. Ik spreek geen Spaans en iedere Mexicaan die ik aanklamp, kan familie zijn van Antonio Rivas. Of een vriend. Of een collega. Of ...
(„Prijsschieten op een premiejager”, p. 20)

‘[...] Hemel, Arie. Wat is auto huren in het Spaans?’
‘Toettoet is auto. Doe maar of je met twee handen aan een wiel draait en leg wat dollars op een toonbank.’
(ibidem, p. 94)

‘Doe ik, Bobbie. Zul je bukken als ze op je schieten?’
‘Ik zal zeggen dat het niet mag van mijn volvette vreetvraat-vriend, wat denk je daarvan?’
‘Koop dan eerst een woordenboek, in het Spaans maakt het vast veel meer indruk.’
(ibidem, p. 94) en

Ik (Arie) had beter een paar zinnen Spaans kunnen leren terwijl ik op de SeaRose was. Van die handige zinnen als: ‘handen omhoog’, ‘volg die auto’, ‘kunt u me vertellen waar ik een revolver kan kopen?’ en ‘hebt u een verfje voor mijn haar zodat ik niet opval als ik een Mexicaan volg?’
(ibidem, p. 129)

Maar Arie maakt al met al kleine vorderingen:

‘Comprendido,’ herhaalde Arie. ‘Ik leer in elk geval een paar woorden Spaans. Als ik later vertel dat ik de kennis heb opgedaan in een kelder vol lijmlucht gelooft geen mens me. [...]’
(ibidem, p. 175)

Jan heeft een deel later eindelijk het antwoord gevonden op een van de vragen die Arie zich stelde:

‘Doe de armen maar omhoog, jij. Wat is dat in het Spaans, los manos? In de alto ermee.’
(„Glorierijke missers in La Gloria”, p. 153)

De naam zegt het al: in de Spanje-trilogie (de delen 69 t/m 71) komen de jongens eindelijk in Spanje zelf, waar Arie eindelijk tot het besef komt:

Als ik nou een cursus Spaans had gevolgd, had ik misschien gouden informatie opgedaan, nu moet ik gokken.
(„Costaklussen in Marbella”, p. 115)

Een deeltje later lijkt het alsof Arie Spaans wel zou kunnen verstaan als het langzaam gesproken wordt:

Toen had hij verbinding en sprak hij Spaans in een tempo dat door Arie niet was te volgen.
(„Met gestolen geld naar Gibraltar”, 47)

In het slotdeel van de trilogie is Arie weer terug bij af:

‘Het zal me een genoegen zijn,’ zei Arie prompt. ‘Zijn Spaans versta ik niet en hij ligt voortdurend te bewegen. [...]’
(„Een postpakket voor Porto”, p. 14)

De (tot nu toe) laatste keer in de serie dat iemand Spaans of Spaansachtig spreekt, verstaat Arie er nog steeds niets van:

‘Ik sta zeker tachtig meter van ze af en ik hoorde alles. Dat wil niet zeggen dat ik het verstond, want ze sprak óf Spaans óf een dialect dat op Spaans lijkt.’
(„Met zakgeld naar Zanzibar”, p. 116)

Meer over Bob Evers en het Spaans treft u aan in mijn artikel in Nieuwsbrief 58.

Ook met de mooiste taal ter wereld krijgen Jan, Bob en Arie tijdens hun avonturen met enige regelmaat te maken: de taal van Dante Alighieri, Boccaccio en Petrarca, het trio dat bijna net zo beroemd is als Jan, Bob en Arie. Dat begint al in Zwitserland, het land dat vier officiële talen kent: Duits, Frans, Reto-Romaans en Italiaans:

De brieven waren in het Italiaans en dat kon Arie niet lezen, alhoewel zelfs een kind in staat is, de datum van een Italiaanse of zelfs Zuidbeloedsjistaanse krant te ontcijfe¬ren.
(„Een dollarjacht in een D-trein”, p. 154 HC)

Libië bestaat uit het voormalige Tripolitanië, Fezzan en Cyrenaica. In de tijd dat Jan, Bob en Arie het land bezoeken, is het land net onafhankelijk, maar er zijn nog steeds Italiaanse wetten, politieagenten en bewoners. De voertaal in de twee noordelijke provincies is in die tijd nog steeds Italiaans, de munteenheid is nog steeds de Italiaanse lira.

Er kwam een geratel van Italiaans, maar toen Arie koppig Engels bleef spreken, dook er aan het andere einde iemand op, die Engels antwoordde. („Een speurtocht door Noord-Afrika”, p. 127 HC)

Zeventien delen later verstaan de jongens nog steeds geen Italiaans:

Er kwam hoe langer hoe meer Italiaans en Italiaanse namen en plaatsen in de gesprekken voor. Al begrepen de jongens weinig van wat er aan de hand was ...
(„Kunstgrepen met kunstschatten”, p. 140 HC)

Gelukkig legt Karel Borghesius uit wat er aan de hand is met de opgewonden telefoongesprekken in het Italiaans:

Met talen scheen deze oude snoeplustige kunstkenner geen moeite te hebben. Het klankvolle Italiaans ratelde hij er tenminste uit als een machinegeweer zijn kogels.
(ibidem”, p. 140 HC)

Het heeft soms zijn voordelen als de jongens min of meer weten waar ze terecht komen; zo kon Arie zich terdege voorbereiden op hun reis naar Italië door een vooroorlogs pocketwoordenboekje van Van Goor aan te schaffen; daarmee kan hij losse woorden opzoeken, maar hoe je daar een complete zin van moet maken, staat natuurlijk niet in een woordenboek:

‘Cafe latte tre?’ zei Arie vragend, drie vingers omhoog stekend. De man knikte en liep weer naar binnen. De radio galmde nog steeds door: nu een mannen- en een vrouwenstem tezamen in hoogdravend geweeklaag.
‘Spreek jij Italiaans, dikke?’
‘Geen kunst,’ verklaarde de dikke, stak een hand in een broekzak en haalde er een miniatuur woordenboekje uit. („Kloppartijen in een koelhuis”, p. 43)

Zoals we zien, zou het handig zijn geweest als de schrijver van dit stukje proza ook een blik in dat woordenboekje had geworpen: dan had hij kunnen zien dat koffie in het Italiaans niet „cafe” is, maar caffè. Het zij de goede man vergeven.
Jan is in ieder geval wél blij met het van Arie geleende woordenboekje, want hij is op die manier in staat om de oude man van de terracotta-fabriek in de buurt van Como te vragen of die de gehuurde Volvo wil bewaken; dat gaat met losse steekwoorden, die Jan een voor een opzoekt.
(ibidem, p. 53)
Gelukkig voor de jongens praten Italianen niet alleen met hun mond, maar ook met hun handen en zo kan het gebeuren dat:

Van al dat Italiaans verstonden zij niet veel, maar de bedoeling kwam in grote lijnen toch wel over.
(ibidem, p. 77)

Maar om flarden van een Italiaans gesprek te begrijpen zonder dat je zicht hebt op de bijbehorende handgebaren heb je ook al niet zo gek veel aan een woordenboek, zoals Arie een paar bladzijden verder ontdekt:

Maar hij kwam er alras achter dat hij daar niet veel mee opschoot, want wat hij door de muziek van een of andere radiozender aan woorden kon opvangen was allemaal in ratelend Italiaans gesproken en daar viel voor hem werkelijk geen touw aan vast te knopen.
(ibidem, p. 95)

Ook bij het verhoor van Borrini is het woordenboek van generlei nut:

Arie keek bedenkelijk. ‘Die vent lijkt me een taaie. Bovendien is het de vraag of hij iets anders dan Italiaans spreekt en iemand verhoren met een woordenboek in je hand valt niet mee. [...]’
(ibidem, p. 164)

Jan is in elk geval in staat op na vijf keer luisteren op te maken dat Borrini is gebeld door een douanebeambte in Chiasso; hij is zelfs in staat om te horen dat de vent Italiaans spreekt ‘met dat Duitse accent dat ze in een deel van Zwitserland hebben. Zo te horen is het iemand uit het noordelijk deel van Zwitserland die een baan in het zuiden heeft gekregen.” (ibidem, p. 187)
Een dag daarvoor dichtte hij zijn tegenstanders van die dag minder onderscheidingsvermogen toe:

En als Jan Duits sprak met een Hollands accent kon dat voor hetzelfde geld best een Italiaans accent zijn. (ibidem, p. 65)

Een deel later zijn Bob en Arie alweer vergeten dat Jan Arie’s woordenboekje koestert:

‘[...] Wat is bestellen in het Italiaans?’
Dat wist Jan. Hij wist die dingen altijd op een prik, zonder dat iemand er ooit achter kwam hoe hij dat klaarspeelde. ‘Bestellen is Ordinare en eten zoiets als Mangiare. [...]’
(„Superslag in een supermarkt”, p. 10)

Maar wij weten wél hoe Jan dit op een prik wist, want wij zijn niet vergeten dat hij dat woordenboekje had!
In dat deel 37 is gebarentaal opnieuw of liever gezegd nog steeds een welkome aanvulling op het „onbegrijpelijke” Italiaans:

Op een sukkeldraf liep hij naar de bestelwagen. Achter het stuur zat een man met een hoed op en een zonnebril die zijn halve gezicht verduisterde. Hij zei iets in het Italiaans.
Arie wees naar het binnenste van de bestel en daarna naar zichzelf. ‘Ik? Wij?’
De chauffeur knikte en liet ratelend Italiaans horen.
‘Mooi,’ zei Arie. ‘Goed zo. Bene.’
(ibidem, p. 58)

Arie geeft er hier blijk van dat hij zijn Italiaanse woordenschat inmiddels weer heeft uitgebreid, nu met het woord bene, maar belangrijker is dat hij inderdaad zijn eigen woordenboekje goed en grondig is vergeten, zoals uit het gebruik van het woordje „een” in plaats van „mijn” in zijn derde retorische vraag:

‘Zullen we hem vragen harder te rijden?’
‘Hoe? Met jouw Italiaans? Met een woordenboek?’ (ibidem, p. 74)


Voor Bob liggen de zaken ietwat anders: voor hem is er natuurlijk nog een andere moderne vreemde taal: het Nederlands. Om precies zijn: voor een leerling van een Amerikaanse highschool zijn alle talen buiten Amerikaans Engels vreemd. De uit Pittsburgh/Pa. afkomstige jongen arriveert voor het eerst in Nederland op een schip vol ijzererts om kennis te maken met de twee jongens met wie hij zo lang op een onbewoond eiland zou wonen:

‘You are Bob Evers,’ zei Jan dan. ‘Right?’
De jongen knikte. „Right. En jai bent Jaan Prehins.’ Het was duidelijk dat hij probeerde Nederlands te praten en aan zijn gezicht was te zien dat hij zich inspande.
‘Jan Prins,’ zei Jan. Hij wees achter zich. ‘En dat is Arie Roos, maar dat had je begrepen.’ Hij zei het in het beste Engels waarover hij beschikte en wist zeker dat hij net zo ingespannen keek als de jongen tegenover hem. ‘We hebben Engels op school,’ zei hij als verklaring, ‘en Arie is zoon van een reder en als ze ergens Engels praten ...’ Hij rondde de zin af met een gebaar dat meer dan duidelijk was.
‘Gelukkig.’ Bob maakte het geluid van iemand die zucht van opluchting. ‘Aan boord van het schip waren Nederlanders en ik heb geoefend tot ik geen sch en g meer kon horen, maar het schijnt te hebben geholpen.‘ Hij keek zuinig. ‘Dat zeiden die Nederlanders, maar volgens mij zeiden ze het vooral om de moed er in te houden.’
(„Geduvel rond een duffel”, pp. 3-4)

In dat „oerdeel”, dat pas in 2024 het levenslicht zag, blijkt Bob Nederlands wel al te kunnen verstaan, maar alleen als het heel langzaam wordt gesproken, hetgeen natuurlijk in de praktijk door niemand wordt gedaan:

‘Ik lag tussen planten bij de hoek van die schuur toen me te binnen schoot dat ze natuurlijk Nederlands gaat praten als er iemand komt en de kans bestaat dat ik daar een procent of wat van ga missen. Een procent of tachtig, als ze snel praten.’
(„Geduvel rond een duffel”, p. 62)

Bob leert snel, maar vooral de rare woorden die Jan en Arie hem leren:

Bob pakte een ijzeren staaf op en liep op de kerels af, het meest ijselijke Hollands uitbrakend, dat hij kon bedenken, meestal woorden, die hij van zijn Hollandse vrienden had geleerd.
(„Avonturen in de Stille Zuidzee”, p. 85)

en:

Bob Evers, als Amerikaan, had natuurlijk van Jan en Arie in de loop der jaren ettelijke woorden Hollands geleerd, maar - (zoals dat meestal gaat) - vooral de rare, zoals „sapperloot” en „oelewap”.
(„Een dollarjacht in een D-trein”, pp. 33-4 HC)

Omdat de Bob Evers-serie in het Nederlands is geschreven, lijkt het er af en toe sterk op dat de drie jongens – zeker in het begin van hun avontuurlijke carrière – in het Nederlands met elkaar praten, maar dat is niet zo:

„Dan nemen we jou heus niet wéér mee,” lachte Jan. „Ik ben zowat mijn Hollands verleerd.”
(„De strijd om het goudschip”, p. 198 HC)

Met anderen, zoals Marianne, probeert Bob wel (een soort van) Nederlands te praten:

„[...] Toen weer een hoop Engels door elkaar, een klik, en toen een jongensstem, die in raar Hollands naar Jan Prins vroeg. Die jongen was Bob Evers. Die Amerikaanse jongen.”
(„De jacht op het koperen kanon”, p. 8 HC)

Behalve rare Nederlandse woorden leert Bob logischerwijs vooral de Nederlandse woorden die veel op zijn moedertaal lijken:

„Prins! Prins! ... De kolonel!” riep Bob, die deze Hollandse woorden had leren gebruiken, want ze leken erg veel op de Engelse. „The Colonel? Waar? Where?”
(ibidem, p. 124 HC)

Deze summiere woordenschat is lang niet genoeg om zo vroeg in de serie al aan een Nederlandstalig gesprek te beginnen:

Bob Evers was allang op datzelfde idee gekomen, wat heel begrijpelijk was, want als Amerikaanse jongen, die bijna geen Hollands sprak, moest hij wel zoiets op touw zetten. (ibidem, p. 133 HC)

We komen ook te weten dat niet iedere Nederlander in die tijd Engels spreekt, hetgeen voor Amerikaanse Bob af en toe een probleem oplevert:

„Geen kwestie van. Ik ben opgepakt door de stomheid van uw agenten die geen eenvoudig Engels verstaan.”
„Luister hier, vlegel. We zijn hier in Holland en daar spreken we Hollands. Verwacht jij soms, dat we talenwonders in dienst nemen als agenten?” (ibidem, p. 147 HC)

De voertaal in gesprekken tussen Jan, Bob en Arie is nog steeds Engels:

Zij hadden Engels gesproken, wat zij altijd deden als zij met zijn drieën waren, want Bob Evers kon nog steeds weinig meer Hollands dan: „sigaret” en „tabak” en nog wat van dat soort uitdrukkingen.
(ibidem, p. 208 HC)

Gaandeweg de serie begint het er steeds meer op te lijken dat Bob steeds beter Nederlands spreekt en verstaat, al spreekt Willy zich in een en hetzelfde deel soms tegen:

Ten eerste zeiden de mannen binnen in de auto zo goed als niets. Als zij, tweedens, iets zeiden, deden zij dat op zeer zachte toon, en ten derde verstond Bob, als Amerikaan, niet zo goed Hollands dat hij aan een half gefluisterd, kortaf gevoerd gesprek veel touw had kunnen vastknopen.
(„Drie jongens als circusdetective”, p. 97 HC)

Maar ook:

Zij hadden vrij luid gesproken en Bob’s kennis van Hollands was voldoende om hem te doen begrijpen, wat er gezegd was.
(ibidem, p. 132 HC)

Af en toe kan het van groot strategisch voordeel zijn om te doen alsof Bob geen Nederlands verstaat:

Bob had de tijd gehad om na te denken. Hij verstond Hollands heel aardig, hoewel hij het maar matig sprak. Maar de jongens hadden al eerder tijdens hun avonturen ervaren, welk een enorm voordeel het soms was, te doen of zij een taal niet verstonden. De Bolle kon absoluut niet weten, dat Bob Hollands verstond. Mark wist dat evenmin. Tijdens de scène, vroeger die nacht, toen Bob betrapt was bij het laten leeglopen van de achterband, had hij geen stom woord gezegd dan: „Thank you very much!” en bij de vechtpartij in Bilthoven was er veel geslagen, maar weinig gesproken. En tegen Bob spraken Jan en Arie meestal Engels, want hun Engels was stukken beter dan Bob’s Hollands. Dus Bob schudde zijn hoofd een beetje en bromde:
„Cannot understand.”
Hij voelde de man die op zijn rug zat, even verstijven. Dan kwam zijn stem:
„Heb je me verstaan?”
Bob bromde weer, schudde met zijn hoofd ondanks de pijn in zijn nek en herhaalde met meer nadruk:
„I am American. I cannot understand. American.” (ibidem, pp. 160-1 HC)

Vader Roos vindt dat hij met Bob beter Nederlands kan praten, want:

Pa Roos, ofschoon hij uitstekend Engels sprak, praatte tegen Bob nagenoeg alleen maar Hollands. Want Pa Roos achtte het een normale beleefdheid om, als je in een land te gast was, de taal van dat land te spreken (Hoeveel jaar Goelag zou een dergelijk appel op de beleefdheid van buitenlandse gasten anno 2026 onder „premier” Jetten opleveren?). Bovendien, hield hij vol, kenden de Hollanders wèl Engels, maar Bob geen Hollands, zodat de Hollanders van Bob weinig konden leren, maar Bob van de Hollanders wèl. („Een raderboot als zilvervloot”, pp. 65-6 HC)

Zoals we hierboven zien, golft het niveau van Bobs Nederlands, zelfs binnen een en hetzelfde deel, ietwat op en neer. Laten we het er maar op houden dat zijn beheersing van de Nederlandse taal steeds beter wordt, al lijkt het erop dat hij in „Lotgevallen rond een locomotief” weer terug is bij af, d.w.z. dat hij Nederlands alleen verstaat als het langzaam wordt gesproken, zoals in „Geduvel rond een duffel”:

Jan Prins, die een hoop van motoren afwist, had allang in de gaten, waar de schoen ergens wrong en snapte dat er ijlings een afleidingsmanoeuvre moest worden bedacht, klom achter het stuur en zei in het Hollands:
„Bob, ga voor die wagen weg.”
Bob keek even vreemd op, want hij verstond langzamerhand vrij aardig Hollands, maar alleen als hij goed luisterde. Jan zei, duidelijk:
„Ga-voor-de-wagen-weg.”
(„Lotgevallen rond een locomotief”, p. 73 HC)

En zo zou ik nog talloze voorbeelden kunnen opnoemen van Bobs wisselende kennis van onze taal. Ronduit pijnlijk wordt het echter als hij tot tweemaal aan toe een briefje in het Nederlands probeert te schrijven:

Geachte Heer Bulk,
Was hier te half veif met trombone, maar font niemant thois. Ik bel tot zes uren af en toe op en ga dan self terug naar Den Haag. Ik probeer de trombone dan achter te laten bij iemant wie U vanavond nog wel langs zal bezoeken.
Groeten voor Colstee.

(„Stampij om een schuiftrompet”, p. 48 HC)

resp.

Jan en Arie,
Parsons zit in ZUR KRONE dad ies kafee off soiets verderopp ien die dorp tweede straat lienks. Iek ga daarhenen nuw en blaif op jouw wackten.
Bob.

Hij las met grote aandacht over wat hij had geschreven. Hij had het natuurlijk wel in het Engels kunnen doen, maar hij vond zelf dat hij nu langzamerhand voldoende Hollands had geleerd om in die taal briefjes te kunnen schrijven. Hij veranderde het woord „kafee” tot het twee „f”en kreeg, las het hele geval nog eens over en schoof het briefje met een gevoel van trots in de envelop, die hij daarna dichtlikte.
(„Ali Roos als Arie Baba”, p. 162 HC)

Ten slotte zij nog opgemerkt dat Willem onze moedertaal veel vaker Hollands dan Nederlands noemt, bij Peter is dat – terecht – precies omgekeerd.
Met Bob kennis van andere Europese talen is het ronduit slecht gesteld:

Hij (Bob) had zich in de loop der jaren een aardige kennis van het Hollands verworven, maar aan talen als Duits en Frans was hij niet toegekomen. Als er op dat gebied problemen ontstonden, werden die door Jan of Arie opgelost.”
(„Stampij om een schuiftrompet”, p. 27 HC)

Daarin staat hij overigens niet alleen, want er zijn in dat deel wel meer mensen die zich niet verstaanbaar kunnen maken in het Frans.
In Casablanca komen Jan en Bob door Bobs onkunde van de Franse taal in de problemen, hoewel het toch lijkt alsof hij een beetje Frans spreekt, maar met een afschuwelijk accent:

Maar met Bob Evers was het een totaal ander geval. Die had een Amerikaanse school achter de rug, met als gevolg dat het beetje Frans dat hij kende juist genoeg was om in een café een glas Coca-Cola te bestellen, en dan nog moest hij het soms twee keer zeggen, omdat zijn uitspraak zo erbarmelijk was, dat zelfs leden van de Parijse onderwereld er bleek van werden. Hij had natuurlijk daarna wel hier en daar een woordje opgepikt, en Arie en Jan hadden zijn accent wel wat bijgepolijst, maar toch was zijn Frans nog steeds zo slecht, dat hij een normaal gesprek nauwelijks kon volgen, en als het gesprek wat vlug ging, kon hij er geen touw meer aan vast knopen. En dat zou hen deze avond lelijk parten gaan spelen.”
(„Cnall-effecten in Casablanca”, p. 175 HC)


Met Bobs Duits is het al niet veel beter gesteld: hij spreekt in totaal op de kop af drie woorden Duits: het eerste is:

„Jawohl?” antwoordde Bob, blij om het enige woord Duits dat hij kende, te kunnen luchten.
(„Een dollarjacht in een D-trein”, p. 93 HC)

Een plus twee is drie:

Bob grijnsde scheef.
„„Jawohl” en „Hände hoch” is ook het enige Duits dat ik ken. [...]”
(„Een raderboot als zilvervloot”, p. 181 HC)

Duits verstaan gaat hem iets beter af: In „Ali Roos als Arie Baba” (p. 62 HC) begrijpt Bob in ieder geval wél dat de Duitse chauffeurs van de vrachtwagens met pijpleidingen het hebben over koffie die hier – in Antwerpen - beter is dan elders (in de Heimat?). De Duitse chauffeurs blijken hier trouwens net zo slecht Duits te spreken als Willem, die in zijn hbs-tijd een onvoldoende had voor Duits; net als bijvoorbeeld Anton Mussert (op de hbs in Gorinchem) wiens overigens prima rapport ontsierd werd door een vijf voor Duits. Zeer opvallend, gezien beider houding in de oorlog: „die Kaffee”! Willem toch!
De enige iets zegt over de kwaliteit van het Amerikaanse onderwijs, is Bobs assistente Joyce aan de Franse Rivièra:

‘Dat zou ik wel denken, ja. Jij weet zeker helemaal niets van Frankrijk.’
‘Klopt,’ zei Bob. ‘Parijs ligt erin en ze spreken er Frans, daar blijft het bij.’
‘Lang leve het Amerikaanse onderwijs,’ zei Joyce.
(„Superslag in een supermarkt”, p. 96)

Eén troost: Bobs kennis van het Spaans en Italiaans is ongeveer van hetzelfde niveau als die van Jan en Arie:

‘Vergeten,’ zei hij toen hij naast het karretje stond. ‘Sleutels. Vergeten.’ Hij maakte een beweging of hij een slot openmaakte. ‘Stom.’ Wat was ‘stom’ in het Spaans. ‘Stupido.’ Het klonk goed, vond hij. ‘Ik,’ hij wees naar zijn borst, ‘stupido.’
‘Estúpido?’ vroeg de vrouw, terwijl het meisje in de lach schoot.
(„Glorierijke missers in La Gloria”, p. 131)

Sommige mensen, onder wie Bob, trekken bij het zien van een woord dat ze uit andere talen kennen meteen de conclusie:

‘[...] Daar is de ingang en daarachter zit de receptie. Recepción, zo moeilijk is Spaans niet.’
(„Met gestolen geld naar Gibraltar”, p. 162)

Wat later komt hij tot de conclusie dat Spaans toch niet zo makkelijk is als het leek, want:

‘Ik herken de stem van Hemingway. Hij praat Spaans, dus ik heb geen idee wat hij zegt.’
(„Een postpakket voor Porto”, p. 43)


Soms is het zelfs voor een Amerikaanse bengel mogelijk om te combineren en te deduceren:

Bob kende geen woord Italiaans, maar Frigorifero lijkt erg op refrigerator en dat is het Amerikaanse woord voor koelkast.
(„Kloppartijen in een koelhuis”, p. 43)

Dat Bob geen woord Italiaans spreekt, wordt een deeltje later nog eens herhaald:

Hij sprak geen woord Italiaans maar het internationale gebaar voor telefoneren kende hij: duim en pink van een hand uitsteken en naast je hoofd houden.
(„Superslag in een supermarkt”, p. 15)

Bob kan in een telefoongesprek met pa Roos wel overdrijven:

‘Ja, graag. U spreekt Italiaans en wij nauwelijks.’
(„Superslag in een supermarkt”, p. 17)

Behalve dat Bob dus nogal overdrijft met zijn „nauwelijks”, komen wij hier ook te weten dat pa Roos blijkbaar wél Italiaans spreekt. Dat maakt het overigens des te onbegrijpelijker dat hij niet zelf met de jongens is afgereisd naar Italië om zich nogmaals te begeven (en vermoedelijk uit te glijden) op het glibberige pad van avontuur, of zou hij daar na „Een raderboot als zilvervloot” definitief de Roosbuik vol van hebben?

Samenvattend kunnen wij rustig stellen dat de drie jongens al met al weinig problemen met Spaans en Italiaans ondervinden, omdat er vrijwel altijd iemand is die het gesproken woord voor hen vertaalt.
Dat geldt ook voor de spaarzame keren dat ze in landen en provincies komen waar andere talen dan Duits, Engels, Frans, Italiaans, Nederlands of Spaans worden gesproken: in Libië, in het boek nog Tripolitanië genoemd, wordt in die tijd nog volop Italiaans gesproken, maar de tegenstanders met wie zij te maken krijgen, spreken veelal Engels, net als de taxichauffeur, al is de kennis van het Engels van die laatste vrijwel beperkt tot dat ene toverwoord: „Dollar?” („Een speurtocht door Noord-Afrika”).
Hong-Kong is in de jaren ’50 gelukkig voor de bewoners, maar ook voor bezoekers als Jan, Bob en Arie, nog steeds Brits, democratisch en welvarend („Hoog spel in Hong-Kong”).
In Marokko spreekt een deel van de bevolking natuurlijk Arabisch, maar zeker in het eerste deel, dat in de jaren ’60 speelt, kort na de onafhankelijkheid van Marokko (2 maart 1956), is Frans nog steeds de lingua franca, zeker in het noorden van dat land. Maar ook tegenwoordig kun je vrijwel overal terecht met Frans. („Cnall-effecten in Casablanca” en „Een zeegevecht met watervrees”).
Jaren later komen Jan, Bob en Arie terecht in het deel van Polen dat tachtig jaar geleden nog Duits was (het huidige Słubice is bijvoorbeeld niets meer of minder dan een deel van Frankfurt (Oder) en heette vroeger Dammvorstadt), maar noemenswaardige problemen levert dat niet op („Bakkeleien in een Berlijnse bios” en „De Stripman van Słubice”). In het later dit jaar te verschijnen deel 80, „De vesting van Finsterwolde”, krijgen de jongens te maken met een stel Poolse handlangers van de Groningse penose en die zorgen wel voor enkele communicatieproblemen.
In „De gouden greep van tante Ginny” en „Deining rond een drafbaan”) zetten de jongens voor het eerst voet aan wal in onze enige provincie waar ze volgens de inwoners een eigen taal hebben: Friesland. Met een beetje goede wil is Fries echter min of meer te volgen voor een Nederlander met een half of meer ontwikkelde talenknobbel, al beweert Jan Prins iets anders:

‘Volgens mij wel. Ik hoorde ook zoiets roepen, maar ik versta weinig van het Fries, Bobbie.’
(„Deining rond een drafbaan”, p. 67)

Maar wel of niet verstaanbaar, problemen levert die andere taal niet op in het verhaal. Wegens groot succes bezoeken Jan, Bob en Arie Friesland nog even in „Driftbuien in Driewegsluis”, maar daar wordt helemaal geen Fries gesproken, dus dat is ook al geen probleem. Dat geldt ook niet voor Portugees: in „Een postpakket voor Porto” komt ons drietal voor het eerst en tot nu toe voor het laatst in Portugal. Arie raadt Jan aan:

‘Praai jij een vliegtuig. Koop een woordenboek en leer onderweg een paar handige woorden Portugees, zoals ‘geld’ en ‘kan het niet een beetje goedkoper?’ en ‘dit is meer dan genoeg fooi’. Oké?’
(„Een postpakket voor Porto”, p. 117)

Jan slaat Arie’s advies echter in de wind en zo kan het gebeuren dat:

Hij klampte drie personen aan die in het Portugees zeiden dat ze geen Engels verstonden en trof daarna een politieagent die dat ook niet deed, maar begreep wat Jan bedoelde.
(ibidem, p. 132)

En zo komt Jan toch nog zonder probleem terecht in het betreffende postkantoor. De papieren in het Portugees die van belang zijn, dragen de jongens aan het eind van het boek over aan verzekeringsman Daniel Matos en die is als Portugees natuurlijk in staat om ze te lezen.

Er is dus weinig aanleiding om gebruik te maken van Arie’s suggestie voor een „verjaardagscadeau”:

‘Heb jij weinig aan, Amerikaan,’ zei Arie. ‘Dit is Italiaans-Nederlands en omgekeerd. Weet je wat ik heb overwogen jou cadeau te geven op onze verjaardag?’
Jan Prins keek van Bob naar dikke Arie en weer terug. ‘ONZE verjaardag? Wat is dat nu weer voor barre kul?’
‘De verjaardag van de dag dat wij elkaar voor het eerst ontmoetten,’ antwoordde de dikke doodkalm. ‘Vind je niet, dat wij dat eindelijk eens officieel zouden moeten gaan vieren?’
Jan maakte een korzelig wegwuivend gebaar: ‘Jij altijd met je onzinnige denkbeelden ...’
Maar Bob Evers informeerde nieuwsgierig: ‘Wàt voor cadeau wilde jij me dan geven?’
‘Een vertaalcomputer,’ zei de sproetenkop. ‘Kun je onder je arm meenemen. Zitten zeven of acht talen in, als ik het wel heb.’
Bob stond daar aandachtig over na te denken, maar Jan Prins barstte in proestend protest uit.
‘De vertalingen die WIJ nodig hebben, zitten er beslist niet in. ‘Handen Omhoog of ik Schiet’, en ‘Wij Willen de Politie erbuiten Houden’, en zo meer.’
(„Kloppartijen in een koelhuis”, p. 43)

Toen Willem dit bijna een halve eeuw geleden schreef, waren vertaalcomputers nog redelijk logge dingen, maar tegenwoordig zijn het handige, kleine apparaatjes, niet groter dan een mobieltje of iPod. Volgens de reclame kennen die dingen inmiddels meer dan honderd talen en zullen ze inmiddels ook wel zinnen als ‘Wij Willen de Politie erbuiten Houden’ kunnen vertalen. Maar ja, niets is zo leuk als zelf een taal leren spreken en lezen, toch? Bovendien, als Jan, Bob en Arie in hetzelfde tempo vertaalcomputertjes blijven verliezen als mobieltjes, hebben ze er minder dan niets aan en geven zijn een belangrijke troef uit handen: het spreken van onze moedertaal, die niet alle tegenstanders beheersen!

Goethes adagium „In der Beschränkung zeigt sich der Meister”, door Arie Roos geciteerd in „Stampij om een schuiftrompet”, is aan mij niet helemaal besteed, geloof ik. Ik ben nu wel lang genoeg aan het woord geweest, maar staat u mij s’il vous plaît nog één slotopmerking toe: sinds de spellingshervorming van 1995 worden de afkortingen van schooltypes met kleine letter geschreven. Het is een tikkeltje zinloos, vind ik, om namen van reeds lang verdwenen schooltypes zoals MULO, HBS en LHNO nu ineens met een kleine letter te spellen in plaats van met hoofdletters, zoals wij die kennen uit de Bob Evers-serie. Ouderwetsch als ik ben, heb ik in bovenstaand artikel natuurlijk voor de oude spelling gekozen.





Historisch geluidsdocument
John Beringen

We kunnen ons allemaal Pia Beck herinneren (Den Haag, * 18 september 1925, † Málaga, 26 november 2009). Deze Nederlandse jazzpianiste en -zangeres kruiste regelmatig het levenspad van Willem. Zoals deze liet weten was dat vanaf 1942. Bovendien had hij haar naar adem laten happen toen hij haar mededeelde dat hijzelf en Sylvia Sillevis één en dezelfde persoon waren ¹. Ook wordt zij genoemd in het relaas van Jaap Nefkens waarin deze laat weten dat Willem in 1949/50 zijn ontvangen royalty’s voor een afgeleverd boek op één avond vrolijk opsoupeerde in L’heure Bleu; een redelijk chique tent waar Pia Beck ook vaak te vinden was ².
Maar ook Marie-José ontmoette haar ooit. Dat was in periode dat zij als journaliste werkzaam was voor het Franse persbureau in Parijs. Hoe lang ze precies dat vak aldaar uitoefende, is niet precies bekend, maar zelf had ze het altijd over „ongeveer twintig jaar”. Ze liet ooit weten dat ze weer naar Nederland terugkeerde in het najaar van 1973; dan zal ze dus rond 1953 in dienst zijn getreden bij het Franse persbureau. Uit één van de vele gesprekken die ik met haar had, herinner ik mij nog dat ze opmerkte dat ze veel moeite had om de langdradige en wollige uiteenzettingen van Joop den Uyl in goed leesbaar Frans te vertalen.
Op zeker moment ging Marie-José opruimen. Ze had nog een bandrecorder staan waar ze niets meer mee deed; het was een behoorlijk oude Philips-machine. Ook had zij nog wat bandrecorderbanden (van sommige merken had ik nog nooit gehoord). Of ik daar interesse in had. Nou ben ik altijd al een audiofiel geweest dus eenieder zal begrijpen dat ik deze spullen maar al te graag in ontvangst nam. Nieuwsgierig bekeek ik de spoelen. In één van de dozen zat een doorslag waarop het volgende te lezen was:

Questions:

PIA BECK

1:

When and how did you first come in contact with music?

2:

Did you never have any lessons?

3:

Will you tell us something about your amateur-activities?

4:

What happened after the war? Did you become professional immediately?

5:

How long did you stay with the Miller Sextet and when did you form your own trio?

6:

Will you tell us about your trips to America?

6a:

Will you ever visit France in the near Future?

7:

I suppose you often play records of other pianists .... will you tell us something about that or about your other hobbies?

8:

Have you special wishes for the future?

9:

Farewell-message


Publicity & Public Relations Dept.
Baarn 1.8.1957


Dit verwees onmiskenbaar naar een interview. En inderdaad ... op de betreffende band was Pia Beck te horen die alle vragen keurig beantwoordde. Dat deed ze echter in het Frans. Nou is mijn kennis van de Franse taal niet denderend te noemen, maar ik kon het wel voor het grootste deel verstaan. Het waren trouwens alleen de antwoorden van Pia Beck die op rij waren gezet; Marie-José, die de vragen stelde, was niet te horen. Die fragmenten waren er tussenuit geknipt. Dat zal de pret er niet minder om maken, want dit is en blijft natuurlijk uniek geluidsmateriaal. Zeker als men bedenkt dat ikzelf ten tijde van dit interview nog geen drie maanden oud was ...
Het geluidsdocument is op YouTube te beluisteren via de volgende link: https://youtu.be/cZBFEPCQ_Uc of door op YouTube „Pia Beck beantwoordt vragen” in te typen.


De inmiddels antieke bandrecorder


De bediening van de bandrecorder bleek voor Marie-José wat ingewikkeld te zijn zodat ze aan de binnenkant van de deksel een papier plakte met daarop een tekening alwaar de functies van de verschillende knoppen werden vermeld 😂


Het papier dat mij meteen heel nieuwsgierig maakte



¹     Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig”, blz. 51 e.v.
²     Bob Evers’ laatste ereronde”, blz. 53





Bobs Bronnen (17) : „De Kanaken-stuurman heette, vreemd genoeg, Muriloff”
Roger Schenk

Een merkwaardige, maar bij de lezers natuurlijk overbekende zin uit „De strijd om het goudschip”: „De Kanaken-stuurman heette, vreemd genoeg, Muriloff.” Ja, vóór Willy’s uitleg klinkt dit inderdaad uiterst merkwaardig, maar, vreemd genoeg, ná Willy’s uitleg, klinkt het geheel bijzonder plausibel.
Des stuurmans vader was een Russisch opvarende van een walvisvaarder geweest en via-via op Ternate terechtgekomen, een eilandje ten westen van Halmahera op de Noord-Molukken (Maluku Utara). Ontwikkelingslanden hebben zo af en toe de neiging om om wat voor reden dan ook een geheel nieuwe hoofdstad aan te wijzen en zo kon het gebeuren dat vanaf 2010 het kleine Sofifi met z’n 3000 inwoners op de westkust van Halmahera de hoofdstad werd van de provincie Noord-Molukken in plaats van de stad Ternate op het gelijknamige eiland, met ruim 200.000 inwoners veruit de grootste stad in deze provincie, dat tot die tijd de provinciehoofdstad was.
Hoe dan ook, lang voor de inwoners van „Ons Indië” zelfs maar aan onafhankelijkheid konden denken, had vader Muriloff in Ternate een Polynesische vrouw weten te versieren; hij trouwde zelfs met haar en hun oudste zoon was een halfbloed, de ons welbekende Kanakenstuurman. Zeg nou zelf: dit klinkt allemaal heel aannemelijk. Ternate lag helemaal aan de oostkant van – toen nog – Nederlands-Indië, onze belangrijkste kolonie. Alleen het Nederlands deel van Nieuw-Guinea lag nog oostelijker, maar Hollandia (sinds 1962 achtereenvolgens Kota Baru (Nieuwe Stad), Sukarnopura (Stad van Soekarno) en sinds 1968 Jayapura (Stad van de Overwinning) genaamd, hoewel de Papoea’s de voorkeur geven aan de naam Port Numbay) werd om een of andere reden nooit zo’n belangrijke uitvalsbasis voor expedities naar de Stille Zuidzee. Nou was en is het zo dat de havens in en rond de Grote Oceaan, Pacifische Oceaan of bij anglofiele of liever gezegd anglomane Nederlanders „Pacific” genoemde oceaan, die bij Bob Evers-liefhebbers gewoon Stille Zuidzee heet, een enorme aantrekkingskracht uitoefen(d)en op Europese, Chinese en Arabische varensgasten die er hun oude dag in alle rust hoopten of hopen door te brengen. En zo bezien is het helemaal niet zo’n merkwaardig idee dat een Russische ex-zeeman zich vestigde in Ternate. Halfbloed Muriloff, de stuurman van de „Annie Laurie” van kapitein Abercrombie, had – aldus Willy van der Heide – de kracht, de slimheid en de moed van zijn vader en de luiheid en trouw van zijn inlandse moeder. Een type dat alleen maar actief werd als hij op zee was en kon vechten. Alle andere bezigheden ter wereld lieten hem koud. Hij dronk nooit sterke drank, bemoeide zich vrij weinig met vrouwen en gaf zijn geld eigenlijk even graag weg als hij het verdiende. Hij wilde alléén maar varen en vechten en zolang hij dat kon, was hij tevreden. Kort en goed, een geloofwaardige omschrijving van de omstandigheden waaronder stuurman Muriloff (jr.) het levenslicht had gezien. De vraag is nu alleen nog: hoe kwam Willy van der Heide op de nam Muriloff?

Sommigen onder u zullen zich de vorige aflevering van Bobs Bronnen nog voor de geest kunnen halen; ja, ik weet het, dat is alweer anderhalf jaar geleden, maar toch … die aflevering ging over Circus Mikkenie, het circus dat genoemd werd in de feuilletonversie van „Een speurtocht door Noord-Afrika” en dat was vrij logisch, want dat feuilleton verscheen in de „Jeugdkampioen”, een blad dat met enige regelmaat aandacht besteedde aan Circus Mikkenie, net als overigens het blad „Cinema en Theater”. Beide bladen werden niet geheel toevallig door een zekere Willem W. Waterman en een zekere Willy van der Heide – beide pseudoniemen van Wilhelmus Henricus Maria van den Hout – regelmatig van kopij voorzien. Welnu, in dat Circus Mikkenie trad in de oorlogsjaren een zekere Frans Muriloff op. Correcter is het wellicht om voor die jaren te spreken van Circus Mikkenie-Strassburger; enfin, dat kunt u nalezen in de vorige Nieuwsbrief. Deze Muriloff was geen Rus en al helemaal geen halfbloed Kanaak, maar een rasechte Hollander.

Frans Muriloff op jonge leeftijd

Frans Muriloff in 1995


Op 3 maart 1904 werd in Amsterdam een zekere Franciscus Johannes Antonius Schmitz geboren. Hij bekwaamde zich al vroeg tot balletdanser en tapdanser, maar trad bij gelegenheid ook wel op als acrobaat en goochelaar. Hij begon gedurende de zogeheten „Roaring Twenties” met theateroptredens, vooralsnog als amateur, in een groep met Ditty Doornbosch en Willy Walden. Korte tijd later stak hij de Noordzee over om in Londen als balletdanser op te treden in het Grosvenor House, samen met de danseres Nalda Muriloff, eigenlijk Murilova. Zij was Londense van geboorte, want in die plaats was zij op 6 juli 1906 geboren, onder de naam Muriel Louisa Barnett: hee, alwéér een bekende naam! Of ze familieleden had die Bennett heetten, is helaas niet bekend, maar wel dat zij opgeleid was door de wereldberoemde Anna Pavlova. Vanwege haar artiestennaam nam Frans Schmitz het pseudoniem Frans Muriloff aan en samen traden ze op onder de naam de Murilova’s. Sinds die vroege jaren ’30 bleef hij dat pseudoniem zo intensief gebruiken, dat in zijn paspoort de aantekening „... zich noemende en schrijvende Frans Muriloff” kwam te staan. Kijk, we kennen allemaal die meneer uit ’s-Hertogenbosch, die vaker de naam Willem W. Waterman gebruikte dan zijn eigen naam, Willy van den Hout, maar zelfs hém is een dergelijke aantekening niet te beurt gevallen. De Murilova’s traden tussen 1929 en 1933 samen met Alfred Stroganoff ook op in Denemarken, Egypte en Italië. Tussen 1933 en 1941 leidde Frans in Amsterdam de „Muriloff School of Stage Dancing”, een op het theater georiënteerde dansschool. In die tijd werkte Muriloff met sterren als Kees Pruis, Lou Bandy, Louis Davids, Sylvain Poons en Willy Derby; ook „ontdekte” hij een nog jonge Toon Hermans, wiens manager hij aanvankelijk was. In 1939 keerde zijn danspartner Nalda Murilova definitief terug naar Engeland, omdat het in Nederland voor een Engelse met Joodse wortels niet veilig was met het oog op een dreigende oorlog; ze overleed op 4 juni 1990. Frans Muriloff verzorgde vanaf dat moment (1939) de choreografie van de Nederlandse Revue met Snip en Snap (Willy Walden en Piet Muyselaar); zij worden in „Stampij om een schuiftrompet” genoemd als het soort artiesten voor wie zelfs iemand als een Eddie Bulk naar het theater ging. Later zou Frans de producer van die revue worden. Vooral dankzij Mikkenie’s Theaterproducties kon Muriloff de eerste jaren van de bezetting nog optreden met zijn Frans Muriloff’s Select Ballet, maar ook met zijn eigen cabaretgezelschap met o.a. Toon Hermans als „Buziau”.


Nalda Murilova en Frans Muriloff in de jaren ’30 oefenend op het balkon van een Egyptisch hotel: toch niet toevallig het „Palm Court Hotel” in Caïro?


Op 7 oktober 1945 trad Muriloff in het raadhuis van zijn woonplaats Heemstede in het huwelijk met de Engelse balletdanseres Phyllis Lane Lawrence (geboren in Sandhurst/Berkshire op 8 november 1916), die in Parijs nog had opgetreden met o.a. Maurice Chevalier en later als assistente van Toon Hermans; Frans en Phyllis hadden elkaar bij een auditie van een revuegezelschap in ons land leren kennen. In de jaren 1946-1947 zette Muriloff zich in voor de organisatie NIWIN: „Nationale Inspanning Welzijnsverzorging in Nederlands-Indië”, die artiesten naar Ons Indië uitzond en kerstpakketten voor Onze Jongens in de Oost regelde. Hij werd in die naoorlogse periode ook regisseur en producer van de „Bonte Dinsdagavondtrein” (onder andere bekend uit „Een klopjacht op een kapitein” en „Een raderboot als zilvervloot”), maar na het seizoen 1953/4 stopte hij na zeven seizoenen met het regisseurschap, maar ging wel verder als producer. Voor dat programma haalde hij buitenlandse sterren als Anne Shelton, Eve Boswell, Petula Clark, Shirley Bassey en Vera Lynn naar Nederland; ook liet hij mensen als Rudi Carell en Joop de Knegt debuteren. Verder deed hij o.a. de toneelregie van het „Grand Gala du Disque” van Willem Duys en „Eén van de acht”, gepresenteerd door Mies Bouwman. Na 1955 leidde hij met zijn vrouw Phyllis bovendien een eigen theateradviesbureau. Op zijn tachtigste stopte het drukke baasje – werkweken van zeventig à tachtig uur waren voor hem tot dat moment heel normaal – met werken. Hij overleed op 11 augustus 1999 op 95-jarige leeftijd. In het standaardwerk „100 jaar amusement in Nederland” van Jacques Klöters wordt zijn naam met ere als show-choreograaf van revues en leverancier van nieuw talent vermeld. Zijn echtgenote Phyllis Lane Lawrence overleed op 24 september 2006 en werd in Frans’ graf in Driehuis-Westerveld bijgezet.





Website
Peter de Zwaan

Het is van tweeën een: óf veel liefhebbers van Bob Evers hebben geen computer óf ze houden van hun gemak. Heel erg van hun gemak.
Neem nou de vragen die ze stellen.
„Is deel 52 nog te koop?”
Nee, staat te lezen op mijn website,
www.peterdezwaan.nl.
„Hoeveel moet ik betalen als ik de delen 76 en 77 wil bestellen?”
Twee keer 17,49 plus 4 euro portobijdrage, staat op de website.
„Hoeveel kost deel 73, „Geduvel rond een duffel”?”
Net als vrijwel alle andere delen: 17,49 euro, staat op de website.
De antwoorden op zeker 80 procent van de vragen die aan mij worden gesteld zijn te vinden op de website.
Gemakzucht om niet te kijken, beweer ik hierboven. Maar misschien is dat helemaal niet zo. Mijn vrouw, die als eerste alle post leest, denkt dat veel lezers gewoon met de schrijver willen corresponderen. „Uit aardigte,” zegt ze er altijd bij.
Dat geloof ik. Puur uit aardigheid en omdat het leuk is een antwoord te krijgen van de schrijver van boeken waar je plezier aan beleeft.
Niet dat die schrijver, ik dus, het erg vindt om post te beantwoorden. Maar soms, als ik in volle vaart bezig ben met een nieuw deel verzucht ik wel eens: „Kan het wachten, ik ben druk.”
Het antwoord van mijn vrouw is dan: „Nee, het zijn fans.”
Het komt altijd allemaal goed, maar toch, soms trek ik de wenkbrauwen hoog op.
Over, bijvoorbeeld, het volgende.
Een lezer wilde 16 delen en bestelde ze via Bol. Niets mis met Bol, prima website, leve Bol, maar toch: de man betaalde voor elk deel verzendkosten, in dit geval 40 euro. Dat kan niet anders bij Bol en dat alle delen in dezelfde doos gaan en wij die doos uiteindelijk versturen, maakt niet uit. Als hij de boeken rechtstreeks bij ons had besteld, dan waren ze in dezelfde doos naar hem toe gestuurd – alleen had hij dan 1 x 4 = 4 euro portobijdrage moeten betalen; zie de website. Scheelt toch 36 piek, dat is twee boeken van 17,49 euro.
Het loont, kijken op de website, dus wat let je.


Peter de Zwaan belegert alvast het Nederlands-Hervormde kerkje van Bourtange, als
voorschotje op de drie nieuwe delen die dit jaar bij Zwarte Zwaan zullen verschijnen.
Hebt u ze al besteld? Dat kan allemaal via … de website!








Maar waren er dan geen andere leuke jongensboekenseries? Zeker wel! (4)
Commissaris Achterberg

Roger Schenk

Wim van Helden werd geboren op 19 januari 1906 in Rotterdam; na de mulo had hij allerlei baantjes, maar in 1929 had hij eindelijk zijn baan voor het leven gevonden: bij de gemeentepolitie in zijn geboorte- en woonplaats. In 1954 werd hij benoemd tot adjudant.
Toen zijn zus in 1953 een boek had geschreven („Van renstal tot Maas”) en daarbij Wims hulp inriep, omdat die nou eenmaal meer van Rotjeknor afwist dan zij, kreeg Wim de aandrang om een waarheidsgetrouw beeld van het politiewerk te schetsen. Tijdens zijn diensttijd had hij zich altijd al geërgerd aan de manier waarop in detectiveboeken voor jong en oud over de politie werd geschreven: politiemensen worden daarin beschreven óf als een stelletje sukkels óf als een soort superhelden. We kunnen ons voorstellen dat Van Helden graag de waarheid over het politiewerk wilde verkondigen en die ligt zoals altijd in het midden.
In 1954 publiceerde hij zijn eerste detectiveboek voor de jeugd: „De verdwenen radiowagen” (latere herdrukken verschenen onder de titel „Commissaris Achterberg en de verdwenen radiowagen”). Tussen 1956 en 1961 zouden nog zeven delen van deze serie verschijnen. De serie heette officieel naar commissaris van politie Wim (!) Achterberg, in de volgende delen geassisteerd door „Dikke” Piet en „Magere” Gerrit, maar de eigenlijke hoofdpersonen waren de middelbare scholieren Eddy van Nus en Bram de Winter, die hun neuzen – in de regel ongevraagd – in politionele zaken staken. De vergelijking met een andere serie uit die tijd, waarin een Amerikaanse en twee Nederlandse scholieren dikwijls de FBI assisteren, dient zich onwillekeurig op. In 1958 schreef Van Helden onder het pseudoniem Nette Lens een boekje over politieagente Ria Bruins. En ook hier moeten we onwillekeurig denken aan een andere schrijver, Captain W.E. Johns, die wereldwijd succes oogstte met zijn superheld Biggles en vervolgens op verzoek van het Britse Ministerie van Luchtvaart een tiendelige serie schreef over een W.A.A.F. (Women’s Auxiliary Air Force), genaamd „Worrals” (eigenlijk Joan Worralson), met het doel jonge meisjes warm te maken om dienst te nemen in het korps van vrouwelijke hulptroepen van de Royal Air Force. Zou Wim van Helden alias Nettie Lens soms ook een soortgelijk verzoek hebben gekregen om een serie met een vrouwelijke politieagente te schrijven? Uiteindelijk bleef Van Heldens Ria Bruins-serie steken op drie delen. In 1960 begon hij aan een nieuwe serie, genaamd Inspecteur Arglistig, voor de wat oudere jeugd. Inspecteur van Veen, bijgenaamd „Arglistig” is hierin de onbetwiste hoofdpersoon: dat de serie inderdaad voor de oudere jeugd is bedoeld, blijkt uit het feit dat hij niet wordt geholpen door scholieren. In 1972 verschenen dan tussen alle bedrijven door nog een „nabrandertje” van de Commissaris Achterberg-serie.


(1954)

(1956)

(1956)

(1957)


(1958)

(1958)

(1959)

(1961)


(1972)

De negen boeken zijn hierboven en hiernaast weergegeven in de volgorde waarin ze zijn verschenen; dat is een andere volgorde dat in de boeken zelf vermeld; dat is nog steeds niet de juiste chronologische volgorde, want „Telefoon voor Commissaris Achterberg” is het eerste boek waarin „Dikke” Piet en „Magere” Gerrit optreden en moet dus als tweede deel van de serie gelden. Dat maakt het lezen ervan overigens niet minder leuk en we zijn van de eerder genoemde Biggles- en Bob Evers-series inmiddels wel gewend dat de volgorde waarin de boeken geschreven zijn niet altijd even chronologisch is; dat geldt natuurlijk ook voor de Karl May-serie: niet alleen de vijftig Nederlandse „Karl May Pockets;”, maar ook voor de zevenennegentig Duitse „Gesammelte Werke” en de zich nog steeds uitbreidende „Historisch-kritische Ausgabe”, maar dat is een heel ander verhaal.
Van Helden verwerkte in zijn boeken zijn ervaringen als politieman en de verschillende opsporingstechnieken die bij de recherche gebruikt werden. Het is een gouden greep van hem geweest om twee verschillende series te schrijven: eentje voor de wat jongere jeugd met twee scholieren als eigenlijke hoofdpersonen en eentje voor de wat toen rijpere jeugd werd genoemd, met een inspecteur van politie in de hoofdrol. Het spreekt voor zich dat de humor in de Commissaris Achterberg-serie een grote rol speelt dan in de Inspecteur Arglistig-serie; ook wat dat betreft, mag men Commissaris Achterberg best vergelijken met „onze” Bob Evers-serie.


Op merknamen van auto’s e.d. na zijn de boeken tijdloos, met uitzondering van het laatste deel, „Commissaris Achterberg en de ontvoerde marathonloper”, dat in de actualiteit van de Olympische Spelen van München speelt: de door Bram en Eddy gadegeslagen prestaties van Lasse Viren en Mark Spitz worden ook in het boek overschaduwd door de minder vrolijke gebeurtenissen tijdens die Spelen.
Auteurs van de boeken waar wij met z’n allen zo van hebben genoten en vóór pakweg 2000 zijn geschreven, krijgen alle vroeg of laat te maken met het – meestal nergens op slaand – verwijt dat zij zich bezondigd zouden hebben aan racistische bewoordingen of het gebruik van woorden als neger of zigeuner. Bij Wim van Helden is dat alles in vrijwel al zijn boeken niet van toepassing: in zijn boeken, die alle in de jaren ’50 of ’60 spelen, zijn de boeven zonder uitzondering blank: Hollandse jongens van de vlakte, zogezegd. Alleen in dat „Commissaris Achterberg en de ontvoerde marathonloper” komt er tot tweemaal aan toe iets ter sprake waarvan de „woke” dwazen gaan steigeren: ten eerste natuurlijk de zwarte opdrachtgever van het ontvoeren van Teun Klomp, de Nederlandse marathonloper, die per se wil dat een neger het koningsnummer van de atletiek, de marathon, zal winnen en er daarom niet voor terugdeinst om de blanke concurrent, Teun Klomp dus, te laten ontvoeren. Het begrip karma was in het Nederland van 1972 nog niet in gebruik, maar lag wel al op de loer: de in München geboren Amerikaan Frank Shorter won de marathon officieel en ook de tweede plaats was voor een blanke renner. Uiterst hilarisch is ook Van Heldens beschrijving van de voetbalwedstrijd Soedan – Sovjet-Unie (door Van Helden hardnekkig Rusland genoemd), die op 30 augustus 1972 werd gespeeld en in een 2-1 overwinning voor de Sovjets eindigde. „Van tactiek hadden ze” – de Soedanezen – „nog nooit gehoord, evenmin als van opgeven. Ze sprongen net als een stel vlooien om de Russen heen, die tevergeefs probeerden een spel op te bouwen.” Hiermee gaf Van Helden blijk ook verstand van voetbal te hebben, zoals overigens de meeste Rotterdammerts.





Enkele foto’s uit Honolulu
Hans Kleppe & Roger Schenk

Deel 26 in een serie foto-impressies van de plaatsen van handeling van de Bob Evers-serie.
Onze Man uit Dordrecht-Zuid Hans Kleppe reisde voor ons af naar het verre Honolulu in de Amerikaanse staat Hawaii (maar niet op het gelijknamige eiland). Het commentaar bij zijn kleurrijke foto’s werd verzorgd door Roger Schenk


Kaartje van Honolulu, door Willy van der Heide hardnekkig Honoloeloe genoemd, op Oahu, volgens Arie Roos „een molshoop, genaamd Oehoe of zoiets”, maar wel een molshoop van 41 mijl lang en 26 mijl breed, in normale mensentaal ruwweg 60 bij 40 km. Hoe dan ook: het belangrijkste eiland van de Hawaii-groep.
De nummers 1 t/m 10 geven aan waar de foto’s hieronder zijn gemaakt
.



De eerste gedocumenteerde kennismaking van Jan, Bob en Arie met het fenomeen ananas was uit blik, zoals dat ook bij de meesten van ons het geval zal zijn geweest; alleen vond die kennismaking van het ons zo bekende trio plaats ergens in de Stille Zuidzee en dat was bij de meesten van ons wél anders: „Als je er eenmaal aan begint kun je er onmogelijk mee ophouden. Dat goed is zó verschrikkelijk lekker ...”.
Een deel verderop en een eindje verderop in die zelfde Zuidzee blijken er toch wat omissies te zitten in de encyclopedische kennis van Jantje Prins: „Ik deed een moord voor een enkel ananasje. Vraag ik te veel? Ben ik te onbescheiden? Ik heb altijd gedacht dat de Zuidzee vol stond met ananasbomen of ananasstruiken of ananasplanten of waar die dingen ook aan groeien.”
„Geen idee,” zei Bob. „Misschien groeien ze wel als knollen in de grond, als aardappelen.”.
De échte kennismaking met ananas en de groeiwijze ervan vindt natuurlijk pas plaats in „
Heibel in Honoloeloe”: „Ben je nou zot, dikke? Wie bestelt er nou ananas op Hawaii? Dat is hier net zoiets als bij ons een bord gras.”
Het geboefte Mac en Bennie huurt op Oahu de tijdelijk leegstaande villa van ananasfabrikant Atkinson, waarschijnlijk géén familie van Rowan
(1)



Wij konden onze medewerker Hans Kleppe met een gerust hart om een boodschap sturen, zoals blijkt uit deze foto: een prachtopname van een ouwe Ford uit de tijd dat Jan en Arie nog „dans ontsprongen” in de woeste laatste jaren van de oorlog met de flanken van de Diamond Head op de achtergrond: twee Bob Evers-vliegen in één klap, want die Diamond Head was ook het eerste wat Jan, Bob en Arie van Hawaii zagen toen ze Pearl Harbor naderden aan boord van de „Nancy May”, waarschijnlijk géén familie van Karl. Vanaf Hawaii – of liever gezegd: Oahu – reisde het drietal per vliegtuig verder naar Hong-Kong.
Het spijt ons te moeten zeggen, maar dat hij zes deeltjes na zijn eerste bezoek aan Oahu niet eens weet dat de eilanden Hawaii en Oahu niet hetzelfde zijn, pleit nou niet echt voor de topografische kennis van jongetje Roos
(2)



Het naderen van Pearl Harbor zorgde op de „Nancy May” voor de zoveelste ruzie tussen de Amerikaanse onderwijzeres Sally Moss, waarschijnlijk géén familie van Kate, en de anonieme Engelse zakenman (3)



Pearl Harbor kenden wij vroeger natuurlijk allemaal van de laffe aanval van de Jappen op de Amerikaanse vloot op 7 mei 1941; deze aanval leidde tot deelname van de Verenigde Staten aan de Tweede Wereldoorlog en uiteindelijk dus tot de geallieerde overwinning, de daaropvolgende arrestatie van Willem W. Waterman, diens tienjarige Berufsverbot en dus het noodgedwongen schrijven van de Bob Evers-serie.
Speciaal voor Arie Roos heeft de fotograaf van dienst, Hans Kleppe, wel degelijk familie van Ton, een t-shirt met de Hawaii-eilandengroep erop, aangetrokken. Kijk je even mee, Arie? Vrijwel in het midden op Hans’ borst bevindt zich de „molshoop” Oahu!
(4)



De „geheimzinnige” heer Simpson, waarschijnlijk géén familie van Wallis, heeft voor Jan, Bob en Arie drie kamers gehuurd in het dure „Halekulani Hotel” in het stadsdeel Waikiki. De behalve het nemen van een bad, het de stuipen op het lijf jagen van een Filipijnse bediende en het nuttigen van een diner (mét ananas) maken de drie jeugdige bengels overigens geen gebruik van die kamers: ze zijn de hele nacht in touw om het gestolen prototype te vinden en de volgende dag vliegen ze alweer naar huis. (5)



De lobby van het „Halekulani Hotel”, waar de heer Simpson zich na zijn onderonsje met Zakaroea, waarschijnlijk géén familie van een Hawaiiaan, want de letter „z” en de lettercombinatie „o-e-a” komen in het Hawaiiaans niet voor, niet durfde te vertonen (6)



Het zwembad van het „Halekulani Hotel”, waarvan de drie jongens óók al geen gebruik maakten. Arie Roos, waarschijnlijk géén familie van Jan, wentelt hooguit als een potvis in het bad van zijn hotelkamer (7)



De jongens hebben de kamers 462, 464 en 466, op de vierde verdieping dus van het steeds protseriger wordende „Halekulani Hotel”. Wie de enorme hoteltorens van het hotel bekijkt, beseft dat het helaas voorgoed gedaan is met de Hawaii-romantiek (8)



De confrontatie tussen George Simpson en Zakaroea vindt plaats vlakbij de kruising van de Ala Wai Boulevard en de Iolani Boulevard; die laatste boulevard bestaat niet: in werkelijkheid bedoelt Willem waarschijnlijk de Kapiolani Boulevard, genoemd naar de Hawaiiaanse koningin Kapi‘olani; deze boulevard kruist de Ala Wai overigens net niet. Koningin Kapi‘olani en haar man, koning Kalākaua, lieten overigens wel het Iolani Palace bouwen, een naam die Willem dus gebruikte als naam van een boulevard (9)



Echt spannend en/of Hawaiiaans ziet de Ala Wai Boulevard er niet uit. Wel lang en recht, dus uitermate geschikt bijvoorbeeld om een kilometertje of wat te rennen, maar er zijn meer lange en rechte boulevards in Hawaii, dus dat zegt niets.
Een Molokai Square bestaat niet, net zo min als een „Harry’s Bar”. In Honolulu bestaat ook geen Waikane Drive; waarschijnlijk bedoelde Willem de weg naar het plaatsje Waikane, aan de noordoostkust van het eiland. Daar loopt tegenwoordig een autosnelweg, maar in de tijd van Jan, Bob en Arie was dat een gewone weg die sinds de opening van de autosnelweg aan de grillen van Moeder Natuur is overgelaten. Het betreden van die weg, de Old Pali Road, is verboden en bovendien levensgevaarlijk en dat wil toch zeker niemand die arme Hans aandoen, enkel en alleen voor een foto van het huis van Zakaroea op nr. 67B? Zo gezellig was het daar niet, krijgen we de indruk uit „Heibel in Honolulu
(10)








Ongewilde liefde of Het drama op zolder
P. P. Preuts

Van november 1949 t/m ergens in 1950 verschenen de Amsterdamse uitgeverij „AROCA” minstens 14 nummers van het tijdschrift „Amor’s Magazine”, een blaadje dat geheel of vrijwel geheel werd volgeschreven door de ons welbekende Willem van den Hout: vaak anoniem, soms onder een – wel heel doorzichtig – pseudoniem. In het colofon wordt vermeld: Wij verzoeken onze lezers, lezeresen (sic!) en wederverkopers toe te zien dat ons blad niet in handen komt van minderjarigen!. Het gaat dan ook om een soft-erotisch blaadje van een niveau waarvan men in de jaren ’40 en ’50 van de vorige eeuw waarschijnlijk enorm opgewonden raakte en heus niet alleen in seksuele zin. Tegenwoordig zouden we onze schouders ophalen over de hooguit ondeugende verhaaltjes, zoals het onderstaande, uit het allereerste nummer.
Willem gebruikt hier voor het eerst het allitererende pseudoniem P. P. Preuts, dat wij in de
Nieuwsbrief vaker tegen kwamen, o.a. in de nummers 40 en 41.


„Wacht vanavond maar niet op mij, liefste,” had Mijnheer Binterman gezegd, want Ik kom met de laatste trein terug. Ga maar gerust naar bed!”
Mevrouw Binterman was een charmante vrouw, met donker opgestoken haar. De gitzwarte ogen verhoogden het aantrekkelijke van haar goedgevormd figuur. Niet alleen hield zij veel van haar echtvriend, maar zij was daarbij zeer jaloers.
Vanavond vooral was zij zeer opgewonden. Mijnheer was nog niet thuis. De gangklok sloeg één uur. Zij waakte en overwoog nogmaals haar plan. Vanavond had ze ’t willen weten. Zékerheid hebben. Ze zou nu het bewijs krijgen of haar man haar bedroog. Zij vertrouwde hem niet met Alida, het schijnbaar preutse dienstmeisje. Tevéél attenties werd het, overigens zeer knappe kind, bewezen. Tevéél werd zij door Mijnheer toegelachen. Hij hield, zei hij, van knappe mensen om hem heen! Nou ja, Alida was de zonde wel waard. Een flinke blonde meid met blauwe ogen en een prachtkop golvend haar. Een model om te schilderen! Stevig rose, klein rond en vol rond, en prachtige benen. Ja die benen hadden steeds de aandacht van Mijnheer Binterman als Alida de trap op ging.
In den beginne was het Mevrouw niet opgevallen, dat haar dienstmeisje de verlangens van haar echtgenoot opwekte, doch langzamerhand werd de heer des huizes zo brutaal, dat hij het waagde zich te begeven naar de bovenste verdieping waar het meisje haar kamer had en dikwijls een smoesje vond in die ruimte een praatje te maken. Alhoewel mijnheer in het gewone leven zonder gesticulaties sprak, scheen het, dat zijn lieve woorden in de nabijheid van Alida op medewerking van armen en handen rekenden.
Deze bezoeken trokken langzamerhand de aandacht van Mevrouw en alhoewel zij er niet zeker van was, vermoedde zij dat mijnheer ook ’s avonds bij het thuiskomen éérst een nachtkusje aan Alida ging brengen, alvorens in het echtelijk bed te stappen.
Hedenavond zou Mevrouw weten of zij juist verondersteld had. Zij had lang overlegd hoe de boosdoener In de val te lokken, en eindelijk wist zij de juiste opzet in geraffineerde vorm. Alida had zij, tot grote verwondering, maar tevens grote vreugde van het lieve kind, de gehele dag vrijaf gegeven en zelfs gezegd, dat zij haar moeder in Amersfoort mocht bezoeken, hetgeen een nacht en dag extra vrij betekende.
„Zou Mevrouw Johan even willen gaan zeggen, dat ze onverwachts naar haar moeder vertrokken was,” had zij nog vlug vóór haar heengaan gevraagd.
Johan was de intieme vriend van Alida, een flinke kerel, die erg verliefd was en in vuur en gloed voor het lieve meisje verkeerde. Hij woonde even verderop en het zou dus geen moeite zijn de boodschap af Ie geven, als hij thuis van kantoor zou zijn. Johan rekende er op Alida als gewoonte ook hedenavond te ontmoeien.
Mevrouw bemerkte tot haar schrik, dat zij de boodschap vergeten had over te brengen en nu zag zij deze fout in, omdat ongetwijfeld Johan handenwringend thuis wachtte of misschien wel ergens op het gegeven rendez-vous vruchteloos heen en weer laveerde. Ach wat kon hel haar ook schelen? Op dit ogenblik zou de vent toch al wel weten dat zijn Alida niet was gekomen.
Een gerucht deed Mevrouw haar gedachtengang onderbreken en zij scherpte haar gehoor. Mijnheer zou ieder ogenblik moeten thuiskomen. De laatste trein was nu wel binnen, en dus zou zij eindelijk zekerheid krijgen als hij thuis kwam.
Zij verliet haar bed en sloop vlug naar boven naar de kamer van Alida. Daar gekomen, draaide zij de lamp los, zodat haar echtvriend niet direct door licht te maken de opzet dóórhad. In een enkele minuut lag zij in het bed van haar blonde gedienstige en wachtte de dingen, die gebeuren zouden, met kloppend hart af.
Het was niet lang daarna, toen zij de voordeur zacht hoorde kraken en als een dief in de nacht sloop de laatkomer het huis in naar de eerste verdieping. Zou hij toch naar zijn eigen wettelijke afdeling gaan en dus werkelijk onschuldig zijn? Gemeen toch haar brave man zo te verdenken! Maar wat hoorde zij? Even was het op de eerste étage stil geworden en suisde de stilte van de nacht door het huis. En toen, ja hij waagde het, de schurk!
Wacht maar, eerst zal zij hem laten begaan, alsof hij het blondje liefkoost en dan als hij .... stil, de treden van de verraderlijke trap kraakten en voorzichtig sluipt de nietsvermoedende echtbreker behoedzaam naar boven. Nu Is hij vlak bij het kamertje en klopt driemaal zachtjes aan. Zeker een afgesproken tekentje tussen die twee. O, wat een aartsbedrieger! Wie weet en hoe dikwijls hij deze gang gemaakt heeft zonder dat zij zich van iets bewust was.
De man, onkundig van de opgezette val, sluipt nader en fluistert hees „dag”. Verder wordt niet gesproken, dat zou immers te gevaarlijk zijn voor beneden! Zonder enige uitnodiging verder af te wachten, bevindt hij zich ongelooflijk vlug naast de vrouw, die gedwee de komende gebeurtenissen afwacht.
Zelfs wanneer hij ondubbelzinnige bewijzen levert van zijn bijzondere aanhankelijkheid, ontsnapt nog steeds geen verwijt aan de zich nu bedrogen-wetende vrouw. Wel is zij hoogst verbaasd en haast ingenomen met deze ongekende vitaliteit, die haar er toe brengt de ontknoping en het démasqué nog wat uit te stellen!
De huisdeur wordt plotseling beneden dichtgeslagen en met een ruk vliegen beiden rechtop. Wie zou dat zijn? .... Inbrekers?
Mijnheer staat met een sprong midden in het kamertje en zegt gejaagd: „Ik dacht dat ze sliepen, Alida.”
Deze vreemde stem, maar nog meer de voetstappen beneden, doen Mevrouw Binterman van ontzetting de handen naar het hoofd slaan. Ze springt het bed uit en draait de losgemaakte lamp aan. Vóór haar staat, zich ordenend, Johan, nu zelf met verbazing en tegelijkertijd schrik, Mevrouw Binterman’s hoge négligé onthutst bekijkend.
„Mijnheer, in vredesnaam, hoe komt U hier? Verbergt U, want hij vermoordt me. En wat ik bidden mag, zwijg!” smeekt Mevrouw en duwt de geheel de kluts kwijt zijnde Johan weer naar de plaats, waar hij zoëven dacht zijn lieve Alida te bezitten.
Mevrouw stormt naar beneden en profiteert van de gelegenheid, dat Mijnheer Binterman in de badkamer zijn nachttoilet verzorgt, om in het echtelijk bed te springen en de dekens in schaamte over het hoofd te trekken!
.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
Johan heeft gezwegen ....





Cameo in Caïro
Alie Loos

De beroemde filmregisseur Alfred Hitchcock had wat met cameo’s. Hij had de gewoonte om altijd even door het beeld te lopen. Soms als café-gast, soms als voorbijganger, maar altijd was hij wel een paar seconden in beeld.
Willem kon dit ook meesterlijk: verschijnen in zijn eigen boeken. Heel erg duidelijk is dit als Willem Arie Roos opbelt, in „Schuiftrompet” bijvoorbeeld:

Vijf minuten later had ik Arie Roos aan de telefoon. Deze sproetige zwaargewicht gaf van grote geestdrift blijk toen hij hoorde, wat er op til was. „Wat een zwijn!” riep hij. „Dan kunnen we dat gijntje nog nèt meepikken voor Bob terug moet naar Amerika om in die stinkfabriek van zijn vader te werken.

Maar subtieler kon hij het ook.

EEN.
Zusje Marie-José beschrijft in „Gelukkig Gisteren” dat Willem voor de oorlog gemobiliseerd was als korporaal der Grenadiers. (Later bij het Korps Motordienst in Bilthoven). Gekleed in een buitenmodelletje demonstreerde hij voor zijn zusje het gebruik van beenwindsels. Daarvóór, in 1934-1935, diende hij als dienstplichtig korporaal bij het Regiment Grenadiers en Jagers in Den Haag.
Conclusie nummer 1: Willem was in het leger, en wel bij de Grenadiers.

TWEE.
Willem was beroemd en berucht, niet alleen om zijn schrijf- maar ook om zijn spraakvermogen. Eenmaal aan het woord liet hij zich dat niet zo gauw meer afpakken. Conclusie nummer 2 lijkt gerechtvaardigd: korporaal Willem was een kletsmajoor.

DRIE.
Dit even in het achterhoofd houdend, leze men de volgende meesterlijk beschreven scene in „Zilvervloot”:

Daarna begon hij hard na te denken. Hij had nooit verwacht dat een wachtmeester van de Rijkspolitie in Zeeland behept zou zijn met een brandende belangstelling in het ontstaan van dichtwerken. Hennie had gezegd dat hij dichter was, in het vertrouwen dat zulk een vaag, vreemd beroep aan veel gevraag een eind zou maken. En hij wist er wel iéts van af ... want Hennie was als soldaat in dienst geweest bij het Regiment Grenadiers en de jongen waarnaast hij de eerste vier maanden had geslapen, was wèl een dichter geweest. Na die vier maanden had Hennie een andere slaapbrits aangevraagd, maar in de tussentijd had hij een nachtelijke cursus in dichten gevolgd waarvan toch wel het een en ander in zijn geheugen was blijven plakken.
[...]
Hij pijnigde zijn hersens en uit zijn herinnering kwam een flard gedicht opduiken, waarover in de soldatenkamer heel wat was gelachen.
[...]

Avond in Caïro

„Waar zeven ijle dadelpalmen
de verre spoorbaan volgen
kreunt het azuur.
Het laaiend vuur
wordt mat.
De stanken der kamelen
verglijden op de lichte bries.
De steward schrijft met krijt ...”


En even later herinnert de Amsterdamse Dichter H. J. Schol zich nog een fraai vers:

„Een man en een hond
lopen de wereld rond
Een vrouw en een kat
horen thuis; op de mat.”


Hier reciteert Schol dus enige gedichten die hij van zijn maatje in dienst geleerd heeft. Nou, en wie heeft deze gedichten geschreven? Willem natuurlijk.
Want dit schreef hij in „De Slag bij Arnhem”:

„Als zeven zwarte avondvogels
een verre spoorbaan volgen
staakt het azuur.
Het laaiend vuur wordt mat.
Het rookgordijn der branden
verwaaiert in de lichte bries.

De captain schrijft een kort bevel.
Zijn moe gelaat, dat ’s werelds oudheid weet ...
[...]
De tijd brandt af.”


De zeven zwarte avondvogels zijn in de versie van H. Schol ijle dadelpalmen geworden, het azuur kreunt in plaats van staakt en de captain werd gedegradeerd tot steward, maar de gelijkenissen zijn evident. Hennie heeft het gedicht gehoord van zijn dichtende slapie Willem.

(Over de krijtende steward: Gert Huber dichtte er eens de onsterfelijke woorden: „... de nummers op de zolen” achter. Ook heel fraai)

Ook de door Schol gereciteerde honden- en katten-poëzie wrochtte Willem, benevens de wonderschone regel: „De maan brandt af!” [Oorspronkelijk: „De tijd brandt af”].

Conclusie nummer 3: Het slapie van Hennie Schol was Willem van den Hout in hoogst eigen persoon.



Naschrift van de redactie van de Nieuwsbrief:
Alie Loos is het pseudoniem van een van de steeds meer in aantal afnemende échte kenners van de
Bob Evers-serie.
Onder het pseudoniem „Piffle” heeft hij ook een eigen, zeer aanbevelenswaardige
website.
Kort voor Kerstmis 2025 mocht de redactie van de
Nieuwsbrief de volgende, zeer originele kerstkaart van deze Alie Loos ontvangen:









Nieuwsbrief 63

Nieuwsbrief 64
als pdf

Nieuwsbrief 65

Register van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Nieuwsbrief

Startpagina van
de Apriana

Google
www op deze website