Dr. Karl May

E. v. Linden m.m.v. Dr. C.J. Schuurman 1





Dr. Karl May






Door  E. v. Linden m. m. v. Dr. C. J. Schuurman







































Der Mensch glaubt zu schieben und wird geschoben. Tritt ihm ein Ereignis nahe, das er nicht selbstgefällig auf seine eigene Rechnung setzen kann, obwohl sich später zeigt, dass es von grossem Einfluss auf sein Leben ist, so geniert es ihn, einzugestehen, dass hoch über ihn eine weise, mächtige Führung waltet, die ihn nicht um die Erlaubnis fragt, mit ihm tun zu dürfen, was sie für richtig hält, und so hat er das vollständig nichtssagende und inhaltlose Wort Zu fall er funden, mit dem er zwar seine Ohnmacht eingesteht, weil er nicht anders kann, aber auch keine ihn beherrschende und bewusst handelnde Potenz anerkennt. Mein Leben ist sehr reich an solchen sogenannten Zu fällen, die sich später als für mich ausserordentlich wichtig erweisen, und wenn ich dann auf sie zurückblickte, so entdeckte ich, dass sie mit einer logischen Folgerichtigkeit an mich herangetreten waren, die mich als denkenden Menschen zwang, sie nicht einem willenlosen, blinden Ungefähr, sondern einer ausserhalb meiner und jenseits dieser Tatsachen existierenden, unendlichem Güte zuzuschreiben.


Karl May (Und Friede auf Erden 1901) 2




   3





I N H O U D
Pag.
1.Inleiding  1

A. W. Conrady in gesprek met Einstein en Schweitzer  3

Deel I — Tekst E. v. Linden

Datumoverzicht  3
1.Kinderjaren (1842-1847)  5
2.Jeugd (1847-1857)  6
3.Tijd als kweekschoolleerling en onderwijzer (1857-1861)  8
4.Gevangenistijd (1862-1874)  9
5.Bij de colportage (1875-1866)11
6.May’s werken12
7.Gevoerde processen13
8.Slot16



Deel II — Tekst Dr. Schuurman

1.Plaats van Karl May in de samenleving18
2.Een visie met betrekking tot May’s aanrakingen met de strafrechter.20
3.Over het verband tussen creativiteit, fantasie, symboliek en literatuur21
4.Over “Ik-probleem” en moraal23
5.May’s levenbeschouwing en de strijd tussen goed en kwaad.25
6.Karl May en zijn critici27
7.Over plagiaat, kinderlijke argeloosheid en de vrouw in May’s verhalen.30
8.Van hallucinaties.31
9.Enige para-psychologische aspecten.33



Deel III — Verdere informatie

Inkomsten en oplage-aantallen van zijn boeken34
Brief aan een joodse jongen34
Geweren en de D. D. R.35
Uitspraken van Karl May35
Literatuur36
Bekende/beroemde personen over May36
Verschijningsdata38
  Freddy Poncin over Karl May40
An meine lieben Gratulanten40





L. S.

Mogen er in Nederland miljoenen boeken van Karl May zijn verschenen, boeken over hem zijn er maar enkele.
Daarom is het verbeugend dat er nu weer een publicatie over de zo omstreden auteur verschijnt waaruit men kan zien dat Karl May niet de jongensboekenschrijver is die men in Nederland van hem heeft gemaakt, maar dat zijn werk een veel groter gebied bestrijkt dan alleen wat indianen- en Oriëntverhalen.
Wanneer men overigens leest wat er zoal over Karl May wordt geschreven in tijdschriften en andere publicaties is dit soms verbijsterend.
In Duitsland is een uitgebreide literatuur over Karl May verschenen die hier tot nu toe weinig bekend is; ook zijn mooiste boeken zijn niet in het Nederlands vertaald omdat ze niet in de “jeugdboeken” pasten.
Wie kent hier bijv. zijn “Und Friede auf Erden”?
Die onbekendheid is wellicht aanleiding kennis te nemen van deze biografie door de Heer E. van Linden in samenwerking met Dr. C. J. Schuurman.
Naar volledigheid en een diepgaande studie over de schrijver en mens Karl May is hier niet gestreefd.
Dat was niet mogelijk en ook niet de bedoeling, wel het beter bekend doen worden van Karl May en wat hij in zijn werken wilde uitdragen. Als we hem bezien in het licht van zijn tijd (eind vorige eeuw tot 1912) zal de waardering voor hem ongetwijfeld toenemen door het lezen van dit boekje dat ik vele lezers toewens.


Bennebroek. Mei 1976. J. Heyink.

Hoofdredacteur van “ De KJJVA”,
contactblad voor indianen en
Karl May vrienden in Nederland.

Ixialaan 8
Bennebroek ( N. H. )








1


6


2


4


7


3


5


8


9




1. Karl May in zijn bibliotheek, beginperiode, beneden
     zijn schrijftafel met “Winnetou”-manuscript.
2. May’s werkkamer na 1900.
3. Villa “Shatterhand” in Radebeul.
4. May in zijn werkkamer, beginperiode.
5. May’s bibliotheek, ± 1900 en later.
6. Villa “Shatterhand”+tuin, ± 1904
7. De - voormalige 4 - Karl May-straat in Radebeul.
     (Rechts May’s villa, links zijn tuin/park.
8. Villa “Shatterhand” vanuit de tuin.
9. Tuchthuis Waldheim. Boven binnenplaats en
     beneden weefzaal tuchthuis Waldheim.




1

Inleiding


Kent U de schrijver en dichter Karl May? Van naam zeker, want welke Nederlander heeft nu nog nooit gehoord van deze schepper van Winnetou en Old Shatterhand. Van naam dus wel, maar als U werd gevraagd in welke tijd leefde de man eigenlijk en kunt U nog andere boeken van hem noemen dan “Winnetou” dan is er een grote kans dat U het niet zo ver zou brengen. Toch heeft May, die leefde van 1842-1912, in totaal zo’n 74 boeken geschreven 5. May schreef aanvankelijk voor kranten en tijdschriften en is er pas tegen 1900 6 toe gekomen door zijn uitgever Fehsenfeld 7 zijn verhalen in boeken te laten vatten, waar nodig aan te vullen en er een lopend geheel van te maken. Dat hij een Duitser was weet U waarschijnlijk, maar dat hij een profeet was die in eigen land niet werd geëerd is U misschien ook minder bekend.
Dit boekje heeft ten doel meer licht te doen schijnen op genoemde auteur. In Nederland kent praktisch iedereen May, heeft meestal ook wel eens een of meer boeken van hem gelezen maar geneert zich eigenlijk om het te zeggen.

Die boeken zijn toch voor kinderen? Dat ze meer door jongeren dan door ouderen worden gelezen zal wel een feit zijn maar van die 74 boeken waren slechts een stuk of 7 voor jeugdigen bestemd. Wat vaststaat is dat Karl May als auteur schromelijk wordt ondergewaardeerd.
Ik ben bang dat als U gevraagd zou worden andere schrijvers uit zijn tijd te noemen (van Duitse origine) U net zo ver zou komen als ik en ver is dat niet. Uit deze opmerking mag blijken dat ik geen literatuur-deskundige ben. Het boekje is ontstaan nadat ik me zo’n 25 jaar lang met de boeken van May heb bezig gehouden. Ik wil niet, zoals anderen, beweren dat ik ze alle ken. Misschien komt het nog eens zo ver. Misschien dat mijn interesse — ik ken iemands diepste zieleroerselen niet die zich geroepen acht een boek over bv. de Waddenzee te schrijven zei onlangs Prof. Karel van het Reve 8 (zo ongeveer) op de t.v. — bevorderd is door de onzinnige conclusies die door zogenaamde “onbetwiste Karl May deskundigen” ten beste zijn gegeven.

Zelf heb ik me in dit verhaal(tje) bepaald tot de feiten, misschien wat pro-May weergegeven, en Dr. Schuurman was bereid uitleg te geven over de persoon van May.
Er is een Duits boekje dat heet “Kennen Sie Karl May” 9, U kent hem na lezing van het navolgende in ieder geval iets beter dan voordat U er kennis van nam.
De tekst van Dr. Schuurman is de op schrift gestelde weergave van band-opnamen van enige gesprekken. Dr. Schuurmans conclusies zijn voornamelijk gebaseerd op kennisneming van het hoofdstuk waarin May zijn gevangenistijd beschrijft. Ik heb er vervolgens de woorden van May zelf tegenovergesteld zoals deze zijn weergegeven in de originele tekst van zijn auto-biografie.
Aan de kwaliteit van mijn vertaling uit het Duits moeten geen al te hoge eisen worden gesteld. Dr. Schuurman heeft tegenover mij opgemerkt dat hem na vergelijking tussen zijn woorden en die van May een vrij grote gelijkenis was opgevallen. Uitdrukkelijk moet dan ook worden gesteld dat Dr. Schuurman tijdens de gesprekken van May’s opvattingen en gevolgtrekkingen voor het overgrote deel in het geheel niet op de hoogte was. Het beeld dat hij van hem heeft geschetst ontloopt May’s eigen visie niet

veel. Tijdens de gesprekken is nogal wat gesproken over “Old Shatterhand, ook voor U!” (1955) waarin Dr. F. C. de Rooy 10 zijn zienswijze op genoemde auteur heeft neergelegd, die in elk geval tot 1967 ongewijzigd bleef. Tegen deze achtergrond moeten de woorden van Dr. Schuurman worden gezien.
Correspondentie met Dr. Schuurman over dit onderwerp is, i.v.m. diens drukke werkzaamheden, helaas niet mogelijk.



Het geheim van het leven is dat je jezelf wordt.

Dr. C. J. Schuurman.



   11




2



Dr. Cornelis Johannes Schuurman, geb. 5 juli 1898 te Aarlanderveen (thans gem. Alphen a. d. Rijn) studeerde medicijnen aan de universiteit van Leiden en is thans een der meest vooraanstaande psychiaters in Nederland. Hij promoveerde in mei 1925 tijdens zijn studententijd, een unicum in 1925!, op het proefschrift “De bacteriofaag, een ultra-microbe” en werkte enige tijd nauw samen met de ontdekker van de bacteriofaag (een parasiet van de bacterie), d’Hérelle 12.
In november 1925 deed hij zijn arts-examen. Als voorbereiding op zijn vertrek naar Ned. Indië werd hij, in de tweede helft van zijn studie, assistent op een laboratorium voor tropische ziekten.
Hij studeerde een jaar in Parijs aan het Instituut Pasteur 13 en verrichtte daar onderzoekingen op geheel ander terrein. Vervolgens vertrok hij voor acht jaar naar Ned. Indië als gouvernements-arts, d.w.z. als bacterioloog. In Ned. Indië deed hij diverse gevaarlijke onderzoekingen op het gebied van malaria, pest en allerlei infectieziekten. Hij wijdde zich aan het bevorderen van de lichamelijke hygiëne. Enige transcendentale ervaringen op Java in 1929 alsmede de in Europa ontstane beweging van Hitler in 1933 legden de grondslag voor de verlegging van zijn werkzaamheid naar het terrein van de psychische hygiëne. In “Naar een nieuwe cultuur” verwerkte hij alles wat hij de afgelopen jaren had meegemaakt.
Dr. Schuurman was inmiddels lector (docent van de hoogste rang onder hoogleraar) geworden aan de Medische Hogeschool en had een prachtig laboratorium dat hij zelf mee had helpen opbouwen.
Hij gaf alles op en keerde met zijn vrouw terug naar Nederland waar hij te Amsterdam onder Prof. K. H. Bouwman 14 een opleiding volgde tot psychiater.
Thans is Dr. Schuurman psychiater te Amsterdam, oprichter van het Centrum voor zelfbezinning (zijn gespreksgroepen hebben afdelingen door het gehele land) en o.a. redactielid van het tijdschrift Sfynx.
Op de Internationale School voor Wijsbegeerte te Amersfoort worden geregeld cursussen door hem gegeven. Hij heeft bijdragen geleverd aan het programma “Zienswijze” (N. O. S.) van Jack v. Belle 15. Van zijn hand verschenen de volgende boeken:

  1. Perspectief der ziel (hoofdwerk);
  2. Stem uit de diepte;
  3. De taal van het onbewuste zieleleven;
  4. Grondpatronen van psychische ontsporing;
  5. De ziel als brandpunt van het scheppingsproces;
  6. Op zoek naar de mens;
  7. De medemens en wij;
  8. Ik luister en antwoord
  9. Er was eens ... er is nog;
10. Psychologie, godsdienst en religie.

Het merendeel van deze boeken is uitgegeven bij Ankh-Hermes b. v. te Deventer.
In “Er was eens ... er is nog”, over de symbolische betekenis van sprookjes, wijst Dr. Schuurman met de wijsheid der oude sprookjes de hedendaagse mens de weg naar de vervulling van zijn innerlijke mogelijkheden.

Dr. Schuurman hield zich 10 jaar lang bezig met astrologie.

Amsterdam, 1976.

E. v. Linden.




























Met dank aan:

Dr. C. J. Schuurman
De heer Heijink
Karl May Verlag
Herr Alfred Schneider
Ekkehard Bartsch
Herr Heinemann
Freddy Poncin
Mevr. P. Klaren
Mevr. D. de Way
Machteld Kaper
Rowoldt Taschenbuch Verlag
Sigbert Mohn Verlag
Olms Presse
Herr R. Schmid
Rie den Hartog



Amsterdam
Bennebroek (N. H.)
Bamberg
Hamburg
Kulmbach
Hildesheim
Amsterdam
Koedijk (N. H.)
Amsterdam
Rotterdam
Reinbek bei Hamburg
Gütersloh
Hildesheim
Bamberg
Dordrecht







Karl May
Gesellschaft
















3

Voor lezers zonder ziel schrijf ik niet.

Karl May.


DEEL I



E. v. Linden.



ALBERT WILHELM CONRADY 16 IN GESPREK MET EINSTEIN 17 EN SCHWEITZER 18.

Datum - augustus 1949
Plaats - Aspen, Colorado (V. S.)
Aanleiding - Goethe 19 herdenking

Opgevoerd wordt een door het Am. State Department georganiseerde “Indianen-show”.

Conrady:
Fantastisch! Precies alsof onze oude Karl May nog leefde. Zelfs de beroemde zilverbuks van Winnetou ontbreekt niet ...

Albert Einstein:
(1879- 1955) Natuurkundige, ontwerper relativiteitstheorie.

Fijn collega, dat ik niet alleen blijf met mijn voorliefde voor de vereerde Old Shatterhand! Weet U, dat mijn hele jeugd in Ulm en Milaan in zijn teken stond?
Ja, eigenlijk is hij mij nog in menig wanhopig ogenblik lief geweest en ik ben er verre van mij daarvoor te schamen. Waarom zult U vragen. Omdat ik steeds gevonden heb dat er in Karl May’s werken nog steeds de oerbron welt van onze jongensachtig gebleven, maar volkomen gezonde drang naar de romantische verte, naar avonturen en het verlangen te ervaren, hoe andere volken het met het leven, dat ons zo zwaar valt, klaarspelen.
De meeste boeken over reizen die ik las vond ik vervelend. Een boek van Karl May nooit ... De man moet een muzikale ader gehad hebben en die maakte zijn verhalen zo fris en veelzijdig, welk schouwtoneel hij zich ook heeft gekozen.

Albert Schweitzer: (1875-1965)
          Prot. theoloog, philosoof, arts en muzicus.
Stelde sinds 1913 zijn leven in dienst van de medische zending.

Natuurlijk heb ik hem in gelijke mate mijn tol betaald, maar wat mij het sterkst aan zijn literatuur bond, was de dappere bekenning tot vredelievendheid en wederzijds begrip dat bijna al zijn boeken verlevendigt en ons onbeschaafde vlegels nadrukkelijker dan veel hoogopgeschroefdst heeft geleerd grootmoedigheid en geduld te oefenen, kort gezegd: in de naaste, zelfs als hij dwaalt de broeder in Christus te zien en juist dat houd ik voor het onvergankelijke van zijn werk.

(Bekort fragment uit “Ich”, band 34 1958/1963 Karl May Verlag).

Datumoverzicht

25 febr. 1842, des avonds 10 uur. Carl Friedrich May wordt geboren te Ernstthal (Saksen).

1848-1856

“Rectoratsschule” in Ernstthal

1857-1859

Leerling “Pedagogische Academie” in Waldenburg

1860-1861

Pedagogische Academie te Plauen

1861

Hulponderwijzer te Glauchau. Onderwijzer te Alt-Chemnitz aan fabrieksscholen

1862 (6/9-20/10)

6 Weken gevangenisstraf in Chemnitz wegens “het benutten van vreemde eigendommen”. Gevolg: ontslag als onderwijzer

1864-1865

Op 8 juni 1865 door de Districtsrechtbank Leipzig tot 4 jr. en 1 mnd. gevangenisstraf veroordeeld wegens “meervoudig bedrog”

1868

Op 2 november werd hem gratie verleend

1870

Op 13 april 1870 door de Districtsrechtbank Mittweida tot 4 jr. gevangenisstraf veroordeeld wegens (o.a.) bedrog onder verzwarende omstandigheden

1874

2 mei uit de gevangenis van Waldheim ontslagen

1875-1877

Redacteur bij uitgeverij Münchmeyer 20 te Dresden

1877

May geeft zijn betrekking op na een poging hem door huwelijk aan deze colportageuitgeverij te binden

1879

Van 1-21 september in de gevangenis van Ernstthal wegens “uitoefening van een openbaar ambt”

1877-1882

Uitgeverij Pustet 21 te Regensburg deelt hem na zijn tweede bijdrage in de “Deutsche Hausschatz” mee bereid te zijn al zijn werken te verwerven (± 1878). Gedurende 20 jaren blijft May met deze uitgeverij verbonden

1880

Gehuwd met Emma Pollmer te Hohenstein 22

1882-1887

Schrijft 5 omvangrijke colportage-romans voor uitgeverij Münchmeyer

1887

Contacten met Union/Stuttgart 23

1892

Bij Fehsenfeld 24 te Freiburg verschijnen tot 1912 in totaal 33 reisverhalen

1896

14 januari van dit jaar vestigt May zich in Radebeul - een voorstadje van Dresden - in de villa Shatterhand

1899-1900

May maakt een reis van 16 maanden door o.a. het Midden Oosten, Perzië 25, Indonesië 26, Ceylon 27

1901

Wederrechtelijke uitgaven van de Münchmeyer romans, die door May onder pseudoniem werden geschreven, onder May’s naam. Begin der Münchmeyer-processen

1903

14 januari gescheiden 28 en op 30 maart hertrouwd met Klara Plöhn

1907

Gerechtelijk verbod tot publicatie van de




4

Münchmeyer-romans onder May’s naam.

1908

Uitgebreide reis door de Ver. Staten.

1910

Hoogtepunt van een kwaadaardige tegen May — voornamelijk door Rudolf Lebius 29 — gevoerde hetze na mislukte pogingen van Lebius hem om te kopen.
Publicatie van “Mijn leven en streven”, een zelf biografie.

1912

Op 22 maart lezing in de Sophiazaal te Wenen voor 2000 toehoorders.
Op 23 maart ontvangt May leden van de keizerlijke familie.

1912

30 maart des avonds te 8 uur op huwelijksdatum overleden.




Voor de volgende feiten werd May door de districtsrechtbank Leipzig tot vier jaar en 1 maand gevangenisstraf (Arbeitshaus) veroordeeld (op 8 juni 1865).

1e

Op 20 maart 1865 gaf hij zich tegenover de weduwe Hennig 30uit als graveur Hermes en verklaarde een kamer te willen huren. Vervolgens begaf hij zich naar bontwerker Erle 31, kocht daar voor 12 daalders (1 daalder is 3 mark-stuk) een beverpels en gaf opdracht die bij de weduwe Hennig af te geven. Hij nam hem zelf in ontvangst en verdween ermee zonder de rekening te betalen.

2e

Hij gaf toe de gezochte onbekende te zijn die op 16 december 1864 in Chemnitz op dezelfde manier twee bisampelzen en twee dames-bontkragen door bedrog had verkregen onder de naam van Lohse, leraar aan een kweekschool.

3e

Tenslotte bekende hij nog op 9 juli 1864 in Penig als Dr. (in de medicijnen) Heilig bestelde kleren te hebben geïncasseerd en te zijn verdwenen.

De districtsrechtbank Mittweida achtte het volgende bewezen:

1

Op 29 maart 1869 nam May bij winkelier Reimann 32 in Wiederau als “Polizeileutnant von Wolframsdorf uit Leipzig” geld en een horloge in beslag ter waarde van 18 Taler.

2

Op 10 april 1869 zelfde delict in Ponitz 33.

3

In de nacht van 28 mei 1869 ontvreemdde May bij zijn peetoom Weisspflog 34 in Ernstthal gereedschap en geld (waarde 10 Taler).

4

Op 31 mei 1869 in restaurant Wünschmann 35 in Limbach 5 biljardballen ontvreemd (20 Taler).

5

’s Nachts 4 juni 1869 uit de paardestal van hotelhouder Schreyer 36 in Bräunsdorf een paard gestolen; bij poging tot verkoop gevlucht (waarde paard: 66 Taler).

6

Op 15 juni 1869 bij bakkersvrouw Wappler 37 in Mülsen St. Jacob 28 Taler, als zijnde vals geld, in beslag genomen.

7

Op 2 juli 1869 in het kegelhuis van restaurateur Engelhardt 38 in Hohenstein 1 handdoek en 1 sigarenpijpje (10 Neugroschen) ontvreemd.

8

Bij zijn arrestatie op 2 juli 1869 droeg hij valse papieren bij zich voor een nieuwe poging tot bedrog.






Blind und doch sehend


Die Sonne krönt den goldnen Tag,
     die Sterne Funkeln in der Nacht;
wo nur ein Aug sich öffnen mag,
     glänzt ihm ein Licht, glänzt Himmelspracht
Doch all die Wonne, all die Pracht,
     mein toter Blick erfasst sie nicht;
in meines Daseins dunkler Nacht
     gibt’s keine Sonne, gibt’s kein Licht

Mein Gott und Vater! Nahmst du mir
     der Erde schönstes, freistes Gut,
so ruf ich flehend auf zu dir
     um deinen Schutz, um deine Hut.
Hör mein Gebet! vvernimm den Schrei!
     ich bin dein Kind; verstoss mich nicht!
O halt, mein Gott, mich fest und sei
     du meine Sonne, sei mein Licht!

Wie wird mir doch? Es tagt und tagt
     mir in des Herzens Nacht hinein,
und eine Stimme in mir sagt:
     ,Der Herr der Welt erbarmt sich dein!’
Es wird die Seele mir so weit;
     nun bin ich still und zage nicht;
denn du, o Allbarmherzigkeit,
     bist meine Sonne, bist mein Licht!





5


1


2


3


4

1.    Kinderjaren (1842- 1847)

Karl May werd op 25 februari 1842 geboren in Ernstthal (Saksen) in de Niedergasse, thans Bahnstrasse 27 39. De familie May telde zeven personen, vader, moeder, vier zusters en Karl 40. Inwonend waren de moeder van Karl’s vader en die van zijn moeder.
May’s vader was wever. * 41 In zijn auto-biografie vermeldt May terloops iets over de arbeidstijden van de wevers in die tijd: “Waarvoor een andere wever veertien uur per dag nodig had, had hij er slechts tien nodig.”
Kort na zijn geboorte werd May zwaar ziek en werd tijdelijk blind, welke blindheid tengevolge van de armoede, plaatselijke omstandigheden en kwakzalverij, eerst door artsen uit Dresden 42 kon worden genezen. May’s moeder, die hij zelf schetst als een heilige, ondanks de armoede offervaardig voor anderen, kreeg in 1840 een kleine erfenis, die voor de toenmalige omstandigheden aanzienlijk genoemd mag worden. Deze erfenis stelde haar o.a. in staat een examen af te leggen voor vroedvrouw, waarvoor zij op 13 februari 1846 met de aantekening “uitstekend” slaagde. Zij werd door het gemeentebestuur van Ernstthal, een stadje van 3000 inwoners waarvan 80% van de inwoners van de huisweverij leefde, als gemeente-vroedvrouw aangesteld.
May’s vader was een tamelijk onberekenbaar man die er nu eens op los sloeg (een van Karl’s zusters werd volgens hem zelfs als bruid nog op klappen getrakteerd toen ze te laat thuis kwam) en dan weer erg vriendelijk was. Vruchteloos hield hij zich, daartoe door de reeds genoemde erfenis in staat gesteld, mede met de duivenhandel bezig. De moeder van MayIs vader kwam uit Ernstthal — in tegenstelling tot MayIs andere grootmoeder die uit Hohenstein kwam — en had grote invloed op May. Ze was een arme, ongeletterde vrouw die de gave had uit de sprookjes e. d. die ze May vertelde gestalten te scheppen die niet slechts in die verhalen, doch ook in werkelijkheid leefden. Zij slaagde er op die wijze in May te doordringen van de ellendige omstandigheden waarin hij zou moeten opgroeien, al begreep hij dat eigenlijk pas veel later. Zij wakkerde zijn fantasie aan.
“Zij was mijn alles” aldus May.
Als sleutel tot zijn boeken, tot datgene waarin men hem prees en bekritiseerde, geeft hij de omstandigheid dat hem, vooral tengevolge van zijn tijdelijke blindheid, altijd meer het innerlijk dan het uiterlijk van de mensen waar hij contact mee had voor ogen kwam. Het feit dat May’s vader graag sprak en overdreef in alles wat hij deed en zei had voor wat betreft hetgeen hij deed tengevolge dat de familie May de tot de erfenis behorende eigen woning moest verlaten en in een huurwoning trok op het marktplein van Ernstthal (1845).
Op 5-jarige leeftijd werd May op de lagere school in zijn woonplaats toegelaten. Zijn gezichtsvermogen was daarvóór al teruggekeerd maat hetgeen zijn ogen te zien kregen was “niets dan armoede, zorg, leed” en een “kwelling aan de martelpaal waaraan men mij tot op de clag van vandaag bijna eindeloos peinigt.”




1   Marktplein met raadhuis van May’s geboorteplaats.

2, 3 en 4 May’s geboortehuis in Hohenstein-Ernsttal.



6

Grossmütterchen


Sie trug mich stets auf ihren Armen;
     sie lehrte mich den ersten Schritt,
und weinte ich zum Herzerbarmen,
     so weinte sie erbarmend mit.
Wenn sie des Abends mich ins Nestchen
     mit linder Segenshand gebracht,
so bat ich: “Bleibe noch ein Restchen”,
     und meinte da “die ganze Nacht”.

Und wenn ein böser Traum mich schreckte
     so sass sie da beim kleinen Licht,
nahm weg den Schirm, der es bedeckte,
     und sah mir liebend ins Gesicht.
Ich sah in ihre Augensterne
     und tat sodann die Frage doch:
“Ich träume ohne dich nicht gerne;
     Grossmütterchen, sag, wachst du noch?”

Zwar ist sie fängst von mir gegangen;
     ich selbst bin alt, fast schon ein Greis,
und fühl mich doch von ihr umfangen,
     die mich noch jetzt zu segnen weiss.
Stets ist es mir, geh ich zur Ruhe,
     als setze sie sich zu mir hin,
und wenn ich etwas Wicht’ges tue,
     kommt sie mir hilfreich in den Sinn.

Sooft ich Sterne leuchten sehe,
     hell wie in meiner Jugendzeit,
hör ich ihr Wort: “Was auch geschehe,
     du und dein Glück, ihr seid gefeit”.
Dann mcht ich, wie in jenen Tagen,
     zwar Uberflüssig, aber doch
die lieben, lieben Sterne fragen:
     “Grossmütterchen, sag, wachst du noch?”







































Getuigschrift
muziekonderwijs

* May’s vader was wever.

Na 1815 begon opnieuw een belangrijke invoer van Engelse industrie-artikelen, tot grote schade van de Duitse plattelandsnijverheid. Vooral in Silezië, met zijn uitgebreide huisnijverheid (linnen en katoen), kregen de arbeiders het zwaar te verduren. De wevers konden de concurrentie nog volhouden door tegen uiterst lage lonen 14 à 16 uur per etmaal te werken. De spinnerij, die technisch nòg achterlijker was dan de weverij, ging bijna geheel ten gronde. Sommige Silezische exporteurs richtten fabrieken op, machinale weefbedrijven, die uit Engeland geïmporteerde garens gebruikten. Dit maakte de omstandigheden voor de wevers, die in de huisnijverheid werkzaam bleven, nòg ongunstiger, totdat ze tenslotte in opstand kwamen.
De ellende der Silezische wevers is door verschillende kunstenaars uitgebeeld. Wij herinneren aan Heine’s 43 strijdlied “Die Weber” en aan Hauptmann’s 44 drama “Die Weber”. Voorts aan de lithographieenreëks van Käthe Kollwitz 45 “Ein Weberaufstand”.

Uit: “Economische en sociale geschiedenis in hoofdlijnen” door Dr. P. J. Bouman 46, hoogleraar Rijksuniversiteit Groningen.

Blijkens Karl May’s schildering van de toestand in Saksen was het daar al niet veel beter.



2.     Jeugd (1847-1857)

“Jij mooie, gouden jeugd! Hoe vaak heb ik je gezien, hoe dikwijls me over je verheugd! Bij anderen, altijd slechts bij anderen! Bij mij was je niet. Om mij ging je heen in een wijde, wijde boog”, aldus vangt May hoofdstuk III van zijn auto-biografie aan. Hij geeft vervolgens een beeld hoe de inwoners van Ernstthal zich vooral als gevolg van werkloosheid, misoogst, hoge prijzen en revolutie “door het leven hongerden” om het maar letterlijk te vertalen.
May’s moeder was zo gelukkig opdrachten te krijgen tot het naaien van witte handschoenen die overledenen werden aangetrokken alvorens zij werden begraven. De gehele familie, m.u.v. May’s vader en de moeder van May’s moeder, die in 1851 was gestorven, hield zich met het uitvoeren der opdrachten bezig.
Tijdens deze werkzaamheden vonden de onder I bedoelde weversopstanden plaats die ten doel hadden in Saksen koning Frederik Augustus (1836-1854) 47 te verdrijven en zijn regering omver te werpen. In Hohenstein (een aan Ernstthal grenzend stadje) en Ernstthal kwam men daarvan spoedig terug en wel op goede gronden, aldus May: het was namelijk te gevaarlijk. De stemming sloeg in het tegendeel om en er vormden zich enige weerkorpsen om de monarchie te behouden. Spottend merkt May op: “Gelukkig waren onze vaders zuiver helden, waarvan geen enkele voor iemand bang was”, ook niet voor de destijds gevreesde anarchie. Het bleek dat er in Ernstthal een geheel ongewoon aantal mensen was dat een bijzondere militaire aanleg bezat, merkt May fijntjes op, zowel strategisch als tactisch, nl. 33 personen.
May’s vader was aanvoerder van de 7e compagnie en had zijn arbeidsterrein inmiddels meer van het weven naar de duivenhandel verlegd.
Na de woelingen van omstreeks 1848 ging May weer naar school en naaide thuis handschoenen.
Hij werd lid van het plaatselijk (protestants) kerkkoor waarvan de voorzanger, die tevens componist was (Strauch 48) wegens zijn kwaliteiten, die door omstandigheden onvol-




7

doende tot ontwikkeling konden komen, door May zeer wordt geroemd. May kreeg van hem orgel- en vioolles in het bijzonder en muziekonderricht in het algemeen. May leerde op school snel en zat als achtjarige al spoedig bij elfjarigen in de klas, wat hijzelf als een voorname oorzaak aanduidt van zijn klassevreemdheid. Hij becritiseert in zijn auto-biografie sterk de toendertijd heersende sterk conservatieve opvattingen t.a.v. het onderwijs in zijn algemeenheid, bv. de gedachtengang dat men een intelligente leerling zonder meer enkele klassen hoger zou kunnen plaatsen. May werd van jaar tot jaar meer klassevreemd. Datgene wat men als “jeugd” aanmerkt heeft hij nooit gehad. Zijn vader, die voor hem een betere plaats in de maatschappij en een grotere ontwikkeling wenste als hemzelf was beschoren trachtte dit te bevorderen door May allerlei boeken van de meest uiteenlopende aard te laten overschrijven en leren. Een overvoering zonder weerga (May’s vader was analfabeet). Op straat spelen met kinderen van zijn leeftijd was er niet bij. Soms moest May met zijn vader mee naar het plaatselijk “restaurant”, gezien de toen heersende omstandigheden een minder gelukkige zaak. Op een dag kwam er een poppentheater 49 in Ernstthal, dat speelde: “Doktor Faust, oder Gott, Mensch und Teufel” 50. Het stuk maakte bijzonder indruk op May, die er met zijn grootmoeder heen mocht. Hij was toen 9 jaar. De “Faust” van Goethe aldus May zegt mij heden (1910) nog niet wat hij de mensheid waarschijnlijk heeft willen zeggen, maar deze poppen spraken duidelijk en erg eenvoudig: een duivel die slechts dan naar God mag terugkeren als hij een mens mee brengt!

God, mens en duivel zijn z’n lievelingsthema’s gebleven en de gedachte dat de meeste mensen slechts poppen zijn die bewogen worden stond bij alles wat hij deed direkt praktisch voorop. Als 9-jarige lukte het hem, ondanks herhaalde bezoeken aan het theater, niet God, mens en duivel te vinden, iets wat hem ook als 68-jarige nog vaak overkwam. Toch zijn dit volgens May de drie factoren waaruit een drama moet worden opgebouwd. Zijn gehele leven heeft May nooit getwijfeld aan Gods almacht, wijsheid, liefde en gerechtigheid.
May’s vader voedde hem op, zoals men een voorbeeld schept, om het anderen aan te prijzen. Buiten spelen was er dus niet bij. May moest leren, tenminste wat zijn vader daar dan onder verstond. Toen hij zo’n beetje alles wat zich aan boeken in Hohenstein en Ernstthal aan boeken bevond had bijeengelezen c.q. overgeschreven zag zijn vader weer naar nieuwe bronnen om. Hij vond deze in de bibliotheken van de dominee 51, het schoolhoofd 52 en voorzanger Strauch. Aangezien vele van hun boeken elkaar tegenspraken kon May aan de zaken op het laatst geen touw meer vastknopen. Vervolgens moest May optreden als kegeljongen in een Hohensteiner herberg 53 — nu ook niet bepaald de ideale plaats — tot hij er bijna bij neerviel. Een veel erger gif dan bier, brandewijn en dronkemanspraat ziet May in zijn auto-biografie in de in de herberg aanwezige leesbibliotheek, bevattende o.a. boeken als Rinaldo Rinaldini, de roverhoofdman, van Vulpius 54 (de zwager van Goethe). Hoewel ik dit boek niet ken werd het nog niet zo lang geleden nog wel gelezen meen ik. Verdere titels: Sallo Sallini, de edele roverhoofdman 55; Himlo Himlini, de weldadige roverhoofdman 56; De zonden van de aardsbisschop 57 etc. Deze boeken werden door May veel gelezen. Hij geloofde in hetgeen er in stond en vond er veel meer in dan in de langdradige boeken van het schoolhoofd. May spreekt van een aangeboren kinderlijke naïviteit die hij op 68-jarige leeftijd nog in hoge mate bezat. Dichter worden en theaterstukken schrijven werd inmiddels zijn ideaal. Hij had bijzonder graag het gymnasium willen bezoeken en vervolgens

de universiteit. Vanwege het gebrek aan geldmiddelen kon hiervan niets komen. Het kwam tot wat men tegenwoordig de pedagogische academie noemt, de opleiding tot onderwijzer.

De “Lügenschmiede” 58 in H.-Ernsttal,
kort voor de sloop omstreeks 1900


“Vater”

Komm her und sprich ein einzig Wort
     ein Wort, so kinderleicht zu sagen —
Komm her, und geh nicht wieder fort;
     du brauchst vor mir ja nicht zu zagen
Ich warte schon so lange dein;
     o lasse es nicht vergeblich sein!

Du sprachst als Kind dies liebe Wort
     so oft und gern, wenn du gelitten;
es ward gehört am rechten Ort:
     das Vaterherz liess sich erbitten.
Wie ist dies Wort so klein, so klein,
     und doch kann keines grösser sein.

Nun bist du längst das Kind nicht mehr,
     das du einst warst in jenen Tagen;
Lang, schon deckt den die Erde schwer,
     dem du dein Leiden durftest klagen.
Er ging; doch ich trat für ihn ein;
     die Liebe kann nicht sterblich sein.

Drum sprich dies Wort nun auch zu mir;
     es kann dir doch so schwer nicht fallen.
Oh, hörtest du’s im Himmel hier
     von aller, Sel’gen Mund erschallen!
Sprich, “Vater” nur dies Wort allein —
     ewig will ich’s für dich sein!


(Uit “Himmelsgedanken”, 1901)



8

3.     Tijd als kweekschoolleerling en onderwijzer L1 (1857-1861)

In het desbetreffende hoofstuk schetst May nog eens de beklagenswaardige materiële en geestelijke armoede die destijds in Ernstthal heerste. Zijn verhaal doet sterk denken aan de oorlogsjaren 1940 - 1945. Ernstthal telde slechts een beperkt aantal zogenaamde “betere families”.
De mensen werden meer bij de bijnaam dan bij de familienaam aangesproken. De huizen waren klein en de stegen nauw (Bahnstrasse 27, waar May geboren werd heette oorspronkelijk Niedergasse, dus iets van: Benedensteeg.) men keek er bij elkaar op tafel. Men wist alles van elkaar maar zweeg. Als later een advocaat in een van zijn vele processen zegt dat May “in een moeras is geboren” is May het daar eigenlijk wel mee eens. Hij geeft diverse voorbeelden van het vele kwaad dat het gevolg was van armoede, honger, werkloosheid etc. en noemt daarbij in het bijzonder restaurant Schmiede, bijgenaamd “Lügenschmiede”. Gelukkig was in 1910, bericht May, deze situatie aanzienlijk verbeterd.
Na een poging van May om de financiële toestand van zijn familie te verbeteren door “hulp te zoeken bij een roverhoofdman in Spanje”, welke reis hem niet verder bracht dan enkele familieleden in de omgeving van Ernstthal, hield het kegelopzetten en lezen van Rinaldo Rinaldini etc. op.
In 1856 werd May tot de wat dan maar genoemd zal worden “pedagogische academie” in Waldenburg, toegelaten via een toelatingsexamen. De leerlingen van die school waren destijds nog uitgerust met groene mutsen.
Het onderwijs en in het bijzonder het godsdienstonderwijs aan de school in Waldenburg was koud, streng en hard. Voor liefde en verzoening was geen plaats. Steeds was May, die toch zeer religieus was, blij als het uur godsdienstonderwijs voorbij was. Dit kweekschool-Christendom had de sympathie van geen enkele leerling. Terwijl dit echter de meeste leerlingen onverschillig liet trok May zich in zichzelf terug. Hij vereenzaamde ook in Waldenburg en wel veel meer dan thuis, en werd nog meer klassevreemd dan op de lagere school in Ernstthal.
Tussen de droogheid van het onderwijs in Waldenburg en de buitengewoon vruchtbare fantasie van May bestond een schrille tegenstelling. Terwijl May’s kennis in het algemeen wel veel groter was dan die van zijn medescholieren, veelal zoons van onderwijzers en leraren, was deze tengevolge van het vele lezen en copfären van de meest uiteenlopende boeken zodanig ongeordend dat het volgens May “graven in een sneeuwhoop” was om orde op zaken te stellen. May maakte in stilte gedichten. In “Het goud van Winnetou” valt hier wat over te lezen. In de Prisma-reeks zijn de desbetreffende hoofdstukken van het boek “Winnetou en de goudzoekers” 59 echter weggelaten. In 1859 uitte de onvrede van May met zijn toenmalige situatie zich in de maand november in die vorm dat door hem 6 vetkaarsen, waarmede destijds de klaslokalen werden verlicht, bijna werden ontvreemd. Twee medescholieren die dit ontdekten zwegen eerst maar maakten van dit feit melding toen ook diefstal van geld op de school plaatsvond. Zij kregen voor hun aanvankelijk zwijgen een vermaning.








  [L1]

De officiële status van onderwijzer heeft May nooit gehad. Dat was destijds nog een hele procedure. Op onderwijzers aan armen- en fabrieksscholen werd in zijn tijd zelfs neergekeken.

Op 28 januari 1860 werd May van school gestuurd op beslissing van het Saksische Ministerie van Cuituur en Onderwijs. Mede door de tussenkomst van de direkteur van de pedagogische academie in Waldenburg, de heer Schütze 60, kon hij zijn studie met succes voltooien in Plauen. Op 2 juni 1860 slaagde hij voor het toelatingsexamen aldaar. Op 12 september 1861 slaagde hij voor zijn eindexamen. Hij werd hulponderwijzer in Glauchau op 7 oktober 1861 in klasse IV van de armenschool aldaar. Verhoudingen in de persoonlijke sfeer deden deze betrekking slechts veertien dagen duren 61.



1

1en2 Einddiploma
pedagogische academie.
3. May op jongere
leeftijd.

2

3




Begin november 1861 werd May aangesteld als onderwijzer aan fabrieksscholen van de firma’s Claus 62 en Solbrig en Zoon 63 (spinnerijfabrieken).
Hij werd hier geconfronteerd met kinderarbeid, een vorm van uitbuiting door het kapitalisme. Hij gaf les aan kinderen van 10-14 jaar.
Op 26 december 1861 64 werd hij gearresteerd en wegens het “gebruik maken van aan een ander 65 behorende voorwerpen” (1 — oud — zakhorloge, 1 sigarenpijpje en 1 pijp ingevolge artikel 330 van het Wetboek van Strafrecht van Saksen tot 6 weken gevangenisstraf veroordeeld, die hij van 8 september tot 20 oktober 1862 uitzat in de gevangenis van Chemnitz.
Karl May zelf geeft een schets van deze gebeurtenissen die er duidelijk blijk van geeft dat deze tijd volledig uit zijn geheugen is uitgewist, zoals hij zelf zegt. Deze weergave van May wordt door Dr. Schuurman, zoals nog zal blijken, volledig gedeeld. Zijn carrière als onderwijzer was na deze gebeurtenissen ten einde.




9

4.    Gevangenistijd (1862-1874).

Hiermede wordt natuurlijk niet bedoeld dat May de hele hier aangegeven periode in de gevangenis zou hebben doorgebracht.
Onder de druk van de onder 3 geschetste gebeurtenissen stortte May innerlijk in. In de gevangenis zat hij in de cel met een bankemployé en een hotelhouder, die zich alle moeite gaven May weer wat op de been te helpen, echter zonder resultaat.
Inmiddels had May nog steeds als ideaal: dichter, schrijver en auteur van theaterstukken te worden. Zijn toestand ging dermate achteruit dat hij duidelijk de indruk had een zogenaamde gespleten persoonlijkheid te zijn. Hij beschrijft zijn toestand aldus:
in de eerste plaats was daar hijzelf, psychisch bezien alles uiteraard, in de tweede plaats zag hij in de verte een soort engel, in de derde plaats een soort duivel, alles geheel overeenkomstig de destijds nieuwe theorie dat de mens eigenlijk een soort drama vormt in het klein, waarin diverse handelende persoonlijkheden in May’s geval optraden.
De derde gestalte, de duivel dus, sprak ook.
May begreep tenslotte dat datgene wat zich in de meeste mensen ongemerkt afspeelt zich bij hem in zichtbare en hoorbare vorm voltrok.
Het wemelde in May van gestalten en elk daarvan sprak (toen de splijting van de persoonlijkheid verder om zich heen greep). Er streden nu twee groepen in hem: de engelen en de duivels. Het was om krankzinnig te worden aldus May.
May sprak overigens letterlijk tot zijn dood toe hardop met de gestalten uit zijn boeken die hij ook om zich heen zag. Intussen componeerde May voor een plaatselijke zangvereniging in Ernstthal “Lyra”.
Tevens zou hij reeds toen (humoristische) verhalen hebben geschreven.



An die Mutter

Ich hab gefehlt, und du hast es getragen
     so manches Mal und ach, so lang, so schwer.
Wie das mich nun bedruckt, kann ich nicht sagen;
     o komm noch einmal, einmal zu mir her!

Du starbst ja nicht; du bist hinaufgestiegen
     zu reinen Geistern, meiner Mutter Geist.
Ich weiss, du siehst mich jetzt hier betend liegen;
     o komm, o komm, und sag, dass du verzeihst!

Komm mir im Traum; komm inder Dämmerstunde,
     wenn, Stern um Stern, der Himmel uns umarmt!
Bring mir Verzeihung und bring mir die Kunde,
     dass auch die Seligkeit sich mein erbarmt!


CORRECTIES

blz   5 maat = maar
blz 15 in “Im Alter” unreit = unreif
blz 16 bij de foto’s 2 en 4 : en de Stadt Bremen
blz 16 links onder : middelmatigheid is beschoren
           rechts onder : machteloos tegenover staat schrijft May
blz 30/31 bij foto 4 : Dr Schmid (zonder T)
blz 35 : oplage aantallen: 50000000 betreft de totaal-oplage

Aangezien May echter volgens Dr. Schuurman bepaalde zaken in een schemertoestand heeft gedaan, hetgeen betekent dat hij bij het schrijven van zijn biografie, aangezien hij zich van de feiten op zich niets meer herinnerde alles uit de tweede hand moest reconstrueren, valt het niet te verbazen dat aan het schrijven van die verhalen — omstreeks 1864 — ernstig moet worden getwijfeld.
Tevens kan men van May moeilijk een soort journalistiek verslag verwachten waarin data en feiten nauwkeurig zijn opgetekend. De meeste door hem genoemde data kloppen dan ook niet en de feiten zijn sterk geromantiseerd. Van iemand als May, met zijn grote fantasie, zal degene die zijn boeken kent trouwens niet veel anders verwachten. Voor exacte jaartallen en feiten kan men beter een geschiedenisboekje opslaan. Overigens heeft May zijn auto-biografie ook slechts geschreven niet terwille van zijn medestanders die zijn werk wel kenden of zijn tegenstanders die toch niet te overtuigen waren maar uitsluitend terwille van zichzelf.
De stemmen die May in zich hoorde eisten van hem dat hij zich zou wreken op de maatschappij die hem tot misdadiger had gemaakt. Hij vluchtte de (toen zelfstandige) staat Saksen uit. In Leipzig verdween May met een partij bont zonder te betalen. Wegens meervoudig bedrog werd hij op 8 juni 1865 tot 4 jaar en 1 maand gevangenisstraf veroordeeld, die hij uitzat in de gevangenis van Zwickau. Hij was toen dus 23 jaar. Hij kreeg gratie en keerde op 2 november 1868 in de maatschappij terug.
May wijst er in zijn levensbeschrijving op dat aan de daad van het individu ook de maatschappij mede schuldig is. Hij beklaagt zich niet over het leven binnen de gevangenis, noch over de rechters die hem veroordeelden. Hij wijst op de misvattingen die omtrent het leven binnen de gevangenismuren bestaan. Hij prijst het geduld van de gevangenisbeambten die het naar zijn oordeel zelfs moeilijker hebben dan de gevangenen. De gevangenis is echter geen danszaal of concertgebouw maar een plaats om tot inkeer te komen.
Scherp hekelt hij een officier van justitie (Wulffen 66), die er niet voor terugdeinsde 40 jaar na May’s gevangenistijd in zijn boek: “Psychologie van de misdadiger. Een handboek voor juristen, artsen, pedagogen en ontwikkelden van alle standen” (maart 1908) hem kwaadaardig te belasteren en een duidelijk verband te leggen tussen May’s “misdadigheid” en zijn boeken. Als de Duitse wetgeving zulks toelaat acht May het een taak voor de Rijksdag die wet eens aan een onderzoek te onderwerpen. De misdadiger was vroeger vogelvrij, hij is het thans (1910) nog, aldus May.
In de gevangenis hield May zich bezig met het vervaardigen van portefeuilles en sigarendozen. Daarnaast was hij lid van de gevangenis-kapel waarvoor hij ook componeerde. In dit verband vermeldt hij met dankbaarheid bewaker F. E. Göhler (1824-1890) 67.
In de gevangenis namen de gedachten van wat hij nu precies wilde gaan schrijven vastere vorm aan.
Al zijn reisverhalen bijvoorbeeld zouden iets moeten vertellen wat niet direkt aan de oppervlakte lag. Hij wilde duidelijk iets nieuws brengen. Zijn doel was niet iets alledaags: het oplossen van mensheidsvragen en mensheidsraadsels en zijn psychologische ervaringen publiceren. Dit is dus wat hij in 1910 schrijft. Of hem dat ook inderdaad in zijn gevangenistijd reeds helder voor ogen stond valt moeilijk na te gaan.
May herinnert eraan dat er voor de geest miljoenen boeken worden geschreven; hoevele echter voor de ziel?
Voor de ziel van de mens wilde hij schrijven, de mens die zou moeten opstijgen van Ardistan naar Dschinnistan, van het kwade naar het goede, van het moerasachtige




10

naar het edele. Hij geeft een uitvoerige verklaring voor zijn indeling van de wereld in zijn reisverhalen in een Amerikaans en een Aziatisch-Afrikaans deel.
De mannelijke ideaal-gestalte was daarbij voor Amerika Winnetou en de vrouwelijke ideaal-gestalte voor Azië Marah Durimeh. Hij geeft ook een verklaring voor de “ik-vorm” van zijn verhalen. Zonder hierop verder in te gaan kan worden gesteld dat dit “ik” een dichterlijke verbeelding moest voor stellen.
May’s bedoeling was te schrijven voor het gehele volk en niet alleen voor de jeugd, dus een deel van het volk. Hoewel hij bovenbedoelde plannen koesterde was het zeker niet zo dat hij zich reeds als schrijver of kunstenaar beschouwde. Kunstenaar te zijn scheen hem echter wel het hoogste op aarde. Zoals hij echter tot dan toe steeds afgezonderd en eenzaam was geweest was hij er ook toen reeds van overtuigd dat ook zijn weg als literator eenzaam zou zijn en blijven.
Zijn lange verhalen — gelijkenissen — waarin vele personen zouden optreden, zag hij als pentekeningen voor later te scheppen kunstwerken. May vraagt zich af of dan, in zijn tijd, de kunstcritici voor zijn pentekeningen wel dezelfde criteria konden aanleggen als voor echte kunstwerken. Dat zijn reisverhalen op zich zuivere kunstwerken waren vond hij — m. i. ten onrechte — dus niet.
Zijn plannen legde hij in zijn gevangenistijd in aantekeningen vast 68.
Na zijn vrijlating keerde hij naar Ernstthal terug, waarbij hij dezelfde weg ging die hij als jongen was gegaan. Het meest verheugde hij zich op het weerzien met zijn grootmoeder vooral ook om haar zijn plannen te kunnen voorleggen. Hoe meer hij zijn huis naderde klonken weer de stemmen. Zijn grootmoeder was tot zijn verdriet enkele maanden na zijn intrede in de gevangenis in 1865 69 gestorven, hetgeen men voor hem had verzwegen.
De stemmen eisten inmiddels steeds luider van hem dat hij zich zou wreken op de maatschappij, juist nu hij in de gevangenis zoveel kostbare tijd had verloren. Hoewel de stemmen zwegen als hij zich uit zijn geboorteplaats verwijderde voelde hij toch een ongewone drang in zich daarnaar terug te keren.
Zijn ouders waren intussen in een financieel wat betere situatie gekomen. May schreef naar zijn mededelingen dag en nacht, zoals hij in zijn werk zijn hele leven zijn grootste vreugde heeft gevonden.
Hij werd hierbij echter, zodra het om hogere zaken ging, constant beheerst door de meest laag bij de grondse gedachten die hem in zijn werk ernstig hinderden. Aangezien zijn vader praktisch nooit thuis en zijn zusters andere interessen hadden, terwijl hun tevens zijn gehele ge-

dachtenwereld vreemd was, was daar slechts zijn moeder die hem toch ook niet begreep. May voelde zichals altijd eenzaam, welke eenzaamheid juist in zijn toestand gevaarlijk voor hem was. Zo gevaarlijk dat hij op 13 april 1870 belandde in de beklaagdenbank van de districtsrechtbank Mittweida. Hij werd veroordeeld o. a. wegens diefstal en bedrog tot 4 jaar tuchthuis.
Acht strafbare feiten werden door de rechtbank bewezen geacht. Hij was slechts dertien maanden in vrijheid geweest. Zijn straf onderging hij in de gevangenis van Waldheim, in eenzame opsluiting gedurende enkele jaren; May zelf meent de volle vier jaar.
May maakte in de gevangenis sigaren en leerde er alle soorten tabak kennen en de meest uiteenlopende soorten sigaren vervaardigen. In zijn levensbeschrijving beklemtoont hij dat, zoals ieder van zijn lezers weet, voor hem geen toeval bestaat doch slechts voorbeschikking. Dit vermeldt hij nog eens als hij spreekt over zijn aanstelling als organist van de katholieke (inrichtings) kerk door de catechiseermeester J. P. Kochta (1824-1886) 70, een zeer humaan mens. Aan hem had May meer dan aan hele rijen geleerde boeken. Over zuiver godsdienstige zaken spraken Kochta en May nooit (May was Evangelisch-Luthers). Kochta sprak meer door zijn daden dan door zijn woorden is May’s oordeel. Door hem raakte May ook meer op de hoogte met de muziekleer en katholieke kerkmuziek in het bijzonder. May schrijft dat hij voorbij wil gaan aan het verschil tussen de protestantse en de katholieke godsdienst, maar dat het natuurlijk duidelijk is dat iemand die vier jaar actief met katholieke kerkdiensten bemoeiing heeft gehad daardoor beïnvloed wordt. De figuur van de Madonna is door honderden kunstenaars als thema behandeld.
Hij vraagt zich af waarom hem dat nu juist kwalijk werd genomen. Via zijn ouders stuurde hij manuscripten van zijn verhalen die hij in Waldheim, naar zijn zeggen, schreef aan uitgevers.
Een ervan was H. G. Münchmeyer (1836-1892), voormalig timmergezel en muzikant. Deze had een colportageuitgeverij, “ontdekte” Karl May en bezocht zijn ouders persoonlijk waar hij voor de manuscripten direct contant betaalde.



Die fürchterlichste Nacht.

Kennst du die Nacht, die auf die Erde sinkt
     bei hohlem Wind und schwerem Regenfall,
die Nacht, in der kein Stern vom Himmel blinkt,
     Kein Aug’ durchdringt des Wetters dichten Wall?
So finster diese Nacht, sie hat doch einen Morgen;
     o lege dich zur Ruh, und schlafe ohne Sorgen!

Kennst du die Nacht, die auf das Leben sinkt
     wenn dich der Tod aufs letzte Lager streckt
und nah der Ruf der Ewigkeit erklingt,
     dass dir der Fuls in allen Adern schreckt?
So finster diese Nacht, sie hat doch einen Morgen;
     o lege dich zur Ruh, und schlafe ohne Sorgen!

Kennst du die Nacht, die auf den Geist dir sinkt,
     dass er vergebens nach Erlösung schreit,
die schlangengleich sich um die Seele schlingt
     und tausend Teufel ins gehirn dir speit?
O halte fern dich ihr in wachen Sorgen,
     denn diese Nacht allein hat keinen Morgen!

(Winnetou II, K M. V.)




Gevangenis Schloss Osterstein in Zwickau omstreeks 1865



11

5.     Bij de colportage (1875-1886).

Op 2 mei 1874 werd May uit de gevangenis ontslagen. Twee jaar politietoezicht (dagelijks melden) wachtten hem nog.
Münchmeyer en zijn broer 71, die vroeger kleermaker was geweest, verzochten hem redacteur te worden van het weekblad „Der Beobachter an der Elbe”, waarin hij toestemde.
Münchmeyer stelde May in het vooruitzicht dat hij bij hem zijn idealen zou kunnen realiseren. May zou 600 daalders (1 daalder = 3 mark) per jaar ontvangen, later te verhogen tot 1200 daalders. Het ging Münchmeyer, wat betreft de “wat gemakkelijk leesbare boeken” die bij hem verschenen, niet slecht. Hij zag zich echter genoodzaakt genoemd weekblad op te heffen. May stichtte en redigeerde in plaats daarvan drie andere bladen, nl. “Deutsches Familienblatt”, “Feierstunden” en “Schacht und Hütte”. Met deze tijdschriften kon May een aanvang maken met zijn literaire plannen. Hij deed naar alle waarschijnlijkheid ook een gooi naar “het wat lichtere genre”, destijds pornografie.
Men hoopte May aan de uitgeverij te kunnen binden door een huwelijk met de zuster van mevrouw Münchmeyer 72, hetgeen hij afwees, waarna hij bij Münchmeyer ontslag nam (1877). In Hohenstein leerde hij, toen hij daar bij zijn zuster op bezoek was, Emma Pollmer kennen die zijn eerste vrouw werd op 17 augustus 1880. May’s financiele positie was intussen aanzienlijk verbeterd. Hij schreef en maakte reizen buiten Saksen, het was voor hem “een tijd van bijzondere innerlijke en uiterlijke ontwikkelingen” (1-22 september 1879 in de gevangenis van Hohenstein-Ernstthal 73 wegens “uitoefening van een openbaar ambt”) vooral na het eigenmachtig instellen van een onderzoek naar de dood van de enige zoon van Chr. G. Pollmer 74, de grootvader van Emma, bij welke grootvader zij ook was opgegroeid. Deze zoon, E. Pollmer 75, kwam op 26 januari 1878 op mysterieuze wijze in een paardenstal van een hotel bij Stollberg om. May schreef omstreeks die tijd voor de uitgeverij Pustet 76 in Regensburg in het katholieke familieblad “Deutscher Hausschatz in Wort und Bild”, waarin zijn reisverhalen verschenen. Twintig jaar lang ontving hij zijn honorarium binnen twee dagen na verzending van het manuscript.
In 1882 maakte May met zijn vrouw een reis naar Dresden waar hij wederom met Münchmeyer in contact kwam. Deze deed, mede gezien zijn financiële toestand, een beroep op hem een roman voor hem te schrijven. Dit hoefde zeker geen colportageroman te zijn; een en ander zou eveneens in tijdschriftvorm worden gepubliceerd, aan het manuscript zou niet worden veranderd, May zou bij succes een goede gratificatie ontvangen etc., en de roman zou met alle rechten aan May terugvallen bij een aantal van 20.000 abonnees. Hieruit kwam voort het latere proces tussen May en Pauline Münchmeyer 77. Aangezien Münchmeyer opmerkte dat zowel hij als May toch allebei mensen van eer waren (May dacht de toenmalige Saksische wet achter zich te hebben waarin stond dat bij gebreke van een contract slechts 1000 exemplaren gedrukt mochten worden en zich door brieven van Münchmeyer aan hem de overeenkomst duidelijk zou bewijzen) werd geen schriftelijk contract opgemaakt.
Münchmeyer zette May — vooral via diens vrouw Emma — aan tot spoed en wenste als titel van de roman “Das Waldröschen”.



1. Emma May
2. May als villabezitter
3. Tijdschrift “Deutscher Hausschatz”
4. Links May als Redacteur, rechts May in zijn werkkamer

Deze roman liep uitstekend in de verkoop. Münchmeyer drong bij May aan op verhuizing naar Dresden (waar zijn uitgeverij gevestigd was). May’s vrouw zorgde ervoor dat deze gedachte met spoed werd uitgevoerd.
May kreeg zijn manuscripten niet direct terug, hij voelde er eigenlijk ook weinig voor omdat hem het vergelijken van het gedrukte met zijn manuscripten natuurlijk aanzienlijk tijd had gekost, die hij beter kon besteden aan het schrijven zelf. Bovendien was hem beloofd dat hij ze na voltooiing van de gehele roman zou terugontvangen. Dit is nooit gebeurd. De lengte van May’s boeken zal — evenals dat bij Dickens 78 het geval was — wel mede een gevolg zijn van het feit dat die boeken eerst in tijdschriftvorm verschenen en hoe meer verkochte exemplaren en hoe langer de roman (als hij maar interessant bleef) hoe meer geld voor uitgever en schrijver. Münchmeyer vroeg May om nieuwe romans waarop deze inging. Deze beslissing ziet May als een bron van onuitsprekelijke ellende en een latere constante kwelling. Op dat moment echter zag hij slechts de voordelen.
Vooral het feit dat zijn verhalen door Münchmeyer praktisch direct werden gepubliceercl i. p. v. dat deze zich, zoals bij Pustet, over vele jaargangen moesten uitstrekken deed May — die praktisch constant werkte — toestemmen. In koortsachtige haast schudde hij het ene verhaal na het andere uit zijn mouw.
Zo schreef hij voor Münchmeyer, die zijn honorarium had verhoogd, nog de volgende werken: “Der verlorene Sohn”, “Die Liebe des Ulanen”, “Deutsche Herzen-, Deutsche Helden” en “Der Weg zum Glück”. In vier jaar tijd kamen deze romans tot stand. Zijn vrouw was ondertussen met mevrouw Münchmeyer bevriend geworden en beide dames dreven een “huisvrouwen en zakenpolitiek”I waarvan May de werking eerst later bemerkte.



1

2

3



4




12

6.     May’s werken.

Als May spreekt over zijn werken bedoelt hij daarmede niet zijn auto-biografie die waarmee de kritiek zich vooral heeft beziggehouden. Niet derhalve zijn “Humoresken”, “Dorpsverhalen uit het Ertsgebergte” en “Himmelsgedanken. Gedichten van Karl May” (deze gedichten verschenen eerst in 1900). Wel zijn “Reisverhalen” en zijn bij Münchmeyer verschenen romans (pornografie noemde men ze destijds).
Hij geeft een verklaring in welke richting de symboliek van zijn Reisverhalen moet worden gezocht. Het ging hem steeds om de verheffing uit het lage, moerassige naar het edele, de gang van Ardistan ofwel het land van de mensen van het geweld en het egoïsme naar Dschinnistan, het land van humaniteit en naastenliefde.
Ard betekent volgens May: aarde; figuurlijk betekent het een welbehagen in geestloos vuil en stof, het niets ontziende streven naar de materie, de verschrikkelijke vernietigingsstrijd tegen alles wat niet tot het eigen ik behoort of niet genegen is het te dienen.
Dschinni betekent weldadige geest, zegenrijk niet-aards wezen, beschermengel; figuurlijk betekent het een aangeboren drang naar het hogere, het welbehagen in de verheffing van geest en ziel, het vlijtig streven naar alles wat goed en edel is, voor alles de vreugde in het geluk van de naaste, de voorspoed van allen die liefde en hulp nodig hebben.

Hij kleedde dit soort zaken in een b. v. Oriëntaals gewaad om ze als psychologisch raadsel interessanter te maken en te kunnen oplossen.
Van mystiek of iets dergelijks kan daarbij helemaal geen sprake zijn. May wijst hierop nog eens uitdrukkelijk.
Wie van goede wil is, aldus May, en mijn boeken objectief leest zal zonder meer ontdekken dat de inhoud ervan bijna uitsluitend uit gelijkenissen bestaat.
Hij wijst er op dat hij, als hij alle fouten van b. v. Halef schildert hij in feite een biecht aflegt die zo omvangrijk en oprecht is, zoals die nog door geen enkel schrijver is afgelegd. Tientallen jaren, schrijft May, heeft men over mij geschreven zonder het verder te brengen dan tot de treurige karikatuur die ik ben in de ogen van hen die zich geroepen achten problemen op te lossen, doch dat slechts steeds daar doen waar ze niet bestaan.
Het zogenaamde “Karl May-probleem” zag hij als een gelijkenis, niet anders dan het grote probleem van de mensheid aan de oplossing waarvan tientallen miljoenen zonder resultaat hebben gewerkt.
May bestrijdt de opvatting dat hij uitsluitend schrijver van boeken voor de jeugd zou zijn. In elk geval zijn de meeste van die boeken oorspronkelijk niet voor de jeugd geschreven. De verwijten van zijn (vele) tegenstanders dat zij schadelijk zouden zijn voor de jeugd zijn uit dien hoofde reeds onterecht.
Terecht heeft May deze kwaadaardige verwijten gekarakeriseerd als kunstmatig gefabriceerd uit zuiver processuele overwegingen en als modeverschijnsel.
Van het feit dat zijn boeken niet meer van het toneel zouden verdwijnen was hij heilig overtuigd.
Als er al sprake zou zijn van “zonden” dan zouden deze, voor zover hem aan te rekenen, toch eerder op persoonlijk als op literair gebied liggen. Hij wijst er in zijn levensverhaal op dat zijn Reisverhalen oorspronkelijk alom geprezen werden totdat er door een gewetenloos mens — H. Cardauns, omstreeks 1900 hoofdndacteur van de “Keulse Volkscourant” (1847-1925) 79 — op werd gewezen dat May ook nog “afgronddiep onzedelijke” romans zou hebben geschreven. Sindsdien werden zijn Reisverhalen met wantrouwen bezien en zelfs uit bibliotheken geweerd, hoewel de inhoud daarvan (ook door Cardauns in een eerder stadium geprezen) toch geenszins was veranderd.

De Münchmeyer-kliek die zich vormde stelde zich als doel May als persoon en schrijver te belasteren en kapot te maken. May werd verantwoordelijk gesteld voor praktisch al het “afronddiep onzedelijke” wat op letterkundig gebied in Duitsland destijds voorhanden was. Er waren“critici” die May jarenlang met smaad overlaadden, de uitgeverij Münchmeyer echter niets tegenwierpen, hoewel May destijds in feite slechts een instrument was geweest van Münchmeyer.
Redacteuren van kranten, dominees, pastoors, psychiaters, onderwijzers, schrijvers en andere kunstenaars riepen May in het publiek uit tot bederver van de jeugd numero 1.

Een ware persstrijd woedde over zijn hoofd waarbij voor- en tegenstanders elkaar te lijf gingen. Iedere week ontving May 50-70 knipsels uit kranten waarin hij werd beledigd.
Voor het gerecht moest de uitgeverij Münchmeyer inzake de eerder genoemde romans, die dus door May’s tegenstanders als „afgronddiep onzedelijk” werden aangemerkt, toegeven dat in 30.000 pagina’s manuscript 1.500 bladzijden waren veranderd. Als May wordt beschuldigd van het schrijven van een boekwerk voor Münchmeyer getiteld “Het boek van de liefde” 80 wijst hij er op dat niet hij degene is die moet bewijzen dat dit niet zo is, doch dat zijn tegenstanders moeten bewijzen dat het wel zo is. In feite zou hij de schrijver zijn geweest van het derde hoofdstuk: “De liefde naar haar geschiedenis”. Het boek werd op 5 mei 1877 door de rechtbank te Wenen verboden. In ieder geval eiste hij overlegging van zijn manuscripten waaraan de uitgeverij Münchmeyer niet kon of wilde voldoen. May werd ook beschuldigd dat hij plagiaat zou hebben gepleegd. De Benedictijner monnik Pöllmann (1871-1933) 81 wilde hem onder andere daarom “met de zweep uit de tempel van de Duitse kunst slaan”. Hij noemde May een literaire dief. Het is onze boosaardige monnik, “ereburger” van Hallenberg, dus niet gelukt.
Het verwijt van plagiaat gaat, zo schrijft May, slechts dan op als men zich wezenlijke bestanddelen van een gedachtenproduct toeëigent en deze op zo’n manier gebruikt dat ze dan wezenlijke bestanddelen van de plagiator uitbeelden en daarbij zijn eigen gedachten schijnen. Zo iets heb ik nooit gedaan en zal ik ook nooit doen, aldus May. Hij verwijst in dit verband naar een conflict tussen de Nobelprijswinnaars P. Heyse 82 en M. Maeterlinck 83. Vooral Alexander Dumas (Père, 1803-1870) 84 ontleende ook bijzonder veel. Zijn bekende boek “De graaf van Monte Christo” zou veel weg hebben van Edgar A. Poe (1809-1849) 85 zijn verhaal „De gouden kever”. May citeert ook Goethe (1849-1832) die over Lord Byron (1788-1824) 86 toen deze in Engeland van plagiaat werd beschuldigd zei dat deze had moeten zeggen: “Wat bestaat behoort mij. Of ik het uit het leven of een boek heb is onverschillig; het kwam er slechts op aan dat ik het juist gebruikte!”
Walter Scott (1771-1832) 87 ontleende aan Goethe, volgens Goethe zelf. Goethe merkt nog op dat hij zelf weer aan Shakespeare 88 ontleende. Wat hebben deze beroemdste schrijvers gedaan zonder dat men hen beschimpt en wat heb ik gedaan dat men mij als de laagste van alle bedriegers en dieven behandelt, aldus May (hij werd mede aangevallen omdat hij aardrijkskundige gegevens uit andere boeken in die van hemzelf zou hebben verwerkt, wat hij ook toegeeft).
In zijn reisverhalen heeft May precies zo geschreven als hij zich eens had voorgenomen voor de ziel van de mens te schrijven, uitsluitend daarvoor. Voor lezers zonder ziel schrijf ik niet zegt hij. Een modelauteur die modelverhalen voor modellezers schrijft ben ik niet en mag het ook nooit worden. Het is beter derde-rangs auteurs tot voorbeeld te nemen die er in slagen miljoenen lezers te




13

trekken dan te schrijven als model-auteurs die niemand leest omdat ze langdradig zijn. Maar onze onderwerpen moeten zo edel zijn als onze doeleinden.

Schrijft niet voor de kleine geesten voor wie ge Uw kracht vergeefs aanwendt zonder dat ze U er dankbaar voor zijn. Al geeft U zich nog zo veel moeite van hen bijval te krijgen toch zullen zij beweren het beter te kunnen ofschoon zij geheel niets kunnen! Wellicht heb ik al te veel idealen en doeleinden en loop daarom gevaar geen enkel daarvan te realiseren maar ik ben niet bang dat dat zo is zegt May, daarvoor heb ik teveel bergen moeten bedwingen.
Wat mijn stijl van schrijven betreft: die interesseert me helemaal niet. Ik schrijf op zoals ik het in mij hoor klinken. Mijn “stijl” is mijn ziel en die moet tot de lezer spreken. Dat dit juist is hebben mij jarenlange ervaringen bevestigd.
Hij duidt vervolgens zijn werken aan als schetsen die men pleegt te nemen zoals ze zijn. Ik ben zelf nog in wording zegt May en al mijn innerlijke gestalten en onderwerpen bewegen zich daarin mee. Ook in dit opzicht ben ik te beschouwen als een soort “outlaw”.
Eénmaal heb ik iets kunstzinnigs willen schrijven met als gevolg dat mijn “Babel und Bibel” (toneelstuk) met spot en hoon werd overladen, zó alsof het door een harlekijn werd geschreven. Toch komt mijn tijd, aldus May, want wel kan men literaire hansworsten terzijde stellen, niet echter geestesbewegingen onderdrukken die niet zijn te overwinnen. In dit verband wijst hij op de verwijdering uit de Duitse bibliotheken van zijn boeken op grond van de persoon van de auteur. Laat men toch niet denken dat de “Karl May Hetze” een letterkundige zaak is. Het gaat om een persoonlijke afslachting op moreel zeer lage, processuele gronden! Ik zou hierover een sensationele colportageroman kunnen schrijven met als hoofdpersonen: Hermann Cardauns in Bonn, de colporteuse Pauline Münchmeyer in Dresden, de Franciscaner monnik Expeditus Schmidt 89 in München, Rudof Lebius in Charlottenburg, de Benedictijn Pöllmann in Beuron en de advocaat (van vrijwel alle genoemden) Gerlach 90 te Niederlössnitz bij Dresden. (Deze advocaat, de gevaarlijkste tegenstander van May, publiceerde na May’s dood een “gedicht” getiteld: “Aan de dode Karl May”, vol krokodilletranen).



Die Schar der Gegner

Sie jammert mich von meinen Schlacken frei
und trägt sie töricht auf das eigne Feld,
damit mein Schmutz der Fette Dünger sei,
mit dem sie ihren eignen Kohl bestellt.




7.     Gevoerde processen.

De lezer dient mij te kennen zoals ik ben, inclusief alle fouten en zwakheden schrijft May in zijn levensverhaal. Correcties of inkorting van mijn werk heb ik nooit geduld. Dit leidde tot een tijdelijke breuk met uitgeverij Pustet waarvoor hij al jaren schreef. Münchmeyer wist van May’s gehele levensloop, dus ook dat hij gevangen had gezeten; ook de personeelsleden van Münchmeyer en andere auteurs die voor de uitgever schreven wisten daarvan. Van “onthullingen” kan, zegt May, dan ook geen sprake zijn want ik heb er nooit een

geheim van gemaakt. Niet alleen May had “gezeten”, ook vele andere schrijvers voor Münchmeyer want zo deelde die hem in vertrouwen mede: “met een schrijver die gezeten heeft kan men doen wat men wil”.
Dit was destijds voor May mede een aanleiding zijn redacteurspost op te geven.
Deze bedenking bleef bij May wel bestaan doch de goede financiële voorwaarden, de persoonli jke tegemoetkomendheid en de tegenwerpingen die zijn vrouw maakte tegen zijn wantrouwen deden hem toch zijn medewerking verlenen aan genoemde colportage-romans. Dat hij van Münchmeyer zijn manuscripten niet terug kreeg is al vermeld. Over de drukproeven deelde zijn eerste vrouw mee (in 1907 voor het Dresdner Landgericht) dat hij ze wel terug kreeg en iedere keer weer woedend was als hij ontdekte

1

2

3

4

5



1. May in Heluan.
2. May in Port Said (Links Plöhn)
3. May in Gizeh
4. May in Palestina
5. Op het station van Port Said.




14

dat zinnen waren geschrapt. Hij dreigde dan, bij herhaling, geen woord meer voor Münchmeyer te zullen schrijven. Temeer daar hem zegt May was beloofd dat zulks niet zou gebeuren. Dat Münchmeyer eens zou beweren dat hij May’s romans met alle rechten voor altijd had verworven en niet slechts tot de 20.000e abonnee (terwijl hij bij 7000 al uit de financiële zorgen was) scheen hem onmogelijk. May beschikte over bewijzen van het tegendeel. Wat hij niet wist was dat Münchmeyer in vrij ernstige financiele moeilijkheden was geraakt door overname van een zaak in parfumerie- en aanverwante artikelen.
In 1891 leerde hij F. E. Fehsenfeld (1853-1933) kennen, een uitgever waarmee hij overeen kwam zijn bij Pustet in tijdschriftvorm verschenen werken in boekvorm te gaan publiceren, hetgeen succes opleverde. Met de heruitgave van de Münchmeyer-romans werd gewacht tot de Pustetserie van 30 delen zou zijn voltooid. Wat aan die 30 delen nog ontbrak zou door May worden “aangevuld” (± 10 delen).
Münchmeyer overleed vrij onverwacht in Davos op 6 april 1892 en diens uitgeverij ging over in handen van zijn vrouw, die de zaak verkocht aan A. Fischer 91 die May berichtte tot koop te zijn overgegaan voornamelijk om voordeel te trekken uit May’s onder pseudoniem verschenen romans. De rechten daarvan berustten echter bij May hetgeen deze aan Fischer mededeelde.
Op 16 maart 1899 vond deze verkoop plaats. Op 26 maart 1899 begon May aan een grote reis door het Midden-Oosten. Toen Fischer aankondigde de Münchmeyer-romans geïllustreerd en bewerkt te gaan uitgeven onder May’s naam nam deze via Richard Plöhn (1853-1901) 92, vriend van May en eigenaar van een Saksische Verbandstoffenfabriek, een advocaat in de arm. May meldt vervolgens iets over Plöhn en zijn familie, vermeldt dat hij thans (1910) is gehuwd met Plöhns vrouw en wijst er op dat zijn eerste vrouw, Emma Pollmer, met doel en inhoud van zijn werken evenzo weinig bekend was als met zijn doeleinden en idealen in het algemeen.
(In de auto-biografie wordt Emma Pollmer overigens niet zo onsympathiek afgeschilderd). De vrouw van Plöhn toonde direkt veel meer begrip en was een geestdriftig lezeres van zijn boeken.
Plöhn zag May constant werken, dikwijls driemaal per week ook ’s nachts, zonder dat May van zijn vrouw ook maar enige steun, in welk opzicht ook, ondervond. Hij trachtte — via zijn vrouw — Emma Pollmer te bewegen de correspondentie over te nemen (May ontving duizenden brieven die hij onmogelijk allemaal persoonlijk kon beantwoorden) doch tevergeefs. Deze correspondentie werd voortaan door mevrouw Plöhn afgehandeld.

Plöhn gaf de zaak tegen Fischer in handen van Paul Brückner 93, een advocaat in Dresden. Tevens stelde hij zich teweer tegen de aantijgingen in de Duitse pers. (Frankfurter Zeitung, Pfälzische Presse). De kranten hadden zich voor een groot deel tegen May gekeerd. May zag in dat aan een proces tegen Fischer niet viel te ontkomen. Het bewijsmateriaal, te weten de brieven die Münchmeyer hem zou hebben geschreven en die konden aantonen dat May nog alle rechten op zijn Münchmeyerromans bezat, was echter verdwenen. De vraag is echter of deze brieven ooit hebben bestaan want in 1907 gaf May tegenover de autoriteiten toe dat de vermelding in zijn schrijven aan Fischer van 30 april 1899 van onderhavige brieven slechts uit “diplomatiek” oogpunt was geschied. Emma Pollmer had ze dus niet verbrand zoals May in zijn levensverhaal schrijft.
De aanvallen in de pers namen in hevigheid toe. Hermann Cardauns, hoofdredacteur van de Kölnische Volkszeitung, beschuldigde hem ervan tegelijkertijd vroom en onzedelijk te hebben geschreven. Dit “onzedelijk” sloeg op de door

Fischer uitgegeven Münchmeyer-romans waarin, naar later bleek als gezegd door medewerkers van Münchmeyer veranderingen waren aangebracht tot 5%, dat is bij 30.000 pagina’s manuscript 1.500 bladzijden, hetgeen door het gerecht werd bewezen geacht. Uitspraak daarover werd echter niet gedaan. Fischer had in augustus 1900, vlak na terugkeer van May’s reis door het Midden-Oosten, May het aanbod gedaan hem 70.000 Mark te betalen waarop alle rechten dan zonder meer aan May zouden toevallen en geen melding zou worden gemaakt van het verleden van May. Voor minder dan 70.000 Mark kon hij het echter niet doen want hij had voor de uitgeverij 150.000 Mark betaald. May weigerde een cent te beta1en. Met Fischer werd in 1903 een vergelijk getroffen. Fischer zou de romans niet verder drukken. Tijdens een privé-onderhoud met Fischer werd het May duidelijk dat de mogelijkheid bestond dat zijn manuscripten helemaal niet waren verbrand zoals door de weduwe Münchmeyer, die May ook had aangeklaagd, voor het gerecht werd beweerd. In 1946 nog werd een groot pak vergeelde manuscripten van May uit de kelder van uitgeverij “Das Vaterhaus” 94 opgevist.
Het manuscript van zijn roman “Delilah” en zijn bijdrage uit het “Boek der Liefde” ontving May van Fischer terug. Fischer, die met de weduwe Ida Pauline Münchmeyer op slechte voet stond en haar vergeefs wegens civielrechtelijk bedrog aanklaagde bij de Handelskamer van het Dresdner Landgericht, slaagde er echter niet in ook de andere manuscripten aan May te doen toekomen. Pauline Münchmeyer had te dezer zake kennelijk haar maatregelen reeds getroffen.
Op 14 januari 1903 werd de scheiding uitgesproken tussen Karl May en zijn eerste vrouw Emma Pollmer.
Als ik niet neigde naar de Katholieke opvatting van het huwelijk als zijnde een sakrament (eigenlijk een heilige zaak, dus voor het leven geldend), had ik de stap tot het verzoeken van echtscheiding al lang gedaan zegt May en niet eerst nadat het er om ging mijn leven, mijn gezondheid en mijn gehele innerlijke en uiterlijke bestaan te redden.

Op 30 maart 1903 hertrouwde hij met Klara Plöhn, wier man op 14 februari 1901 inmiddels in Radebeul was overleden. Ook deze aangelegenheid bezorgde de Duitse kranten weer de nodige stof tot schrijven.
Mocht May met de erven Fischer (deze was in 1907 overleden) een definitieve vrede hebben getekend, Pauline Münchmeyer bleek vastbesloten door te zetten. Haar advocaat was Oskar Hermann Gerlach (1870-1939), welke door May als de gevaarlijkste van zijn tegenstanders werd beschouwd. Twaalf jaar lang procedeerde Gerlach met May en schaadde diens aanzien in hoge mate.
Het is me niet mogelijk schrijft May al de beledigingen hier op te tellen waarmee hij me thans reeds negen jaren overlaadt zonder dat daar iets tegen valt te doen omdat de wet hem als advocaat dat recht geeft, hetwelk aan ieder ander zou zijn verboden.
May gaat vervolgens uitvoerig in op zijn conflict met Rudof Lebius (1868-1946) die reeds in 1902 contact met May had gezocht. Wat deze Lebius precies wilde moge blijken uit een gedeelte uit een brief van 12 juli 1904:
“Zou U mij misschien een lening voor drie jaren tegen 5% kunnen verschaffen? Ik betaalU de schuld wellicht reeds binnen een jaar terug. Als dank daarvoor zou ik de brochure (het betrof een boekje over May van Max Dittrich 95, auteur, die in de jaren 1866-1868 evenals May gevangen zat in Schloss Osterstein in Zwickau) zo lanceren dat iedereen van het boek spreekt. Ik heb op dit gebied bijzonder grote ervaring”.
Op herhaalde verzoeken antwoordde May niet. Het resultaat was dat Lebius zich met Pauline Münchmeyer in ver-
















15

binding stelde en in de “Stem van Saksen” een serie artikelen over May publiceerde inzake diens in de jaren 1860/1870 ondergane gevangenisstraffen.
May diende daarop een aanklacht in tegen Lebius wegens chantage, waarvoor behalve diverse brieven ook een anonieme briefkaart van 7 september 1904 als bewijs kon dienen. Vervolging werd niet ingesteld. Lebius verliet in september 1905 Dresden, achterlatende een schuld van 7000 Mark aan de vroegere drukker van zijn “Stem van Saksen” en 2.500 Mark aan het bankiershuis Gebr. Arnhold 96.
Lebius trof het niet met zijn anonieme briefkaart. In 1907 raakte hij in conflict met Carl Wermuth (1878-?) 97, redacteur van “Voorwaarts” (partijorgaan van de Duitse socialistische partij), die hem naar aanleiding van Lebius onjuiste weergave in diens zondagsblad “De Bond” van een vergadering van Berlijnse metaalarbeiders min of meer als eerloos had gekwalificeerd. Lebius diende een aanklacht in wegens belediging. Wermuth wendde zich tot May met het verzoek hem materiaal over Lebius te verschaffen en als getuige tegen Lebius op te treden. Deze voelde de bui hangen.
Via F. W. Kahl (1887-1963) 98 publiceerde hij het geschrift: “Karl May, een bederver der Duitse jeugd”, waarin de wetsovertredingen van May in de jaren 1860/1870 uitvoerig uit de doeken werden gedaan. In 1911 bevestigde Kahl in ander verband onder ede dat Lebius tegenover hem letterlijk het volgende had verklaard:

1.

Lebius heeft de redacteur van “Voorwaarts” aangeklaagd wegens belediging,

2.

De “Voorwaarts” heeft Karl May als getuige tegen hem opgegeven,

3.

Daarom is het voor Lebius noodzakelijk Karl May kapot te maken,

4.

Om dat te bereiken geeft hij de hier in bewerking zijnde brochure uit,

5.

De zitting waarop Karl May als getuige gehoord wordt is begin april (1908),

6.

Daarom moet de brochure absoluut tegen 1 april klaar voor verzending liggen,

7.

Hij wordt aan de kranten gestuurd die er over berichten. Dat moet uitwerking hebben op de rechters,

8.

Hij wordt ook direkt aan de rechter overgelegd. Zodra dit geschiedt is May als getuige waardeloos.


Toen Kahl, die in 1908 dus 21 jaar was, tegenover Lebius zijn bezorgdheid uitte over mogelijke strafrechtelijke consequenties antwoordde Lebius:

-

Wij schrijvers staan steeds met een voet in de gevangenis: Bestraft te zijn is voor ons een goede reclame. Ook ik ben reeds dikwijls bestraft. U hoeft voor het gerecht helemaal niet bang te zijn. U bent nog nooit bestraft. U mag zweren. May echter mag niet zweren. May staat onder politietoezicht. Het is hem verboden in een stad te wonen. Daarom woont hij in Radebeul.


Op 19 mei 1909 volgde, na een strafklacht van May tegen Lebius, Kahl en uitgever Bechly, op aandrang van de rechter een vergelijk waarin de aangeklaagden verklaarden de brochure naar vorm en inhoud te betreuren. Partijen beloofden in de toekomst de vrede te zullen bewaren. Lebius was zulks echter allerminst van plan. Op 28 maart 1909 publiceerde hij in zijn “Bond” een artikel onder de kop: “Een spiritistisch schrijfmedium als voornaamste getuige van de “Voorwaarts“-redactie”. Dit sloeg op Klara May, May’s tweede vrouw. In Villa Shatterhand in Radebeul vonden namelijk wekelijks spiritistiscne seances plaats waarbij Klara Plöhn (later dus Klara May) als schrijfmedium, dus als “tussenpersoon”


1




3


2


4

1. Klara May
2. Rudolf Lebius
3. Studie van Max Dittrich
4. Max Dittrich



tussen de levenden en de geesten die alles noteerde wat deze hadden mede te delen, fungeerde. Karl May zelf en zijn vriend Plöhn zaten er meestal enigszins sceptisch bij.
Dit in tegenstelling tot “Dikke Jemmy”, James Pfefferkorn 99, een oude schoolvriend van May, die in Lawrence (V.S.) tot een arts van aanzien was gekomen (hij leefde er als een kleine vorst) en May en zijn tweede vrouw in 1908 in Amerika luisterrijk ontving.
Deze “Dikke Jemmy” bracht in 1896 met zijn vrouw een bezoek aan Villa Shatterhand, waarbij hij aan de spiritistische bijeenkomsten actief zou hebben deelgenomen. Als bron voor het artikel gold Emma Pollmer in wie Lebius een dankbaar object zag om May te bestrijden.



Im Alter

Ich bin so müd, so herbstesschwer
     und möcht am liebsten scheiden gehn
Die Blätter fallen um mich her,
     wie lange, Herr, soll ich noch stehn?
Ich bin nur ein bescheiden Gras,
     doch eine Aehre trag auch ich,
und ob die Sonne mich vergass,
     ich wuchs in Dankbarkeit fur dich

Ich bin so müd, so herbstesschwer
     und möchte am liebsten scheiden gehn,
doch, brauche ich der Reife mehr,
     so lass mich, Herr, noch länger stehn!
Ich will, wenn sich der Schnitter naht
     und sammelt Menschengarben ein,
nicht unreit zu der Weitersaat
     für dich und deinen Himmel sein




16

In een brief aan de operazangeres Selma vom Scheidt 100 schreef Lebius onder andere (12 november 1909):
“Zeer geachte Mejuffrouw! Aangezien ik indertijd met de schrijver Karl May, die ik voor een geboren misdadiger houd, zeer slechte ervaringen heb opgedaan wendde ik mij in het begin van dit jaar tot zijn van hem gescheiden vrouw, die ook ten offer was gevallen aan zijn misdadige egoïsme.”
In 1911 werd Lebius hiervoor wegens belediging veroordeeld. Verder schreef hij:
“Op aanraden van mijn advocaat heb ik echter gezien mijn schikking met May voor het gerecht (van 19 mei 1909 dus) verlangd, dat mevrouw Emma (Pollmer) eerst een deel van haar sieraden beleent, omdat dat tegenover de buitenwereld een betere indruk maak” (Lebius zou Emma Pollmer een maandelijkse bijdrage van 100 Mark hebben beloofd voor haar verdere leven als May mocht besluiten zijn jaarlijkse bijdrage van 3000 Mark stop te zetten, hetgeen n. a. v. de te verschijnen brochure wel in de verwachting lag).
“Dus omdat ik voor het gerecht een schikking met hem getroffen heb en omdat hij voor het gerecht beloofd heeft me nu voor altijd met rust te laten, dus daarom, met het oog daarop, moest de vrouw nu haar sieraden belenen, opdat men mij als de schurk aanmerkt waardoor ze in zulk een ellende is gedreven, schrijft May. Hoe noemt men zo’n handelswijze?
Lebius wroette inmiddels lustig verder. May geeft nog talrijke voorbeelden van de leugenachtigheid en boosaardigheid van genoemde heer. Bijvoorbeeld de kwestie tussen Max Dittrich en Lebius. Opgemerkt kan worden dat Dittrich bij het merendeel van de gesprekken tussen May en Lebius in het verleden aanwezig was geweest. In een nieuw conflict met “Voorwaarts” trachtte Lebius op kwaadaardige wijze deze getuige voor zowel May als “Voorwaarts” uit te schakelen.
In kranten van destijds werd geschreven dat Lebius iemand was “die over lijken gaat”. Advocaat van Lebius was genoemde Dr. Gerlach. Advocaten van May waren Klotz en Bernstein 101 (Dresden).

8.     Slot

Zoals mijn reisverhalen slechts schetsen zijn zo is ook het voorliggende werk slechts een schets en kan ook niet anders zijn omdat hetgeen ik vertel nog niet ten einde is en omdat een serie mij opgedrongen processen als dreigende revolvers op me zijn gericht. Aldus het begin van het slot van May’s auto-biografie. Daarenboven verhinderen mij ernstige pijnen zo te schrijven zoals ik zou willen. Tien jaar lang dagelijks viermaal hele stapels brieven en kranten te ontvangen die van gif en hoon en leedvermaak overvloeien, dat houdt geen Simson en geen Herkules uit. Geest en ziel zijn sterk gebleven maar mijn lichaam wil tenslotte de strijd toch opgeven. May werd gekweld door zeer ernstige slapeloosheid, at haast niet meer en leed aan verschrikkelijke zenuwpijnen die hem het slapen ’s nachts onmogelijk maakten en hem overdag de pen honderdmaal uit de hand deden vallen. Ik zou het liefst sterven schrijft May en toch wil en mag ik dat niet omdat ik mijn taak moet volbrengen.

Vervolgens geeft hij aan wat die taak is. Het Karl-May probleem is, meent hij, een probleem van de mensheid maar dan in het enkelvoud. Hij maakt een onderscheid tussen de massa die delen van de mensheid voorstelt en de enkelingen die beelden van de mensheid voorstellen. Hij ziet zichzelf als niet behorende tot de grote massa aan wie niet het weldadige geluk der onbewuste middelma- 102


1


2


3


4

1. May op het kerkhof van Buffa1o (V.S.)
2&4 Aan boord van de “Grosser Kurfürst 103
3. May, dikke Jemmy en echtgenotes aan het strand van Salisbury.


Zijn woorden staan vermeld in deel II van dit boekje.
Om verbitterd te raken was meer dan genoeg reden, schrijft hij verder, waarbij ik dan spreek over de laatste tien jaren en de begeleidingsverschijnselen van het proces- Münchmeyer.
Onder bescherming van § 193 der Duitse strafwet moest hij van Dr. Gerlach, de advocaat van de tegenpartij, de volgende beledigingen incasseren:
opschepper, bedrieger, lomp, zwendelaar, inbreker, gevangenisboef, geraffineerd enz. enz. May vraagt zieh af: zijn dergelijke beledigingen, zelfs als ze waar zouden zijn, in het gewone leven geoorloofd?
Nu, in de gang van zaken voor het gerecht is dat het geval. Hoewel ik het proces-Münchmeyer in alle instanties won, ondanks alle smaad van de kant van mijn tegenstanders, moest ik niettemin alles rustig aanhoren want de wet veroorloofde het.
Hoe komt een uit de Katholieke kerk getreden (voormalig) sociaal-democraat als Lebius aan Dresdner politiedossiers uit 1865? De wet staat het hem toe. Hij is van alles op de hoogte (gebracht) wat betrekking heeft over mijn omstandigheden en heeft ook mijn scheidingsakten geubliceerd. Wie staat hem dat toe en wie maakt hem dat mogelijk?
De wet en de advocaat van Münchmeyer die ook de zijne is. In “De getuigen Karl May en Klara May. Een bijdrage aan de geschiedenis van de misdaad van onze tijd” (1910) heeft Rudolf Lebius het ambtelijk materiaal uit de politiedossiers over May’s misdrijf in 1865 uitvoerig gepubliceerd.
Zaken die wettelijk zouden moeten worden verboden worden door de wet integendeel juist begunstigd, iets waar zelfs de rechtvaardigste en meest humane rechter mach- 104




17

ik dacht toen ik zei dat ik eindelijk mijn opgave had ontdekt. Ik wil weer afdalen tot diegenen, die verachten, die het zo moeilijk wordt gemaakt zich de hen geroofde achting terug te verwerven. Ik heb hen leren kennen en ik weet dat zij niet minder waard zijn dan al degenen die slechts daarom nooit “vielen” omdat zij ofwel nooit hoog stonden of niet de nodige innerlijke vrijheid bezaten te kunnen vallen. Ik wil hen zeggen wat niemand hen nog durfde te zeggen, namelijk dat niemand hen kan helpen als zij zich niet zelf weten te helpen. Dat zij verloren zijn tenzij ze zich op eigen kracht weten te redden, door zich nauw aaneen te sluiten.
Ik wil hun mijn voorbeeld voorhouden, mijn leven en streven en hen tonen wat het resultaat is van alle goede wil en moeite als bij anderen deze goede wil ontbreekt. Ik wil hun zeggen dat het een zonde van de mensheid is haar mede-schuld aan die der schuldigen te verbergen. Dat het echter ook van hen een fout is te verheimelijken dat zij eens schuldig waren.
Ik voel de behoefte om datgene wat anderen mij voor kwaad hebben aangedaan, voor mijn medemensen in goed te veranderen. Ik zal het diegenen die een gelijk (nood)lot hadden als ik mogelijk maken uit de onmenselijke hetze tegen mij die gevolgtrekkingen te maken die heilzaam voor hen zijn. Wat baat alle zogenaamde “gerechtigheid” “mildheid van de rechtspraak”, alle zogenaamde “humanisering van de strafvoltrekking”, “zorg voor ontslagen gevangenen” als één enkele twijfelachtige paragraaf of één enkele spitsvondige advocaat voldoende is dat al in een enkel ogenblik te vernietigen? Hoe kan men van de gevallene verlangen dat hij zich betert als men nalaat ook de verhoudingen waarin men hem terugplaatst, te verbeteren? Is het een aanmoediging voor hem te weten dat hij, ondanks alle verbetering toch, zolang hij leeft de vogelvrij verklaarde, de onderdrukte, de rechteloze moet en zal blijven omdat hij gedwongen is te zwijgen en zich alles te laten welgevallen? Want als hij dat niet doet is hij verloren. Als hij tegen hen die hem beledigen, bestelen en bedriegen zijn recht wil zoeken sleept men zijn oude dossiers erbij en bindt hem aan de martelpaal. Is dit geen zaak voor de Rijksdag (naam van het Duitse parlement tot 1945)? Enkelen zijn er al geweest die als “ontslagen gevangene” hun ervaringen op schrift hebben gesteld; wat men daar echter ervoer was zo onbeduidend dat het de maatschappij geen nut kon brengen.
Ik voel mij verplicht mijn noodlot, een noodlot in klassieke zin, in dienst van de humaniteit te stellen. Het was voor mij een groot, moeilijk en hoogst pijnlijk opruiming houden in innerlijk, werk, huis, huwelijk. De smidse der geesten van mijn sprookjes, waarin men op mij lossloeg



1


2

zodat de vonken door alle kranten vlogen, ook thans nog, was het beulswerk dat ik over me moest laten komen zonder me van deze kwelling te kunnen bevrijden. Alles wat me in deze smidse en de pijn in de armen had gedreven moest wijken. In plaats daarvan kwam wat zuiver en eerlijk was en mee opwaarts streefde, uit Ardistan naar Dschinnistan het land der edele mensen.
Er was een scheiding van goed en kwaad die slechts door twisten en offers kon worden uitgevoerd. Nu is deze volvoerd. Als ik op de laatste tien jaren terugzie ben ik vol dankbaarheid de stormen te hebben doorstaan. Een hetze als die tegen mij is er nog nooit in de literatuur van enig land of volk geweest. Aldus May in zijn slotwoord. Hij spreekt nog over het door hem gewonnen proces Münchmeyer en vermeldt de aanklacht wegens meineed tegen hemzelf en zijn getuigen door Gerlach die op niets uitliep.
Deze aanklacht resulteerde in een huiszoeking op 9 november 1907, waarbij o. a. zijn Doctors-diploma in beslag werd genomen. Dit diploma van de “Duits-Amerikaanse Universiteit Chicago”, waardoor hem een eredoctoraat werd verleend voor zijn roman “In het rijk van de zilveren leeuw”, bleek een waardeloos stuk papier. Het was uitgegeven door de voormalig barbier John Malok 105, een handelaar in diploma’s, zoals die ook thans nog blijken te bestaan blijkens een recente t.v. uitzending van “Koning Klant” 106. Op 14 maart 1910 deelde het Ministerie van Cultuur May mede helaas niet in staat te zijn toestemming tot het voeren van de Doctor-titel te verlenen.
Hij looft zijn tweede vrouw en merkt op “ik ben niet meer zo verschrikkelijk alleen”. Ten aanzien van zijn werken schrijft hij: als ze deugen zullen ze blijven, of men ze nu looft of becritiseert en degene die hun waarde bepaalt ben slechts ik alleen, hetgeen wel trots klinkt maar waar is. Door mijn symbolische verhalen, waarin ik beschrijf de gang van Ardistan naar Dschinnistan — van het ethisch laag staande naar het edel denkende — wil ik het innerlijk van mijn lezer van de druk van buiten bevrijden. Zij zullen ondervinden en beleven hoe het een gevangene te moede is voor wie de sloten klikken omdat de dag gekomen is waarop men hem vrijlaat. Zo eenvoudig het is deze gevangenschap figuurlijk te nemen zo eenvoudig is het ook mijn boeken te verstaan en hun inhoud te begrijpen.
U lacht er over dat ik figuurlijk schrijf? Is voor ons, allerarmsten, gevangenen, zelfs niet de hel en het vagevuur figuurlijk. Waar is de hel anders dan bij U, het vagevuur indien niet bij ons. Dit vagevuur bedoel ik als ik symbolisch verhaal van mijn “Smidse der geesten” 107 welke verschrikkelijke tijd van marteling en pijn ik vandaag of morgen achter de rug zal hebben. Ik weet: het moest zo zijn en ik ben niet verbitterd want ik ken mijn schuld.
Ik vraag nog slechts een ding: laat mij eindelijk, eindelijk tijd met mijn Werk te beginnen.
Twee jaar later, op 30 maart 1912, is Carl Friedrich May te Radebeul op 70-jarige leeftijd in zijn villa “Shatterhand” overleden.



1. Klara en Karl May met hun advokaat Bernstein.
2. May en Klara bij familie Schrott (1911) 108




18

DEEL II


1     Plaats van Karl May in de samenleving.










Dr. Schuurman.

Altijd lag ik overhoop
met de drank en met de wijven
En toen ik veel geleden had
Kon ik heel mooi schrijven

Hans Dorresteijn



Karl May

Karl May is een van die zonderlinge figuren die in de knel zijn gekomen in de maatschappij van de vorige eeuw. Zulke mensen zijn als figuur bijzonder interessant. Hij behoort tot de zogenaamde excentrieke, eigenlijk excentrische figuren (zonderlingen).
Als ik zeg May was een zonderling dan bedoel ik daarmede het volgende: May heeft een heel uitzonderlijk, raar leven gehad, gedraagt zich ook in allerlei situaties heel merkwaardig. Dan is het gerechtvaardigd te zeggen hij behoort tot de zonderlingen, hij neemt een heel aparte plaats in.
Elk mens is uniek en dat ziet men altijd bevestigd in de astrologie. L2 May past in zijn uniekheid niet in het gemiddelde van de mensen en daarom noem ik hem een excentrische figuur. Een zonderling is gewoon iemand die een afgezonderde plaats inneemt in het geheel.
Excentrisch is een neutraler en duidelijker aanduiding. Zij hebben een betekenis in de wereld en als men dan vraagt welke dan moet men zoeken naar wat kunnen zij bijdragen aan het geheel van de cultuur. Als men daarop uit is krijgt men een heel andere levensgang en niet meer zulke catastrophes.
De verscheidenheid van mensen is een gevolg van de creativiteit van de natuur en die is ontzettend belangrijk en valt te rangschikken volgens bepaalde complexen van eigenschappen.
Men komt dan tot de curve van Quetelet. L3 109 Dit is een curve waarin men bevolkingstypen kan onderbrengen en als men dat doet kan dat geschieden uit het oogpunt van begaafdheid of een waardevolle bijdrage die mensen geven aan het geheel. Men ziet dan dat het overgrote deel van de mensen zit in het middelste deel en dat is de grote



Laatste opname en testament van Karl May.


Maar terwijl de meeste mensen slechts daartoe geroepen zijn in hun kleine nauwe kring bepaalde fasen van het grote mensheidsprobleem uit te beelden zijn er nog anderen aan wie de zware taak is, een beeld daarvan weliswaar ook slechts in het klein maar toch niet in bijzonderheden, maar in het geheel te leveren. Die velen vormen delen der mensheid, deze weinigen echter vormen beelden der mensheid. Die velen kunnen hun nauwe kring zuiver houden; zij zijn alledaagse mensen; zij kunnen zelfs modelmensen lijken. De weinigen ... kunnen echter nooit modelmensen worden. Hun is niet het weldadige geluk der onbewuste middelmatigheid beschoren.
blz. 300. Olms. 110

Zijn zij sterker dan het leven en zijn zij onder het fortuin geboren dan zullen zij in trotse rust hun lichtende banen trekken; kwamen zij echter onder de ogen van de laagheid, de armoede en de nood ter wereld, dan zullen zij weliswaar hun doel bereiken, omdat zij het bereiken moeten, maar de tegenstand die zij te overwinnen hebben zal een verschrikkelijke, een onverbiddelijke zijn en voor zij, daarboven aangekomen 111





  [L2]

Astrologie, ook wel sterrenwichelarij genoemd, de leer die uitgaat van een samenhang tussen de bewegingen der hemellichamen en het gebeuren op aarde, speciaal wat het lot van de mens betreft.

  [L3]

A.J. Quetelet (1796- 1874), Vlaams statisticus en socioloog. Trachtte te komen tot een alles omvattende wetenschap van de mens (sociale fysica). Wordt beschouwd als de vader van de kwantitatieve methode in de sociologie.

  [L4]

Rudolf Lebius (4 jan. 1868 — 4 april 1946). Aanvankelijk georiënteerd in de richting van de sociaal-democratie. Omstreeks 1905 extreem anti-sociaal democratisch (in 1904 uit de S. P. D. getreden). Van 1911-1913 gaf hij het anti-semitische maand- en later weekblad “Nationaldemocrat” uit.
Tijdens de Novemberrevolutie van 1918 richtte hij mede op de anti-semitisch georiënteerde “National demokratischen Partei” (N. D. P.) waarvan hij voorzitter werd. Een van zijn boeken: »Het geheim van het jodendom, Duitse Nationale Republiek en jodenvraagstuk”.




19

Schuurman

massa. Nu kan men zeggen dat is de gemiddelde mens die eigenlijk veel meer volgens de traditie leeft en zich helemaal niet druk maakt over de wereld als geheel. Zij leven hun kabbelende bestaantje met natuurlijk ook al hun noden enz. Maar nu kan men behalve de massa de randfiguren onderscheiden, die men in allerlei rubrieken kan indelen. Zij vinden nog wel direct aansluiting bij de massa maar leggen toch een beetje eigen ander accent en vallen onder de eerste rubriek.
Gaat men nog wat verder dan krijgt men mensen die al zo’n ander accent leggen dat ze een klein beetje uit de toon vallen. Soms worden ze gewaardeerd en soms juist niet, en wekken ze vijandschap op. Karl May staat nog een eind verder. Dan krijgt men de figuren die men zonderlingen kan noemen. Dat zijn degenen die een heel aparte eigen rubriek vormen aangezien ze niet meer passen in het grote geheel.
Zij voelen zich ook niet thuis temidden van de massa. Maar onder die zonderlingen zijn nog tal van figuren die een zeer positieve bijdrage leveren tot de progressie van onze cultuur.
Dat geldt eigenlijk voor alle randfiguren voor zover tenminste de eerste drie rubrieken. Zij hebben een positieve waarde in het culturele leven omdat ze een stoot geven in de richting van vernieuwing.
Zij vormen een reactie op de traagheid van de grote massa waar alles bij het oude blijft. Als vierde randfiguur krijgt men degenen die in protest zijn en in botsing komen met de maatschappij en heel vaak zelf niet begrijpen waarom ze zo opstandig zijn. Het betreft hier schema’s en iemand kan dus bijvoorbeeld best aanvankelijk in de vierde rubriek zitten en dan in de derde. Dan heeft men natuurlijk de excentrieken. Dat zijn de werkelijke excentrieken die helemaal buiten het maatschappelijk verband vallen en er niet meer in passen en waar tegenwoordig in ons land gelukkig ook goed voor gezorgd wordt. Dat is ook niet in alle landen het geval. Dan heeft men uiteindelijk degenen die helemaal negatief ingesteld zijn, dan komt men bij de terroristen, de misdadigers en de krankzinnigen.
Dit is een manier waarop men een bevolking kan rangschikken. Het is niet de bedoeling dat terroristen, misdadigers en krankzinnigen op een hoop worden gegooid. Zo moet men er niet verder op doorgaan. Het gaat alleen om het afgezonderde van dergelijke figuren ten opzichte van de maatschappij. Het is in het globale overzicht van zo’n curve van Quetelet dat men dan zegt welke randfiguren kennen we nu eigenlijk. Nu, we kennen dus dergelijke figuren. Dat is heel belangrijk voor de beoordeling van wat dergelijke mensen doen dat ze zo geïsoleerd staan ten opzichte van de maatschappij, weinig begrepen worden.
Wat ik nu niet beoordelen kan is in hoeverre heeft Karl May door enkele van zijn geschriften mensen tegen zieh in het harnas gejaagd. Waardoor heeft hij aanvallen uitgelokt. Omdat hij niet op Rudolf Lebiu’s L4 verzoeken om geldleningen wilde ingaan tot tegenprestaties waartoe Lebius dan gaarne bereid zou zijn?
Nu ja, dan zou dat chantage zijn en later wraak.


May

hun overwinningsroepkunnen laten schallen zullen zij afgemat ineenstorten om de ogen voor deze wereld te sluiten.
blz. 301. Olms.

Eigenlijk moest een ieder weten tot welke van deze soort mensen hij behoort, of hij moest zich toch tenminste verplicht voelen, hierover na te denken. Dat heb ik gedaan en ik ben tot de overtuiging gekomen dat ik geen aanspraak kon maken op een goedkoop, ongestoord doorsnee-geluk, maar de menselijke ellende in zijn diepste diepte moest leren kennen om mij evenzo volhardend en met evenveel moeite daaruit omhoog te werken, zoals de mensheid stromen van zweet en bloed en de tijd van duizenden jaren nodig heeft om zieh uit de hare te verheffen.
blz. 301. Olms.

Ik heb niet de minste reden tot de maatschappij te willen behoren die ik in mijn lijdenstijd gedwongen was te leren kennen.
blz. 313. Olms.

De weg waarop ik mij bevind, is nog geen ander gegaan; ik zou dus ook zonder de haat, die men jegens mij koestert, gedwongen zijn een eenzame te zijn. Ook ben ik er van overtuigd dat later, als men mij en dat wat ik wil, eerst juist heeft leren kennen, zich enigen, misschien zelfs velen van de grote hoop zullen afscheiden om zich bij mij te voegen.
Oude wegen kunnen hoogstens naar oude, dode schatten leiden. Wie echter naar nieuwe, levende schatten zoekt, die moet ook nieuwe, niet oude wegen gaan. En de mijne is nieuw.
blz. 313 / 314 Olms.

Schuurman

Waarom heeft de ene mens een lot waarin hij veel onrecht ondergaat en een ander niet? Als May schrijft tot de overtuiging te zijn gekomen dat hij niet op een doorsnee geluk aanspraak kan maken zegt hij daarmede zelf dus eigenlijk ook dat hij zonderling is, maar dat verklaart nog niet dat je je zulke mensen op de hals haalt die chantage op je plegen, want dat overkomt niet iedereen. Dan moeten er twee dingen zijn, inderdaad, natuurlijk dat iemand beroemd wordt maar tegelijk weerloos in het leven staat. May heeft zich wel verweerd maar hij was tenslotte ze zou ik denken een figuur die zich onvoldoende kon verdedigen. De meest waardevolle mensen staan natuurlijk buiten de massa, zijn progressief en geven een stoot in de richting van iets nieuws. Soms doen ze dat erg tactvol en zo dat het door velen direct gewaardeerd wordt en soms doen ze dat ook op een wijze dat het aanvankelijk helemaal niet gewaardeerd wordt. Ik denk bv. aan de provo’s 112.




20

Schuurman

2     Een visie met betrekking tot May’s aanrakingen met de strafrechter. Als er in May’s tijd zogenaamde critici waren die hem wegens zijn Münchmeyer L5 - romans met smaad overlaadden of op grond van zijn verleden kwamen tot een “afslachting op zuiver processuele gronden” (May) dan is dit toch wel erg ouderwets.
Men moet het transformeren in de moderne tijd die veel ruimer is en een ruimere kijk heeft op al dergelijke verschijnselen.
Karl May was iemand die zich niet kon onderwerpen aan strikte conventionele regels. Of hij nu ijdel, eerzuchtig of eigengereid was is bijzaak. Hoofdzaak van zijn werk is een creatief produkt en dat heeft met dergelijke tendensen als eerzucht en ijdelheid niets te maken.
Genet L6 113 heeft ook een hele tijd in de gevangenis gezeten en Sartre L7 114 heeft toen een boek over hem geschreven: “De Heilige Genet“ en er voor gezorgd dat Genet de laatste keer uit de gevangenis kwam. Genet is een toneelschrijver waarvan herhaaldelijk bijzondere toneelstukken worden opgevoerd. Deze zijn heel merkwaardig maar ze zijn onthullend ten opzichte van alles wat er in onze maatschappij scheef en schots is, verbazend scherp en raak. Daarom had Sartre zoveel belangstelling voor hem. De man is zeer begaafd. Genet is als kind al zo ontspoord geraakt en is ook al zo vaak veroordeeld en in de gevangenis geraakt dat hij heeft gezworen: als jullie dan vinden dat ik slecht ben zal ik het jullie wel bewijzen.
Dat zijn reacties die men kent als het ware uit een soort woede tegen de autoriteiten of de maatschappij.
Karl May is niet begrepen in de wijze waarop hij vreemde dingen deed. Hij heeft onder onrecht geleden maar haalde zich dit ook op de hals.
Als men gaat zoeken naar een verklaring van de zogenaamde misdaden van Karl May dan komt men natuurlijk heel ergens anders uit. Erg belangrijk is of May al dergelijke dingen heeft gedaan in een schemertoestand en dat zegt hij zelf. Ik geloof niet dat het stukken uit zijn leven waren die hij vergeten wilde. Hij wist het gewoon niet. Omdat hetgeen hij gedaan heeft in een schemertoestand is geschied. May was emotioneel, want vanuit zijn emotionele ondergrond kan men begrijpen dat hij van die schemertoestanden heeft gehad waarvan hij naderhand zelf niets meer wist. Hij wist er naderhand niets meer van, nou dan is het al helemaal geen misdaad.
De schemertoestand is een bepaalde vorm van emotionaliteit. Niet dat iedereen die emotioneel is datzelfde zou vertonen maar men kan wel zeggen dat er zekere emotionele spanningen bij Karl May waren die de oorzaak zijn geweest van de voor de buitenwereld vreselijk verwarrende gedragingen die hij vertoonde.
Ten tijde van zijn processen had May kunnen zeggen dat hij het niet meer wist en voor zijn daden niet verantwoordelijk was. May verdedigde zich niet. Ik geloof zeker dat hij het echt niet meer wist. Zijn gedrag is zo wonderlijk dat men kan zeggen hij wist het gewoon niet. Dat vind ik weer een heel duidelijk punt.


May

De hoofdzaak was dat ik me moest wreken, wreken op de eigenaar van dat horloge, die me had aangegeven uitsluitend om me uit zijn woning kwijt te raken, wreken op de politie, wreken op de rechter, wreken op de staat, op de mensheid, op iedereen !.
Ik was een modelmens, blank, rein en onschuldig als een lam. De wereld had me bedrogen ter zake van mijn toekomst, mijn levensgeluk.
Waardoor ? Daardoor, dat ik dat bleef waartoe hij me gemaakt had, namelijk een misdadiger. Dat was wat de verleiders in mij van mij eisten.
blz. 118 Olms

Evenzo ben ik er van overtuigd dat het mij beschoren was daarbij de hardnekkige tegenstand te ontmoeten, die ik ook heden nog ondervind omdat ik mij die zelf heb bereid, zoals de mensheid sneller vooruit zou komen, als ze eindelijk wilde ophouden zich haar eigen weg met hindernissen te versperren. Men ziet dat ik geen ander dan slechts mijzelf aanklaag.
blz. 301 Olms.

Daar (in Leipzig) heb ik, hoewel ik niets van dien aard nodig had, bontwerk gekocht en ben er mee verdwenen zonder te betalen. Hoe ik het aangepakt heb dit voor elkaar te brengen dat kan ik niet meer zeggen; ik heb het waarschijnlijk ook toen reeds niet geweten.

Want voor mij is het zeker dat ik absoluut onmogelijk bij helder bewustzijn gehandeld kan hebben. Ik weet van de daarop volgende behandeling voor het gerecht helemaal niets meer, noch in detail, noch in het geheel.
blz. 119 Olms

Op 8 juni 1865 stond May terecht voor de districtsrechtbank Leipzig en werd wegens meervoudig gepleegd bedrog tot vier jaar en 1 maand gevangenisstraf veroordeeld. Deze straf werd uitgezeten in de gevangenis “Osterstein” in Zwickau. Hij was toen dus 23 jaar. Gebleken is dat May bij zijn arrestatie op 7 maart 1865 bewegingsloos en schijnbaar levenloos was en ook door de politiearts aanvankelijk niet tot spreken te krijgen was.
Des te minder is de pro-deo advocaat te begrijpen. Hij heeft me niet verdedigd maar belast en wel op de ergste manier. Hij verbeeldde zich bij deze goedkope gelegenheid “criminal-psychologie” te kunnen bedrijven of te willen bedrijven en toch ontbrak hem totaal alles wat nodig is om zulk een opgave ook slechts enigermate te vervullen. Ik had weliswaar wel kunnen ontkennen, gaf echter alles, waarvan men mij beschuldigde zonder meer toe.
blz.169 Olms.

Destijds, toen ik mij in de gevangenis bevond was ik vrij. Daar leefde ik onder de beschutting van de muren. Daar meende een ieder het goed en eerlijk, die mij opzocht in de cel.
Daar kon niemand mij iets aandoen...... tot ik vrijgelaten werd, langer niet.
blz. 318 Olms.




21

Schuurman Misschien zócht May wel de gevangenis. Bij de rechtbank is het tegenwoordig zo dat men dikwijls de psychiater er bij haalt om te kijken met wat voor mens men te maken heeft maar dat is nog maar een nieuw verschijnsel.
Men onderscheidt — en dan kan men dat natuurlijk nog betwijfelen — kleptomanie, dat is stelen in schemertoestand van echte misdadigheid. Misdadigheid is welbewust weten: ik ga nu iets doen wat niet mag. Men kan May dan ook niet als misdadiger bestempelen, het is een ziekte of in elk geval een relatieve ziekte. Een toestand dus waar men niet volledig voor verantwoordelijk kan worden gesteld en het is juist als May dat in zijn auto-biografie stelt.
Het ligt helemaal in de lijn van het tegenwoordige begrip voor alle mogelijke afwijkingen van mensen. Als men bedenkt dat er in Utrecht een kliniek is om ernstige delinquenten psychotherapeutisch te behandelen waar berust dat dan op? Dat dus ook ernstige misdaden gezien worden als psychische afwijkingen met allerlei wortels in het onbewuste waarvan de persoon in kwestie aanvankelijk niets begrepen heeft bij zichzelf.
Wat vaak gebeurt is dat van juridische zijde allerlei beschouwingen gegeven worden die helemaal geen rekening houden met wat dieptepsychologisch kan worden vastgesteld omdat de diepte-psychologie ook een hele strijd heeft moeten voeren om tenslotte erkend te worden. Als altijd als een nieuwe visie ergens doorbreekt moet hij een hele strijd voeren voordat hij aanvaard wordt.


May

Ik ben er van overtuigd dat mijn zonden, voor zover ze mij zijn aan te rekenen, slechts op persoonlijk, niet echter op literair terrein liggen; op het laatste gebied ben ik mij van geen misdaden bewust. blz. 214 Olms.

Ik wil de strengheid van de wet waaronder ik lijd veranderen in een groot mededogen met al degenen die gevallen zijn, in een liefde en barmhartigheid waarvoor er tenslotte geen misdaad en geen misdadigers meer zijn maar slechts zieken, zieken, zieken. blz. 138 Olms.





  [L5]

H. G. Münchmeyer (1836-1892), zoon van een kleermaker, was aanvankelijk timmermansgezel en colporteur. Sinds 1862 uitgever van voornamelijk colportage romans.

  [L6]

Jean Genet, geb. 1910. Frans roman- en toneelschrijver. Leidde een zwervend bestaan aan de rand van de samenleving, kwam in de gevangenis en schreef daar de roman Notre-Dame des Fleurs (1942). Bij uitstek de zanger van het kwaad: verraad, misdaad en seksuele perversie zijn wezenlijke thema’s in zijn werk.

  [L7]

Jean Paul Sartre, geb. 1905, Frans filosoof en literator, een der grote figuren van de existentie filosofie welke wijsgerige ideeën hij zowel in studies (L’être et le néant, 1943), als in romans (La nausée, 1938) en in toneelwerken (Huis clos, 1944; Les mains sales, 1948) gestalte geeft.
Sartres latere periode wordt vooral gemarkeerd door zijn volumineuze studie Critique de la raison dialectique (1960) waarin hij het existentialisme poogt te integreren in het Marxisme naar zijn ideale gestalte.


3     Over het verband tussen creativiteit, fantasie, symbolieken literatuur.

Schuurman

Bij May is duidelijk sprake van een hoog menselijk ideaal. Het ligt ook helemaal in de lijn van Karl May dat hij de vrede wil dienen en niet de oorlog bevorderen.

De gave van May voor schrijven was natuurlijk zeer groot en zijn fantasie enorm. De kwestie is dat de fantasie een eerste voorstadium is tot realisatie en aan die realisatie is May niet voldoende toegekomen in zijn leven. Hiermede bedoel ik o.a. dat May niet zelf reizen heeft kunnen maken zoveel als hij gewild heeft (met uitzondering van enkele eventuele in zijn jeugd gemaakte reizen en die op latere leeftijd).
May had zo geholpen moeten worden dat hij zorgeloos had kunnen schrijven want dat was zijn expressievorm. Hij had in de gelegenheid




Ik heb de gedachte: ‘Omhoog naar het rijk der edele mensen!’ om goede redenen gekozen.
Het is het hoofdthema van het grote leven van het mensdom en ook dat van iedere enkeling.
De mensheid moet opwaarts naar het Rijk der edele mensen en ieder individu eveneens.
Hoe kom juist ik er echter toe, U dit thema te brengen? Omdat het juist ook het hoofdthema van mijn gehele leven, mijn totale werkzaamheden als schrijver, het thema van elk mijner boeken is. blz. 264, band 34 “Ich” Karl May Verlag.




22

Schuurman

moeten zijn gesteld eens een enkele reis te maken. Voor zijn schrijven had dat helemaal niets uitgemaakt. Maar men moet bedenken dat aangezien datgene dat men zo levendig fantaseert een voorstadium is van creatieve activiteit er dus een drang is op een of andere wijze op die fantasie voort te bouwen.
Hóe, dat kan niemand zeggen. Ik zou me kunnen voorstellen dat May op een goede keer merkte dat in zijn fantasieën verwerkt zat de behoefte om mensen andere dingen te laten beleven dan de nuchtere zaken.

De conclusies van May dat men zich niet uitsluitend tot de materiële zaken moet beperken en dat, als men dat doet, emn eigenlijk in de gevangenis zit en dat hij wil trachten zijn lezers daaruit te bevrijden — en daarmede tegelijk zichzelf bevrijdt — zijn heel goede conclusies. May heeft dat heel goed aangevoeld dat hij zichzelf daardoor bevrijdde.

Als over May zeer vaak wordt geschreven dat hij op latere leeftijd (omstreeks 1900) overging tot het schrijven van symbolische romans kan men de vraag stellen wat is het verband tussen fantasie en symboliek.
Symboliek is een gebruik maken van beelden waarin principieel het een en ander wordt uitgedrukt wat men nog niet goed onder woorden kan brengen. Het is eenvoudig zo dat alle sprookjes, mythen, dromen en een groot deel van de kunst allemaal te voorschijn komt in de vorm van symbolen. Een symbool is een eerste vorm die onze psyche weet te geven van de indrukken die hij heeft gekregen van de werkelijkheid. Als er nu in de boeken van May bv. sprake is van het slaan met een tomahawk dan is, waar de fantasie van de schrijver spreekt, sprake van symboliek. Als het zich als een historisch geschied feit aanbiedt dan natuurlijk niet. De symboliek duidt er op dat er een bepaalde partij is in de ziel, dat is het ontmoetingsveld ussen binnen- en buitenwereld, van Karl May die hij zoals men dat dan wel uitdrukt een kopje kleiner zou willen maken, die hij kwijt zou willen en waar hij agressief tegenover staat. Dit is iets algemeen menselijks. Wij zijn eigenlijk in de grond van de zaak de gehele mensheid en hebben alles in ons.

Als men zou stellen dat de waarde van zijn werk ligt in de morele strekking en niet op het niveau van de kunst is dat geloof ik toch wel wat te beperkt gezien.
Natuurlijk, de morele strekking zit er ook in daar is geen twijfel over. May zegt dat zelf ook, bijvoorbeeld dat hij graag de mensen helpen wil enz.
Het middel echter dat hij gebruikt zijn z’n verhalen. Deze zijn levendige fantasie. Nu komt dus de vraag: zijn dan alle boeken waarin levendige fantasie uitgewerkt wordt geen literatuur L8? Ik zal een voorbeeld geven: “De kleine Johannes” (1887) van Frederik van Eeden L9 115 is helemaal een fantasie. Om dan zo’n dichterlijke


May

Ik wil dat mijn lezers het leven niet langer als een uitsluitend materieel bestaan beschouwen. Deze wijze van zien is voor hen een gevangenis, over de muren waarvan zij niet in het door de zon beschenen vrije, verre land kunnen kijken. Zij zijn gevangenen, ik echter wil hen bevrijden. En doordat ik hen tracht te bevrijden, bevrijd ik mijzelf, want ook ik ben niet vrij, maar gevangen, sinds lange, lange tijd. blz. 317/318 Olms.

Want dit Karl-May probleem is ook een gelijkenis. Het is niets anders, dan dat grote algemene mensheidsprobleem, aan de oplossing waarvan reeds talloze miljoenen hebben gewerkt zonder iets tastbaars te bereiken. Gans gelijk heeft men zich met mij bezig gehouden zonder het verder te brengen dan tot de treurige karikatuur zoals ik in de breinen en in de publikaties van hen besta, die zich geroepen voelen problemen op te lossen, dit echter altijd slechts daar doen waar er geen aanwezig zijn. Blz 212 Olms

Schuurman:

Als May dit stelt is dit natuurlijk juist maar er blijft altijd nog de vraag wie was Karl May.


Ik heb mijn beroep, mijn succes, mijn gelukkig, vreedzaam thuis, mijn onwankelbaar geloof aan God (dit doet me denken aan een jongen die ik eens op een vakantie ontmoette met zijn moeder en die tegen mijn vader zei : “Wij geloofden aan God en toen konden we toch niet in Oost-Duitsland blijven.” Ze waren gevlucht. Mijn vader heeft hem toen, het is wel zo’n 20 jaar geleden, een rijksdaalder gegeven. — v. Linden) en de mensheid. Dit grote geluk zou ik zo graag ook andere mensen bereiden, allen, niet slechts mijn vrienden doch ook mijn vijanden. Daarom leg ik dit geluk van mij en die zonneschijn van mij in alles wat ik schrijf. blz. 275, band 116 34 1958/1963 “Ich”, Karl May Verlag.

Ik heb altijd een neiging tot de symboliek gehad en wel niet slechts tot de religieuze. Iedere persoon en iedere handeling die iets goeds, edels, dieps betekent, is mij heilig. Daarom maakten enige religieuze gebruiken, waaraan ik als jongen moest deelnemen, op mij een zeer bijzondere indruk. blz. 65 Olms.

Zij echter (de hemelse waarheid) moet verder, steeds verder, om te vervullen wat haar is opgedragen. Toch gaat zij slechts als sprookje; als waarheid echter blijft zij achter. En ook al ziet men haar niet, zij is er toch en heerst in het huis voor alle tijden die nog komen. Zo, dat is het sprookje! Maar niet het kindersprookje, maar het echte, eigenlijke, werkelijke sprookje, ondanks zijn bescheiden, eenvoudige voorkomen overeenkomstig aan de voornaamste en moeilijkste van alle literatuur, aan de er in wonende ziel. blz. 140/141 Olms.
















23

Schuurman

fantasie niet tot de literatuur te rekenen dat zou bespottelijk zijn. Men moet het begrip literatuur ruim nemen en oppassen dat het geen nuggezifterij wordt.
Ja, het is zeker literatuur wat May geschreven heeft. Hij is niet serieus genomen maar dat is natuurlijk fout.
De creativiteit en de symboliek die er in zijn werk zit zijn hoofdzaak en vormen niet een bijkomstig iets. Jazeker, de symboliek heeft van het begin af in het werk gezeten. Men kan dus nooit stellen dat May op latere leeftijd overging tot het schrijven van symbolische romans.

Wat heel belangrijk is dat is dat Karl May zijn schrijven zelf heeft ondervonden als creatief, hij werd er helemaal in meegenomen (“Weihnacht” - Het goud van Winnetou - kwam in een week bij het licht van een petroleumlamp tot stand).
Nu moet men tot de literatuur rekenen die geschriften die creatief ontstaan zijn. Als May omstreeks 1900, de tijd waarin dus sprake is van de zogenaamde overgang naar het schrijven van symbolische romans, schrijft over zaken als tovertapijten enz. dan hoort dat tot de rubriek van de sprookjes.
Als May het dus heeft over tovertapijten dan ontleent hij wat aan een sprookje omdat hij dat op dat moment gebruiken kan. Men kan helemaal niet stellen dat May’s dorpsvertellingen “vaak nauwelijks meer zijn dan sprookjes” (zoals is gebeurd — v.L.). Dat zegt toch direkt wat van zo iemand. Sprookjes behoren tot de kostbaarste literatuur van de gehele wereldgeschiedenis!

Schuurman

Ik geloof niet dat, zoals May zijn verhalen heeft ingekleed, men deze tot de sprookjes kan rekenen. Men kan dus ook niet stellen dat May “een geboren sprookjesverteller” was.
Zeer vele, zo niet alle sprookjes geven uitdrukking aan wat in de onderstroom van de ziel leeft. Hierin overheerst slechts één vraag nl.: hoe kom ik als individueel vertegenwoordiger van de mensheid tot mijn bestemming.





  [L8]

De wetenschap van de letteren, ook letterkunde, de kunst van het woord, taalkunst in die zin dat de taal voor de literator veel meer is dan materiaal of instrument, maar de essentie van zijn kunst.

  [L9]

Frederik Willem v. Eeden (1860-1932), bekend Nederlands dichter, prozaïst, essayist en toneelschrijver.


Schuurman

4     Over “Ik-probleem” en moraal

Als men schrijft dat duizenden lezers in de held Old Shatterhand (of Kara Ben Nemsi) niemand anders zien dan May zelf en dat daarbij dan sprake zou zijn van “zelfbegoocheling ook wel bij volwassenen (bv. Bertha von Suttner” L10 117 en dat daarbij in het geding zou zijn “misleiding van de kant van May zelf” die hem zelfs kwalijk valt te nemen gaat men er van uit dat May dat bedacht heeft. Het is echter zo dat, als May creatief is, er sprake is van een proces dat hij doorleeft vanuit zijn artistieke aard en dan is daar dus geen sprake van, dan is dat niet bewust bedacht. Dan zou het een doel hebben gehad maar hij heeft er geen doel mee gehad, het is eenvoudig in hem opgekomen. In zijn gedachten was May ook Old Shatterhand.
Als men dus stelt: “Daarbij is duidelijk geworden dat het uiterlijk leven voor beiden geheel uiteenliep, ofschoon wel is vast komen te staan dat de reële persoon op een gegeven ogenblik het masker van de fictieve persoon heeft opgezet teneinde de verwezenlijking van zijn ideaal droomleven zoveel mogelijk te benaderen”, laat ik het dan eens zo zeggen. Eerst komt er


May

Tegenover Fritz Barthel 118 spreekt hij nog steeds over de reizen uit zijn jeugd en als Dr. Schmid L11 119 oprichter van de Karl May Uitgeverij in 1912 120, hem vraagt: “Herr May, zegt U me nu eens heel eerlijk wat de herkomst is van de zilverbuks (van Winnetou)”, antwoordt May :“ Ja, heeft U dan mijn Winnetou niet gelezen?”

En ik schrijf — schrijf over Winnetou, het grote opperhoofd der Apaches en mijn vriend Carpio 121 schrijf over Peteh 122, de wrede aanvoerder der Bloedindianen en de vriendelijke Shoshones en terwijl in mij het beeld van-de kleine Rost 123 met zijn borst- en rugspieren opkomt, fluistert mij een innerlijke stem in dat de Old Shatterhand van toen toch een heel andere, veel benijdenswaardiger kerel was dan die van vandaag (1896).




24

Schuurman

een figuur in de fantasie, die komt van binnen uit bij Karl May en dat is Old Shatterhand. Maar nu gaat de schrijver die fantasiefiguur zo beschrijven en verdiept er zich zo in dat hij duidelijk in zijn bewustzijn verbonden raakt met de oorsprong van die fantasiefiguur die ook uit zijn onbewuste komt. Als men zich zo op die manier daarmee vereenzelvigt kan het zijn dat men zich helemaal in die literaire figuur verliest. May weet niet meer dat hij May is. Daarom is er sprake van een onjuiste formulering want het lijkt dan alsof er een soort van doelstelling achter zat maar het is natuurlijk een proces dat zich in May afspeelde, waar hij zelf ook, om zo te zeggen niets aan doen kon, het was gewoon een creatieve drang.

Men kan ook niet stellen dat May ten gronde zou zijn gegaan aan het feit dat hem het “Ik-masker” zou zijn afgerukt. Het feit dat hij, vooral ook op latere leeftijd, practisch 24 uur per etmaal werkte duidt op die fasen van creatieve drang die soms zo geweldig kunnen zijn dat iemand er bijna aan te gronde gaat. Er wordt hier dus een verkeerde uitleg gegeven.

Als May verhalen in de Ik-vorm schrijft waarom zou hij dan die Ik niet mogen zijn. Het is geheel onjuist dat hem dit werd verweten. Als iemand zich als schrijver vereenzelvigt met de hoofdfiguur van een boek dat hij zelf schrijft dan is die identificatie een uitbeelding van een partij in zijn ziel die op dat moment via dat schrijven probeert te voorschijn te komen.
De sterkste partij dat kan men moeilijk zeggen. Soms is de sterkste partij een misdadige tendens maar dat het een machtige partij is is zeker. Maar May had meerdere partijen in zich en daarom heeft hij ook meerdere figuren kunnen uitbeelden die, misschien of juist toch weer met elkaar in strijd waren. Dus het is gewoon onbekendheid en onnozelheid als men zo iemand het feit kwalijk neemt dat hij “Ich” zegt.

Wat men eveneens niet kan stellen is: “Van de honderden typen die May heeft geschilderd blijven na herleiding misschien een dertigtal karakters over”: May was alle figuren zelf.

Als ik heb gesteld dat May’s gave voor schrijven zeer groot was en zijn fantasie enorm weet ik niet in hoeverre vorige levens in deze dingen een rol spelen want dat is helemaal niet onmogelijk. Er zou verband kunnen zijn met reïncarnatie, dat zou heel goed kunnen.
Er zijn geen bewijzen voor maar het is een verklaring voor het feit dat hij zijn verhalen zo uit zijn mouw heeft geschud, ook dingen die in de realiteit ook bestaan.
Als men heeft gesteld dat zijn boeken een moralistische tendens hebben: men kan zoiets ombuigen. Als Karl May vanuit zijn gevoel geschreven heeft en hij heeft zijn helden in zijn boeken ontworpen zoals dat creatief in hem opkwam dan kan men natuurlijk, wanneer dat dan karaktervolle figuren zijn, die moedige dingen doen ook ten bate van anderen, dan kan men dat moralistisch gaan noemen.


May

Maar deze innerlijke stem wordt al gauw overstemd door een andere die me wel honderdmaal toefluistert: “De uitgever wacht op je boek! Schrijven — schrijven!”

(Uit “Vreugde en lijden van een veelgelezene” als weergegeven in dl. 50 Prisma reeks, blz. 157).

De nacht is mijn werktijd. Ik werk vaak twee, drie nachten achter elkaar door, daar ik overdag slechts zelden schrijven kan door de vele bezoekers, die dagelijks komen om “hun” Old Shatterhand of Kara Ben Nemsi persoonlijk te leren kennen. Het is ook best dat zij overdag verschijnen, want ’s nachts moet ik werken en zij moeten slapen; mij doet het natuurlijk helemaal niets dat ik er af en toe in geen 14 dagen toe kom uit te slapen. Waarvoor ben je anders een gehard westman?
(Uit: “Vreugde en lijden van een veelgelezene.”)

Terwijl deze gedachten in mij omgingen voelde ik zeer goed, dat ik mij door de uitvoering ervan aan een gevaar zou blootstellen dat voor mij niet gering was.
Hoe nu, als men deze denkbeeldigheid niet begreep en dit “Ik” dus niet begreep. Als men dacht dat ikmijzelf bedoelde? Lag het dan niet voor de hand dat een ieder die het aan intelligentie of goede wil ontbrak tussen werkelijkheid en verbeelding onderscheid te maken, mij als leugenaar en zwendelaar zou aanmerken? Ja, dat was weliswaar een mogelijkheid, maar voor waarschijnlijk hield ik het niet ...... Neen! Het verwijt van leugenaar en zwendelaar was, tenminste voor denkende mensen, volledig uitgesloten!
Zo dacht ik destijds.   blz.146 Olms.

En deze Hadschi is mijn eigen ziel, jawel de ziel van Karl May! Als ik alle fouten van de Hadschi beschrijf, schilder ik die van mijzelf en leg dus een biecht af, zoals die, zo omvangrijk en zo oprecht nog wel door geen schrijver is afgelegd.
Ik mag dus wel beweren dat ik bepaalde verwijten die mij door mijn tegenstanders worden gemaakt geenszins verdien. Zouden deze tegenstanders het eens wagen zo openlijk over zichzelf te sprelen als ik over mezelf dan zou het zogenaamde Karl May probleem reeds lang in dat stadium zijn opgetreden waarin het dient te treden, of men dat wil of niet.   blz. 212 Olms.

Er zijn mensen die mijn stijl als model voorstellen; er zijn anderen die zeggen dat ik geen stijl heb; en er zijn weer anderen die beweren dat ik weliswaar een stijl heb, maar een bijzonder slechte.






3


4









1.   Briefje links van May’s
      schrijfbureau.
2.   Koninklijke Saksische Pedago-
      gische academie te Plauen.
3.   May als Kara Ben Nemsi
4.   May en de kunstenaar Sascha
      Schneider 124.

1

2




Dood van Melle 125

slag voor de

surreële kunst



SURREALIST

MELLE (68)

GESTORVEN


     (Van onze kunstredactie)
AMSTERDAM, dinsdag. — De Amsterdamse tekenaar en schilder Melle (voluit Melle Johannes Oldeboerrigter) is gisteravond overleden. Hij zou donderdag 68 jaar geworden zijn. Melle — een surrealist die in zijn werk sexsymbolem tot dieren en landschappen liet uitgroeien tot situaties vol humor en/of beklemming — werd tijdens een etentje onwel en overleed op weg naar het ziekenhuis. Hij was getrouwd, had geen kinderen.
   Hij is geboren in Amsterdamse „Eilandenbuurt”, zijn ouderhuis kommt io veel van zijn schilderijen voor.
   Hij was aanvankelijk typograaf, ging in 1935 tekenen, was sinds 1940 als schilder actief en gaf ook enige tijd les aan de Amsterdamse Rietveldacademie.
   De begrafenis is vrijdagocht half twaalf Oosterbegraafplaats.




door FANNY KELK 126

Melle is dood. Een slag voor hele richting: de surreële kunst. Ook een slag voor de leerlingen van de Rietveld Academie 127. Melle had ingevingen, suggesties, ideeën zoals niemand. Zijn invloed was (bijna te) groot.

   Hij werd DE surrealist van Nederland genoemd. In zekere zin was hij dat ook. In zekere zin, omdat zijn surrealisme alleen het onwerkelijke grote van geslachtsdelen of -organen tot onderwerp koos. Melle hield daarbij altijd wel de grote lijn van de schilderkunst in de gaten en wist precies waarom hij die „grote jongens” herkende of dat nu Rembrandt 128 , Max Ernst 129 of een nog onbekende leerling van zijn klas op de Rietveld Academie betrof.
   Hij hield van kwaliteit en leverde die zelf ook. Hij was denk ik de eerste die in Nederland durfde aan te komen met sexemblemen in de figuratieve kunst. Zijn landschppen van penissen en vagina’s met al hun varianten, in een glibberige toon opgezet, zijn uniek in de hele wereld. Melle heeft zich er de sympathie van de surrealisten mee verworven.
   Hij heeft ook een hele reeks leerlingen aangehaald die, hoewel hij hen nooit naar zijn richting of uitgangspunt dwong maar hun eigen gang liet gaan, duidelijk door zijn werkwijze beïnvloed werden.
   Zijn „seksuele landschappen” zijn uiterst persoonlijk. Niemand in de hele wereld heeft ze geëvenaard of kan ze evenaren. Mooi vinden hoort daar niet bij. Dat was Melle’s uitgangspunt ook niet. Hij hoorde nergens bij. Hij had geen uitgesproken richting. Hij was een unieke persoonlijkheid in het Nederlandse schildersleven en zet als zodanig een traditie voort van de grote Hollandse schilders die nooit epigonen zijn.







3


6


9


1


4


7


2


5


8



1.

Bertha von Suttner.

2.

May en zijn tweede vrouw Klara.

4.

Dr. E. A. Schmidt, mede-oprichter Karl May Verlag.

5.

Familiegraf v.d. Plöhns. May zelf had de wens geuit in zijn tuin te worden begraven. Dit grafmonument is dus niet May’s idee.

6.

Zomer 1900.

7.

Die fürchterlichste Nacht, gedicht, handschrift uit vroeger tijd.

8.

Karl May omstreeks 1907.

9.

May, Prof. S. Schneider, Prof. S. Werner 130, Prof. W. Kreis 131 (vrienden) v. l. n. r..














25

Schuurman

Maar dat is weer vanuit de gedachtengang dat hij alles bedacht heeft en dat is de grote fout om iemand als May, om die te gaan zien als iemand die allemaal bedacht heeft wat hij geschreven heeft. Degene die dit geschreven heeft gaat van het verkeerde uitgangspunt uit. Hij heeft zieh niet ingedacht of blijkbaar geen kennis gehad van creatieve naturen.
Of het “een psycholoog niet moeilijk zal vallen een min of meer betrouwbare indruk te krijgen van (de jonge) May” en er bij deze “sprake is van type-indeling naar vaststaande criteria waarbij hij zich aan appreciaties van morele aard niet zal wagen”?
De kwestie is: men kent zogenaamde typologieën. Verschillende mensen hebben zieh hiermee zeer bezig gehouden.
Professor Heymans L12 132 uit Groningen heeft dat destijds gedaan en zo zijn er nog een stuk of vier, vijf anderen die ik kan noemen die een typologie hebben ontworpen om mensen in te delen volgens karaktertype.
Ik moet zeggen, ik vind typologieën altijd toch ook weer erg beperkt, want levende mensen komen nooit helemaal overeen met een bepaald type. Het is een zaak van: overwegend behoort die en die tot dat en dat type. Zo kan men het wel stellen.
Er zijn dingen die door elkaar lopen. Ik vraag me af of men psychologisch het ethische niet zou meetellen in zijn classificatie in het indelen in typen. Als men als psycholoog diep genoeg gaat moet men het ethische ook in rekening brengen.


May

De waarheid is dat ik op mijn stijl niet de minste acht sla. Ik schrijf neer wat me uit de ziel komt en ik schrijf het zo neer zoals ik het in mij hoor klinken. Ik verander nooit en ik vijl (schaaf) nooit. Mijn stijl is dus mijn ziel en niet mijn “stijl” maar mijn ziel moet tot de lezers spreken. Ook leg ik me niet toe op een zogenaamde artistieke vorm ....... Daarom werkt datgene, wat ik schrijf direct, niet echter door mooie uiterlijkheden, die geen innerlijke waarde bezitten. blz. 228 Olms.




[L10]

Bertha von Suttner (1843-1914), Oostenrijks romanschrijfster, streed voor vrede en ontwapening (roman De wapens neer!, 1889); stichtte 1891 Oostenrijks Vredesgenootschap. Nobelprijs 1905. Medestandster Karl May. Als ik me niet vergis werd naar haar een bekend kanon van Krupp “Dikke Bertha” genoemd. (v. L.) 133

[L11]

Dr. E.A. Schmid (1884-1951), mede-oprichter van de Karl May Uitgeverij.

[L12]

Prof. G. Heymans (1857-1930), Nederlands filosoof en psycholoog, hoogleraar wijsbegeerte en psychologie. Zijn wijsgerige geschriften, waarin hij het standpunt van het psychisch monisme scherpzinnig verdedigde munten uit door helderheid, kritische bezinning en strenge toepassing van inductieve methoden.


Schuurman

5     May’s levensbeschouwing en de strijd tussen goed en kwaad.

Als men in het werk van May God (of liefde) als “tweede pool” noemt “naast de fantasie” haalt men er bij hoe May voor zichzelf dacht en levensbeschouwelijk ingesteld was. Hoe hij dan levensbeschouwelijk ingesteld was? Wel, dat hij God als liefde opvatte. Waarom zou dat bij May “egocentrische liefde” zijn en wat is dat nou? Dat is een gescharrel met woorden waarbij men twee dingen door elkaar haalt. Wat dan bedoeld wordt met egocentrische liefde is de behoefte een ander te bezitten, maar dat is nu juist datgene dat weliswaar als gevolgtoestand van liefde kan voorkomen maar wat de liefde zelf niet meer is. Als mensen elkaar willen bezitten dan is het geen liefde meer en gebruikt men wel de uitdrukking apenliefde.
Het is niet belangrijk of May nu katholiek was of protestant. Het is algemeen menselijk dat hij er van uitging: God is liefde, en dat blijkt ook wel uit zijn geschriften. God is liefde en dat zeg ik ook, zeker, maar dat heeft natuurlijk bij mij


May

Ik ben niet zo dwaas, voor mezelf te verheimelijken dat men mij als een uitgestotene beschouwt, uitgestoten uit kerk, maatschappij en literatuur. De een slaat op mij los omdat hij me voor een verkapte katholiek of zelfs Jezuït houdt, de ander grijpt naar de knuppel omdat hij meent dat ik nog altijd heimelijk Protestant ben.
blz. 313 Olms.

God en de mens komen elkaar tegen in de straat van van de zon. God nadert ons niet meer in donder en bliksem maar slechts in liefde.
blz. 277 “Ich” 1958/1963.

Ons leven, mijn leven, hun leven dient vrij voor Gods oog te liggen, speciaal echter ook voor ons eigen oog. Dan worden wij niet toornig en dan morren wij niet. Want dan zien wij in waarom wij konden vallen: wij vielen door ons zelf. En als wij dat inzien, dan kunnen wij ons zelf vergeven en wie zichzelf kan vergeven die zal




26

Schuurman

weer een heel andere argumentatie. Enerzijds is er een levensbeschouwelijke uiting God is liefde. Anclerzijds is er de stroom van de fantasie. Dat zijn twee zulke verschillende dingen. Twee polen vind ik fout uitgedrukt.
Het zijn geen twee vergelijkbare rubrieken. Het woord God is helaas zo misbruikt, men heeft er een te beperkte betekenis aan gegeven. Maar als men het woord God gebruikt en men denkt daarbij niet aan een hij of een zij, maar aan iets dat daar boven uit gaat, niet een optelsommetje, meer dan dat. Want het is natuurlijk zeker zo dat in het Goddelijk wezen net zo goed de vrouwelijke kant bestaat als de mannelijke, die komt dan ook te voorschijn in de hele kosmos.
Of men nu zegt God is een centrum van kracht, of God is overal, dat is hetzelfde. Een centrum van waaruit alles ontstaan is, dat is overal. In alles werkt het uit. Als Karl May zegt dat ons leven vrij voor Gods oog dient te liggen, in het bijzonder echter vrij voor ons eigen oog dan zeg ik: dat is hetzelfde.
Velen zijn in de boeken van Karl May getroffen door de daaruit sprekende wens dat er in de wereld recht zal worden gedaan, dikwijls reeds in hun jeugd, omdat men reeds op jeugdige leeftijd al allerlei kan aanvoelen dat later blijkt juist te zijn.
Er zijn hele volken en minderheden, soms ook meerderheden, die in de wereld in de verdrukking zijn geraakt. Tegenstanders van May zouden het wel eens gevaarlijk kunnen vinden als daarop de aandacht werd gevestigd en hem een oproerkraaier kunnen vinden.

De vraag is wat kan men met deze wetenschap doen. Wat te doen als men wordt getroffen door het onrecht dat overal geschiedt en dat men zelf ook voor een deel ondervindt. In dit verband valt te wijzen op de activiteiten van Amnesty International, een voorbeeld dat het erg nodig is om bij te dragen aan de bewustwording van zulke problemen.
May heeft een bijdrage geleverd aan die bewustwording. Men kan zieh inzetten bijvoorbeeld voor het lot van de Indianen omdat hen ontzettend veel onrecht is aangedaan.
Leeft de vraag voor de lezer wat hij op grond van deze bewustwording via Karl May van zijn leven wenst te maken? Er zijn veel mensen die er voor voelen als iemand op geniale wijze een beroep weet te doen op de bevolking, op allerlei volken. Dan komt er bijvoorbeeld wel geld voor. Zij dienen er ook bekendheid aan te geven, dat is ook belangrijk, want er zijn er velen die het eenvoudig niet weten.

May graaft in zijn verhalen psychologisch niet diep.
Het accent er van ligt ergens anders dan in het psychologisch schetsen van mensen, in het verhalende en uitbeelden van karaktertrekken, dat wel, maar dat komt dan te voorschijn in het uitbeelden van heldenfiguren.

Als het gaat om zijn beschrijving van bijvoorbeeld joden en mensen met een gebrek dan moet men niet van een figuur als May eisen dat hij volmaakt is. Hij had ook zijn beperktheid en aangezien dat met zijn innerlijk te maken had


May

vergeven worden. Weg dus met de valse schaamte en voor de dag met de openheid! Slechts het geheim waarin wij ons hullen geeft die paragraaf en elk gewetenloos mens de macht zich voornamer en beter te dunken als wij en toch onze ..... beul te zijn. blz. 307/308 Olms.

U noemt zich christenen en spreekt steeds van liefde. Maar ons wilt U bestelen en beroven. Wij moeten evenwel eerlijk tegenover U zijn. Is dat liefde? U beweert dat Uw God de vader is van blanken en roden. Is hij soms onze stiefvader maar Uw echte vader? Was dit hele land vroeger niet van de indianen? Het is ons ontnomen. Wat hebben wij er voor teruggekregen? Gebrek, gebrek en nog eens gebrek! U drijft ons steeds verder terug zodat wij binnenkort jammerlijk zullen omkomen. Waarom doet U dat? Uit noodzaak. Nee, maar wel uit hebzucht, want in Uw landen is nog plaats voor miljoenen. Maar ieder van U zou het liefst een heel land voor zichzelf hebben.
(“Winnetou”, blz. 63 Prisma-reeks dl. 1.)

Korte tijd terug viel mij een boek in handen dat heet: “Idealen van de mensheid” waarin ik weerklank vond van de stellingen die de grondslag vormen van mijn levenswerk en het parool van mijn huidige voordracht, “Op naar het Rijk der edele mensen!”
De schrijfster woont in Wenen, haar naam is Bertha von Suttner en zij heeft haar gehele werk, haar gehele kunnen in de dienst van de geluk belovende menselijke idealen gesteld. blz. 280 “Ich” 1958/1963 K. M. V.

Thans schets ik nog en schetsen pleegt men te nemen zoals ze zijn. blz. 228 Olms.

Ik wil niet boeien, niet de lezer van buiten boeien, maar ik wil binnendringen, binnendringen in zijn ziel, in zijn hart, in zijn gemoed.
Daar blijf ik, want daar kan en mag ik blijven omdat ik noch storende vormen noch een storend gewaad meebreng en precies zo ben zoals mijn ziel wenst. blz. 228 Olms.

Een model-auteur die model-verhalen voor model-lezers schrijft ben ik niet en mag het ook nooit worden. blz. 226 Olms.

Ik ben zo vrij te beweren dat wij ons niet de voorhanden model-boeken maar de voorhanden minderwaardige lectuur tot voorbeeld moeten nemen als wij willen bereiken waarnaar de ware vrienden van het volk streven. Laten wij niet schrijven als de langdradigen die men niet leest, maar laten wij schrijven als de schrijvers van minderwaardige lectuur die er slag van hebben honderdduizenden en miljoenen abonne’s te trekken L13. Maar onze onderwerpen moeten edel zijn, zo edel als onze bedoelingen.
blz. 227 Olms.


[L13]

(Tijdschrift-vorm was vroeger wat meer “in”. v. L.)




27

Schuurman

heeft hij zich dat niet zo helder voor ogen gesteld. Als men eens nagaat hoe Jan en alleman voor de Eerste Wereldoorlog maar zelfs nog voor de Tweede Wereldoorlog jodenmoppen en allerlei zegswijzen hanteerden.
Dat hij daar niet helemaal vrij van was is niet zo vreemd. Als het gaat om de strijd tussen goed en kwaad in de werken van May: de tijd tussen ± 1870 en ± 1900 is echt helemaal 19e eeuws om die aangelegenheid op die wijze te benaderen. Dat is echt iets uit die tijd. Natuurlijk ook wel van vroeger. Het gaat er om: eigenlijk is door de beide wereldoorlogen de vraag van goed en kwaad helemaal opnieuw in onze

Schuurman

cultuur aan de orde gekomen. Men heeft er een heel andere kijk op gekregen. Elk mens doet goed en doet kwaad en het is dus een algemeen menselijk iets dat men met die tweeheid te maken heeft en nu is het punt: het gaat er niet om dat het een het ander moet overwinnen maar dat het begrepen moet worden en dat is een synthese (samenvatting van verschillende elementen tot een eenheid. v. L.) van de twee.
Ik kan niet zeggen of May dat door gehad heeft. Het is meer een, laten we zeggen, filosofische benaderingswijze. May hoeft het helemaal niet begrepen te hebben maar hij heeft het misschien toch wel toegepast, dat kan best zijn.


Schuurman

Karl May en zijn critici.

Als Werner Raddatz 134 in “Das abenteuerliche Leben Karl Mays” (Sigbert Mohn Verlag) schrijft: “Het valt niet in te zien waarom een kind bedorven wordt “als het als kegeljongen soms de gesprekken van volwassen mannen mede aanhoort” en “Daarentegen is bewezen dat de prikkellectuur die hij destijds verslond een schadelijke invloed op de fantasievolle jongen heeft uitgeoefend” is dat onjuist.
Als May die boeken gelezen heeft dan kunnen zij op een subjectieve manier in hem het proces in actie hebben gezet, waar het hem eigenlijk om ging, namelijk om zijn verhalen te fantaseren.

Als Hans Wollschläger 135 in “Karl May” schrijft dat men de vak-psychiatrie niet direkt behoeft in te schakelen ten aanzien van geruchten/feiten — zoals May zelf dat wilde — moet men daar niet veel waarde aan hechten. Wollschläger kan, als het om het trekken van conclusies gaat eigenlijk geen oordeel hebben; nee zijn conclusies zijn onverantwoord.
Hij zegt zelf: men kan de psychiatrie er buiten laten. Ik weet niet wanneer dat boek geschreven is. In 1965? Nou dat is toch niet verantwoord. Dat is toch in ieder geval een tijd dat de psychiatrie al lang bij al dergelijke figuren er bij gehaald werd om te trachten te begrijpen. Als zo iemand dat dan niet doet moet hij dat zelf weten en slaat hij de plank mis.
Als “Het Parool” naar aanleiding van de verschijning van zijn boek schrijft dat May zichzelf graag zag als martelaar en strijder voor edele doeleinden: May voelde eenvoudig dat hij onrecht ondervond en heeft zich natuurlijk ook afgevraagd waarom treft mij dat en hij is zelf ook niet doorgedrongen tot de reden waarom. Hij moest ook een verklaring hebben en dan gaat men dus medelijden met zichzelf krijgen en als martelaar zien
Dat is een manier om het tenminste te kunnen plaatsen


May

Ik moet bekennen, dat ik deze verderfelijke boeken niet slechts las, maar ook voorlas namelijk eerst mijn ouders en zusters en dan ook in andere families die er helemaal verzot op waren.

Het is in het geheel niet te zeggen welk een onbeschrijfelijke schade één enkel van zulk een prul kan teweegbrengen. blz. 77 Olms.


Schuurman

en daardoor zijn waardegevoel overeind te houden en dat is natuurlijk reuze belangrijk.
Als dezelfde krant op zaterdag 31 maart 1962 schrijft: ..“Vast staat in elk geval — en pas bij herlezing op latere leeftijd dan die van de jongenskiel valt het op — dat May een uiterst moraliserend heer was die van alles had mede te delen dat niet zou misstaan in door de zending verspreide tractaten” .. dan is dat weer een poging May te kleineren. Uiteindelijk vind ik dat “leken” veel feiten kunnen geven maar de persoon van May niet kunnen beoordelen.
Als ”Het Parool” opmerkt: “De belangstelling voor Karl May heeft door Arno Schmidts studie, Sitara und der Weg dorthin, een literaire legitimatie gekregen”: ik weet niets van Arno Schmidt 136, in hoeverre hij op literair gebied iets gepresteerd heeft of niet. Of Karl May door zijn studie een literaire legitimatie heeft gekregen? We hebben het er over gehad dat het werk van May tot de literatuur behoort. Een literaire legitimatie van Schmidt heeft hij niet nodig. Wat natuurlijk een belangrijk argument is: de mate waarin de boeken van May ingeslagen zijn bij de jeugd. De boeken hebben zo aangesproken, om dat dan niet literatuur te noemen dat is toch een heel rare arbitraire




28

Tot 1974 137 vonden om de drie jaar Karl May-spelen te Ruurlo plaats:

(12. 000 bezoekers per seizoen)

Winnetou en Old Shatterhand vermomd als burgemeester (Jhr. de Beaufort) en secretaris (de heer D. J. R. Waringa) van Ruurlo- voor hun wigwam 138.
(Foto: G. H. Braakhekke te Barchem. Onder regeling copyright beschikbaar gesteld door de heer S. H. van der Meulen, dierenarts te Ruurlo.)


IN de onvolprezen serie Rowohlts Monographien in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten afleveringen over K a r l  M a y door Hans Wollschläger, G e o r g  T r a k l 139 door Otto Basil 140, en S a d e 141 door Walter Lennig 142. De belangstelling voor Karl May heeft door Arno Schmidts studie, Sitara und der Weg dorthin, een literaire legitimatie gekregen. 143 Schmidt vindt Mays heldenromans ‘quantité négligeable’ maar roemt het gemystificeerde autobiografische werk uit de laatste levensjaren en noemt de schrijver er van ‘der letzte Grossmystiker unserer Literatur’. Schmidt is niet de eerste serieuze auteur die iets vleiends over Karl May heeft gezegd: Hesse 144, Zuckmayer 145 en Heinrich Mann 146 bv. zijn hem voorgegaan. Wollschläger doet in zijn gedetailleerde biografie ook Mays aanrakingen met de strafrechter uit de doeken, die minder onschuldig waren dan May het heeft voorgesteld. May zag zichzelf graag als martelaar en strijder voor edele doeleinden Zijn leven weerspiegelt aspecten van een tijdperk waarover men in de hogere regionen van de cultuur- of literatuurhistorie meestal onvoldoende wordt ingelicht maar die niet minder interessant zijn dan de jacht op groot artistiek wild. De talrijke foto’s van May en zijn omgeving zijn reeds een documentatie waarop men niet gauw raakt uitgekeken.





Nienke van Hichtum 147: “ellendig prikkelend sensatiege-
schrijf waarmee schrijvers als May bewijzen door geen
echte liefde voor kinderen gedreven te worden”
(in “Het Kind”, 14 daags blad voor Ouders en Opvoeders
± 1900).
(Uit : Old Shatterhand, ook voor U ! 148)
Vara gids — 21 febr. 1976
Schrijfster van o. a. “Afkes tiental”,
echtgenote P. J. Troelstra 149 (waarvan gescheiden)




29

Schuurman

verwerping ervan. Het zijn echt verhalen waarbij de hoofdpersonen een plaats in de dagelijkse omgangstaal hebben gekregen zou ik haast zeggen omdat ze zo markant zijn.
Nu, dat is toch net zo goed als men bij sprookjes bepaalde figuren heeft die zo ingeburgerd zijn, dat maakt al dat het literair is, want literatuur behoort tot het gebied van de kunst ..
Als May zegt: “de kunst is de aardse zuster van de hemelse, de religie” dan is dat een zeer persoonlijke wijze van het te formuleren.
Een beetje te overtrokken. Als hij onder religie hetzelfde verstaat als ik dan vind ik die uitspraak niet gelukkig, maar men kan wel aan kunst heel gewoon de eis stellen, dus om van kunst te kunnen spreken moet men de eis stellen dat literatuur — als men die tak van kunst neemt — op zodanige wijze bij anderen overkomt dat hij in de anderen iets overeenkomstigs wekt als de schrijver bewogen heeft en dat is zo duidelijk als wat. Dus daarom is het literatuur.
Maximilian Jacta 150 schrijft in “Zu Tode gehetzt. Der Fall Karl May” op pagina 40 dat Arno Schmidts inspanning er op was gericht op grond van May’s totale oeuvre het bewijs te leveren dat May homosexueel geaard was en naar deze aanleg dienovereenkomstig gehandeld heeft. Nu, dat is nu juist de kwestie. Daar moet men zo verbazend voorzichtig mee zijn om dat zomaar te zeggen (Schmidt. — v. L. ).
Op blz. 272 noemt volgens Jacta Schmidt hem “alternden Schwätzer und Schlendrian”, op blz. 325 “Sexualgolem”, op blz. 165 “schwulen Theodulen”, op blz. 267 “Halbseidenen” etc. Dat zijn van die kinderachtige betitelingen, een term die men best gebruiken mag want het is iets waarvan we nu juist tegenwoordig bezig zijn helemaal te bekomen om iemand niet toe te staan een beetje af te wijken van het vaste maatschappelijke patroon, dan noemt men hem zijig, dat is wat hier bedoeld wordt, en al dergelijke dingen. Waarom mag een mens niet zo zijn? Het is helemaal fout en kinderachtig. Ik weet er maar een woord voor hoor. “Langstrecken onanist” en “greisenhaften Päderasten”:Wat weet hij ervan? Het is beledigend, maar vermeldt May zelf dat hij veel aan onanie deed? Nu, dan heeft men toch niet het recht hem dat toe te schrijven terwijl men het niet zeker weet 151. Nee, ik vind het beneden peil. Het markeert degene die het schrijft.
Het is niet verantwoord om zoiets voor het publiek te schrijven. Glad fout. (Schmidt beschouwt zijn boek van 363 blz. als een wetenschappelijk onderzoek — v. L.)
Als zulke werkelijk belangrijke figuren als Hesse en Heinrich Mann iets positiefs over May hebben gezegd, nu ja, dat is voldoende. Emotionele beoordelingen als bv. van Cardauns 152 als hij het heeft over “afgronddiep onzedelijke romans” zijn natuurlijk helemaal fout want men moet iemand beoordelen op een heel nuchtere, feitelijke en zakelijke manier, anders wordt, het gekleurd. Men moet nog eens bedenken welk een geweldige intolerantie er in May’s tijd bestond ten aanzien van mensen, die een beetje van het maatschappelijk patroon afweken en dat is een belangrijk ding 153.
Verder schrijft Arno Schmidt volgens Maximilian

Schuurman

Jacta (blz. 40): “Als solche über alle Bücher Mays verstreuten Sexwirkstoffe seien vor allem die Landschaftsschilderungen anzusehen. Ihr strukturelles Prinzip sei immer das gleiche. Überall sei in ihnen ein — Genitale — erkennbar und ausnahmslos ständen sie für — heisse —, d. h. erogene Zonen. Die Talkessel und Schluchten, auf die man ständig stosse, hätte man aus ihrer symbolischen Verschlüsselung heraus längst als — Körperpartien —, — Modelhintern —, — Konterfeis von Hintern — erkennen müssen; das stellten sie nämlich im Grunde dar.
Auch seine Löcher, Stollen, Spalten, Schächte, Klüfte, Höhlen und Gänge wiesen — libidinöse Struktur — auf, seien also auch ihrerseits nichts als verkleidete Genitalien. Ständig also — dieselbe stereotype Genitalisierung der Aussenwelt —. May erweise sich damit als — einer unserer grössten Erotiker —.”

Ja, als men naar het Stedelijk Museum gaat dan krijgt men natuurlijk telkens ook heel veel te zien van schilderijen waarin dat in meerdere of mindere mate zelfs heel onverbloemd het geval is.

Ik acht het wel mogelijk want, per slot van rekening, dat hij seksueel niet helemaal aan zijn trekken kwam dat is heel waarschijnlijk. Hij leefde natuurlijk in een andere tijd en dan komt dat in verhulde vorm te voorschijn. Als iemand seksuele dingen zo gaat uitbeelden in allerlei vormen en uitbeeldingen betekent dat eigenlijk seksuele drang die niet beantwoord wordt maar dat betekent drang naar contact want het gaat om contact en dan gaat het niet alleen om fysiek contact maar om werkelijk contact. Erotiek van een mens is een geheel en die kan zieh in eerste instantie op twee manieren uiten: langs de natuurlijke weg, de seksualiteit en langs de geestelijke weg, de drang naar contact met andere mensen. Het is in wezen dezelfde stroom. Dus ik vind het mogelijk en ik vind er ook geen bezwaar tegen. Het is helemaal zelfs niet zo dat May zich bewust geweest hoeft te zijn wat hij uitbeeldde. Dat schrijft Schmidt ook? Nou goed, iemand mag toch zijn seksualiteit hebben. Als May zelf zegt dat hij enige van zijn Aziatische verhalen met geheel ondergeschikte geografische en volkenkundige arabesken heeft versierd uit andere boeken, als hij dat zelf zegt, o.k. Dan heeft hij die landschappen uitgekozen waar hij dat in zien kon.


(Voor May zou het volgens Schmidt steeds om het mannelijk geslachtsdeel hebben gegaan, het vrouwelijk element werd in zijn boeken praktisch uitgeschakeld of eclatant belachelijk gemaakt. Met zijn “studie” over aard, werk en werking van Karl May meende Schmidt — aan wie naar Jacta mededeelt meerdere literatuurprijzen zijn toegekend — met behulp van de psycho-analyse het bewijs te kunnen leveren dat May een — unterschichtiger Homosexueller — (verkapte homosexueel) is geweest, v. L.)




30


May

May: ... “Dat is het wat ik bedoel als ik beweer dat al deze reisverhalen als gelijkenissen, dus figuurlijk respectievelijk symbolisch zijn te nemen. Van een mystiycisme of iets dergelijks kan daarbij helemaal geen sprake zijn. Mijn beelden zijn zo duidelijk, zo doorzichtig, dat zich daarachter helemaal niets mystieks vermag te verbergen ....... Het is zo duidelijk gelijkenis en zo weinig mystiek dat me, eerlijk gezegd, een ieder die het eerste bestrijdt en het laatste beweert mij een mens voorkomt dat een naam verdient die ik niet wil noemen.”


(Uit niets blijkt dat May t. a. v. zijn andere werken van een andere opvatting zou zijn. v.L.)


May

Arno Schmidt: “De produktie van zijn (dus May’s) eerste 60 levensjaren is van een te verwaarlozen hoedanigheid/grootheid (letterlijk: quantité négligeable) en zal vroeger of later hopeloos verdwijnen” .... (totale oplaag van May’s boeken: 50.000.000! v. L.) ....
“Hier ziet men May als dat wat hij is: de tot dusver laatste groot-mysticus van onze literatuur” (dit slaat dan op May’s werk van de laatste 10 jaar. v.L.).


Schuurman

7     Over plagiaat, kinderlijke argeloosheid en de vrouw in May’s verhalen

Van plagiaat is sprake als men het een of ander geschrift van een ander overneemt zonder een vermelding van de bron. Het hoeft nog niet eens een geschrift te zijn, het kan ook een ander produkt zijn, een prestatie van een ander die men overneemt zonder een vermelding van de bron. Als May veel ontleende aan Dumas: dat mag. Het is zo, de ene kunstenaar heeft vaak een bezielende invloed op een andere. Er is een, verschil tussen ontlenen aan of, nog een sterkere term, stelen van iemand, dat is gewoon naäpen zonder dat men er een eigen nieuwe originele vorm aan geeft. Dat is plagiaat. Zonder dat men er een eigen originele vorm aan geeft. Als men bedenkt hoeveel er bijvoorbeeld in de schilderkunst, in de muziek bepaalde personen zijn die een nieuwe stijl beginnen wat geweldig bezielend werkt op vele anderen die dat allemaal ook gaan doen, dat is geen plagiaat. Als ze het maar als kunstenaar verwerken dan kunnen ze er door bezield zijn maar ze gaan niet naäpen en dat is een weliswaar subtiel verschil, maar een heel belangrijk verschil en in het algemeen hebben mensen daar geen moeite mee, Als May er van wordt beschuldigd plagiaat te hebben gepleegd van een franse schrijver van pornografie: het is natuurlijk heel naar voor May geweest dat hij zo op allerlei wijze vijanden op zijn dak heeft gekregen.
Waarom May uiteindelijk weerloos was? Als hij inderdaad schemertoestanden heeft gehad waarin hij niet wist wat hij deed dan betekent dat natuurlijk een grote mate van weerloosheid want dan kan men het zelf niet verdedigen.
Het meest denk ik aan een bepaalde kinderlijkheid die hij had en kinderlijkheid gaat heel vaak met creativiteit gepaard.
Als May schrijft dat hij is van een kinderlijke argeloosheid die hij tot op hoge leeftijd heeft be-


May

Pater Pöllmann, dezelfde heer die May “met de zweep uit de tempel van de Duitse cultuur“ wilde slaan beschuldigde May van plagiaat.

May schrijft hierover in zijn levensbeschrijving o.a.het volgende: Literaire diefstal, dus plagiaat, is slechts dan aanwezig als men zich wezenlijke bestanddelen van een werk toeëigent en deze aldus gebruikt, dat ze dan wezenlijke bestanddelen van het werk van de plagiator vormen en daarbij als zijn eigen gedachten schijnen. Zo iets heb ik echter nooit gedaan en zal het ook nooit doen, blz. 222 .Olms.

Van Goethe citeert May o. a. : Walter Scott gebruikte een scène uit mijn “Egmont” en hij had daartoe het recht, en omdat het met verstand geschiedde, is het te loven ........ Zo zingt mijn Mephistopheles een lied van Shakespeare en waarom zou hij dat niet? Waarom zou ik me de moeite geven, een eigen lied te bedenken, als dat van Shakespeare even goed was en precies dat zei, wat het moest zeggen?

Over Alexander Dumas (Pere): Dumas ontleende bijzonder veel. Hij kon zonder vreemde hulp niet bestaan en ging daarmee zeer ver over de maat van het literair veroorloofde. blz. 224 Olms.

Mijn goede, ernstige en steeds vlijtige vriend (Carpio) bezat enige eigenschappen, die licht zijn gehele toekomst in gevaar konden brengen. Hij was van een kinderlijke, ja zelfs kindse argeloosheid, zodat hij van geen doorzetten wist en alles eerder bij de staart dan bij de kop aanpakte. Daarbij hield hij er van de eenvoudigste zaak tot iets van groot belang op te blazen en vooral op onze omzwervingen de nuchterste voorwerpen of gebeurtenissen een romantisch tintje




31

Schuurman

houden dan zit dat dus eigenlijk in zijn aanleg al vervat. Dat hoeft natuurlijk helemaal niet te betekenen dat zijn boeken voor kinderlijke lezers zijn geschreven. Helemaal niet, want per slot van rekening het kinderlijke behouden we allemaal in ons leven. De vraag is in welke mate en wanneer komt het te voorschijn, Nu zijn er mensen, die zo vrij en ruim uitgroeien dat ze rustig dat kinderlijke ook te voorschijn laten komen, ook al zijn ze volwassen. Dan hebben ze het in de hand. Maar er zijn ook mensen, die het kinderlijke hardnekkig verdringen omdat ze volwassen willen zijn. Dan komt het ongemerkt te voorschijn en dan noemen we het kinderachtig, dat is tenminste een van de uitingen er van.
Kinderlijk is in zekere zin weliswaar niet aan een bepaalde leefijd gebonden en dus ook niet in overeenstemming met de leeftijd die men heeft, natuurlijk, spontaan, maar aansluitend bij het kinderleven. Kinderachtig is een misplaatste vorm van gedrag. Het is ook typisch dat we daarvoor een andere uitdrukking gebruiken: infantiel gedrag. Dat betekent hetzelfde maar het heeft een eigen betekenis gekregen. Infantiel en kinderachtig onderscheiden we heel duidelijk. Infantiel heeft een denigrerend accent: het betekent misplaatst, bijvoorbeeld een man die zieh in zijn vinger snijdt en gaat huilen, dat is kinderachtig.
Als wordt gezegd: „De vrouw speelt geen rol in May’s reisavonturen, ook hier heerst de moraal” is de kwestie deze. May heeft het met zijn eerste vrouw niet getroffen en zij met hem vanzelfsprekend ook niet.
Daardoor kan er natuurlijk een soort primitief oordeel over de vrouw zich bij hem hebben vastgezet, dat doen mannen vaak.
Hij is natuurlijk een heel aparte natuur geweest en dat hij dus ook een vrouw moest hebben die dat aparte kon waarderen dat is natuurlijk duidelijk en daarmee heeft hij het met zijn eerste vrouw niet getroffen. Maar de maatschappij waarin hij leefde was nog zo paternalistisch zoals we dat noemen dat het helemaal geen wonder was dat hij boeken schreef voor jongens en mannen.
Als de vrouwen in zijn reisverhalen bijkomstig zijn: die l9e eeuw is erg bekrompen en verdringend, de seksualiteit verdringend.
In dat opzicht is onze tijd natuurlijk veel gezonder. Ik denk dat het niet alleen ging om verdringing van seksualiteit maar dat men ook het positieve aspect moet nemen, dat hij behoefte had om het mannelijke in zichzelf voortdurend te beleven en daardoor vooral dergelijke boeken heeft


May

te geven.
(Uit “Weihnacht”. May heeft het hier, naar het zich laat aanzien en gelet op de opmerkingen in zijn auto-biografie over het in zijn boeken afleggen van een alomvattende biecht, meer over zichzelf dan over zijn vriend Carpio, v. L.)

Daarbij kwam de mij aangeboren naïviteit die ik zelfs heden (1910) nog in hoge mate bezit.
blz. 76 Olms.

Hij (Plöhn) zag mijn streven, mijn ingespannen werken, dikwijls driemaal per week de hele nacht door (Dr. de Rooy: May werd volkomen tevreden met zichzelf), geen helpende hand, geen warme blik, geen opbeurend woord, ik stond innerlijk alleen, alleen, alleen, zoals steeds en altijd. Dat deed hem pijn. Hij probeerde via zijn vrouw op de mijne in te werken opdat deze mij tenminste de storende correspondentie zou afnemen, vergeefs. blz. 244 Olms.


Schuurman

geschreven waarin het mannelijke tot uiting kwam in een vorm die hem sympathiek was. De Münchmeyer-romans zijn natuurlijk de keerzijde die toch wel verdrongen is bij hem. Dit is helemaal niet zo vreemd bij deze man, een zekere gespleten natuur. Dan krijgt men dus enerzijds het opnemen voor allerlei hoge idealen en bewonderenswaardige mannelijke figuren en ondertussen zijn eigen vrouwelijke inslag wegdrukken en die komt dan op een ogenblik te voorschijn in dergelijke dingen. Wat verdrongen wordt degenereert, d. w. z. wordt laag bij de gronds, en komt dus in een gedegenereerde vorm te voorschijn. Of May ijdel was?
Het kan best zijn dat hij ijdel was. Ieder mens heeft zijn ik-tendensen. Daar hoort ijdelheid bij. Een ander is heerszuchtig, weer een ander hebzuchtig enz., dat moet men accepteren van een mens dat hij zulke tendensen heeft als hij maar groeit door bewustwording. Het is de bewustwording in de betekenis van bewust doorleven hoe men eigenlijk is en wat de wortels daarvan zijn. In dat gehele proces is een voorlopig hoogtepunt mogelijk.


Schuurman

8.     Van hallucinaties L14

Schrijvers schrijven vaak boeken om daardoor tot een synthese te komen van een tweeheid die ze in zieh beleven. Een “vlucht in de symboliek” betekent dat het onbewuste in het leven van May een grote rol heeft gespeeld en een drang heeft gehad om tot expressie te komen. In zijn auto-

Schuurman:

biografie spreekt hij over grote innerlijke weerstand zodra hij zijn werk naar hoger sferen trok, bijvoorbeeld waar hij zegt:
Wanneer ik een religieus, ethisch of esthetisch hoogstaand onderwerp koos, kwam de donkere gestalte in mij met alle macht daartegen in opstand en bereidde mij onuitsprekelijke moeilijkheden.
Om te laten zien hoe dat in zijn werk ging en wat




32

Schuurman

voor moeilijkheden mij dat bezorgde, zal ik een duidelijk voorbeeld geven, ik had de opdracht gekregen een parodie op “Des Sängers Fluch” van Uhland L15 154 te schrijven. De titel werd:
“De vloek van de kleemaker”.
Een kleermaker verwenste een schoenmaker, zijn bouwvallig huisje en zijn kleine tuintje, waarin slechts twee kruisbessenstruiken stonden. Bij de verwensing van het huis ontstonden de volgende regels:

Bouwvallig zijn de muren
de hypotheek drukt zwaar
Het kan niet lang meer duren
dan zakt het in elkaar!


Ik maakte deze verzen zonder innerlijk gestoord te worden ........

Daar ik mijn belofte echter houden moest greep ik kort daarop weer naar de pen. Onmiddellijk klonken de stemmen weer in koor: “De vloek van de kleermaker, de vloek van de kleermaker!” En toen ik desondanks mij helemaal op mijn opgave concentreerde kwamen er luidgeschreeuwde zinnen bij:
“Bouwvallig zijn de muren, de hypotheek drukt zwaar!”.
Dat ging de hele dag en de hele nacht zo door en ook nog daarna. Geen mens zag of hoorde het; niemand vermoedde wat en hoe vreselijk ik leed. Toch bleef ik kalm en observeerde mezelf. Ik zette ondanks alle weerstanden door, zodat mijn gedicht op de afgesproken tijd klaar was. Maar dergelijke overwinningen moest ik altijd duur betalen, innerlijk stortte ik dan ineen. (“Karl May en zijn wereld” — hfdst. 1, een hoofdstuk uit May’s auto-biografie).

Eigenlijk gaat er, als ik het zo eens mag zeggen van Karl May een pessimistische invloed uit.

Als May spreekt over gedachten en gevoelens die bij hem zichtbaar en hoorbaar gestalte hadden aangenomen die hij dag en nacht hoorde en hem uit zijn slaap wekten: “men” spreekt dan van hallucinaties maar er zijn ook hallucinaties die werkelijk bestaan.
Men kan onderscheiden pathologische hallucinaties en werkelijk bestaande hallucinaties. Ik kan zomaar niet verklaren dat het ’t een of ’t ander is. Dat is niet zo eenvoudig, dat is heel moeilijk. Ik zou ook in zo’n geval veel meer van May moeten lezen aldoor met het oog op de vraag welke afwijkingen heeft deze man gehad. Als men nu weet dat er op dit gebied vaak zoveel verschillende meningen over eenzelfde persoon zijn waar men niet gemakkelijk uitkomt. Ik denk nog even aan een voorbeeld van iemand die psychiatrisch bestudeerd is als Dostojevski L16 155 maar daar ligt het anders.
Vincent van Gogh L17 156 daar heeft men ook een etiketje op geplakt. Ik vind dat heel gevaarlijk. Van Gogh blijkt tenslotte een heel belangrijke figuur te zijn als schilder maar niet met de kenmerken van abnormaliteit. Maar dat hij het psychisch erg moeilijk had is zeker. Nee, ik kan toch geen duidelijk voorbeeld geven. Tegenwoordig hechten we niet zoveel meer aan etiket-

Schuurman

jes, dat maakt ook al weer dat de tendens van de psychiatrie gaat veranderen, maar dat werkt nog niet duidelijk door.
Voordat bij officiële instanties veranderingen zijn doorgedrongen en geaccepteerd moet er eerst in de beweging zelf al een heleboel aan het rommelen zijn op psychiatrisch gebied.
Als Hermann Cardauns L18, een tegenstander van May, de oplossing van het Karl May raadsel zocht „grotendeels in een ziekelijke aanleg” dan is dat weer zo’n term. De term hij behoort tot de zonderlingen is beter dan dat men hem in de richting van een ziek iemand wil duwen. Een zonderling is op zichzelf niet ziek. Dat iemand spanningen doormaakt en zo nu en dan stemmen hoort, ook dat kan heel goed gebeuren zonder dat we daar direkt een etiketje op kunnen plakken.
Ik zou niet op grond van de gegevens waar ik nu over beschik een diagnose durven stellen. Het gaat me om het begrijpen van de mens Karl May en die heeft genoeg gepresteerd en naar voren gebracht om hem als mens te kunnen gaan begrijpen.
We weten natuurlijk dat naarmate hij dichter bij huis kwam ook de associaties met zijn huis meer opkwamen en die versterken dan de stemmen. Dit zijn van die netelige dingen, daar moet ik geen uitspraken over gaan doen, want dan kan men een autoriteit worden die weer door anderen verworpen wordt en dan wordt het een polemiek waar ik helemaal niet voor voel en op geprepareerd ben. Zodra men teveel autoriteit wordt voor anderen dan wordt men nagepraat en neemt men het niet meer zelfstandig en kritisch in zich op.
Dat is de reden waarom ik geen autoriteit wil zijn. Men moet eenvoudig als een feit nemen dat May van die stemmen hoorde en dat hij daar veel hinder van had en dat hem dat om zo te zeggen vervolgde.
Dan betekent dat natuurlijk dat die stemmen emotioneel geladen waren anders had hij er niet zo’n last van gehad. Welke waarde we aan die stemmen moeten hechten kan ik in dit geval ook helemaal niet beoordelen.





[L14]

Hallucinatie: psychische ervaring met voornamelijk waarnemingskarakter, zonder dat daar een uitwendig object van waarneming mee overeen komt.

[L15]

Ludwig Uhland (1787-1862), Duits dichter en lit.-hist., pionier van het groot-Duitse democratisch ideaal zijner dagen; zijn gedichten hebben vaak de echte volksliedtoon, zij maken hem tot hoofdfiguur der Zwabische romantiek. Hij studeerde nog laat Germanistiek. In zijn balladen en romances (Des Sängers Fluch, Bertran de Born, e.a.) is hij vaak sterk dramatisch.




33

[L16]

Fjodor Michajlovitsj Dostojevski (1821-1881), Russisch schrijver en publicist. Wegens radicale sympathieën in 1849 ter dood veroordeeld, straf werd omgezet in 4 jaar dwangarbeid. Schreef beroemde romans als Schuld en boete (1866), De idioot (1868), De demonen (1872) en De gebroeders Karamazov (1879/1880). Hij wordt gerekend tot de zgn. Russische realistische school, hoewel zijn werk naar inhoud psychologisch meer geladen is dan het oeuvre van andere realisten.

[L17]

Vincent Willem van Gogh (1853-1890), Nederlands schilder, tekenaar en graficus, een der grootste kunstenaars van de 19e eeuw, wiens invloed van uitzonderlijke betekenis is geweest voor de ontwikkeling van de schilderkunst. Voorloper van het Expressionisme. Schilderde o.a. De aardappeleters, De schaapherders en Winter.

[L18]

Hermann Cardauns (1847-1925), hoofdredakteur van de “Kölnische Volkszeitung”.



Schuurman

9.     Enige para-psychologische aspecten.

Het huisje.

“Bouwvallig zijn de muren,
de hypotheek drukt zwaar.
Het kan niet lang meer duren
dan zakt het in elkaar.”


We leven in een wereld van tijd en ruimte, dat is een zeer beperkt bewustzijn. We moeten natuurlijk altijd denken aan de beperktheid van ons bewustzijn.
Het bewustzijn dat we hebben is niet hét bewustzijn, maar een bewustzijn. Dat ziet men al bij het kleine kind dat met een heel beperkt wereldje begint en naarmate het ouder wordt breidt zijn wereldje zich uit. Aanvankelijk heeft een kind, tenminste wat zijn bewustzijn betreft, alleen contact met zijn wieg etc. maar geleidelijk aan verruimt zich dat bewustzijn, al volwassen wordende, en breidt zich zijn wereld uit. Dus het bewustzijn is aanvankelijk een klein lichtpuntje om zo te zeggen, maar het is nog niet in staat het geheel te overzien. Als nu een kind ouder wordt dan gaat het langzamerhand een geheel overzien d. w. z. het kan zelfs langzamerhand zover zijn dat het een heel idee krijgt van een veel grotere ruimte op deze planeet maar het blijft ruimte op een planeet. Dan krijgt men toch weer dat ook dat nog te beperkt is en dan kan men — door bijzondere en ook door gewone ervaringen — gaan ontdekken dat de wereld veel uitgebreider is. Het is de kwestie dat als men bewuster wordt dan juist het onbewuste een grotere rol gaat spelen want er is altijd een soort krachtenspel tussen wat ik dan noem dag- en nachtbewustzijn. Het is altijd belangrijk als onbewuste inhouden een wijzigende invloed hebben op het dagbewustzijn. Als ik zeg we leven in een zeer beperkt bewustzijn dan is dat een bewustzijn dat om zo te zeggen de materie als uitgangspunt neemt en op grond daarvan overal grenzen ziet en dus zegt: Kijk, hier is iets concreets aanwezig, daarbuiten is niets. Wanneer men daar nu van uitgaat en iemand gaat nu ervaren of zelfs maar de mogelijkheid stellen dat er misschien veel andere niveau’s van werkelijkheid zijn waar men nog helemaal niet mee in aanraking is gekomen, wat is nu de moeilijkheid? Zodra men daar wel mee in aanraking komt wordt dus alles wat men tot nog toe voor waar heeft gehouden op losse schroeven gezet, gerelativeerd. Het is niet helemaal onwaar maar het is ook niet in die absolute zin waar als het scheen. Dat betekent dat iemands houvast dat hij eerst






had aangetast wordt: Zijn huisje stort in elkaar, de muren zijn bouwvallig enz.
Naarmate iemand begint te merken dat wij leven in een wereld die men in het Oosten Maja noemt, d. w. z. het is niet helemaal niets maar het is iets anders dan het lijkt, naarmate men zich dat bewust wordt wordt het veel moeilijker zich aan concrete dingen vast te klampen. En nu is het vanuit die behoefte aan ‘vastigheid’ dat men schrikt en naarmate men dus voelt dat principieel al datgene wat men voor vast heeft aangenomen veel aanvechtbaarder is dan men eerst dacht stort het huisje in elkaar.
Die angst ziet men in allerlei vormen in de maatschappij. Er zijn allerlei mensen die b. v. van de para-psychologie niets willen weten. Materie is niet niks maar het is niet wat het lijkt te zijn. Om maar iets te noemen: in de ruimtevaart is men nu bezig de verschillende planeten te verkennen, eigenlijk naïef. Want men verzuimt de planeten langs para-normale weg te gaan onderzoeken, wat mogelijk zou zijn. Dáár heeft men geen vertrouwen in. Men wil met geweldige ruimtevaartuigen door de ruimte heen en dat is best om te zien wat er wel en niet mogelijk is, maar men komt geen stap verder op die manier, dus met andere woorden die planeten zijn nog heel iets anders dan wat ze lijken te zijn als men ze louter als materie benadert, maar om ze niet als materie te benaderen moet men helderziend zijn.
Het gehele heelal is eenvoudig één ontzaglijke creatieve onderneming, elk hemellichaam heeft weer zijn eigen bepaalde plaats in het geheel, een ontzaglijke verscheidenheid. Het is een creatie van de macht die in het centrum van dat alles zit en die kan men zich niet voorstellen maar men kan merken: dat creatieve centrum is er of men dat nu het Goddelijk Opperwezen noemt of op andere wijze aanduidt doet er niet toe. In allebei de gevallen is dat juist, dat opperwezen is er wel maar dat moet men zich niet denken als een man of een vrouw maar als een brandpunt van waaruit alles ontstaat.
De weerstand die bij sommige mensen bestaat tegen de para-psychologie (die zijtak van de empirische psychologie die de paranormale, bovenzintuiglijke, occulte, verschijnselen als object van studie heeft. Met het voorvoegsel para wil men aanduiden dat men hier met een grensgebied van de psychologie te doen heeft. In Nederland heeft vooral Prof. W. Tenhaeff 157 de para-psychologie gedoceerd.)




34

is in ons land ook nog sterk. In universitaire kringen wil men er ook niets van weten en dat is zo ontzettend onwetenschappelijk want er zijn al zoveel gegevens. Dat is een voorbeeld van beperktheid van bewustzijn en van verstarring, dat men zich eenmaal heeft vastgelegd op een bepaalde kijk, b. v. de natuurwetenschappelijke kijk en de aard van de materie en al dergelijke, dat men niet meer in staat is om dat helemaal los te laten en weer nieuw over de dingen te denken.
Als Fritz Barthel 158 in “Letzte Abenteuer um Karl May” een hoofdstuk wijdt aan een zgn. Rätselholz 159, met behulp van een copie waarvan hij het volgende gedicht zou hebben doorgekregen na het overlijden van May:

“Ave, nun bin ich auferstanden
zu reinen, lichten Himmelshöhen.
Wie Christ befreit aus meinen Banden.
Ihr alle sollt die Heimat sehn! Ave, ave Maria!”

Karl May


dan zijn dat natuurlijk bekende dingen. In veel gevallen is er op spiritistisch gebied grote twijfel of iemand als hij zich aandient als die en die of hij dat dan ook werkelijk is, omdat er allerlei geesten zijn die zich dan naar voren schuiven en doen alsof ze die en die zijn, spotgeesten b. v. en die gewoon de aandacht willen hebben.
Dus met andere woorden: met die dingen moet men zeer voorzichtig zijn en niet zonder meer aannemen dat het van die en die is. Dat is een heel bekende moeilijkheid op spiritistisch gebied. Ik geloof wel dat Barthel dat meegemaakt heeft. Op zichzelf maakt mnen dat mee en is men te goeder trouw als men daar waarde aan hecht maar men moet reuze kritisch zijn en goed, laten we zeggen, kenmerken te weten komen omtrent de identiteit van de geesten die zich dan manifesteren. Anders blijft het onzeker. Er moet eigenlijk iemand zijn die de persoon goed kent en op een ogenblik iets vraagt wat alleen die mens weten kan. Dat is dan noodzakelijk. Ik zie geen verband tussen dit feit en de spiritistische seances bij May thuis. May was natuurlijk ook mediumiek, dat zal hij wel zijn geweest. Met betrekking tot May’s laatste woorden: :Zege, zege, ik zie alles rozenrood” L19 nou ja, dat is misschien dat hij op dat moment zijn lichaam al half verlaten had en dat hij dat van daaruit zei. Er zijn toch ook heel veel mensen die op het moment van hun sterven hun geliefden van de andere kant zien tegemoetkomen en er zijn mensen die prachtige muziek horen. De een


[L19]

Sieg!,, Grosser Sieg! , Rosen. 160



DEEL III     Verdere informatie



Inkomsten (Bron: Karl May Verlag - Bamberg)

Uitgeverij Fehsenfeld-Freiburg

620.000 Mark

Uitgeverij Pustet-Regensburg

  30.000     ”

Uitgeverij Union-Stuttgart

  42.000     ”

Uitgeverij Münchmeyer-Dresden

  27.000     ”

Uitgeverij Göltz en Rühling e.a.

  25.000     ”

Vertalingen

  30.000     ”

Andere inkomsten

  30.000     ”

-----------------

totaal

800.000 Mark



Tengevolge van zijn talrijke processen, milddadigheid en buitenlandse reizen bedroeg zijn nalatenschap 140.000 Mark. Dit geld kwam, na de dood van zijn tweede vrouw Klara op op 31 december 1944, ten goede aan de Karl May Stichting voor onbemiddelde kunstenaars en onderwijzers.

uit het op deze wijze, de ander op die wijze, dat kan zelfs uren voor de dood al het geval zijn. Dat May op zijn trouwdatum is overleden is zeker geen toeval. Ik heb het wel eens extreem uitgedrukt: toeval is het meest expresse dat bestaat. Genoemd feit is eigenlijk weer astrologisch te verklaren, maar dat is weer een heel gebied op zichzelf. Als het gaat over para-psychologie beveel ik in het bijzonder aan de boeken van de psycholoog Prof. Dr. H. v. Praag (een nieuwe serie van 9 delen). 161



Brief aan een Joodse jongen

Radebeul, 13 april 1906



Mijn beste goede jongen!

Je bent door mijn boeken bewogen tot het Christendom over te gaan? Ik ben erg blij dat deze boeken je hart bewogen hebben, maar je kent nog niet eens het geloof van je vaderen en het Christelijk geloof nog veel minder. Hoe kan je dan rijp genoeg zijn daartussen te kunnen kiezen. Ik zeg je als oprecht en gewetensvol Christen: het geloof van je vaderen is heilig, is groot, edel en verheven. Men moet het slechts kennen en begrijpen. Zulk een geloof ruilt men niet om vanwege enige boeken en nog veel minder vanwege geld of zaken. Je bent nog veel te jong en te onervaren. Slechts op rijpere leeftijd en na lange gevechten en ervaringen komt de mens tot het inzicht, dat daartoe nodig is, zulk een ruil van plan te zijn.
Maar lees mijn boeken in Godsnaam verder! Zij zijn niet slechts voor Christenen maar voor allen geschreven die het doel der edele menselijkheid voor ogen hebben. Want geloof me, mijn beste jongen: niemand kan een goed Christen of een goed Israëliet zijn die niet eerst een goed mens is geworden. Wordt flink en goed en geloof aan God! Je bent te allen tijde zijn bezit, zijn kind.
Wees steeds oprecht tegen je vader en groet hem van mij!
Schrijf ook nog eens terug.

Je Karl May



Uit “Ich” (Karl May Verlag) blz. 399







Dr. E. A. Schmid, oprichter van de Karl May uitgeverij slaagde er in het kapitaal van deze stichting aanzienlijk te doen toenemen.

















35

     Geweren en de D. D. R.

May’s bibliotheek: 2000 werken van geografische en taalkundige aard. Geweren: De in May’s bezit zijnde geweren waren: de Berendoder, een dubbelloops geweer van 10,5 kilo, kaliber 23 mm, lengte v.d. loop 79 cm.
Voorts de Henry-buks 162: op de loop is gegraveerd Henry’s Patent — 16 oktober 1860 — King’s Patent 29 maart 1866. Hiermede kunnen 17 schoten worden afgevuurd. Het lijkt wat op het bekende Winchester geweer.
Tenslotte: de Zilverbuks van Winnetou telt 254 zilveren nagels, op de lade. Aan de ene kant vormen zij tweemaal een V (virgo virginum) = Maria. Aan de andere kant de letters NS (Nuestra Senora = Onze Vrouwe).
De oorspronkelijke eigenaar zou een Mexicaan zijn geweest. Hoe de geweren in May’s bezit zijn gekomen is niet bekend, er is een theorie dat hij ze op een markt zou hebben gekocht L20.
Praktisch het totale interieur van de Villa Shatterhand werd in 1960 naar de nieuwe zetel van Karl May Uitgeverij (Bamberg) overgebracht. De Duitse Demokratische Republiek die in 1945 in het “Ambtelijke Mededelingenblad voor Radebeul en omgeving” nr.1. bekend maakte dat, de Karl May straat in Hölderlinstraat was omgedoopt voelt weinig voor May’s opvattingen L21. Het “Karl May museum” werd omgedoopt in ”Indianen museum”. De Karl May Uitgeverij was reeds in 1950 naar W. Duitsland verhuisd hoewel officieel “de publikatie van May’s boeken niet verboden is”.I
In alle andere Oostblok-landen bestaan tegen zijn boeken, voor zover bekend, geen bezwaren.


[L20]

Naar de heer Heyink 163 me nog mededeelde, zou May deze geweren bij een geweermaker in Beieren 164 hebben laten vervaardigen. Rekeningen hiervan zouden door de Duitse heer Hoffmann 165 zijn opgespoord. May zou hiermede aan de vraag van zijn bezoekers en lezers zijn tegemoetgekomen. De heer Hoffmann zou van deze kwestie een hele studie hebben gemaakt. Alles dus zeer “gründlich”; er blijft geen romantiek meer over.

[L21]

Een zekere kentering lijkt op komst.




Oplage-aantallen van zijn boeken (Duitsland):

1892:

       54.000

1895:

       61.000

1896:

     147.000

1898:

     127.000

1899:

     128.000

Boeken als verderfelijk voor

1900:

       59.000

     de jeugd aangemerkt

1908/1909:

   100.000

1912:

       20.000

Talrijke processen

1913:

       14.000

1917:

     105.000

1918:

     231.000

1919:

     239.000

1920:

     681.000

1926:

  4.372.000

1938:

  7.253.000

1945:

  9.380.000

1955:

12.363.000

1963:

25.156.000

1970:

45.000.000

1976:

50.000.000


Vertalingen in ± 25 talen.

Klaus Hoffmann. Silberbüchse-Bärentöter-Henrystutzen - das sind die drei berühmtesten Gewehre der Welt.

Jahrbuch der K. M. Gesellschaft. 1974. blz. 74-108


De twee eerste wapens werden op bestelling voor K. M. gemaakt door de geweermaker Max Fuchs uit Dresden.
Fuchs (1873-1954) vervaardigde in 1896 eerst de Zilverbuks en later de Berendoder.
In 1902 leverde Fuchs ook de Henrybuks die via Zwitserland in Europa geïmporteerd was.
De Zilverbuks was eerst met koperen nagels beslagen, maar later liet K. M. van zilveren piasters, die hij uit de Oriënt had meegebracht, sternagels en rozetten maken, die toen in plaats van de koperen nagels op het geweer werden aangebracht.
Bij een nauwkeurig onderzoek van de eerste twee geweren vond men het naamstempel van Fuchs op een verborgen plaats aangebracht.
De letters N. S. en W. (zie voren) staan op de kolf.
De kolf en de lade zijn met zilveren nagels beslagen.


J. Heyink

20 mei 1976


   Uitspraken van Karl May (Mahnung und Trost).

Is het dan zo moeilijk te erkennen, dat voor, achter en om ons heen de eeuwigheid ligt, waarvan onze tijd nog niet een druppeltje is? Wij leven midden in de eeuwigheid en slechts het spraakgebruik verplaatst ons in de willekeurig vastgelegde en begrensde duur, die wij de naam tijd hebben gegeven.

De vraag waar het paradijs eens lag moet ons niet kwellen. Zodra Gods genade het ons weer openbaart zullen wij de poorten ervan zien oprijzen.

Het ware, gezonde leven is een altijddurend afsterven en uitstoten van het onbruikbare om het bruikbare plaats te verschaffen. Zonder dood geen leven.

Wie de maatstaf van het eindige aanlegt voor het oneindige om het te onderzoeken loopt het gevaar bij zijn vergeefse inspanning ook nog deze maatstaf te verliezen.

Er is een geven dat neemt en er is een nemen dat als een goede gift verheugt.

Zoals verborgen warmte bestaat is er ook gebonden, d. w. z. onderdrukte liefde. Hebben wij haar bevrijd dan noemen wij haar dankbaarheid.

Zodra de mens met anderen om God en Gods liefde twist heeft hij beide verloren.

Verlang niet van elke druppel der zee apart dat hij je schip draagt en niet van een enkel mens dat hij juist jou goed doet. Beoordeelt ge Uw naaste slechts naar zijn waarde voor de gemeenschap dan zal het je niet moeilijk vallen waar Christelijk geduld te beoefenen.

Een spreukje voor tomaten-werpers:
Het theater moet niet een trefpunt van bevoorrechte klassen maar een school voor het volk in de waarste en beste zin van het woord zijn.

Wie zijn vijand haat ziet af van het beste wapen hem te overwinnen.

Wees altijd tot vergeven bereid — niet echter jezelf! Want deze vergiffenis kan slechts van anderen komen.

De slaap is niet slechts dat waarvoor de meesten hem houden. Voor het lichaam een toestand van rust is hij voor de ziel een tijd van bezigheid vol geheimen, die wij met het nuchtere verstand niet vatten maar slechts fijngevoelig vermoeden kunnen. Wij moesten daar meer op letten.




36

Wij glimlachen medelijdend over het bijgeloof aan spoken maar hebbener geen notie van hoeveel spoken wij ons zelf geschapen hebben om voor te kunnen griezelen.

Vraag U, voor U een mens benijdt, af, of U werkelijk van ganser harte en in elk opzicht in zijn plaats zou willen zijn.

Moordenaars van het lichaam worden terechtgesteld; moordenaars van de ziel echter prijst men als grote filosofen.
De een voert men naar het schavot, de ander naar de katheder opdat hij nog duizend anderen kan doodslaan.

Wie een voorgevoel heeft is gewaarschuwd. Door wie? Denk daar over na!

De mensen zijn overal goed als ze zich ermee tevreden stellen niets anders te willen zijn dan slechts — goede mensen!

Overal waar ik kwam heb ik twee donkere onheilsvolle machten aan het werk gezien, de religieuse aanmatiging en de nationale hoogmoed.

Het schoonste woord ter wereld is liefde.


Literatuur 

Werner Raddatz -

Das abenteuerliche Leben Karl May’s
Sigbert Mohn Verlag/Gütersloh


Hans Wollschläger -

Karl May
Rowohlt/ Reinbek bei Hamburg


Otto Forst-Battaglia -

Karl May; Traum eines Lebens, Leben eines Träumers.
Karl May Verlag - Bamberg


Drs. F. C. de Rooy -

Old Shatterhand, ook voor U!
R. K. Jongensweeshuis/Tilburg


Fritz Barthel -

Letzte Abenteuer um Karl May
Ustad Verlag/ Bamberg


Peter Groma -

Auf den Spuren Karl Mays
Verlag Ullstein/ Berlin


Heinz Stolte -

Das Phänomen Karl May
Karl May Verlag/ Bamberg


Rainer Gagelman -

Soll die Jugend Karl May lesen?
Karl May Verlag/ Bamberg


Maximilian Jacta -

Zu Tode gehetzt — der Fall Karl May
Karl May Verlag/ Bamberg


Karl May -

Mein Leben und Streben
met aant. van Hainer Plaul.
Olms Presse / Hildesheim


Bekende/beroemde personen over May

Karl Liebknecht (1871-1919) 166 Duits soc. dem. politicus, lid Rijksdag 1912, vermoord :

Ik waardeer de boeken van May al jaren en lees ze altijd weer graag.

Heinrich Mann, (1871-1950) Duits schrijver (“Im Schlaraffenland”) :

Ik hoor dat Karl May voor het grote publiek slechts zolang als goed schrijver gold, tot misdaden uit zijn jeugd bekend werden. Aangenomen dat hij ze begaan heeft, bewijst me dat niets tegen hem. Nu vermoed ik in hem eerst recht een dichter.

Bertha von Suttner (1843-1914) Oostenrijks romanschrijfster Strijdster voor de vrede. (“De wapens neer”) :

Een auteur, die een hele jeugdgeneratie door zijn spannende, fantasievolle verhalen vermocht te boeien, neemt in elk geval een achtenswaardige plaats in.
“Oh, had ik slechts één zo’n boek geschreven dan had ik meer bereikt!” (aan May’s schrijftafel)

Carl Zuckmayer (1896) Duits dichter en schrijver (“De kapitein van Köpenick”) :

De Duitsers, die altijd slechts geniale novellisten hadden als Goethe, Büchner 167 en Kleist 168 hebben in Karl May de enige grandioze verteller van het (nood)lot van mannen.

....... van zijn werk, dat ons allen zal overleven en nog tot de kinderen van onze kinderen zal spreken.

Hermann Hesse (1877-1962) Zwitsers, van oorsprong Duits, schrijver (“Der Steppenwolf”) :

Hij vertegenwoordigt een type poëzie dat onontbeerlijk en eeuwig is.

Sven Hedin (1865-1952) 169 Zweeds ontdekkingsreiziger :

Ook Swift 170, Münchhausen 171en Karl May zijn grote schrijvers geweest.

Hans Fallada (eigenl. R. Ditzen, 1893-1947) 172, Duits romanschrijver, o.a. “Wat nu kleine man?” :

Toen ik volwassen was en een beetje geld had heb ik mij al May’s 65 boeken in één keer gekocht.

Ferdinand Avenarius 173, kunstcriticus ± 1900 :

May was niet een door lijden tot misdadiger geworden en dan gelouterd mens, maar tot het laatste moment een akelig onwaarachtig mens, die trouwens na zijn schitterende boeken-affaires tot eigenlijke misdaad ook geen aanleiding meer had .......... In het bijzonder voor de nog kritiekloze jeugd is May een van de gevaarlijkste misvormers.

Arnold Zweig (1887-1968) 174
Duits schrijver, anti-militarist

Berlin-Niederschonheusen
Homeyerstrasse 13

4-10-1965


Beste jonge vriend ! (Rainer Gagelman 175 - v.L.)


U hebt inderdaad uit de werken van collega Karl May twee zinspreuken opgedoken die ik nooit heb opgemerkt.
















37

Toen ik namelijk zo oud was als U (17 jr. - v. L.) had ik zijn gehele werk gelezen van “Durch die Wüste” tot “Weihnacht”, en wel uit de volksbibliotheek van Kattowitz waar ik toen woonde. Destijds wist ik nog niet dat al zijn voorstellingen foutief zijn — dat b. v. de Amerikaanse blanken de Indianen, toen die dekens nodig hadden, zulke dekens met pokken geïnfecteerd wegschonken. Dat de Indianen daaraan in grote aantallen stierven was ook het doel.
Voor alles beveel ik U nu echter eerst eens aan, een boek van E. E. Kisch 176 te lenen of te kopen “Paradies Amerika”. (een communistisch reisverhalen schrijver, † 1948,v.L.) Deze uitstekende auteur heeft de V. S. omstreeks 1928 bereisd, dus bijna 40 jaar geleden. Wat U in zijn boeken vindt is door en door doorleefd. En wat er in Karl May’s avonturen staat is net geschminkte reisfantasie. Over de woestijn en Arabië kunt U het best eerst eens Th. E. Lawrence 177: “Opstand in de woestijn” lezen en herziet U Uw meningen over Karl May na zulk een kennisname.

Inmiddels mijn hartelijke groeten
Uw Arnold Zweig.



Am Hochzeitstag


Komm, Liebling, komm, wir wollen scheiden gehen;
die Erde hat es uns so leicht gemacht.
Ich kann nicht traurig vor dem Abschied stehen,
wenn er so froh in deinen Augen lacht.
Wir wollen Hand in Hand uns niederlegen;
zwei Särge, doch ein Grab, so soll es sein.
Und über uns des ew’gen Vaters Segen,
doch nie und nimmermehr ein Leichenstein!

ünd rollt die Erde auf die Särge nieder,
so lächeln wir beglückt einander zu,
man singt uns zwar vielleicht dann Sterbelieder,
doch die Gestorbnen sind nicht ich und du.
Wir haben ja nur das zurückgegeben,
was von der Erde uns geliehen war,
und stehen beide als vereintes Leben
bei unsern Särgen, wenn auch unsichtbar.

Die letzte Stunde naht Am Firmamente
wird Licht um Licht vom Vater aufgestellt,
er ladet uns zur stillen Jahreswende,
zum neuen Sein dort in der andern Welt.
Schau auf! Du sollst in meinen Sternen lesen,
was in den deinen längst geschrieben lag:
Wir sind auf Erden nur verlobt gewesen;
der Todestag ist unser Hochzeitstag!



(Geschreven door Karl May voor Klara voor hun trouwdag op 30 maart 1903. May stierf 30 maart 1912, dus op zijn trouwdag. Klara May op 31 december 1944 kort voor middernacht, dus tegen 12 uur, wisseling van het jaar.)

....... omdat ik tot die mensen behoor die Karl May niet mogen.

Dr. Erich Kästner (1899-1974) 178
(auteur van: “Emil en zijn detectives”, v. L.).
Duits schrijver, Satirische gedichten
Tevens kinderboeken.


Ik herinner mij dat, toen ik 12 jaar was May ijverig, met genoegen las.

F. G. Jünger (geb. 1895 -   ) 179


Duits schrijver van ‘heroisch realisme’,
wel beschouwd als de zuiverste belichaming
van de geest der Duitse weermacht.

Het lezen van May’s boeken heb ik een waar genoegen gevonden en mij daarbij mijn jeugdjaren herinnerd. Het is erg jammer dat de werken van deze schrijver bij ons in Rusland niet voldoende bekend zijn. De boeken van K. May vormen voor de komende generatie werkelijk een schat en een hulp bij de opvoeding en het stalen van de beste karaktereigenschappen die voor onze mensheid zo noodzakelijk zijn.
(Antonow 180, kapitein van het Russische leger. Zie blz. 45 van het boekje “Karl May Ausstellung”, over een tentoonstelling (1945) in het museum voor volkenkunde in Wenen).



Kein Tod


Warum das Weinen und das Klagen
     wozu der Gram, das Herzeleid?
Was ihr von mir hinausgetragen,
     war nur das abgelegte Kleid.

Ich bin euch im Geist geblieben
     Für den es keine Trennung gibt,
und werde euch auch ferner lieben,
     so, wie ich euch bisher geliebt.

Drum nehmt der Stein von meinem Grab
     da ihr nun wisst, ich lebe noch!
Wenn ich euch auch verlassen habe,
     so bleibt euch meine Seele doch.




38

Verschijningsdata van het zo goed als totale oeuvre.

1876

Geographische Predigten
Der Gitano


daarvoor

Inn-nu-woh, der Indianer häuptling
(de voorloper van Winnetou - v.L.)
Der Alte Dessauer (gedeelte), humoristische
vertelling
Old Firehand, reisverhaal
Humoristische vertellingen en verhalen
Leilet, reisverhaal
Der beiden Quitzows letzte Fahrten, historische
roman
Am “singenden Wasser”
Schwarzauge


1877

Schloss Wildauen, detectiveroman
The Both Shatters, vertelling
Der Mukatenhot, dorpsgeschiedenis uit het Erzgebergte
Der Pfahlman, verhaal
Der Waldläufer, bewerking van een roman van G. de Ferry 181.


1878

Die Rose von Kahira, reisverhaal
Nach Siberien, vertelling
Dessauer - Erzählungen
Dorpsgeschiedenissen uit het Erzgebergte


1879

Unter Würgern, reisverhaal
Der Girl-Robber, reisverhaal
Der Boer van Het Roer, reisverhaal
Der Ehri, reisverhaal
Three carde monte, vertelling
Szepter und Hammer, roman


1880

Die Juweleninsel, roman
Ein Fürst des Schwindels, verhaal
Deadly dust, reisverhaal
Der Brodnik, reisverhaal
Der Kiang-lu, reisverhaal


1881

Ein Wüstenraub, reisverhaal
Giölgeda Padishanüm, reisverhaal
Abu el Nassr
Die Tschikarma
Abu Seït
Eine Wüstenschlacht
Der Merd-es-Scheïtan
Der Ruh’i Kulyan
Reise abenteuer in Kurdisten, reisverhalen


1882

Das Waldröschen, roman (Münchmeyer)
Robert Surcout, novelle
Die Todeskarawane (eerste helft)
In Damaskus und Baalbek, reisverhaal
Der Krumir, reisverhaal


1883

Die Liebe des Ulanen, roman (Münchmeyer)
Im, Wilden Westen Nordamerikas, reisverhaal
Stambul, reisverhaal
Mater dolorosa, reisverhaal
Ein Ölbrand, verhaal
Saiwa tjalem, reisverhaal


1884

Der verlorene Sohn, roman (Münchmeyer)
Der letzte Ritt, reisverhaal

1885

Deutsche Herzen, deutsche Helden, roman (Münchmeyer)
Im Sonnenthau, dorpsverhaal uit het Erzgebergte


1886

Der Weg zum Glück, roman (Münchmeyer)
Unter der Windhose, vertelling


1887

Durch das Land der Skipetaren, reisverhaal
Der Sohn des Bärenjägers, jeugdverhaal
Ein Phi-Phob, verhaal
Das Hamaïl, novelle


1888

Der Geist des Llano estacado, jeugdverhaal
Der Scout, reisverhaal
Kong-Kheou, das Ehrenwort, jeugdverhaal


1889

El Sendador I: Lopez Jordan, reisverhaal
Die Sklavenkarawane, jeugdverhaal


1890

  El Sendador II: Der Schatz der Inkas, reisverhaal
Der Schatz im Silbersee, jeugdverhaal


1891

Der Mahdi, reisverhaal
Das Vermächtnis des Inka, jeugdverhaal
Christus oder Mohammed, reisverhaal


1892

Im Sudan, reisverhaal
Durch die Wüste 182, reisverhaal
Durchs wilde Kurdistan, reisverhaal
Von Bagdad nach Stambul, reisverhaal
In den Schluchten des Balkan, reisverhaal
Durch das Land der Skipetaren, reisverhaal
Der Schut, reisverhaal
Rihs Tod


1893

Die Felsenburg, reisverhaal
Der Ölprinz, jeugdverhaal
Eine Ghasuah, reisverhaal
Christ ist erstanden!, reisverhaal
Nur es Sema-Himmelslicht, reisverhaal
Der Verfluchte, reisverhaal
Winnetou I, reisverhaal
Winnetou II, reisverhaal
Der Pedlar
Winnetou III, reisverhaal
Das Testament des Apatschen 183
Orangen und Datteln, reisverhalen
Am Stillen Ozean, reisverhalen
An der Tigerbrücke


1894

Krüger Bei, reisverhaal
Am Rio de la Plata, reisverhaal
In den Kordilleren, reisverhaal
Old Surehand I, reisverhaal
Maria oder Fatima, reisverhaal


1895

Die Jagd auf den Millionendieb, reisverhaal
Old Surehand II, reisverhaal
Im Lande des Mahdi I, reisverhaal
Blutrache, reisverhaal
Der Kutb, reisverhaal

















39

1896

Der schwarze Mustang, jeugdverhaal
Leiden und Freuden eines Vielgelesenen, (in zekere zin) humoristische weergave van een dag uit zijn schrijversleven
Im Lande des Mahdi II, reisverhaal
Im Lande des Mahdi III, reisverhaal
Tut wohl denen, die euch hassen
Die letzte Sklavenjagd
Old Surehand III, reisverhaal
Satan und Ischariot I-III reisverhaal
Er Raml el Helahk, reisverhaal
Der Kys-Kaptschiji, reisverhaal


1897

To-kei-chun, reisverhaal
Old Cursing-dry, reisverhaal
Im reiche des silbernen Löwen, reisverhaal
Auf Fremden Pfaden, reisverhalen
Ein Blizzard, reisverhaal
Weihnacht, reisverhaal


1898

Scheba et Thar, reisverhaal
Im Reiche des silbernen Löwen I/II, reisverhaal
Ein Rätsel, reisverhaal
Ernste Klänge, koorliederen
Indianische Mutterliebe, reisverhaal 184


1899

Am Jenseits, reisverhaal
Die “Umm ed Aschamahl«, reisverhaal


1901

Et in terra pax, reisverhaal
Der Zauberteppisch
Himmelsgedanken, gedichten en aforismen


1902

Am Tode, reisverhaal
Im Reiche des silbernen Löwen III, reisverhaal


1903

Im Reiche des silbernen Löwen IV, reisverhaal
Sonnenscheinchen, dorpsgeschiedenis uit het Ertsgebergte
Das Geldmännle, idem
Kyros, drama Fragment Ahasver, dramIa Fragment 185
Scheitana-Weib-Wüste, dramIa Fragmenten

1904

Und Friede auf Erden, reisverhaal


1906

Babel und Bibel, drama
Briefe über Kunst


1907

Schamah, reisverhaal
Der Mir von Dschinnistan, reisverhaal
Bei den Aussätzigen, reisverhaal


1908

Meine Beichte


1909

Winnetous Erben, reisverhaal
Ardisten und Dschinnistan I/II, reisverhaal
Abdahn Effendi, psycholog. novelle


1910

Winnetou IV, reisverhaal
Merhameh, reisverhaal
Mein Leben und Streben, autobiografie



(Karl May Uitgeverij, deel 34 “Ich”) 186.




Röslein an der Hecke

In dunkler Gartenecke
da wuchs ein Röselein;
der Wind strich durch die Hecke,
doch nicht der Sonnenschein.

Es wollte Knospen, blühen
am mütterlichen Strauch,
in holder Pracht erglühen
wie andre Röslein auch.

Doch ist nichts draus geworden;
es krankte und verdarb.
Der kalte, rauhe Norden
war es, an dem es starb.

Wie vielen Menschenblüten
nach denen niemand fragt,
ist so wie ihm der Süden,
die Liebe, auch versagt!




40

FREDDY IS

VEEL

OP STRAAT

(Parool, dec. ’75) 187


Op de Oudezijds Achterburgwal woont Freddy Poncin. Met zijn twee jaar jongere zusje en vader en moeder bewoont hij een ruime etage met een Anton Pieck-achtig uitzicht op de gracht met zijn fraaie gevels en bont stadsleven. Zes jaar was hij toen hij in dit stukje stad terecht kwam. Hij heeft het best naar zijn zin. Op straat is veel te beleven en thuis kan hij ook lekker spelen.







Karl May

21 - 4 - 1976

Karl May is een schrijver van indianenboeken bijv. Winnetou en Old shatterhand, en woestijnverhalen van Kara ben Nemsi. Karl May zwierf vroeger door Afrika en Amerika. Door de avonturen die hij beleefd had kwamen de boeken uit. Ik heb zelf ook een boek gelezen genaamd „Mensenjagers aan de Nijl”. Een spannend en een goed boek is het, met af en toe grappen erdoor. Vooral die van Selim de dappere die de naam dapper niet waard is en meestal bij een spannend ogenblik wegrent. Dat was een keer ook gebeurd toen ze met een fakir in een grot waren waar het heel erg stonk omdat daar mummies van dieren waren. En Selim zei toen: „Ik ben heel dapper, maar dit kan ik niet verdragen. (Een opschepper dus). De boeken van Karl May zijn leerzaam bijv. van Winnetou. Je leest hoe de indianen leefden en jaagden. Je leest er ook Indianen trucs en afleidingsmanouvres. Bijvoorbeeld het nabootsen van dieren vogels en zo. De afleidingsmanouvres vind ik wel leuk, bijv. takjes wegwerpen in een andere richting zodat men denkt dat daar iemand is. Ik zou ook wel zo willen leven, maar we zitten in een andere tijd. Paardrijden lijkt mij ook leuk want de Indianen kunnen op allerlei manieren paardrijden, soms in een gevechts-positie dan moet je aan de andere kant van je paard hangen en onder de hals schieten met je pijl en boog. Zo zou ik best wel willen leven. Ook als Nomaden op Kamelen, en de woestijn doorkruisen. Piramiden ontdekken en onder-zoeken en dat soort dingen. Ik hou er ook dus van om op avontuur te gaan, net zoals Kara ben Nemsi, Winnetou en Old shatterhand.


Freddy Poncin.

Villa Shatterhand

Radebeul-Dresden

am 25ten Februar 1906



An meine lieben Gratulanten!



Hier sitze ich im Duft von Blumen, die mir die Liebe meiner Leser sendet. Geschenke häufen sich, und all die Briefe, Karten und Depeschen, mit denen man mich grüßt, umgeben mich in überreicher Menge. Es ist nicht möglich, jedem Einzelnen zu danken; ich kann es nur in diesen Zeilen tun, die ich dann eigenhändig unterschreibe.
„Geburtstag ist ein Freudentag!” so klingt es mir von allen Seiten zu. Das mag für viele Menschen richtig sein, doch aber mir ist diese Freude ernst. Die Wehmut führte mich ins Erdenleben und ist mir treu geblieben bis hierher; sie wird mir treu bis an das Ende sein. Sie war mir Freundin, war mir Lehrerin, und grad durch sie hab ich den Weg erkannt, den ich seit Jahren schon mit meinen Lesern gehe, um ihnen jenes heilge Land zu zeigen, in dem die Zukunft aller Menschen liegt.
Der Weg begann in jener fernen Wüste, in der wir unsern Halef Omar trafen, der sich als Hadschi stolz gebärdete und doch kein Recht besaß, sich so zu nennen. Mit ihm ist unsre „Anima” gemeint, die sich als „Geist”, wohl auch als „Seele” brüstet und aber keins von diesen beiden ist. Genau wie er ist diese „Anima”, die „Seele” aber später wie Hanneh, von der er sich vermaß, sie habe keine Seele. In dieser Weise führt der Weg durch dreißig Bände zur Seele und zum Geist empor, bis wir zu Marah Durimeh gelangen, von der ein jeder weiß, dass ich mit ihr die „Menschheitsseele” meine. Das „Ich”, von dem ich schreibe und erzähle, betrachte man zunächst als „Menschheitsfrage”; das Rätsel kann sich erst dann später lösen, wenn wir am Schluss der weiten Reise stehen. Bis dahin habe ich noch viel zu schreiben. Die treuen aber, die mich nicht verlassen und jenen klaren, warmen Mut besitzen, der höher steigt als andre sich getrauen, die werden jene Wehmut kennen lernen, für welche der Geburtstag mehr bedeutet als nur ein Tag für die Erinnerung. Nicht rückwärts, sondern vorwärts soll er schauen, damit der Tod ihm alles wiederbringe, was ihm durch die Geburt verloren ging.
Es hat sich leider das Gerücht verbreitet, dass meine Werke abgeschlossen seien und ich mich nun zur Ruhe setzen werde. Ich kann nur konstatieren: Das ist falsch! Ich habe mich bisher ja nur geübt und meine Arbeit soll nun erst beginnen. Ich lernte schreiben, einen neuen Duktus, den es bisher noch nicht gegeben hat. Und weil man diesen Duktus nicht verstand, verwarfman ihn und mit ihm auch mich selbst. Nun aber hab’ ich endlich ausgelernt und schreibe jetzt an meinem „ersten Bande”, dem schnell die andern Bände folgen werden. Ich habe also weder Lust noch Zeit, mich auszuruhn, und gar von solchen Werken, die doch nur Übungen und keine Arbeit waren. Ich trug in ihnen nur den Stoff zusammen für das, was ich jetzt nun zu bilden habe. Sie waren weiter nichts als die Palette, auf der ich Farben sammelte und prüfte, und wenn es wirklich Menschen geben sollte, die Malerscheiben für Gemälde halten, so tut mir das um ihretwillen leid.
Und nun zuletzt noch meinen Herzensdank. Ich setze ihn für heut in diese Zeilen, doch später wohne er auf jeder Seite, die ich für alle meine Lieben schreibe, um ihnen dort zu zeigen und zu bringen, was man im Briefe niemals geben kann!




















    [1]

Het betreft hier een in door De KIVA. Contactblad voor Indianen- en Karl May-vrienden in Nederland te Bennebroek uitgegeven boek. De auteur is E. van Linden, een pseudoniem van Wouter Tj. Klaren uit Amsterdam, samen met de psychiater Dr. Cornelis Johannes Schuurman (* 5 juli 1898, † ?).
Op p. 37 van de in 1979 verschenen syllabus „Enige essentiële elementen in leven en werk van Karl May« (min of meer een voortzetting van het onderhavige boek »Dr. Karl May«, maar vooral ook: de eerste Nederlandstalige biografie vover Karl May) typeert v. Linden de samenwerking met deze psychiater als volgt: „Ik zou die bijdrage uniek willen noemen, uniek voor Nederland zowel als voor Duitsland. Voor Nederland omdat het betreft het oordeel van een psychiater “vakman”, voor Duitsland omdat dat oordeel wezenlijk andere inhoud heeft dan al datgene wat dar tot dusverre te berde werd gebracht. In verband hiermede moge ik u naar genoemd boekje verwijzen, niet om nog eens wat extra exemplaren te verkopen, wel om u duidelijk te maken dat de strafbare feiten waaraan May zich schuldig maakte, welke voor het overige meer het karakter dragen van een „komische” opera, naar alle waarschijnlijk in schemertoestand zijn geschied, d.w.z. onbewust.
Dit is een principieel ander uitgangspunt dan welke auteur tot dusverre heeft gehanteerd. Als ik spreek over essentiële elementen dan is deze uitdrukking hier zeker op zijn plaats. Van wezenlijk, essentieel belang is namelijk de vraag: was May zich van het strafbare karakter der in de Steckbriefe genoemde feiten bewust of was hij dat niet. Zonder uitzondering gaat de Duitse literatuur uit van het eerste en komt rondweg gezegd tot de meest wonderlijke conclusies.”
- De heer von (of: van?) Linden gebruikt voetnoten, aangegeven d.m.v. sterretjes; op deze website heb ik die voor het gemak als „[L1]” etc. genummerd, ook al is vaak niet duidelijk of de noten van v. Linden of van Schuurman zijn; ook ik heb noten op mijn zang en die heb ik - als eindnoten - „[1]” etc. genummerd.

    [2]

Karl May: »Und Friede auf Erden«, pp. 144-145.

    [3]

Het persbericht stond in Het Parool van 10 januari 1976 (plus tientallen andere kranten).
Drie dagen later werd dit artikeltje becommentarieerd in een ingezonden brief van W. T. Klaren uit Amsterdam (Het Parool, 13 januari 1976), met als titel „Toch Marx?” W. T. Klaren schreef onder het pseudoniem E. v. Linden o.a. dit boek.
De Freudiaanse verschrijving van het Oostduitse persbureau ADN, dat Karl Marx in plaats van Karl May „een bescheiden maar opwindend avonturenschrijver” noemde, is toch wel interessant. In de eerste plaats omdat deze woorden eerherstel lijken in te luiden voor May in Oost-Duitsland, waar zijn boeken jarenlang op de „index” stonden vanwege hun zogenaamde „christelijke” instelling. In de tweede plaats vanwege de vraag: welke van beide auteurs was nu in werkelijkheid „een bescheiden maar opwindende avonturenschrijver”? Misschien was het Marx wél.

    [4]

Dat was in 1976, toen dit boekje van E. v. Linden verscheen, inderdaad de actuele toestand. Inmiddels is er echter ergens een muurtje omgevallen en dat heeft vele zaken veranderd, o.a. de straatnamen in het huidige oosten van Duitsland. Na de bebouwing van het voormalige akkerlandschap Oberzeilen, die rond 1890 begon, kreeg de straat waaraan in later (in 1895) de villa werd gebouwd die aan het einde van dat jaar aan Karl May werd verkocht (die haar Villa „Shatterhand” noemde), in 1892 de naam Kirchstraße, omdat ze toegang verleent tot de achterkant van de Lutherkirche. In 1932 - ter gelegenheid van de 90e geboorte - of 20e sterfdag van May, werd de straat Karl-May-Straße genoemd. De communisten die niets van Karl May moesten hebben (maar gek genoeg wel alles van Karl Marx, niet bepaald de „opwindende avonturenschrijver”, van wie in de vorige noot sprake leek te zijn), veranderden de naam van de straat in 1945 in Hölderlinstraße; het verlengde van de Kirchstraße ten oosten van de Schildenstraße heette oorspronkelijk Moritzstraße (naar de voormalige keurvorst van Saksen van de albetinische lijn van het Huis Wettin - ook al zéér „foute” boel in de latere D.D.R.) en werd Hölderlinstraße, kortom: men hoefde de in het door de Russen bezette deel van Duitsland nauwelijks aanwezige fantasie aan te wenden om iets nieuws te bedenken. Na de Wende kreeg het oostelijk deel van de Hölderlinstraße de naam Karl-May-Straße terug, zodat ook Villa „Shatterhand” haar eigen huisnummer, 5, terugkreeg. Moritz kreeg zijn deel van de straat niet terug: die bleef voorbehouden aan de dichter Friedrich Hölderlin (* 20 maart 1770, † 7 juni 1843).

    [5]

Het precieze aantal boeken dat May schreef is niet geheel duidelijk, omdat hij sommige delen dubbel gebruikte of soms gewoon hergebruikte. Van de door de Karl-May-Verlag bijeengebrachte en bewerkte werken waren onder de naam Karl May’s Gesammelte Werke tot 1968 73 lijvige boekdelen verschenen. De gretige lezers moesten tot 1985 wachten op verdere delen, dus in 1976 klopt het aantal van 74 niet.
Tegenwoordig (2026) bestaat de serie uit 98 delen, nadat er na »Der verlorene Sohn« (deel 74; 1985); 75, »Sklaven der Schande« (1993); 76, »Der Eremit« (1994); 77, »Die Kinder des Herzogs« (1995); 78, »Das Rätsel von Miramare« (1996); 79, »Old Shatterhand in der Heimat« (1997); 80, »Auf der See gefangen« (1998); 82, »In fernen Zonen« (1999); 81, »Abdahn Effendi« (2000); 83, »Am Marterpfahl« (2001); 84, »Der Bowie-Pater« (2003); 85, »Von Ehefrauen und Ehrenmännern« (2004); 86, »Meine dankbaren Leser« (2005); 87, »Das Buch der Liebe« (2006); 91, »Briefwechsel mit Friedrich Ernst Fehsenfeld I« (2007); 92, »Briefwechsel mit Friedrich Ernst Fehsenfeld II« (2008); 88, »Deadly dust« (2008); 93, »Briefwechsel mit Sascha Schneider« (2009); 89, »Im fernen Westen« (2011); 94, »Briefwechsel mit Joseph Kürschner« (2013); 90, »Verschwörung in Wien« (2014); 95, »Briefwechsel mit seinen ‘Kindern’ I« (2020); 96, »Briefwechsel mit seinen ‘Kindern’ II« (2020); 97, »Briefwechsel mit seinen Verlegern I« (2025) en 98, »Briefwechsel mit seinen Verlegern II« (2026). Voor 2027 is deel 99, »Briefwechsel mit seinen Verlegern III« aangekondigd. Bovendien zijn er vanaf 1997 enige tientallen Sonder- en Großbände aan de serie toegevoegd.

    [6]

1892.

    [7]

Friedrich Ernst Fehsenfeld (* 16 december 1853, † 16 september 1933) was een uitgever te Freiburg im Breisgau; hij gaf vanaf 1892 Karl Mays Gesammelte Reise-Erzählungen uit en was mede-oprichter van de Karl-May-Verlag.

    [8]

Prof. Dr. Karel van het Reve (* 19 mei 1921, † 4 maart 1999) was een Nederlands letterkundige, slavist, literair vertaler, essayist, schrijver en columnist. Van 1957 tot 1983 was hij hoogleraar Slavische letterkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden. Van het Reve publiceerde wetenschappelijk werk en twee romans, maar is vooral bekend als essayist, die wordt gewaardeerd om zijn scherpzinnige redeneertrant en gevoel voor humor.

    [9]

Een zekere Gerd Frank won in 1969 een aflevering van de tv-quiz „Alles oder nichts”; hij had onderwerp Karl May gekozen. Na die winst schreef hij zelf een quizboek over Karl May met de titel »Kennen Sie Karl May?« dat door de Karl-May-Verlag werd uitgegeven.

  [10]

Dr. F. C. de Rooy (voluit: dr. Ferdinand Carel de Rooy, * 9 juni 1919, † 4 maart 1998) was in het dagelijks leven leraar Frans te Zwolle, later Rijswijk/Z.H. en in zijn vrije tijd dé Karl May-kenner van Nederland. Van zijn hand is o.a. het boekje »Old Shatterhand - Kara Ben-Nemsi - ook voor U! De boodschap van Karl May, de idealist uit het Avondland« (Tilburg: Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis, 1955) en hij redigeerde en gaf in de jaren 1962-1967 de 50 bekende Karl May-pockets bij Uitgeverij Het Spectrum uit. Het vijftigste deel, »Karl May en zijn wereld« is niet (helemaal) geschreven door Dr. F. C. de Rooy: de bundel bestaat uit teksten van Karl May, voornamelijk uit zijn autobiografie, »Mein Leben und Streben«, die worden toegelicht door De Rooy.

  [11]

Blijkbaar een oud kaartje, want Chemnitz heette van 10 mei 1953 tot 1 juni 1990 op last van de DDR-autoriteiten Karl-Marx-Stadt en gedurende die zelfde periode was er geen sprake van deelstaten als Thüringen, Saksen-Anhalt of Saksen: de oude staten en provincies waren vanaf 1953 opgedeeld in Bezirke: Bezirk Dresden, Bezirk Karl-Marx-Stadt, Bezirk Leipzig, Bezirk Halle enz. Bovendien: als je een heel boek schrijft over Karl May, neem dan tenminste een kaartje waar zijn geboorteplaats op staat.

  [12]

Félix Hubert d’Hérelle (geboren als Hubert Augustin Félix Haerens, * 25 april 1873, † 22 februari 1949) was een Franse microbioloog, die beroemd is geworden als de ontdekker van de bacteriofaag (virussen die specifieke soorten bacteriën infecteren) en uitvinder van de fagotherapie (de behandeling van bacteriële infecties door gebruik te maken van bacteriofagen; na de Tweede Wereldoorlog raakte deze therapie in de vergetelheid door de uitvinding van antibiotica).

  [13]

Het Institut Pasteur is een Franse particuliere non-profitorganisatie, opgericht bij decreet van 4 juni 1887 en geïnaugureerd op 14 november 1888, in het belang van de volksgezondheid gewijd aan de studie van biologie, micro-organismen, ziekten en vaccins. Het is naar Louis Pasteur (* 27 december 1822, † 28 september 1895) genoemd, de stichter en eerste directeur, die in 1885 als eerste een vaccin tegen hondsdolheid heeft ontwikkeld.

  [14]

Prof. Dr. Klaas Herman Bouwman (* 5 november 1874, † 8 november 1947) van 1915 tot 1946 hoogleraar in de psychiatrie en neurologie aan de Universiteit van Amsterdam en grondlegger van de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ).

  [15]

Jack van Belle (* 17 december 1922, † 24 augustus 2008) was leraar Nederlands en geschiedenis in Apeldoorn en Lochem en schreef onder de naam Jacq Carré hoorspelen en populaire songteksten, waarvan een aantal ook op muziek is uitgegeven. In 1960 stapte hij over naar de omroep om voor de VARA tv-documentaires te maken waarin een breed scala van onderwerpen aan de orde kwam; zo maakte hij programma’s over opvoeding en gezin, religieuze aangelegenheden, en ook over occulte zaken. Vanwege zijn achtergrond in het onderwijs werd hij gevraagd mee te werken aan de oprichting van de schooltelevisie in Nederland, een nieuw initiatief voor een destijds nog zeer nieuw medium.

  [16]

Dr. Conrad Wilhelm Albert Stromenger (* 31 juli 1889, † 24 februari 1960) was een Zwitserse schrijver van Franse afstamming; hij maakte gebruik van het pseudoniem A. W. Conrady (=Albert Wilhelm Conrady). Hij was bevriend met Hans Wollschläger (zie noot 135) en werkte na zijn emeritaat voor de Karl-May-Verlag. Over Karl May schreef hij:
„Karl May im Urteil der Zeit” (van de 21e (1958) t/m de 26e druk (1965) opgenomen in »»ICH« Karl May • Leben und Werk« (Gesammelte Werke, Band 34)).
„Einstein und Schweitzer mal ohne Kernspaltung und Sozialethik” (vanaf 1956 als brochure, nadruk in de Wiener Karl-May-Brief, Heft 1/2011).
„Albert Einstein, Albert Schweitzer und Karl May”, In: Tiroler Tageszeitung, Innsbruck, 18 augustus 1956.

  [17]

Albert Einstein (* 14 maart 1879, † 18 april 1955) was een Duits, later Zwitsers en nog later Amerikaans theoretisch natuurkundige van Joodse afkomst. In 1921 ontving hij voor zijn verdiensten voor de theoretische natuurkunde, en met name voor zijn ontdekking van de wet van het foto-elektrisch effect de Nobelprijs voor de Natuurkunde.

  [18]

Albert Schweitzer (* 14 januari 1875, † 4 september 1965) was een Duits medicus, luthers theoloog, filosoof en schrijver; hij ontving in 1952 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn in woord en daad uitgedragen dogma ‘Eerbied voor al het leven’.

  [19]

Johann Wolfgang Goethe (sinds 1782 von Goethe, * 28 augustus 1749, † 22 maart 1832; ) was de grootste dichter en dramaturg die Duitsland ooit gekend heeft; daarnaast was hij wetenschapper, romanschrijver, filosoof, natuuronderzoeker en staatsman. Bekende werken van hem zijn (o.a.) »Heidenröslein«, »Wandrers Sturmlied«, »Götz von Berlichingen«, »Die Leiden des jungen Werthers«, »Egmont«, »Iphigenie auf Tauris«, »Torquato Tasso«, »Der Erlkönig«, »Römische Elegien«, »Reineke Fuchs«, »Wilhelm Meisters Lehrjahre«, »Xenien« (samen met Friedrich (von) Schiller);, »Faust. Eine Tragödie«, »Hermann und Dorothea« »Pandora«, »Wilhelm Meisters Wanderjahre«, »Die Wahlverwandtschaften«, »Zur Farbenlehre«, »Aus meinem Leben. Dichtung und Wahrheit«, »Italienische Reise«, »Über Kunst und Altertum«, »West-östlicher Divan«, »Marienbader Elegie«, »Faust. Der Tragödie zweiter Teil« en »Einzelnheiten, Maximen und Reflexionen«.

  [20]

Heinrich Gotthold Münchmeyer (* 29 juni 1836, † 6 april 1892) was uitgever en colportageboekhandelaar in Dresden.
Van maart 1875 tot december 1876 was Karl May aan deze uitgever verbonden en redigeerde hij de tijdschriften Der Beobachter an der Elbe (dat van 1874 tot 1875 bestond), Deutsches Familienblatt. Wochenschrift für Geist und Gemüth zur Unterhaltung für Jedermann (1875-1877; hierin publiceerde May zijn eerste indianenverhalen), Schacht und Hütte. Blätter zur Unterhaltung und Belehrung für Berg- Hütten- und Maschinenarbeiter (1875-1876) en Feierstunden am häuslichen Heerde. Belletristisches Unterhaltungs-Blatt für alle Stände (1876-1877; hierin publiceerde May zijn eerste verhalen over de Oriënt).
Tussen 1882 en 1887 schreef Karl May zijn vijf grote colportageromans voor Verlag H. G. Münchmeyer: »Waldröschen oder die Rächerjagd rund um die Erde« (december 1882-augustus 1884; 2.612 pagina’s), »Die Liebe des Ulanen – ein packender Fortsetzungsroman über den deutsch-französischen Krieg 1870/71« (oktober 1883-november 1885; 1.724 pagina’s), »Der verlorne Sohn oder Der Fürst des Elends. Roman aus der Criminal-Geschichte« (augustus 1884-juli 1886; 2411 pagina’s), »Deutsche Herzen – Deutsche Helden« (december 1885-januari 1888; 2.610 pagina’s) en »Der Weg zum Glück – Höchst interessante Begebenheiten aus dem Leben und Wirken des Königs Ludwig II. von Baiern« (juli 1886-augustus 1888; 2.616 pagina’s).

  [21]

Friedrich Pustet (* 25 februari 1798, † 6 maart 1882) was een Duitse uitgever en oprichter van de gelijknamige uitgeverij, die inmiddels Friedrich Pustet GmbH & Co. KG heet en al zes generaties lang door leden van de familie Pustet wordt bestuurd. Naast een uitgeverij bezit de firma ook een grafisch bedrijf en elf boekwinkels, waarvan alleen al vier in Regensburg, waar de firma ook statutair gevestigd is. Tussen 1874 en 1953 gaf de uitgeverij een van grootste Duitse katholieke tijdschriften, Deutscher Hausschatz (tot 1910: Deutscher Hausschatz in Wort und Bild), waarin Karl May tussen 1878 en 1909 met enige regelmaat publiceerde, uit.

  [22]

Het burgerlijk huwelijk wordt gesloten in het stadhuis van Ernstthal (Neumarkt 9), Karls woonplaats; het kerkelijk huwelijk vindt plaats in de St. Christophori-kerk in Hohenstein, Emma’s woonplaats. In deze kerk zijn ook Karls ouders ooit getrouwd.

  [23]

Johann Wilhelm Spemann (* 24 december 1844, † 29 juni 1910) was een uitgever in Stuttgart. In 1881 vertrouwde Spemann Jöseph Kürschner de redactie van het tijdschrift Vom Fels zum Meer toe. Ook het jaarboek Das Neue Universum en het jongenstijdschrift Der Gute Kamerad (vanaf 1887) stammen uit de uitgeverij van Spemann. In 1889 werd de „Union Deutsche Verlagsgesellschaft” opgericht en de uitgeverij van Spemann ging daarin op, maar na enkele onenigheden riep hij rond 1900 zijn eigen Spemann-uitgeverij weer in het leven.

  [24]

Friedrich Ernst Fehsenfeld : zie noot 7.

  [25]

In Perzië en Brits-Indië mocht hij niet van boord, omdat er een pestepidemie heerste.

  [26]

Dat heette toen nog gewoon Nederlands-Indië. De naam Indonesië werd vanaf de negentiende eeuw wel gebruikt door academische kringen buiten Nederland, maar de naam Indonesië werd pas officieel na de onafhankelijkheid 27 december 1949.

  [27]

Het huidige Sri Lanka.

  [28]

Voor alle duidelijkheid: scheiding van Emma May-Pollmer.

  [29]

Rudolf Lebius (* 4 januari 1868, † 4 april 1946) was een Duitse journalist van het dubieuze soort, uitgever, vakbondsleider en antisemitisch politicus; nadat zijn pogingen om Karl May af te persen mislukt waren, werd hij diens vuigste tegenstander. Over Karl May schreef hij in november 1910 »Die Zeugen Karl May und Klara May. Ein Beitrag zur Kriminalgeschichte unserer Zeit«; voor de „bewijzen” in dat boek had hij talloze mensen omgekocht, onder druk gezet en hun woorden verdraaid. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat dit boek op 3 december 1910 verboden werd, al had het zijn vernietigende werk al gedaan, want Lebius had het boek al aan diverse rechtbanken in Duitsland gestuurd.
De man was een opportunist van het zuiverste water: aanvankelijk was hij politiek gezien een voorstander van de sociaaldemocratie. Nadat hij in 1904 uit de SPD was getreden, werd hij juist anti-sociaaldemocratisch. In 1906 werd hij voorzitter van de Duitse Gelbe Gewerkschaften; deze gele vakbonden werden wereldwijd opgericht om de macht van de rode (socialistische en communistische) vakbonden te breken. In 1906 richtte hij het blad Der Bund, de spreekbuis van deze gele vakbonden. Van 1911 tot 1913 gaf hij het antisemitische maand- en later weekblad Nationaldemocrat uit. Tijdens de Novemberrevolutie van 1918 richtte hij mede de antisemitisch georiënteerde „National-Demokratischen Partei” (NDP) op, waarvan hij voorzitter werd; in 1923 verdween de partij weer. Deze partij moet niet verward worden met de na-oorlogse NPD („Nationaldemokratische Partei Deutschlands”, een rechts-extremistische partij in West-Duitsland vol oude en nieuwe nazi’s, die op 28 november 1964 werd opgericht en als een soort voortzetting van Hitlers NSDAP geldt - maar dan „zonder de SA” - en sinds 3 juni 2023 Die Heimat heet.
Een van Lebius’ „politieke” boeken is: »Het geheim van het jodendom, Duitse Nationale Republiek en jodenvraagstuk”.

  [30]

Johanne Rosine Hennig (* 1807, † 1875), de weduwe van een azijnfabrikant, verhuurde op 20 maart 1865 een kamer van haar woning aan het Thomaskirchhof 12 - na omnummering in 1888 is dat het huidige huisnummer 7 - in Leipzig an Karl May. Haar zoon Hermann diende nog diezelfde dag een aanklacht tegen May in vanwege bontdiefstal.

  [31]

Johann Friedrich Gottlob Erler (* 17 januari 1820, † 23 juli 1898) was een pelswarenhandelaar in Leipzig (Brühl, hoek Nikolaistraße), die op 20 maart 1865 het slachtoffer werd van een geraffineerde bontdiefstal door Karl May.

  [32]

Op 29 maart 1869 (Paasmaandag) nam Karl May, die zichzelf „politieluitenant von Wolframsdorf” noemde, tien zogenaamde valse Thaler en een hoegenaamd gestolen horloge in beslag bij koopman Carl Reimann, die in Wiederau - een plaatsje in de buurt van Mittweida - ook „Gasthof zum Hirsch” runde. De hoogte van de buit was 18 Thaler

  [33]

Het gaat hier om zeilmaker Karl Friedrich August Krause (* 1828, † 1896) in Ponitz. Karl May verscheen op 10 april 1869 bij deze Krause met de bewering dat hij een „lid van de geheime politie” was en belast met het zoeken naar vals geld. En ja hoor, van het geld dat Krause in zijn kas had, bleken maar liefst 30 Thaler „vals” te zijn. De overrompelde zeilmaker laat zich echter niet van zijn stuk brengen en eist een officiële ondervraging. Daarop neemt May de man mee naar Crimmitschau en wil onderweg onopvallend verdwijnen, maar de wantrouwend geworden zeilmaker achtervolgt hem niettemin.

  [34]

Christian Friedrich Weißpflog (* 1819, † 1894) was in 1842 - toen hij nog smidsgezel was - Karl Mays peetoom. Later, toen hij al volwaardig smid was, woonde en werkte hij in de Mittelstraße 1 in Ernstthal en was hij getrouwd met Emilie Weißpflog, geb. Günther. Hij vertelde vaak in geuren en kleureun zijn belevenissen uit de tijd waarin hij nog rondtrok als smidsgezel. In 1869 ondersteunde hij de voortvluchtige draaideurcrimineel door hem wat makkelijk te verkopen voorwerpen gaf en hem aanried zijn toevlucht te zoeken in de „Eisenhöhle” (de huidige „Karl-May-Höhle”) in het bos ten noorden van Ernstthal. Voor de vorm deed hij een paar dagen later aangifte van de „diefstal”. In 1880 was hij trouwgetuige bij Karl Mays huwelijk met Emma Pollmer.

  [35]

Op de vroege ochtend van 31 mei 1869 begeeft May zich naar een restaurant te Limbach, bestelt een glas wijn zonder het te krijgen, daar de waard - Wünschmann - nog niet is opgestaan en eigent zich een set biljartballen (5 stuks) toe, “door het benutten van een korte afwezigheid van het dienstertje”. Deze vijf exemplaren worden later door de rechtbank op zo’n 20 Taler waarde gewaardeerd. Voor een kwart van de waarde kan hij ze kwijt aan een houtbewerker ter plaatse.

  [36]

Van Christian Gottlob Schreyer uis helemaal niets bekend, behalve dat hij hoteleigenaar in Bräunsdorf was.

  [37]

Christian Anton Wappler (* 1816, † 1879) was wever en bakker in Mülsen St. Jacob, in de buurt bij Zwickau; hij was getrouwd en had drie zonen. Op 15 juni 1869 verscheen Karl May bij hem en gaf zich uit als „expediënt” - een boekhouder die niet alleen verantwoordelijk is voor kas- en boekhoudzaken, maar ook voor het bijhouden van lijsten en overzichten en ook voor het beheer van dossiers - „van de jurist Dr. Wilhelm Michael Schaffrath in Dresden”. Deze Schaffrath heeft werkelijk bestaan, dus het noemen van deze bekende naam nam elke vorm van wantrouwen weg; May overhandigde de bakker een vervalste oorkonde over een erfenis die hij van een Amerikaans familielid zou krijgen. Om de benodigde personalia te controleren moest Wappler meteen met zijn drie zonen naar Glauchau gaan. Zo gezegd, zo gedaan, maar het viertal had zijn kont nog niet gekeerd of Karl May verklaart aan de achtergebleven bakkersvrouw dat het verhaal over de erfenis een smoes was om de mannen weg te lokken, want men vermoedde dat er vals geld in het huis van de bakker aanwezig was; hij gaf te kennen dat hij „geheim agent” was en ook hier vond hij prompt 28 hoegenaamd valse Thaler, die hij in beslag nam en daarmee verder vluchtte.

  [38]

Bij Schankwirtschaft Engelhardt in Hohenstein (Karlstraße 57) hoorde ook een kegelbaan en een leesbibliotheek; eigenaren waren Johanne Christiane Engelhardt, weduwe Gündel (* 1799, † 1876) en Christian Friedrich Engelhardt (* 1805, † 1878). Als twaalfjarige werkte Karl May hier als kegeljongen, eke zondag vanaf de mis tot de late avond. Maar het drukst waren de maandagen, waarop de bewoners van de omliggende dorpen naar de markt in Hohenstein kwamen en aansluitend tot middernacht naar de kegelbaan. Hij verdiende daar aardig wat geld (20 groschen plus fooien), maar een en ander ging wel ten koste van zijn gezondheid: niet alleen zijn lichamelijke geonzdheid, maar vooral ook zijn geestelijke: omdat de kegelbaan als een trechter werkte, hoorde hij alles wat de kegelbroeders elkaar vertelde, ook de meest ordinaire grapjes. Af en toe kreeg hij ook een boterham, een uit restjes samengesteld bier of - om hem op te monteren - een glas jenever. De wachttijd verdreef hij door het lezen van alle mogelijke en vooral onmogelijke lectuur, zoals »Rinaldo Rinaldini” en navolgers daarvan. Van het verdiende geld betaalde hij lessen Engels en Frans, die gegeven werden aan de kinderen van toekomstige emigranten.
Op 2 juli 1869 - lang na zijn activiteiten als kegeljongen - werd hij slapend betrapt in de kegelbaan, die hij natuurlijk door en door kende, gearresteerd en naar Mittweida gebracht.

  [39]

Op 2 december 1929 kreeg een 80 meter stuk straat dat de Bahnstraße met de Oststraße verbond, maar nog geen naam had, officieel de naam Karl-May-Straße. Het deel van de Bahnstraße waaraan het geboortehuis van Karl May stond, volgde in februari 1932 naar aanleiding van de 90e geboortedag van Karl May en in 1935 ten slotte werd ook het meest westelijke gedeelte van de Bahnstraße veranderd in Karl-May-Straße. Het huisnummer van Mays geboortehuis - het huidige Karl May-Haus, museum sinds 25 februari 1985 - is sindsdien 52.
Het boek van E. v. Linden m.m.v. Dr. C. J. Schuurman is verschenen in 1976 ...

  [40]

Karls ouders hadden veertien kinderen, maar slechts vijf ovverleefden hun eerste jaar. Toen Karl - als vijfde kind van het gezin - geboren werd, had hij één zus, Auguste Wilhelmine (* 1 december 1837, † 27 mei 1880), de latere Frau Hoppe. Een eenvoudige rekensom leert ons dat er op dat moment dus al drie kinderen overleden waren: twee broers en een zusje. Als zesde t/m achtste kind werden Christiane Wilhelmine (* 28 mei 1844, † 30 april 1932, de latere Frau Schöne), Ernestine Pauline (* 2 juni 1847, † † 29 april 1872) en Karoline Wilhelmine (* 9 juni 1849, † 1 december 1945, de latere Frau Selbmann). Later werden nog drie broertjes en drie zusjes geboren, die echter geen van alle ouder werden dan een paar maanden.
Je zou dus kunnen zeggen dat het gezin pas „compleet” was vanaf 9 juni 1849, toen de familie al lang en breed op de Markt 183 (Neumarkt 16) in Ernstthal woonde. Wat May in »Mein Leben und Streben« beschrijft over de vijf kinderen van het gezin die maar net naast elkaar konden staan op de hof, moet dus betrekking hebben op het huis aan de Markt 183, niet op het geboortehuis; rond 1860 verhuisde het gezin naar Markt 185 (nu: Neumarkt 18), dus twee deuren verder.

  [41]

v. Linden geeft hier met een sterretje aan dat er een voetnoot komt. Vol verwachting klopt ons hart, maar die voetnoot wil maar niet komen. Het is een hele lap tekst, die hij in de tekst van pagina 6 heeft ingelast. Zie dus aldaar.

  [42]

Bedoeld worden Woldemar Ludwig Grenser (* 2 januar 1812, † 2 juni 1872) en Carl Friedrich Haase (* 12 februari 1788, † 10 november 1865). Beide waren professoren en directeur van het Entbindungsinstituts mit Hebammenschule an der Chirurgisch-Medizinischen Akademie in Dresden, gevestigd in het Kurländer Palais. Haase was dat van 1828 tot zijn pensioen op 30 juni 1845, Grenser vanaf 30 juni 1845. Beide heren hadden van Karl Mays moeder, die aan genoemd instituut met succes een vroedvrouwencursus had gevolgd, hadden van haar gehoord van Karls aandoening en besloten spontaan de jongen te helpen; in maart 1846 werd hij genezen verklaard.

  [43]

Christian Johann Heinrich Heine (* 13 december 1797, † 17 februari 1856) was een Duitse dichter van Joodse afkomst. Zijn bekendste werken zijn »Gedichte«, „Tragödien nebst einem lyrischen Intermezzo« (met hierin: »William Ratcliff«, »Almansor und Lyrisches Intermezzo«), »Dreiunddreißig Gedichte« (met hierin: »Die Loreley«), »Reisebilder. Erster Teil« (met hierin: »Die Harzreise«, »Die Heimkehr«, »Die Nordsee. Erste Abteilung« en verscheidene gedichten), »Buch der Lieder en Reisebilder. Zweiter Teil« (met hierin: »Die Nordsee. Zweite und dritte Abteilung«, »Ideen«, »Das Buch Le Grand« en »Briefe aus Berlin«), »Reisebilder. Dritter Teil« (met hierin: »Die Reise von München nach Genua« en »Die Bäder von Lucca«), »Der Salon. Erster Teil« (met hierin: »Französische Maler«, »Aus den Memoiren des Herren von Schnabelewopski« en verscheidene gedichten), »Der Salon. Zweiter Teil« (met hierin: »Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland« en de gedichtencyclus »Neuer Frühling«), »Der Salon. Dritter Teil«, »Neue Gedichte« (met hierin: »Deutschland. Ein Wintermärchen«), »Die schlesischen Weber«, »Atta Troll – Ein Sommernachtstraum«, »Romanzero«, en »Der Doktor Faust. Ein Tanzpoem«.

  [44]

Gerhart Hauptmann (eigenlijk: Gerhard Johann Robert Hauptmann, * 15 november 1862, † 6 juni 1946) was een Duits toneelschrijver. Bekende werken van hem zijn „Bahnwärter Thiel”, „Vor Sonnenaufgang”, het al genoemde „Die Weber”, „Florian Geyer”, „Fuhrmann Henschel” en een viertal bewerkingen van klassieke tragedies. Hij ontving voor zijn complete werk in 1912 de Nobelprijs voor de Literatuur.

  [45]

Käthe Kollwitz geb. Schmidt (* 8 juli 1867, † 22 april 1945) was een Duitse grafisch kunstenares en beeldhouwster. Bekende werken van haar zijn »Een Weberaufstand» (6 etsen), »Bauernkrieg« (9 etsen), »Krieg«, »Trauernde Eltern« (op de Duitse oorlogsbegraafplaats te Vladslo (België), vanwege haar in de Eerste Wereldoorlog omgekomen zoon Peter Kollwitz die daar begraven ligt), »Mutter mit zwei Kindern”, „Pietà” (ook »Mutter mit totem Sohn”) genoemd en ÅDie Klage”.

  [46]

Prof. Dr. Pieter Jan Bouman (* 19 september 1902, † 10 maart 1977) was van 1946 tot 1967 hoogleraar sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, van 1959 tot 1960 rector magnificus van die universiteit en schrijver van populair-wetenschappelijke boeken, waaronder »Revolutie der eenzamen« en »Cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw« de best verkochte waren.

  [47]

Friedrich August II. (voluit: Friedrich August Albert Maria Clemens Joseph Vincenz Aloys Nepomuk Johann Baptista Nikolaus Raphael Peter Xaver Franz de Paula Venantius Felix von Sachsen; * 18 mei 1797, † 9 augustus 1854) uit de albertijnse lijn van het huis Wettin was van 6 juni 1836 tot 9 augustus 1754 de derde koning van Saksen.

  [48]

Samuel Friedrich Strauch (* 8 september 1788, † 10 februari 1860) was cantor en leraar aan de Ernstthaler lagere school; hij woonde op de Markt nr. 186 (nu Neumarkt 19) en was dus na ± 1860 een buurman van de familie May. Hij gaf Karl May privéles in orgel-, piano- en vioolspel. Na zijn dood werd zijn complete nalatenschap, waaronder zijn eigen composities, door zijn weduwe Friederike Wilhelmine Concordia Strauch, geb. Layritz (* 1803, † 1887) vernietigd, tenminste: volgens Karl May. In werkelijkheid zijn in ieder geval zijn boeken aan antiquariaat List & Francke in Leipzig verkocht dat ze in een catalogus te koop aanbood. In de figuur van de professor (in de bewerking van de Karl-May-Verlag Professor Vitzliputzli genaamd) in »In der Heimrath« weerspiegelde May cantor Strauch.

  [49]

Heinrich Lißner (soms ook Listner gespeld, * 1788, † 1863) was een poppenspeler uit Frankberg, die met zijn Marionetten-, Welt- und Metamorphosentheater ook een paar keer in Ernstthal optrad. Waarschijnlijk in 1851 voerde hij in het Ernstthaler Webermeisterhaus de poppentheaterstukken »Das Müllerröschen oder Die Schlacht bei Jena« en »Doktor Faust oder Gott, Mensch und Teufel«, die May allebei samen met zijn grootmoeder bezocht heeft.
Volgens het Wochenblatt und Anzeiger für Hohenstein, Ernstthal und Umgebung speelde Lißner/Listner in 1855: »Die Zauberprinzessin«, »Fanny und Turrmann oder das übereilte Urtheil«, »Der verlorne Sohn (Kinderstück)«, »Faust«, »Judith und Holofernes, oder: Die Belagerung der Stadt Bethulia« en »Der Freischütz (Oper von Carl Maria von Weber) mit vollständig besetztem Orchester« op; het is mogelijk dat de toen dertienjarige Karl May ook daarvan enkele stukken gezien heeft.

  [50]

»Faust« is een sage over een legendarische figuur, gebaseerd op de Duitse magiër en medicus Dr. Johann Georg Faust (* ±, 1480, † ± 1540). Gelijk met zijn dood, vermoedelijk rond 1540, ontstond het gerucht dat hij een pact met de duivel had gesloten. Een van de eerste sagen over Dr. Faust werd in 1587 gepubliceerd door Johann Spies (* ± 1540, begraven op 21 februari 1623): »Historia von D. Johann Fausten«. Hierin had Dr. Faust een afspraak gemaakt met de duivel – Mephistopheles genoemd –, die Faust beloonde door hem te voorzien van alle rijkdom, kennis en geneugten van het leven. Faust stelde daar tegenover dat hij na zijn dood zijn ziel opgaf. Het verhaal werd veel vertaald en al in 1604 opgepikt door de Engelse dichter Christopher Marlowe (gedoopt op 26 februari 1564, † 30 mei 1593): »The Tragical History of the Life and Death of Doctor Faustus«; Marlowe’s Faustus staat al met één been in de renaissance: Faustus verlangt de macht over de hele wereld en veracht de theologie en de gerichtheid op het hiernamaals. Twee eeuwen later, in 1808, schreef Johann Wolfgang Goethe (sinds 1782 von Goethe; * 28 augustus 1749, † 22 maart 1832) zijn onovertroffen tragedie »Faust. Der Tragödie erster Teil«, in 1832 (postuum) gevolgd door »Faust. Der Tragödie zweiter Teil«.

  [51]

Bedoeld wordt óf Carl Traugott Schmidt (* 29 mei 1780, † 27 augustus 1853), dominee van de St. Trinitatis-Kirche en lokale schoolinspecteur van 13 oktober 1825 tot 27 augustus 1853, óf
Carl Hermann Schmidt (* 19. Februar 1826, † 26 december 1901), eerste jongensleraar aan en rector van de Ernstthaler Volksschule van 7 april 1853 tot juni 1854 en dominee van de St. Trinitatis-Kirche van 4 juni 1854 tot 1865.

  [52]

Bedoeld wordt óf Dr. Friedrich Wilhelm Herz (* 1820, † 1892), eerste jongensleraar aan en rector van de Ernstthaler Volksschule tot 20 december 1849, óf Christian Gentzsch (* 1811, † 20 februari 1852), eerste jongensleraar aan en rector van de Ernstthaler Volksschule van 20 maart 1850 tot 20 februari 1852, óf Magister Christian Wilhelm Ludwig (* 1823, † 1896), eerste jongensleraar aan en rector ad interim van de Ernstthaler Volksschule van 11 november 1852 tot maart 1853, óf
Carl Hermann Schmidt (* 19. Februar 1826, † 26 december 1901), eerste jongensleraar aan en rector van de Ernstthaler Volksschule van 7 april 1853 tot juni 1854 en dominee van de St. Trinitatis-Kirche van 4 juni 1854 tot 1865 óf Julius Eduard Fickelscherer (* 28 juli 1816, † 11 september 1880), eerste jongensleraar aan en rector van de Ernstthaler Volksschule van 1854 tot 1861. Laatstgenoemde is in ieder geval degene die privélessen Frans en Engels geeft aan de kinderen van toekomstige emigranten en aan Karl May.

  [53]

Zie noot 38.

  [54]

Christian August Vulpius (* 23 januari 1762, † 25 juni 1827) was een Duits schrijver; zijn zus Christiane (voluit: Johanna Christiana Sophia Vulpius, * 1 juni 1765, † 6 juni 1816) was vanaf 1788 de levensgezellin en vanaf 1806 de vrouw van Goethe. Vulpius is vooral bekend geworden door de roman »Rinaldo Rinaldini, der Räuberhauptmann«, dat in 1798 verscheen en dat talloze malen werd nagevolgd door andere schrijvers. Het staat vast dat deze roman aanwezig was in de bibliotheek van Schankwirtschaft Engelhardt in Hohenstein.

  [55]

»Sallo Sallini, der furchtbarste Räuberhauptmann in Italien und Böhmen. Eine Räuber- und Geistergeschichte« is een roman in twee delen van de Duitse journalist en schrijver Dr. Georg Carl Ludwig Schöpffer (ook wel gespeld als Schöpfer, * 13 maart 1811 , † 1876) uit 1828, een duidelijke navolging van Vulpius’ roman »Rinaldo Rinaldini, der Räuberhauptmann«, zoals we reeds aan de allitererende titel kunnen zien. Het staat vast dat deze roman aanwezig was in de bibliotheek van Schankwirtschaft Engelhardt in Hohenstein.

  [56]

»Himlo Himlini, der Räuberhäuptling in Spanien mit seiner gefürchteten Bande. Großes Räubergemälde« is een roman in twee delen van de Duitse journalist en schrijver Dr. Georg Carl Ludwig Schöpffer (ook wel gespeld als Schöpfer, * 13 maart 1811, † 1876) uit 1833, ook alweer een duidelijke navolging van Vulpius’ roman »Rinaldo Rinaldini, der Räuberhauptmann«, zoals we reeds aan de allitererende titel kunnen zien. Het staat vast dat deze roman aanwezig was in de bibliotheek van Schankwirtschaft Engelhardt in Hohenstein.

  [57]

»Die Sünden des Erzbischofs« wordt door Karl May in „Mein Leben und Streben” in samenhang met zeven andere titels genoemd, maar het bestaan ervan is tot op heden nooit bewezen.

  [58]

De zogenaamde Lügenschmiede was een café op de huidige hoek van de Braugasse en de Hermannstraße in Ernstthal. Het gebouw bestond al vanaf de jaren ’20 van de negentiende eeuw. In 1870 kwam het in bezit van een zekere Karl Wilhelm Reinhold (* 1838, † 1890), die de vergunning om wijn en Beiers bier te schenken verwierf; later noemde hij het Gasthaus zur Schmiede. Het café liep goed en de gasten kwamen uit de Ernstthaler en Hohensteiner middenklasse. De waard, Reinhold, en zijn vrouw Cäcilie hielden wel van een geintje, en beiden speelden hun gasten - vaak ruwe - streken. Het café kreeg daarop al snel de naam „Lügenschmiede”. In »Mein Leben und Streben« had Karl May geen goed woord over voor deze „Lügenschmiede”, omdat er natuurlijk, zoals dat gaat in een dorpscafé, ook stevig geroddeld werd; het onderwerp van die roddels laat zich makkelijk raden: Karl May, de „ontaarde” zoon van de stad. Op 31 mei 1900 werd het café ten slotte afgebroken om de straat te kunnen verbreden.

  [59]

Duitse titel: »Weihnacht!;« (Gesammelte Werke, Band 24«).
Klaas van IJken heeft de eerste hoofdstukken van het boek vertaald, bewerkt en ingeleid: deze vertaling is onder de titel »Een Kerstreis door Saksen en Bohemen«. Het boekje is in 2016 onder de titel »Een Kerstreis door Saksen en Bohemen« verschenen als „Pockets van de Karl May Vereniging, deel 1”.

  [60]

Friedrich Wilhelm Schütze (* 19 april 1807, † 12 februari 1888) was van 1844 tot 1885 directeur van het Fürstlich-Schönburgische Lehrerseminar in Waldenburg en schrijver van boeken en artikelen op het gebied van het lagere-school- en seminariewezen. Hij zorgde ervoor dat Karl May van het seminarie in Waldenburg werd verwijderd, maar richtte daarna wel een verzoekschrift aan het Vogtländisches Schul-Lehrer-Seminar in Plauen; als gevolg daarvan mocht Karl May in Plauen zijn studie voortzetten.

  [61]

Ernst Theodor Meinhold (* 1835 , † 1890) was een koopman in Glauchau, die de jonge leraar Karl May in oktober 1861 als onderhuurder in zijn woning aan de Große Färbergasse 17 opnam. Na veertien dagen diende hij een aanklacht tegen May in omdat deze zich tijdens pianolessen iets te nadrukkelijk met mevrouw Meinhold (* 1842 , † 1891) bezig had gehouden. Daarop verliet May Glauchau en vond al snel een nieuwe baan in Altchemnitz.

  [62]

Julius Friedrich Claus (ook gespeld als Clauß, * 1816, † 1873) was de eigenaar van een katoengarenspinnerij in Altchemnitz (tegenwoordig een stadsdeel van Chemnitz), gelegen aan de Würschnitz bij de grens met Harthau (ook dat is tegenwoordig een stadsdeel van Chemnitz). Bij de spinnerij hoorde ook een fabrieksschool, waar Karl May van 6 november t/m 23 december 1861 twee klassen jonge fabrieksarbeiders les gaf.

  [63]

Carl Friedrich Solbrig (* 15 maart 1807, † 17 maart 1872) was de eigenaar van een kamgarenspinnerij in Harthau, met een filiaal in Altchemnitz. Solbrig had in 1849 het gebouw van de failliet verklaarde Bernhard’sche Fabrik in Harthau overgenomen en daar zijn spinnerijfabriek ingericht. Het filiaal in Altchemnitz kwam daar later bij; dat filiaal werd geleid door Solbrigs zoon Friedrich August Solbrig (* 1836, † 1876) plus zijn schoonzonen Carl Wilhelm Rößler (* 1831, † 1896) en Carl Wilhelm Heise (* 1829, † 1886). In 1863 werden zij eigenaren van de onderneming dat vanaf toen C. F. Solbrig Söhne heette. Bij de spinnerijfabriek hoorde ook een fabrieksschool met één klaslokaal; ook hier gaf Karl May van 6 november t.m 23 december 1861 één klas jonge fabrieksarbeiders les. Beschermheer van de school was Carl Friedrich Solbrig zelf, maar beide scholen vielen onder de Superintendentur van Robert Kohl (* 14 december 1813, † 31 december 1881), van 1859 tot 1880 dominee van de St. Nicolai-Kirche in Chemnitz en Superintendent (een predikant in het lutheranisme die belast is met het opzicht over en het leiding geven aan het kerkelijk leven in een bepaald gebied) van de ephorie (kerkelijk ambtsgebied) Chemnitz, waaronder ook Altchemnitz en Harthau vielen.

  [64]

Waarschijnlijk al op 24 december: op de Kerstmarkt in Hohenstein.

  [65]

Karl May had het zakhorloge van zijn kamergenoot Scheunpflug geleend, maar zonder dit bij het begin van de kerstvakantie terug te hangen; van een cadeau voor zijn vader is nooit sprake geweest.
Julius Hermann Scheunpflug (* 10 juli 1820, † ?) was boekhouder bij de fabrieken van Claus en/of Solbrig in Altchemnitz en kamergenoot van Karl May; eigenaar van het uitgeleende zakhorloge en de meerschuimen pijp.

  [66]

Wolf Hasso Erich Wulffen (* 3 oktober 1862 in Dresden, † 10 juli 1936) was een Duitse criminoloog, Officier van Justitie en schrijver, Karl May in 1908 in zin boek »Psychologie eines Verbrechers« - zonder Mays naam te noemen, maar voor iedereen identificeerbaar - een „geboren misdadiger” noemde, een term die in 1876 gemunt was door de Italiaanse arts en psycholoog Cesare Lombroso (* 18 november 1836, † 19 oktober 1909): delinquente nato. Rudolf Lebius (zie noot 29) pikte de term maar al te graag op en gebruikte hem over May tegen Selma vom Scheidt (* 26 september 1874, † 19 februari 1959), een vriendin van Emma Pollmer.
Wulffen betreurde later zijn houding tegenover May en nam hem openlijk in bescherming. Hij schreef zelfs enkele bijdragen voor de Karl-May-Jahrbücher en werd Klara Mays rechtsbijstand. Ter ere van haar 60e verjaardag werd het door Wulffen geschreven blijspel in een akte »Tasso in Darmstadt« opgevoerd. Op grond van Wulffens reputatie vroeg Dr. Euchar Albrecht Schmid (* 29 augustus 1884, † 15 juli 1951), Karl Mays uitgever, hem zelfs om een toelichting te schrijven op de politie- en gerechtsakten over Karl May. Klara May was het echter niet eens met een dergelijk onderzoek; sterker nog, in plaats daarvan wist zij Wulffen zo gek te krijgen om de (Mittweidaer) onderzoeksakten te vernietigen, maar Wulffen maakte uittreksels van akten, die hij voor wetenschappelijke werken wilde gebruiken, voor hij aan haar verzoek voldeed. Het op de (uittreksels van de) akten gebaseerde manuscript »Karl Mays Inferno« belandde in 1928 bj de Karl-May-Verlag. Gelukkig werd daar eens een kopie gemaakt van het manuscript, voor Klara de tekst kon lezen. Zij verlangde - geheel volgens verwachting - de onmiddellijke vernietiging van het manuscript. Op oudejaarsavond 1931 verbrandde zij Wulffens origineel in het bijzijn van Patty Frank (artiestennaam van Ernst Johann Franz Tobis, * 19 januari 1876, † 23 augustus 1959), een Duits artiest, indianendeskundige en in 1928 oprichter-directeur van Villa „Bärenfett”, en Richard Lieberknecht (* 14 december 1873, † 6 oktober 1942), een vriend van Klara May.

  [67]

Friedrich Eduard Göhler (* 20 september 1824, † 5 juni 1890) was van 1861 tot 1883 opzichter-beambte van de 1e disciplinaire klasse in Arbeitshaus Schloss Osterstein in Zwickau. Met grote waarschijnlijkheid is het aan hem te danken dat Karl May in 1867 in het schuiftrompetkwartet en daarmee van het kerkorkest werd opgenomen.

  [68]

Het zogeheten »Repertorium C. May« (zelf schrijft hij in zijn schrift: „Repertorium Carl Maÿ« ontstond vermoedelijk in 1868 in Schloss Osterstein. Deze „inhoudsopgave” bestond uit 137 nummers met titel, die gedeeltelijk door hem becommentarieerd of toeglicht waren. Slechts weinig van de 137 titels of motieven heeft hij in zijn latere werken gebruikt.

  [69]

Johanne Christiane Kretzschmar, wed. May, wed. Vogel (* 15 september 1780, † 19 september 1865) was Karl Mays oma van vaderszijde, de beroemde „Märchengroßmutter”.

  [70]

Johannes Kochta (eigenlijk Johann Peter Kochte, * 28 maart 1824, † 27 februari 1886) was van 1866 tot 1884 katholiek gevangenisaalmoezenier in tuchthuis Waldheim.

  [71]

Friedrich „Fritz” Louis Münchmeyer (* 15 april 1829, † 25 december 1897) was een oudere broer van Heinrich Gotthold Münchmeyer (zie noot 20). Beide broers lieten hun jonge redacteur May nauwelijks uit het oog en gingen ’s avonds vaak gedrieën uit. Hij leidde Verlag H. G. Münchmeyer aanvankelijk samen met zijn broer, maar gaf zelf ook boeken uit: zo verscheen het »Buch der Liebe« niet bij H. G. Münchmeyer, maar bij Verlag F. L. Münchmeyer. Vanwege dat »Buch der Liebe« kwam het op 23 februari 1876 tot een huiszoeking in de uitgeverij aan de Jagdweg 14 te Dresden; tot 1878 woonden Friedrich Louis Münchmeyer en zijn vrouw, Caroline Wilhelmina Münchmeyer geb. Heide (* 1834, † 1906) ook op dat adres, maar in 1878 gingen zij en hun kinderen wonen in de nabijgelegen Rosenstraße 91III. Naar aanleiding van de huiszoeking komt het tot een rechtszaak tegen Münchmeyer „en handlangers”. „Handlanger” May werd daarvan meteen vrijgesproken, maar Heinrich Münchmeyer en drukker Friedrich Wilhelm Gleißner werden in eerste instantie wegens „vergrijp tegen de openbare zeden” allebei tot een geldstraf van 200 mark veroordeeld, maar later vrijgesproken.

  [72]

Minna Hulda Ey (* 23 februari 1843 , † 1918) was de ongetrouwde zus van Ida Pauline Münchmeyer, geb. Ey (* 14 juni 1840 , † 17 mei 1928), die bij haar zus en zwager inwoonde; nadat Karl May haar (in 1876) had afgewezen („Karl May und Minna Ey: Die werden niemals zwei”), gaf hij zijn baan bij Münchmeyer op en trouwde vier jaar later met Emma Pollmer. Minna troostte zichzelf door in augustus 1879 te trouwen met de Dresdner meubelfabrikant Friedrich Carl Horst Tittel (* 1826, † 1897).

  [73]

Hohenstein en Ernstthal werden pas op 1 januari 1898 samengevoegd, dus zo ver is het nu (in 1880) nog niet. Daarom is het beter om te spreken van de gevangenis van Ernstthal, gelegen op de hoek van de Lungwitzer Straße 39 en de - ironisch genoeg - Karl-May-Straße, die toen natuurlijk nog niet zo heette.

  [74]

Christian Gotthilf Pollmer (* 6 juni 1807 , † 26 mei 1880) was barbier en „chirurgus” in Hohenstein. Zijn dochter Emma Ernestine Pollmer (* 17 juni 1830, † 4 december 1856) stierf twee weken na de geboorte van haar dochter Emma Lina Pollmer, Karl Mays latere eerste vrouw. Emma Lina’s vader was naar men zegt Michael Zimmermann, een barbiergezel uit Zittau.

  [75]

Emil Eduard Pollmer (* 13 oktober 1828, † 26 januari 1878) was de zoon van Christian Gotthilf Pollmer en dus de oom van Emma Pollmer. Begin 1878 wird hij onder mysterieuze omstandigheden dood aangetroffen in de paardestal van Gasthof Zum braven Bergmann in Niederwürschnitz; vermoedelijk was hij dronken en wel onder een koets terechtgekomen.

  [76]

Zie noot 21.

  [77]

Pauline Münchmeyer (voluit: Ida Pauline Münchmeyer, geb. Ey, * 14 juni 1840, † 17 mei 1928) was de vrouw/weduwe van Heinrich Gotthold Münchmeyer. Zij hadden vier dochters: Anna Marie (Maria) Jäger, geb. Münchmeyer (* 12 april 1861, † 3 september 1908), Anna (Alma) Veronika Heubner, geb. Münchmeyer (* 10 oktober 1862, † † 2 april 1952), Ida Pauline Schiller, geb. Münchmeyer (* 23 juli 1864, † 12 augustus 1917) en Elsa Flora Böhler, geb. Münchmeyer (* 30 augustus 1873, † 23 oktober 1961).
Tegen de uitdrukkelijke wens van haar overleden echtgenoot Heinrich Gotthold Münchmeyer verkocht Pauline Münchmeyer de uitgeverij plus de rechten op de werken die Karl May daarvoor had geschreven, in 1899 aan Adalbert Fischer (zie noot 91), hetgeen een meer dan 14 jaar durende rechtsstrijd – plus talloze nevenprocessen – ontketende.

  [78]

Charles John Huffam Dickens, * 7 februari 1812, † 9 juni 1870) was een van de belangrijkste Engelse schrijvers tijdens het victoriaans tijdperk, die tot na de Eerste Wereldoorlog Engelands populairste schrijver bleef. Hij verwierf bekendheid met »The Pickwick Papers« (voluit: »The posthumous papers of the Pickwick Club«), »Oliver Twist«, »Nicholas Nickleby«, »David Copperfield«, »Great Expectations«, »A Christmas Carol« en »A tale of two cities«.

  [79]

Bernhard Hermann Cardauns (* 8 augustus 1847, † 14 juni 1925) was een Duitse katholieke historicus, journalist en schrijver, die zijn romans publiceerde onder het pseudoniem Heinrich Kerner. Van 1876 tot 1907 was hij hoofdredacteur van de Kölnische Volkszeitung die onder zijn leiding het leidende blad van de Zentrumspartei in het Rijnland werd. Later werd hij een uitgesproken tegenstander van Karl May.

  [80]

Het anonieme »Das Buch der Liebe. Wissenschaftliche Darstellung der Liebe nach ihrem Wesen, ihrer Bestimmung, ihrer Geschichte und ihren geschlechtlichen Folgen, nebst eingehender Besprechung aller Geschlechts-, Frauen- und Kinderkrankheiten mit besonderer Berücksichtigung des Wochenbettes nebst Anleitung zur Heilung sämmtlicher Krankheiten. Geschrieben und herausgegeben nur für erwachsene und wissenschaftlich gebildete Leute« verscheen in 1876 en kan, hoewel Karl May omwille van de werkdruk in die tijd veel passages uit andere werken heeft overgenomen, gedeeltelijk als zijn eerste boek gelden, hoewel ook anderen teksten aanleverden; in ieder geval is het het eerste boek dat hij als redacteur publiceerde. Twee jaar eerder was het bij Münchmeyer verschenen »Die Geheimnisse der Venustempel aller Zeiten und Völker oder Die Sinnenlust und ihre Priesterinnen. Geschichte der Prostitution und ihrer Entstehung, sowie die Darlegung ihrer Folgen auf die Entwickelung der Menschheit”, samen met het geneeskundige voorlichtingsboek »Die Geschlechtskrankheiten des Menschen und ihre Heilung. Mit besonderer Berücksichtigung der Syphilis, ihrer Entstehung und Folgen. Mit über 100 allopathischen, sowie homöopathischen Recepten versehen, zur Heilung aller Krankheiten, welche die Geschlechtsorgane betreffen« in Pruisen en Oostenrijk-Hongarije verboden. »Das Buch der Liebe« was een poging van Münchmeyer om »Die Geschlechtskrankheiten des Menschen« - vanwege de censuur deels in een nieuw jasje - toch nog op de markt te brengen. Mat verdeelde de voor handen zijnde tekst in drieën en sleep de scherpe kantjes eraf door er nieuwe passages aan te te voegen en de bestaande teksten opnieuw te redigeren. Het boek bestond zodoende uit drie delen:
(Een eerste afdeling zonder titel, mogelijkerwijze geheel van de hand van May).
Een tweede afdeling met de titel „Die Geschlechtskrankheiten des Menschen und ihre Heilung. Mit besonderer Berücksichtigung der Syphilis, ihrer Entstehung und Folgen” is vermoedelijk niet van May, maar hooguit door hem bewerkt.
De derde afdeling met de titel „Die Liebe nach ihrer Geschichte. Darstellung des Einflusses der Liebe und ihrer Negationen auf die Entwickelung der menschlichen Gesellschaft” is met zekerheid deels door May geschreven.
Deze uitgave werd in mei 1877 in Oostenrijk-Hongarije verboden. In 1988/89 gaf de Karl-May-Gesellschaft een reprint in twee delen van het boek uit. Deel 1 is een facsimile van de oorspronkelijke tekst, terwijl deel 2 een commentaardeel is. In het »Jahrbuch der Karl-May-Gesellschaft 2009« verscheen een door Regina Zenzen ingeleide aanvulling van de in deel 1 ontbrekende pagina’s van de derde afdeling. In 2006 ten slotte werd »Das Buch der Liebe» als Band 87 in de Gesammelte Werke opgenomen, voor de liefhebber in diverse uitvoeringen (waarbij alleen de omslag verschillend is).

  [81]

Pater Ansgar Pöllmann (geboren als Theodor Pöllmann, * 21 september 1871, † 20 juni 1933) was een Benedictijner monnik in het klooster Beuron en om een of andere reden een felle tegenstander van Karl May; in zijn zevendelige artikelserie „Ein Abenteurer und sein Werk” in het tijdschrift Über den Wassern sprak hij de wens uit, Karl May „aus dem Tempel der deutschen Kunst hinauspeitschen” te willen. Na ingrijpen van de aartsabt van Beuron, Ildefons Schober (geboren als Friedrich Schober, * 23 februari 1849, † 28 februari 1918), hielden Pöllmanns aanvallen op Karl May als bij toverslag op.

  [82]

Paul Johann Ludwig von Heyse (* 15 maart 1830, † 2 april 1914) was een Duitse schrijver, dichter en essayist. Bekende werken van hem zijn »Jungbrunnen«, »L'Arrabbiatia«, »Francesca von Rimini«, »Die Sabinerinnen«, »Ludwig der Bayer«, »Meraner Novellen«, »Colberg«, »Beatrice«, »Die Göttin der Vernunft«, »Die Kinder der Welt«, »Im Paradiese«, »Alkibiades«, »Merlin«, »Über allen Gipfeln«, »Melusine«, »Vanina Vanini«, »Der Bucklige von Schiras«, »Die törichten Jungfrauen« en »Die Geburt der Venus«. In 1910 won hij de Nobelprijs voor de Literatuur.

  [83]

Maurice Polydore Marie Bernard Maeterlinck (* 29 augustus 1862, † 6 mei 1949) was een Belgisch-Waalse schrijver en dramaturg. Bekende werken van hem zijn »La Princesse Maleine«, »Les Aveugles«, »Les Sept Princesses«, »Pelléas et Mélisande«, »Le Trésor des humbles«, »La Sagesse et la destinée«, »Soeur Béatrice«, »La Vie des abeilles«, »Ariane et Barbe-Bleue«, »Monna Vanna«, »Le Temple enseveli«, »L'Oiseau Bleu«, »Marie-Magdaleine«, »La Mort«, »Le Miracle de saint Antoine«, »Marie-Victoire«, »La Princesse Isabelle«, »Jeanne d’Arc« en »Bulles bleues«. Op maandag 19 januari 1903 bezochten Karl en Klara May Maeterlincks toneelstuk »Monna Vanna« in het Schauspielhaus in Dresden. In 1911 won Maeterlinck de Nobelprijs voor de Literatuur.

  [84]

Alexandre Dumas père (eigenlijk: Alexandre Davy de La Pailleterie Dumas, * 24 juli 1802, † 5 december 1870) was een Frans dramaturg en schrijver van hoofdzakelijk historische romans, o.a. »Les Trois Mousquetaires« (=»De drie musketiers«, »Le comte de Monte-Cristo« (=»De graaf van Monte-Cristo«, »Vingt Ans après« (=»Twintig jaar later«), »La Reine Margot« en »Le Vicomte de Bragelonne ou Dix Ans plus tard« (=»De Burggraaf van Bragelonne«).

  [85]

Edgar Allan Poe (* 19 januari 1809, † 7 oktober 1849) was een Amerikaans schrijver en dichter, die ook werkte als literair criticus en redacteur. Hij was een van de eerste Amerikaanse schrijvers die van de pen probeerde te leven, waardoor hij het zwaar had. Zijn bekendste werken zijn »Metzengerstein«, »Loss of Breath«, »Berenice«, »Morella«, »Ligeia«, »The Devil in the Belfry«, »The Fall of the House of Usher«, »William Wilson«, »The Murders in the Rue Morgue«, »A Descent into the Maelström«, »Never Bet the Devil Your Head«, »The Oval Portrait«, »The Masque of the Red Death«, »The Pit and the Pendulum«, »The Tell-Tale Heart«, »The Gold-Bug«, »The Black Cat«, »The Premature Burial«, »The Purloined Letter«, »The Thousand-and-Second Tale of Scheherazade«, »The Imp of the Perverse«, »The System of Doctor Tarr and Professor Fether«, »The Facts in the Case of M. Valdemar«, »The Cask of Amontillado«, »Hop-Frog« en »The Light-House«.

  [86]

George Gordon Byron (beter bekend als Lord Byron, 22 januari 1788, † 19 april 1824) was een Engels romantisch dichter en schrijver. Byrons reputatie berust niet alleen op zijn geschriften, maar ook op zijn leven vol aristocratische excessen, enorme schulden en talrijke liefdesaffaires. Hij nam bovendien deel aan de Griekse vrijheidsstrijd. Bekendewerken van hem zijn »Hours of Idleness«, »Childe Harold’s Pilgrimage, Cantos I & II«, »She Walks in Beauty«, »The Giaour«, »The Bride of Abydos«, »The Corsair (1814)«, »Lara, A Tale (1814)«, »The Siege of Corinth«, »The Prisoner of Chillon«, »The Dream«, »Prometheus«, »Darkness«, »Manfred«, »The lament of Tasso, supposed to have been written in the dungeon of the lunatic hospital at Ferrara«, »Childe Harold’s Pilgrimage«, »Don Juan«, »Mazeppa«, »The Prophecy of Dante«, »Marino Faliero, doge of Venice«, »Sardanapalus«, »The Two Foscari«, »Cain« en »Heaven and Earth«.

  [87]

Sir Walter Scott, 1st Baronet (* 14 augustus 1771 , † 21 september 1832) was een Schots dichter en schrijver, vooral bekend door zijn historische romans. Zijn »Waverley« was de eerste historische roman, die uitgroeide tot een hele serie, waarvan »Ivanhoe« de bekendste werd. Andere bekende romans van zijn hand zijn o.a. »Rob Roy«, »Old Mortality«, »The Heart of Mid-Lothian« en »The Bride of Lammermoor«; ook zijn gedichten »The Lady of the Lake« en »Marmion« genoten wereldfaam.

  [88]

William Shakespeare (gedoopt op 26 april 1564 [juliaans] , † 23 april [juliaans]/3 mei 1616 [gregoriaans]) was een Engels toneelacteur, dramaturg en Lyricus. Naast 154 sonetten en vijf epische dichtwerken schreef hij 37 of 38 toneelstukken die tot op de dag van vandaag tot de hoogtepunten van de wereldliteratuur worden gerekend. Een opsomming van de hoogtepunten van zijn drama’s is een opsomming van nagenoeg zijn complete toneelwerk: »Titus Andronicus«, »The Comedy of Errors«, »The Two Gentlemen of Verona«, »King Richard II«, »King Richard III«, »The Taming of the Shrew«, »Romeo and Juliet«, »A Midsummer Night’s Dream«, »King Henry IV, Part 1«, »The Merchant of Venice«, »King Henry IV, Part 2«, »Much Ado about Nothing«, »As You Like It«, »The Tragedy of Julius Caesar«, »The Merry Wives of Windsor«, »Troilus and Cressida«, »Hamlet, Prince of Denmark«, »All’s Well That Ends Well«, »Measure for Measure«, »Othello«, »King Lear«, »Timon of Athens«, »Antony and Cleopatra«, »Macbeth«, »Coriolanus«, »The Winter’s Tale«, »The Tempest« en »King Henry VIII or All Is True«.

  [89]

Pater Expeditus Schmidt O.F.M. (geboren als Carl Hermann Schmidt, * 3 juli 1868, † 8 juni 1939) was een Franciscaner monnik en literatuurcriticus. In het tijdschrift Über den Wassern verscheen in 1910 de serie artikelen van Pater Ansgar Pöllmann tegen Karl May (zie noot …). Schmidt koos partij voor Pöllmann met een ingezonden brief (10 mei 1910) aan de Augusburger Postzeitung. May klaagde Schmidt als uitgever en Pöllmann als auteur aan wegens belediging; de hoofdzitting vond op 26 september 1910 plaats; in plaats van inhoudelijk op de zaak in te gaan wird er maandenlang gediscussieerd over de bevoegdheid van de rechtbank en uiteindelijk werd bepaald dat het Amtsgericht Dresden bevoegd was en dit wees Mays klacht op 9 mei 1911 af.

  [90]

Oskar Hermann Gerlach (* 20 juli 1870, † 27 september 1939) was de advocaat van o.a. Pauline Münchmeyer, maar ook van anderen in de talrijke processen tegen Karl May. Door een smerig trucje wist hij gedaan te krijgen dat zijn oude schoolvriendje Hans Conrad Seyfert (* 1869, † ?) als Officier van Justitie op een van de zaken wird gezet; die wist vervolgens gedaan te krijgen dat zijn studievriend Kurt Theodor Larraß (* 17 juni 1874 , † 31 december 1949) de rechter in dit proces werd. Lang leve de „onafhankelijke” en „onpartijdige” rechtspraak!

  [91]

Adalbert Fischer (voluit: Johannes Adalbert Fischer, * 3 december 1855, † 7 april 1907) was uitgever te Dresden, die in 1899 Verlag H. G. Münchmeyer overnam van diens weduwe, met als enig doel om Karl Mays colportageromans opnieuw uit te geven, nu met enkele toegevoegde passages.

  [92]

Richard Alexander Plöhn (* 22 juni 1853, † 14 februari 1901) was fabrikant van verbandstoffen in Radebeul en een vriend van Karl May. Zijn weduwe, Klara Plöhn-Beibler, zou in 1903 Karl Mays tweede echtgenote worden; als „dank” voor het feit dat Richard Plöhn het grootste deel van het gezamenlijk grafmonument te Radebeul had betaald, liet zij Plöhns stoffelijke resten in 1942 uit het graf verwijderen en in Tolkewitz cremeren, omdat hij volgens de Neurenberger rassenwetten een „halfjood” was ...
Naar verluidt kwam zij tot deze verschrikkelijke daad uit angst dat de feestelijkheden rondom Karl Mays honderdste verjaardag op 25 februari 1942 geen doorgang zouden vinden, hetgeen ten eerste natuurlijk geen geldig argument mag zijn voor deze schanddaad en ten tweede kan deze argumentatie ook niet kloppen, want de kisten met de stoffelijke resten van Richard Plöhn en nota bene van Klara’s eigen moeder werden pas op 28 april 1942 uit het graf in Radebeul gehaald en op dezelfde dag gecremeerd in Tolkewitz, waarna de beide urnen op 13 mei 1942 op het urnengrafveld Tolkewitz werden bijgezet. Zou het niet zo kunnen zijn zoals in het artikel uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 6 augustus 1968 al wordt aangegeven, dat de officiële genodigden aan de herdenkingsplechtigheid inderdaad afzegden en dat de boze vrouw – die dus letterlijk over lijken ging! – daarna pas uit boosheid hierover én om dergelijke afzeggingen in de toekomst te voorkomen, tot haar gruwelijke daad is gekomen?

  [93]

Paul Reinhold Brückner (* 10 september 1870, † 12 maart 1937) was een advocaat in Dresden. Hij behartigde in 1901 Karl Mays belangen in de confrontatie met Adalbert Fischer. Hij bewees ook dat Karl Mays handtekening onder nummer 615 in het gastenboek van Hotel Bürgerbräu in Bad Tölz vals was: de valse handtekening was door Mays tegenstanders gebruikt om te „bewijzen” dat Karl May in 1899/1900 helemaal niet in de Oriënt was, maar een kuur in Bad Tölz volgde. De Frankfurter Zeitung zag zich gedwongen deze bewering te rectificeren. In oktober 1902 overnachtten Karl en Klara May op weg naar Bozen/Bolzano werkelijk in Hotel Bürgerbräu en kon de familie Faist - eigenaren van het hotel - verklaren dat deze echte May niet de man was die in juni 1899 de handtekening in het gastenboek had geschreven.

  [94]

Das Vaterhaus. Illustrierte Deutsche Zeitschrift für Unterhaltung und Belehrung verscheen vanaf 1922 bij Verlag „Das Vaterhaus”, H. G. Münchmeyer G.m.b.H., Dresden-Niedersedlitz (op dat moment in handen van Julius Arthur Schubert (* 8 juni 1874, † 1 december 1956), schoonzoon en erfgenaam van Adalbert Fischer); het blad verscheen waarschijnlijk tot 1938. In dit blad verschenen de volgende voorpublicaties van de bewerkte colportageromans van Karl May:
»Der Dukatenhof« (januari-maart 1925; een van Mays »Erzgebirgische Dorfgeschichten«),
»Die Herren von Greifenklau« (1926/27; een deel van Mays colportageroman »Die Liebe des Ulanen«),
»Die Familie Adlerhorst« (1927/28; een deel van Mays colportageroman »Deutsche Herzen - deutsche Helden«),
»Der Weg zum Glück« (1929/30; een deel van Mays colportageroman »Der Weg zum Glück«),
»Der Fremde aus Indien« (1930/31; een deel van Mays colportageroman »Der verlorne Sohn«),
»Das Buschgespenst« (1931; een deel van Mays colportageroman »Der verlorne Sohn«),
»Samiel« (1931; een deel van Mays colportageroman »Der Weg zum Glück«) en
»Aus dem Kelch des Schicksals« (1934/35; een deel van Mays colportageroman »Der verlorne Sohn«).

  [95]

Julius Eduard Maximilian (Max) Dittrich (* 10 juni 1844, † 10 mei 1917) was een schrijver en redacteur van verscheidene kranten. Hij werkte na jarenlang in militaire dienst te hebben gezeten als medewerker van verscheidene ondernemingen, tot hij wegens oplichting en diefstal tot anderhalf jaar werkhuis veroordeeld werd; hij zat zijn straf uit van 13 juli 1866 en 13 januari 1868 in Schloss Osterstein bij Zwickau en leerde daar vermoedelijk Karl May kennen. Het tweetal ontmoette elkaar vermoedelijk weer bij toen ze in de jaren ’80 allebei in dienst waren van Verlag H. G. Münchmeyer. Daarna verwatert het contact, maar in 1902 werd Dittrich in de privéklinkiek „Waldpark-Sanatorium” in Dresden-Blasewitz door dr. Hänel geopereerd en behandeld; Karl May bezocht hem daar en daarna verbleef Dittrich een paar weken in Villa „Shatterhand” om te herstellen. Hij stelde zich ter beschikking als getuige in het proces tegen Münchmeyer/Fischer. Van deze Dittrich ervaart Karl May o.a. dat een zekere Paul Ernst Richard Staberow (* 13 januari 1855, † 8 september 1926) in opdracht van Münchmeyer verantwoordelijk was voor de veranderingen in zijn colportageromans. Toen de aanvallen tegen May in de pers begonnen, engageerde Dittrich zich voor May: zo schreef hij »Karl May und seine Schriften. Eine literarisch-psychologische Studie für Mayfreunde und Mayfeinde« (1904). Rudolf Lebius was bereid om tegen ruime betaling zijner bemoeiingen dit geschrift uit te geven, hetgeen May afwees, waarna Lebius zijn felste tegenstander werd. In 1903 was al onder Dittrichs naam een recensie van Karl Mays »Erzgebirgische Dorfgeschichten« verschenen in het tijdschrift Ueber Berg und Tal, die vermoedelijk door May zelf geschreven was. In 1907 werd Dittrich ten slotte in de districtsinstelling Saalhausen bij Dresden opgenomen, waar hij in november 1908 verhoord werd. In 1917 stierf hij in deze instelling.

  [96]

Bankiershuis Gebrüder Arnhold was een privébank met vestigingen in Dresden en Berlijn. Het werd in oktober 1864 opgericht door de uit Dessau afkomstige Max Arnhold (* 17 april 1845, † 4 december 1908) en Ludwig Philippson; in 1876 stapte laatstgenoemde uit de onderneming en vijf jaar later werd Arnholds broer Georg (* 1 maart 1859, † 25 november 1926) aan de directie toegevoegd. In de beginjaren moest het bankiershuis het met bescheiden kantoren in de Galeriestraße doen, maar vanaf 1873 betrok het een groter kantoor aan Seestraße en in 1878 aan de Altmarkt, alle in Dresden. De voornaamste cliënten waren brouwerijen en de keramiekindustrie (o.a. de Feldschlößchen-Brauerei Dresden, Export-Brauerei Radeberger, Vereinsbrauerei Rixdorf, Brauerei Brunn bij Wenen, Reichelbräu Kulmbach en Hofbierbrauerei Schöfferhof; C.M. Hutschenreuther AG en Triptis AG. Na overname van diverse andere banken werd Gebr. Arnhold de belangrijkste bank van Dresden; in 1907 werd een filiaal in Berlijn geopend.

  [97]

Carl Wermuth (* 1878, † 1951) was een sociaaldemocratische journalist in Berlijn en van 1906 tot 1914 redacteur bij het linkse blad Vorwärts. Toen dit blad op 26 juli 1907 stelde dat Rudolf Lebius zich in een van zijn artikelen niet als „man van eer” had betuigd, werd Wermuth als verantwoordelijk redacteur door Lebius aangeklaagd. Wermuth probeerde daarop bewijsmateriaal voor de stelling dat Lebius geen man van eer was te verzamelen en wendde zich tot Karl May. Omdat Karl May een broertje dood had aan de sociaaldemocratie, ging hij hier niet op in, maar Wermuth noemde Karl May in zijn verweer toch als getuige. In eerste instantie werd Vorwärts tot een boete van 100 mark veroordeeld, maar het blad ging in beroep en noemde Karl May opnieuw als getuige. Daarop schreef Karl May op aandringen van Wermuth de tekst »Lebius, der „Ehrenmann”, met als gevolg dat Lebius begon Karl Mays geloofwaardigheid te ondergraven.

  [98]

Onder de auteursnaam Friedrich Wilhelm Kahl (* 10 mei 1887, † 19 maart 1963) verscheen op 1 april 1908 de brochure »Karl May, ein Verderber der deutschen Jugend«; de auteur was vermoedelijk Rudolf Lebius zelf, van wie ook een kopie van het artikel »Atavistische und Jugendliteratur« uit het jaar 1906 opgenomen was. Verdere verspreiding van deze negatieve brochure werd op 25 april verboden, maar terwijl Karl en Klara May in Amerika verbleven had Lebius het bij de Officier van Justitie voor elkaar gekregen dat er een opsporingsbevel tegen Karl May uitging. Daarop telegrafeert May op 16 oktober aan August Ernst Walter Bahn (* 6 oktober 1873, † 1952), advocaat en partner van de kanselarij Walter Bahn en Willy Beyer in Berlijn, Rathenowerstraße 8I. Op 23 december 1908 informeert deze Walter Bahn de inmiddels weer in Duitsland teruggekeerde Karl May, dat de uitgever van de brochure, Friedrich Bechly, bereid was tot een schikking. Na wat strubbelingen omtrent de betaling van de proceskosten kwam die schikking er uiteindelijk op aandringen van rechter Willi Schenk.

  [99]

Ferdinand Carl Ludwig Pfefferkorn (* 5 augustus 1841, † 8 maart 1916) was een schoolvriendje van Karl May, die in 1855 met zijn vader, diens tweede vrouw en zes broers en zussen naar de Vernigde Staten was geëmigreerd, maar drie jaar later terugkwam naar Duitsland. In 1863 trouwde de inmiddels als barbier in Oberlungwitz werkende Pfefferkorn met Isa Amalie Schultze. Nogmaals drie jaar later emigreerde hij opnieuw, ditmaal definitief. Hij scheidde van Ida en woonde met zijn nieuwe echtgenote, Therese Johanna Pfefferkorn (* 1845, † 1919) in Lawrence/MA, waar hij zijn oude beroep van barbier weer opnmam, maar daarnaast vermoedelijk ook als homeopaat werkzaam was. Volgens het adresboek noemde hij zich vanaf 1883 physician (arts) met als titel M. D. (medicinae doctor, Doctor of Medicine); of deze titel echt was, is niet bekend,maar we weten wel dat hij vanaf dat moment ook chirurgische ingrepen uitvoerde. In het najaar van 1895 bezochten hij en zijn tweede vrouw Karl en Emma May in Villa „Agnes” in Radebeul; bij aldaar gehouden de spiritische seances waren ook Richard en Klara Plöhn aanwezig.
Deze Ferdinand Pfefferkorn zou als voorbeeld voor „Dikke Jemmy” uit de jeugdverhalen »Unter Geiern« en »Der Schatz im Silbersee« (Gesammelte Werke, Band 35 und 36), waar hij Jakob Pfefferkorn heet, hebben gediend. Een neef van Ferdinand Pfefferkorn, Karl Robert Pfefferkorn (* 1849 , † 1934), een ondernemer in Ernstthal, beweerde echter veeleer zichzelf te herkennen in „Jakob Pfefferkorn”/„Dikke Jemmy” en was daar „not amused” over.

[100]

Selma vom Scheidt: zie noot 66.

[101]

Rudolf Bernstein (voluit: Friedrich Rudolf Bernstein, * 25 juli 1858 , † 9 november 1932) was advocaat te Dresden met als specialisatie bouwrecht. Op aandringen van Klara Plöhn-Beibler, Karl Mays latere tweede vrouw, die bevriend was met Bernsteins vrouw Emmy, koos May Bernstein nogal verrassend als advocaat in het auteursrechtenproces tegen Verlag H. G. Münchmeyer. Er ontstond zelfs een hechte vriendschap tussen de families May (inmiddels met de tweede „mevrouw May”) en Bernstein, tot Karl May erachter kwam dat zijn goede vriend „Rudi” het proces nodeloos bleef rekken om zo des te meer te verdienen.
Officieel heette het advocatenkantoor Bernstein, Klotz und Langenhan; partners waren Ernst Hugo Klotz (* 2 februari 1858 , † 20 juli 1908) en Johannes („Hans”) Clemens Langenhan (* 17 januari 1873 , † ?). Langenhan was degene die het minst met May en diens processen te maken had, maar hij was wel de enige van de drie die zijn herinneringen aan May – onnauwkeurig en vol fouten – in 1944 op papier zette.

[102]

Hier is een stukje zin weggevallen; aan de hand van Karl Mays origineel, »Mein Leben und Streben« (p. 300), kunnen we reconstrueren dat de hele zin had moeten luiden: „Hij ziet zichzelf als niet behorende tot de grote massa aan wie niet het weldadige geluk der onbewuste middelmatigheid is beschoren.”

[103]

Foto 2 is inderdaad gemaakt aan boord van de „Großer Kurfürst”, op de heenweg naar Amerika. Foto 4 is echter gemaakt aan boord van de „Kronprinzessin Cecilia” (zoals op de reddingsboot te lezen is, zie ook de wat grotere versie van de foto naast p. 15), dus op de terugweg naar Bremerhaven.

[104]

En ook hier is een stukje zin weggevallen; aan de hand van Karl Mays origineel, »Mein Leben und Streben« (p. 306), kunnen we reconstrueren dat de hele zin had moeten luiden: „Zaken die wettelijk zouden moeten worden verboden worden door de wet integendeel juist begunstigd, iets waar zelfs de rechtvaardigste en meest humane rechter machteloos tegenover staat schrijft May en dat is het waaraan ik dacht toen ik zei dat ik eindelijk mijn opgave had ontdekt.”

[105]

Barbier John Malok uit Chicago verstrekte tegen betaling doctorsbullen van de niet-bestaande Universitas Germana-Americana.

[106]

Koning Klant was een consumentenprogramma van de VARA dat om de twee weken werd uitgezonden van 8 oktober 1965 tot medio 1983.

[107]

De Geistersmiede duikt voor het eerst op in Mays »Babel und Bibel« en komt later nogmaals terug in »Ardistan und Dschinnistan«: tussen Ardistan en Dschinnistan ligt Merdistan, die steil omhooglopende strook oerwoud, waardoorheen men zich als in een labyrint van rotsen een gevaarlijke en moeilijke weg naar boven moet banen als men in Dschinnistan, dus: hogerop, wil komen. Merd is het Perzische woord voor man, dus in Merdistan mogen en kunnen zich alleen maar mannen wagen; ieder ander die het probeert, komt zonder meer om. Het gevaarlijkste deel van dit nog nauwelijks bekende gebied is het „Woud van Kulub” (Kulub is Arabisch voor: harten). In de krochten van onze harten loeren de vijaden die men een voor een moet verslaan als men van Ardistan naar Dschinnisten wil ontsnappen. En midden in dat “Woud van Kulub”, is die plek te vinden, waarover May in »Babel und Bibel« (p. 78) schrijft: in de Geisterschmiede smeden geen geesten, maar men smeedt daar geesten.

[108]

Maria Schrott (* 23 januari 1853, † 12 mei 1934) was de eigenares van Hotel Penegal op de Mendelpas. Met haar man Alois (* 8 december 1838, † 28 maart 1902) had zij vier kinderen: Henriette, Walther, Othmar en Marianne. Na de dood van haar man leidde zij het hotel verder tot haar zoon Walther de leiding overnam. In Hotel Penegal hadden Karl May en zijn maîtresse Klara Beibler Emma May in 1902 achtergelaten; Karl May werd door Maria Schrott over Emma’s doen en laten op de hoogte gehouden; ook de twee dochters Henriette (* 24 juni 1877, † 10 februari 1962) en Marianne hielden Emma nauwgezet in de gaten. In 1910 werd het drietal Maria, Henriette en Walther Schrott in Bozen (Italiaans: Bolzano) als getuigen verhoord.

[109]

Lambert Adolphe Jacques Quetelet (* 22 februari 1796, † 17 februari 1874) was een Belgisch astronoom, wiskundige, statisticus, wetenschapshistoricus en socioloog. Hij was de oprichter van de sterrenwacht in Brussel, die later naar Ukkel zou verhuizen en de naam Koninklijke Sterrenwacht van België; daarvan bleef hij directeur van 1832 tot 1874. Hij was een van de eersten die statistische methoden in de sociale wetenschappen toepaste. Zijn invloedrijkste boek was »Sur l’homme et le développement de ses facultés, ou Essai de physique sociale«, gepubliceerd in 1835. Hierin is sprake van het begrip l’homme moyen („de gemiddelde mens”). Deze fictieve persoon wordt gekarakteriseerd door de gemiddelde waarden van alle gemeten variabelen die aan menselijk gedrag ten grondslag liggen. Het was zijn doel de statistische regels te begrijpen die ten grondslag lagen aan fenomenen als criminaliteitscijfers, huwelijkssluitingen en zelfmoordpercentages.

[110]

Met „Olms” op deze en de volgende bladzijden bedoelt Schuurman de reprint van »Mein Leben und Streben” van Karl May, met talrijke aantekeningen van Hainer Plaul (* 18 oktober 1937), uitgegeven in 1974 door Olms Presse in Hildesheim (1997 3).

[111]

De heer Schuurman heeft de onhebbelijkheid om zijn hoofdtekst af te wisselen met citaten, zonder dat duidelijk aan te geven. Omwille van de leesbaarheid heb ik de door hem gebruikte citaten hier binnen een kadertje gezet.

[112]

Provo was een anarchistische protestbeweging die op 25 mei 1965 werd opgericht in Nederland en na twee jaar weer werd opgeheven. Oprichters waren Roel van Duijn (* 20 januari 1943; „filosoof”), Rob Stolk (* 23 februari 1946, † 31 maart 2001; drukker) en Garmt Kroeze (* 5 augustus 1937, † 8 november 2017; onderwijzer/arbeider); ook de pornograaf Joop Wilhelmus (* 7 januari 1943, † 8 september 1994) speelde een rol in de beweging. In de zomer van 1965 sloten de provo’s zich aan bij de „happenings” van Robert Jasper Grootveld (* 19 juli 1932, † 26 februari 2009; „kunstenaar”) op het Spui in Amsterdam. De criminoloog Wouter Buikhuisen (* 5 december 1933, † 6 mei 2025) introduceerde het begrip „provo” in zijn proefschrift »Achtergronden van nozemgedrag« waarop hij in 1965 promoveerde; het woord is afgeleid van provoceren. Buikhuisen verbaasde zich over het ontstaan van een grote stroming antiautoritaire jongeren. Roel van Duijn gebruikte het daarna als geuzennaam. Het gedrag van de provocerende nozem moest worden gepolitiseerd.

[113]

Jean Genet (* 19 december 1910, † 15 april 1986) was een Frans schrijver en dichter. Hij bracht zijn jeugd door in opvanghuizen en reeds op zijn tiende werd hij veroordeeld voor diefstal en belandde hij in een jeugdgevangenis. Hij was onschuldig, maar omdat de wereld hem desondanks tot dief had verklaard, besloot hij deze reputatie na te leven. „Ik verwierp de wereld die mij verworpen had,” schreef Genet later. Op 19-jarige leeftijd ontsnapte Genet uit de gevangenis en sloot zich aan bij het Franse Vreemdelingenlegioen, om al snel weer te deserteren. Tien jaar zwierf hij door Europa en bracht hij – wegens veroordelingen voor landlopen, homoseksualiteit, prostitutie, diefstal en smokkelen – veel tijd door in Europese gevangenissen. Aan het einde van deze periode verbleef Genet in nazi-Duitsland, waarover hij schreef: „Dit is een natie van dieven. Wanneer ik hier steel, betekent dat niets bijzonders voor de realisatie van mezelf. Ik gehoorzaam slechts de gebruikelijke gang van de dingen. Ik vernietig niets.” Vanaf 1942 schreef Jean Genet autobiografische boeken waarin de bourgeoisie belachelijk wordt gemaakt en de pracht van diefstal en homoseksualiteit wordt gevierd. In 1948 werd hij voor de tiende keer veroordeeld wegens inbraak, waardoor hij automatisch levenslange gevangenisstraf kreeg opgelegd. Dankzij petities van André Gide (* 22 november 1869, † 19 februari 1951), Jean Cocteau (* 5 juli 1889, † 11 oktober 1963) en zijn latere biograaf Jean-Paul Sartre (* 21 juni 1905, † 15 april 1980) kwam hij toch vrij. Als dank schreef hij een gedicht waarin de waarden van criminelen en het meditatieve leven in de gevangeniscel worden geprezen.
Bekende werken van hem zijn »Le Condamné à mort«, »Notre-Dame-des-Fleurs», »Miracle de la rose», »Les Bonnes», »Querelle de Brest«, »Pompes funèbres«, de autobiografie »Journal du voleur« en »Les Nègres«.

[114]

Jean-Paul Charles Aymard Sartre (* 21 juni 1905, † 15 april 1980) was een Franse communistische filosoof, publicist romanschrijver en dramaturg, die als voornaamste exponent van het existentialisme wordt gezien. Als zijn belangrijkste werken worden o.a. »La Nausée«, »La Transcendance de l’ego. Esquisse d’une description phénoménologique«, »L’être et le néant«, »Les mouches«, »Huis clos«, »L’existentialisme est un humanisme«, »Les chemins de la liberté« en »Les mains sales« beschouwd.

[115]

Frederik Willem van Eeden (* 3 april 1860, † 16 juni 1932) was een Nederlands arts, psychiater, spiritist, dichter en literair schrijver. Hij is vooral bekend geworden door zijn romans »De kleine Johannes« en »Van de koele meren des doods«. Andere bekende werken van hem zijn »Aan den keizer aller Russen«, »Johannes Viator. Het boek van de liefde«, »Lioba«, »De heks van Haarlem. Treurspel der onzeekerheid«, »De Bokkenrijder of het skelet« en »Jezus’ leer en verborgen leven«, Van Eeden begon zijn medische carrière als huisarts en werd daarna psychiater. Hij hield zich onder meer diepgaand bezig met taal- en begripskritiek. Rond 1900 ontwikkelde hij zich in anarchistische richting. De kolonie Walden, een commune in Bussum, was een poging zijn maatschappelijke opvattingen concreet gestalte te geven. Het Walden-experiment van 1898 tot 1907 is voor de ontwikkeling van het socialisme in Nederland van betekenis geweest. Een echte leider had de commune niet: men nam alle besluiten in gezamenlijkheid en de grond was gemeenschappelijk bezit. De idealistische opzet werd uiteraard een mislukking door zakelijk amateurisme en bovendien hielden niet alle bewoners zich eerlijk aan de afspraken over gezamenlijk eigendom. Uiteindelijk ging Walden in 1907 failliet.

[116]

„Band” is een germanisme; in het Nederlands hebben wij het over een „deel” (uit een serie).

[117]

Bertha von Suttner (voluit: Bertha Sophia Felicita Freifrau von Suttner, geborene Gräfin Kinsky von Wchinitz und Tettau, * 9 juni 1843 , † 21 juni 1914) was een Oostenrijkse pacifiste en schrijfster. Zij was in 1905 de eerste vrouw die de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, vooral vanwege haar in 1899 gepubliceerde roman »Die Waffen nieder!«. Zij overleed exact één week vóór de aanslag op Franz Ferdinand, die de aanleiding zou worden tot een van de ernstigste oorlogen aller tijden. Haar beeltenis siert vanaf 2002 de Oostenrijkse 2-euro-munt.

[118]

Fritz Barthel (* 3 augustus 1881, † 19 april 1960) was een Duitse journalist, redacteur, schrijver en bewerker bij de Karl-May-Verlag. Samen met Rudolf Beissel (* 6 april 1894, † 11 juli 1986), een bekende Karl May-onderzoeker en schrijver, gaf hij van 1918 tot 1920 de eerste drie »Karl-May-Jahrbücher« uit en samen met zijn vrouw Lisa Barthel geb. Winkler (* 2 januari 1893, † 1966) bewerkte hij het draaiboek van »Winnetou« door Martin Raschke (* 4 november 1905, † 24 november 1943) voor de eerste Karl-May-Spiele in Ratingen. In 1955 schreef hij de biografische roman »Letzte Abenteuer um Karl May«.

[119]

Dr. Euchar Albrecht Schmid (* 29 augustus 1884, † 15 juli 1951) was op 1 juli 1913 samen met Friedrich Ernst Fehsenfeld en Klara May oprichter van de Karl-May-Verlag. Op 28 november 1913 werd vastgelegd dat Schmid tot het einde van de wettelijk bepaalde auteursrechten de enige uitvoerend directeur van de uitgever zou zijn; dat zou dus 1943 zijn, maar voor die tijd werden alle geldende auteursrechten in Duitsland door een wetswijziging verlengd tot vijftig jaar en zo bleef Schmid tot kort voor zijn dood directeur. In 1950 droeg hij de leiding van de uitgeverij over aan zijn oudste zoon, Joachim Schmid (* 29 juni 1922, † 10 januari 2003). Ook alweer in verband met rechten, maar ook van de politieke spanningen tussen de BRD en de DDR werd Joachim tussen 1950 en 1960 de enige directeur van Verlag Joachim Schmid in Bamberg. In 1960 werd er een verdrag gesloten met de Karl-May-Stiftung in Radebeul en mocht de uitgeverij in Bamberg zich weer Karl-May-Verlag noemen; Joachim bleef daarvan directeur van 1960 tot 1993, maar nu met zijn beide jongere broers Lothar (* 10 mei 1928, † 18 mei 2013) en Roland (* 15 mei 1930, † 4 januari 1990). Van 1993 tot 2003 was Lothar de enige directeur, van 2003 tot 2007 was hij dat samen met zijn zoon Bernhard (* 29 maart 1962) en vanaf 2007 is Bernhard – de derde generatie – de enige directeur van de uitgeverij. Een vierde zoon van Dr. Euchar Albrecht Schmid, Wolfgang (* 1 april 1924, † 30 januari 1945) is in de oorlog aan het oostfront gesneuveld.

[120]

In werkelijkheid 1 juli 1913, aanvankelijk onder de naam Verlag der Karl May-Stiftung Fehsenfeld & Co.

[121]

Als voorbeeld voor „Carpio” – eigenlijke naam volgens Karl May: Hermann Lachner – in »Weihnacht!« (Gesammelte Werke, Band 24) diende waarschijnlijk Friedrich Wilhelm Garbe (* 26 juli 1842, † 30 juni 1887), een medescholier van Karl May aan de Ernstthaler Volksschule, die de bijnaam „karper” droeg en volgens stadsarchivaris en May-kenner Hans Zesewitz (* 23 december 1888, † 26 januari 1976) lichtelijk „mesjokke” was. Zijn vader was de wevergezel Karl Heinrich en zijn moeder heette Christiane Friederike Garbe, geb. Rost: de naam Rost kennen we ook uit »Weihnacht!«.

[122]

Peteh („Oorlogsadelaar”) is in »Weihnacht!« (Gesammelte Werke, Band 24) het vreselijke en listige opperhoofd van de Káinai (Bloedindianen). Hij sterft na een duel met Old Shatterhand.

[123]

Hermann Rost is van beroep barbier, maar opgeleid als arts. Hij sluit zich in »Weihnacht!« (Gesammelte Werke, Band 24) aan bij Old Shatterhand en Winnetou op hun winterse tocht naar het westen; met kerstmis wordt hij rijk bedacht door Winnetou en bestudeert bij de Shoshones de indiaanse geneeskunde. Vervolgens opent hij in het oosten van de Verenigde Staten een naturopathische praktijk. Voorbeeld voor Hermann Rost is waarschijnlijk Friedrich Eduard Bilz (* 12 juni 1842, † 30 januari 1922), natuurgeneeskundige in Radebeul en een goede vriend van Karl May, naast wiens graf hij begraven ligt.

[124]

Rudolf Karl Alexander („Sascha” Schneider (* 21 september 1870, † 18 augustus 1927) was een Duits hoogleraar, beeldhouwer en schilder, die vooral als illustrator van Karl Mays Reise-Erzählungen bekend werd.

[125]

Melle Oldeboerrigter (* 27 mei 1908, † 24 mei 1976) was een Nederlands kunstenaar, die zijn werk alleen met zijn voornaam signeerde. Hij was kunstschilder, aquarellist, tekenaar, lithograaf, etser, boekbandontwerper, collagist en textielkunstenaar.

[126]

Fanny Kelk (* 13 januari 1918, † 7 november 1978) was een Nederlands textielkunstenares in kleden en wandtapijten, ontwerpster van kledingaccessoires en journaliste op het gebied van beeldende kunst, m.n. bij Het Parool. Beide hier weergegeven krantenartikelen zijn uit Het Parool, allebei van 25 mei 1976.

[127]

Gerrit Willem Rietveld (* 24 juni 1888, † 25 juni 1964) was een Nederlands architect en meubelontwerper; hij maakte ook grafisch werk, onder meer affiches en omslagen voor tijdschriften, waaronder een voor De Gemeenschap in 1925. Hij is vooral bekend als lid van De Stijl en als pionier van het Nieuwe bouwen. Naar hem is sinds 1968 de hoge school voor beeldende kunst en vormgeving in Amsterdam genoemd.

[128]

Rembrandt Harmenszoon van Rijn (* 15 juli 1606, † 4 oktober 1669) was een Nederlandse kunstschilder, etser en tekenaar. Hij geldt algemeen als een van de grootste schilders en etsers in de Europese kunst, en als de belangrijkste Hollandse meester van de 17e eeuw. Rembrandt vervaardigde in totaal ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen. Zijn leven is ettelijke malen verfilmd, o.a. in 1936 door Alexander Korda (geboren als Sándor László Kellner of Sándor Korda, * 16 september 1893 , † 23 januari 1956), naar een scenario van Carl Zuckmayer (* 27 december 1896 , † 18 januari 1977).

[129]

Max Ernst (* 2 april 1891, † 1 april 1976) was een Duits surrealistisch schilder.

[130]

Gustav Selmar Werner (* 12 december 1864, † 19 augustus 1953) was een beeldhouwer en een vriend van Karl May, wiens atelier in de Blasewitzer Straße 9 in Dresden lag. Na enig aarzelen - Klara Plöhn dacht eerder aan Max Klinger (* 18 februari 1857, † 4 juli 1920) - viel de keuze voor het figuratieve reliëf van het graf op Selmar Werner, die in die tijd nog zelden opdrachten kreeg voor grote projecten. Hij voltooide het in 1903. Uiterlijk in 1908 had hij de buste van Karl May in sneeuwwit marmer gemaakt; de bronzen buste van Winnetou daarentegen werd waarschijnlijk pas in 1925 vervaardigd. Een bekend werk van het is het Schiller-Monument op de Albertplatz in Dresden. Een van zijn laatste werken was de sierlijke Madonna, gemaakt in 1952 voor het graf van Euchar Albrecht Schmid (* 29 augustus 1884, † 15 juli 1951), directeur van de Karl-May-Verlag; voorheen in Bad Liebenstein, is het nu te zien in Bamberg.

[131]

Wilhelm Heinrich Kreis (* 17 maart 1873, † 13 augustus 1955) was een Duitse architect, die van 1902 tot 1908 professor für ruimtelijke kunst aan de Kunstgewerbeschule in Dresden was en o.a. de Friedrich-August-Brücke in Dresden (1907-1910), de warenhuizen van Leonhard Tietz AG in Köln und Elberfeld (1912-1914), het Deutsches Hygiene-Museum in Dresden (1927-1930), de Landeszentralbank in Dortmund (1950-1952) en elf Bismarcktorens (o.a. in Radebeul) ontwierp. Gedurende zijn tijd in Dresden/Radebeul organiseerde hij kunstenaarsavonden, die o.a. door Selmar Werner (zie noot 130), Sascha Schneider (zie noot 124), Kuno Graf von Hardenberg (* 13 augustus 1871, † 15 november 1938) en Karl May bezocht werden.

[132]

Gerardus (Gerard) Heymans (* 17 april 1857, † 18 februari 1930) was een Nederlands filosoof en psycholoog, die gezien wordt als een van de belangrijkste filosofen van Nederland en als de grondlegger van de Nederlandse psychologie. Het oprichten van het psychologisch laboratorium in Groningen in 1892 wordt gemarkeerd als de start van de experimentele psychologie in Nederland. Van zijn geschriften zijn m.n. te noemen »Einführung in die Metaphysik«, »Einführung in die Ethik auf Grundlage der Erfahrung« en »Die Gesetze und Elemente des wissenschaftlichen Denkens, Ein Lehrbuch der Erkenntnistheorie in Grundzügen«, alle verschenen in het „Algemeen Beschaafd Gronings”, en »De oorlog en de vredesbeweging«, in het Nederlands; laatstgenoemd werk verscheen in het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak.

[133]

De heer v. Linden vergist zich inderdaad. Dit was een populair geintje in de Eerste Wereldoorlog, maar bepaald onjuist. V. Linden zet dit drie jaar later recht op p. 116 van zijn »Enige essentiële elementen in leven en werk van Karl May«. Dicke Bertha is de bijnaam van een Duitse houwitser, waarvan de officiële naam Kurze Marine Kanone L/12 luidde, met als codenaam M-Gerät. Het werd gebouw door de staalfabrieken van Krupp en in werkelijkheid genoemd naar Bertha Krupp von Bohlun und Halbach, geb. Krupp (* 29 maart 1886, † 21 september 1957), die het bedrijf Friedrich Krupp AG erfde van haar vader Friedrich Alfred Krupp (* 17 februari 1854, † 22 november 1902) en in 1906 trouwde met Gustav Georg Friedrich Maria Krupp von Bohlen und Halbach (* 7 augustus 1870, † 16 januari 1950).

[134]

Werner Raddatz (* ?, † ?) publiceerde in 1965 een Karl May-biografie met de titel »Das abenteuerliche Leben Karl Mays« bij de Sigbert-Mohn-Verlag; in deze biografie stelt hij o.m. dat Karl Mays blindheid (gedeeltelijk) te danken zou zijn aan Heinrich August Mays alcoholconsumptie.

[135]

Hans Wollschläger (* 17 maart 1935, † 19 mei 2007) was een Duits schrijver, vertaler, historicus, uitgever, muziekwetenschapper, organist en Karl-May-onderzoeker. In 1965 publiceerde hij de eerste complete biografie van Karl May (»Karl May in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten« (latere drukken onder de titel »Karl May. Grundriß eines gebrochenen Lebens«). In 1971 werd hij plaatsvervangend voorzitter van de Karl-May-Gesellschaft en mede-uitgever van de »Jahrbücher der Karl-May-Gesellschaft«, waarin hij zelf ook volop bijdragen over het leven en werk van Karl May schreef. Ook was hij als uitgever betrokken bij de publicatie van de Historisch-Kritische Ausgabe.

[136]

Arno Otto Schmidt (* 18 januari 1914, † 3 juni 1979) was na de Tweede Wereldoorlog een van de belangrijkste schrijvers in het Duitse taalgebied. Na meer dan tien artikelen over Karl May, zoals „Vom neuen Großmystiker (Karl May)”, „Abu Kital. Vom neuen Großmystiker”, „Old Shatterhand und die Seinen. Eine Darstellung von Leben und Werk Karl May’s”, schreef Arno Schmidt in 1963 »Sitara und der Weg dorthin. Eine Studie über Wesen, Werk & Wirkung Karl May’s«: het boek dat Dr. C.J. Schuurman hier bedoelt.

[137]

De openluchtspelen in Ruurlo met voorstellingen naar de verhalen van Karl May vonden plaats in 1962, 1965, 1968 en 1971, omdat Staatsbosbeheer het Rijkenbargse Bos nabij Ruurlo opeiste. Andere plekken op de spelen op te voeren waren er niet, dus de openluchtspelen stierven een roemloze dood.

[138]

Het lijkt er eerder op dat het omgekeerde het geval is: burgemeester De Beaufort (Jhr. mr. Jan Willem de Beaufort (* 13 juli 1913, † 28 juni 2001; van 1953 tot 1978 burgemeester van Ruurlo) en D. J. R. Waringa (gemeentesecretaris van Ruurlo en souffleur bij de Karl-May-spelen) vermomd als Winnetou en Old Shatterhand.

[139]

Georg Trakl (* 3 februari 1887, † 3 november 1914) was een Oostenrijkse expressionistische dichter en apotheker. Zijn bundel »Gedichte« verscheen in 1913, de bundel »Sebastian im Traum« en het gedicht »Grodek« verschenen in 1915 postuum. Als medicus had hij de Slag bij Gródek in september 1914 meegemaakt, maar uit frustratie dat hij niets voor de gewonden kon doen, pleegde hij zelfmoord.

[140]

Otto Basil (tot oktoeber 1935 officieel Otto Adam Franz Bazil, * 24 december 1901, † 19 februari 1983) was een Oostenrijks schrijver, publicist en journalist. Naast biografieën over Georg Trakl (zie noot 139) en Johann Nestroy (* 7 december 1801, † 25 mei 1862, een Oostenrijks dramaturg, toneelspeler en operazanger) schreef hij gedichten, waarvan de bekendste bundels »Sternbild der Waage. Gedichte aus zwei Zyklen« en »Schon sind wir Mund und Urne. Ausgewählte Gedichte« zijn.

[141]

Donatien Alphonse François, Comte de Sade, afgekort „D.A.F. de Sade” en bij ons bekend als Marquis de Sade (* 2 juni 1740, † 2 december 1814) was een Franse schrijver. Hij is bekend geworden door het naar hem benoemde sadisme. Hij schreef pornografische romans vol geweld, waarvan hij de meeste gedurende decennialange verblijven in gevangenissen en gekkenhuizen. Tot zijn bekendste werken behoren »Les Cent-Vingt journées de Sodome ou l’École du libertinage« (»De 120 dagen van Sodom«), »Aline et Valcour ou le roman philosophique«, »Justine ou les Malheurs de la vertu« (»Justine of De tegenspoed der deugdzaamheid«) en »La Philosophie dans le boudoir ou Les instituteurs immoraux« (»Filosofie in het boudoir of De immorele schoolmeesters«).

[142]

Walter Lennig (* 13 februari 1902, † 18 februari 1968) was een Duits journalist en biograaf, die o.a. biografieën over Edgar Allan Poe (zie noot 85) en Marquis de Sade (zie noot 141) schreef.

[143]

Drie zinnen uit dit krantenartikel van (?) zijn met pen onderstreept en in de marge van een vraagteken, eveneens met pen geschreven, voorzien. Heeft dhr. v. Linden of dr. Schuurman dit gedaan?

[144]

Hermann Karl Hesse (* 2 juli 1877, † 9 augustus 1962) was een Zwitsers, Duitstalig schrijver, dichter en schilder. Zijn bekendste werken zijn »Peter Camenzind«, »Siddharta. Eine indische Dichtung«, »Der Steppenwolf«, »Narziß und Goldmund« Voor zijn literaire werk ontving hij in 1946 de Nobelprijs voor Literatuur.

[145]

Carl Zuckmayer (* 27 december 1896, † 18 januari 1977) was een Duitse schrijver. Zijn bekendste toneelstukken zijn »Der fröhliche Weinberg«, »Schinderhannes«, »Der Hauptmann von Köpenick« en »Des Teufels General«. Verder is zijn autobiografie »Als war’s ein Stück von mir« beroemd geworden, maar hij schreef ook de scripts van o.a. de Duitse film »Der blaue Engel« en de Nederlandse film »Boefje«. Zijn in 1926 geboren dochter droeg de doopnamen Maria Winnetou.

[146]

Heinrich Mann (* 27 maart 1871, † 11 maart 1950) was een Duits schrijver. Zijn bekendste werken zijn »Professor Unrat oder Das Ende eines Tyrannen« (dat later verfilmd werd als »Der blaue Engel«), »Der Untertan, »Die Armen«, »Der Kopf« (deze drie vormen samen de Kaiserreich-Trilogie) en de in Amsterdam bij Querido uitgegeven romans »Die Jugend des Königs Henri Quatre« en »Die Vollendung des Königs Henri Quatre«.

[147]

Nienke van Hichtum (Fries: Nynke fan Hichtum, pseudoniem van Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer, * 13 februari 1860, † 9 januari 1939) was een Nederlandse en Friese vertaalster en kinderboekenschrijfster. Haar bekendste boek is het flauwe »Afke’s tiental«, dat op elke bladzijde met socialistische propaganda doordesemd is. Zij was een tijdje getrouwd met de dichter, advocaat en socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra (* 20 april 1860, † 12 mei 1930), die in een zielige poging om de omwenteling in Duitsland na te apen, in november 1918 ook in Nederland de socialistische revolutie wilde uitroepen.
Haar anti-Karl-May-schotschrift met de titel „Wat wordt er gedaan” publiceerde zij op 7 mei 1910 in het tijdschrift Het Kind.

[148]

Volledige titel: »Old Shatterhand - Kara Ben-Nemsi - ook voor U! De boodschap van Karl May, de idealist uit het Avondland«, een van de oudste Nederlandstalige boeken over Karl May, van F. C. de Rooy (zie noot 10).

[149]

Mr. Pieter Jelles Troelstra (* 20 april 1860, † 12 mei 1930) was een Nederlandse dichter, advocaat, journalist en politicus. Hij is bekend geworden als de leider van de S.D.A.P. (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij), die in november 1918, in navolging van de omwentelingen in Rusland en Duitsland, een zielige schertsvertoning op touw zette om ook in Nederland de socialistische revolutie uit te roepen, hetgeen uiteraard faliekant mislukte. Daarnaast heeft Troelstra in Friesland grote bekendheid gekregen als Fries schrijver en dichter.

[150]

Erich Schwinge (* 15 januari 1903, † 30 april 1994) was een Duits militair-jurist. Onder het pseudoniem Maximilian Jacta publiceerde hij tussen 1962 en 1972 een verzameling van „beroemde strafprocessen”, die ook in diverse talen vertaald werd. Een daarvan was een verhandeling over Karl May, die in 1972 door de Karl-May-Verlag als apart boekje verscheen.

[151]

Wat in 1976 waarschijnlijk nog niet bekend was, omdat men er liever niet over sprak of schreef, was dat kerk- en schoolraad Dr. Gotthilf Ferdinand Döhner in opdracht van de districtsdirectie Zwickau naar Plauen afreist om op 26, 27 en 28 augustus 1860 op het Vogtländisches Schul-Lehrer-Seminar - héél voorzichtig en héél discreet - onderzoek te verrichten naar aanleiding van de door districtsarts Dr. Emil Richard Pfaff te berde gebrachte roddels over de wijd en zijd verbreide „plaag” van onanie. Karl May was pas op 2 juni van dat jaar begonnen aan die kweekschool en woonde bovendien niet in het seminarie zelf, maar in een onderkomen in de stad Plauen zelf. Zelfs het beddengoed werd onderzocht. Uit dat onderzoek in augustus 1860 zou blijken dat ongeveer de helft van de studenten zich schuldig maakte aan deze „plaag”; natúúrlijk werd door mededelingen verteld dat ook een „leerling die van het seminarie Waldenburg was gekomen, maar uit Ernstthal afkomstig was” hierbij betrokken was en dat kan er maar één zijn: Karl May. Natuurlijk! Die jongen die pas was gearriveerd en met nauwelijks iemand van zijn klasgenoten contact had! Vrij logisch dat hij genoemd, of liever gezegd omschreven werd. Een paar maanden later, toen Karl May nog steeds niet in het seminarie woonde (!), werd het onderzoek herhaald en het bleek dat het aantal leerlingen dat zich onledig hield met deze „plaag” in die paar maanden drastisch gedaald was.

[152]

Hermann Cardauns: zie noot 79.

[153]

In het Bomann-Museum in Celle werd in de zomer van 2022 een tentoonstelling gehouden over Arno Schmidt; in de kelder van het museum was de kleding van Arno Schmidt en zijn vrouw te zien. Als we zin hadden gehad, hadden we een verhandeling kunnen schrijven over de sexuele aberraties die aan een dergelijke tentoonstelling ten grondslag liggen, maar die zin hebben we niet.

[154]

Johann Ludwig Uhland (* 26 april 1787, † 13 november 1862) was een Duits dichter, filoloog, literatuurwetenschapper, jurist en politicus. Samen met zijn vriend, de arts Justinus Kerner (* 18 september 1786, † 21 februari 1862), gaf hij het Sonntagsblatt für ungebildete Stände uit. Hij dichtte o.a. »Der gute Kamerad», dat tot op de dag van vandaag in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland gezongen of gespeeld wordt bij een militaire begrafenis. Ook het gedicht »Frühlingsglaube« is zeer bekend, net als »Schwäbische Kunde« (over de Derde Kruistocht). In 1815 werd hij lid van de Württembergse Landtag (tot 1838) en vanaf 1829 professor voor Duitse taal en literatuur in zijn geboortestad Tübingen. In 1848 werd hij nog eenmaal politiek actief en werd door 90% van de inwoners van Tübingen als afgevaardigde naar het parlement in de Paulskirche in Frankfurt am Main gekozen. Naast gedichten als de genoemde plus »Des Sängers Fluch«, »Einkehr« en »Das Glück von Edenhall« schreef hij ook toneelstukken, waarvan »Ernst, Herzog von Baden. Trauerspiel in fünf Aufzügen« en »Ludwig der Baier. Schauspiel in fünf Aufzügen« de bekendste zijn. Ten slotte schreef hij theoretische schriften over »Walther von der Vogelweide, ein altdeutscher Dichter«, »Der Mythus von Thôr nach nordischen Quellen« en »Sagenforschungen«.

[155]

Fedor Dostojevski (eigenlijk Fjodor Michajlovitsj Dostojevski (Russisch: Фёдор Миха́йлович Достое́вский), * 11 november [juliaans]/30 oktober [gregoriaans] 1821 , † 9 februari [juliaans]/28 januari [gregoriaans] 1881) was een van de beroemdste Russische schrijvers, wiens romans »Преступление и наказание« (»Schuld en boete«/»Misdaad en straf«), »Идиот« (»De idioot«) en »Братья Карамазовы« (»De gebroeders Karamazov«) wereldberoemd zijn geworden en gebleven.

[156]

Vincent Willem van Gogh (* 30 maart 1853, † 29 juli 1890) was een van de beroemdste Nederlands kunstschilders, behorende tot de stroming van het (post)impressionisme, die echter pas na zijn dood de waardering kreeg die hij verdiende. Zijn invloed op kunststromingen als het expressionisme, het fauvisme, de vroege abstractie en vele andere stromingen in de twintigste eeuw was enorm.

[157]

Prof. Wilhelm Heinrich Carl Tenhaeff (* 18 januari 1894, † 9 juli 1981) was van 1953 tot 1978 een Nederlandse bijzonder hoogleraar parapsychologie aan de Universiteit van Utrecht. Met de benoeming van Tenhaeff werd voor het eerst een leerstoel in deze discipline ingesteld. Tenhaeffs autoritaire karakter leidde ertoe dat hij de leerstoel tot zijn 81ste bekleedde, omdat hij het niet eens kon worden over zijn opvolging.
Elders op deze pagina’s treft u een verslag van een lezing van Prof. Tenhaeff, waarin Karl May zijdelings wordt genoemd, aan.

[158]

Fritz Barthel: zie noot 118.

[159]

Een Rätselholz is een soort houten puzzel, waarvan men de delen op een bepaalde manier of volgorde in elkaar moet zetten of juist uit elkaar moet halen waardoor men een soort oplossing te lezen krijgt. Het puzzeltje wordt wel gebruikt door mensen die in spiritisme geloven; de „oplossing” is dan, geloven zij, een boodschap uit de geestenwereld.

[160]

Volgens Klara May, die als enige bij het overlijden van Karl May in Villa „Shatterhand” aanwezig was, waren zijn laatste woorden: „Sieg, großer Sieg! Ich sehe alles Rosenrot!” („Overwinning, grote overwinning! Ik zie alles rood als rozen!”).

[161]

Naphthali ben Levi („Henri”) van Praag (** 12 september 1916 – Hilversum, 3 november 1988) was een Nederlands-joodse pedagoog, filosoof en theoloog (of liever gezegd: godsdiensthistoricus), die ook bekendheid kreeg als (ortho)pedagogisch therapeut en als publicist op psychologisch en parapsychologisch gebied. In het laatste vak werd hij in 1978, als opvolger van prof. W.H.C. Tenhaeff (zie noot 157), bijzonder hoogleraar namens de Studievereniging voor Psychical Research (SPR) aan de Rijksunversiteit Utrecht. Zijn »Parapsychologische bibliotheek« in 1975 uitgegeven bij Meulenhoff, bestaat niet uit negen, maar uit tien delen: 1. »Inleiding tot de parapsychologie«, 2. »Telepathie en telekinese«, 3. »Paranormaal bewustzijn«, 4. »Paranormale lichamelijkheid«, 5. »Paranormale identiteit«, 6. »Paranormale manifestaties«, 7. »Parapsychologie en occultisme«, 8. »Parapsychologie en religie«, 9. »Parapsychologie en evolutie« en 10. »Parapsychologie en transformatie«.

[162]

Benjamin Tyler Henry (* 22 maart 1821, † 8 juni 1898) was een Amerikaans geweermaker en uitvinder van het Henrygeweer, het eerste hefboomrepeteergeweer met 16 (!) schoten. In totaal werden er tussen 1860 en 1866 ongeveer 12.800 Henry Rifles geproduceerd; Henry kon de grote vraag - de Amerikaanse burgeroorlog was in volle gang en in de jaren daarna vonden de Amerikanen het nodig om de indianen uit te roeien - niet aan en trad in 1861 in dienst van de firma New Haven Repeating Arms Company van Oliver Fischer Winchester (* 30 november 1810, † 11 december 1880) dat het geweer verbeterde en vanaf 1866 op de markt bracht onder de naam Winchester Model 1866; de firmanaam veranderde in dat jaar in Winchester Repeating Arms Company.

[163]

Jacobus Heyink (ook gespeld als Heijink) (* 1906, † juli 1997) was een boekhandelaar te Rotterdam en later in Bennebroek; oprichter van De Kiva, een tijdschrift voor iedereen die geïnteresseerd was in indiaanse culturen.

[164]

Oskar Max Fuchs (* 20 maart 1873, † 1954) was een Duitse geweermaker, die sinds 1895 in Dresden en vanaf 1916 in Kötzschenbroda (sinds 1935 een stadsdeel van Radebeul) werkzaam was.
Karl May zocht deze Max Fuchs in december 1895 in diens werkplaats, toen nog in de Schanzenstraße 7, Dresden-Neustadt, op. Hij gaf hem de opdracht om in het diepste geheim een „Zilverbuks” en een „Berendoder” te maken. Hoe May uitgerekend bij deze geweermaker terechtkwam, is niet bekend; er waren bekendere geweermakers. Fuchs kende Mays boeken niet, maar May gaf hem de drie »Winnetou«-delen en wat mondelinge aanwijzingen. In maart 1896 waren de geweren klaar. Het „Henrygeweer” maakte hij niet, maar May kon deze - na bemiddeling door Fuchs - in 1902 kopen. Later besloeg hij de „Zilverbuks” opnieuw, nu inderdaad met de bekende zilveren nagels.
Pas in 1937, bij zijn vijftigjarig geweermakersjubileum, verklapte hij de waarheid over de drie geweren.

[165]

Dr. rer. nat. Klaus Hoffmann (* 3 december 1938, † 26 februari 2023) was van 1987 tot 1993 wetenschappelijk directeur van het Karl-May-Museum in Radebeul. Hij bood de Karl-May-Verlag eind jaren ’50 archiefmateriaal uit de vrijwel ontoegankelijke DDR-archieven aan, maar men kon het toen niet eens worden. Toen Karl May halverwege de jaren ’80 weer mocht in de DDR, bewerkte Hoffmann stukken tekst uit »Der verlorne Sohn« in communistische zin voor afdrukken in tijdschriften door alles wat betrekking had op het christendom te elimineren, zelfs uitroepen als „Mein Gott” en „Um Himmels Willen”. In 1988 schreef hij de museumgids „Karl May. Leben und Werk. Ausstellung in der Villa “Shatterhand””. Maar in 2001 verscheen bij Verlag Neues Leben (oorspronkelijk een Oost-Duitse uitgeverij, maar na de eenwording maakte dat niets meer uit) Hoffmanns boek »Karl Mays Werke«, waarin hij zich kritisch uitliet over de bewerkingen van de oorspronkelijke teksten van Karl May. Nog in hetzelfde jaar kreeg de Karl-May-Verlag het voor elkaar dat verdere verspreiding van het boek verboden werd. Er zijn slechts ongeveer 500 exemplaren op de markt gekomen (waarvan eentje in Dordrecht 😎), dus een waar collector’s item. Door zijn vroegere medewerking aan de Stasi kreeg hij veel kritiek. Men mag echter niet vergeten dat Hoffmann juist hierdoor toegang kreeg tot die DDR-archieven, waardoor het hem mogelijk was om veel witte vlekken in Karl Mays leven in te vullen, zoals zijn publicaties in o.a. de »Jahrbücher der Karl-May-Gesellschaft«, de Mitteilungen der Karl-May-Gesellschaft en die Horen bewijzen.
De studie over de geweren waarnaar hier verwezen wordt, is „Silberbüchse – Bärentöter – Henrystutzen, „das sind die drei berühmtesten Gewehre der Welt”. Herkunft, Wirkung und Legende”, verschenen in het »Jahrbuch der Karl-May-Gesellschaft 1974«, pp. 74–108.
Hij ligt begraven op de begraafplaats Radebeul-Ost, maar op „gepaste” afstand van Patty Frank (artiestennaam van Ernst Johann Franz Tobis, * 19 januari 1876, † 23 augustus 1959), René Wagner (* 20 maart 1950, † 14 juni 2024) - beiden oud-directeuren van het museum in Radebeul - en van Karl May. Het personan non grata-schap houdt na de dood blijkbaar niet op.

[166]

Karl Liebknecht (* 13 augustus 1871, † 15 januari 1919) was een Duitse communistische agitator, die van 1900 tot 1915 lid was van de (linkervleugel van de) Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD), tot hij met deze partij brak en samen met o.a. Rosa Luxemburg (geboren als Rozalia Luksenburg, * 5 maart 1871, † 15 januari 1919), Franz Mehring (voluit: Franz Erdmann Mehring, * 27 februari 1846, † 28 of 29 januari 1919) en Clara Zetkin (voluit: Clara Josephine Zetkin, geborene Eißner, * 5 juli 1857, † 20 juni 1933) de nog radicalere Spartakusbund oprichtte.

[167]

Karl Georg Büchner (* 17 oktober 1813, † 19 februari 1837) was een avant-gardistisch Duits schrijver uit de Vormärz (de periode van 1830 tot 1848 in Duitsland) en een maatschappelijk revolutionair. Bekende werken van Büchner zijn het revolutionaire vlugschrift „Friede den Hütten, Krieg den Palästen!” in Der Hessische Landbote, het drama »Dantons Tod«, de novelle »Lenz«, de komedie »Leonce und Lena« en het onvoltooid gebleven drama »Woyzeck«.

[168]

Bernd Heinrich Wilhelm von Kleist (* 18 oktober 1777, † 21 november 1811) was een Duits schrijver, dichter, essayist en toneelschrijver. Beroemde werken van hem zijn o.a.: »Die Familie Schroffenstein«, »Penthesilea«, »Amphitryon«, »Robert Guiskard, Herzog der Normänner«, »Die Hermannsschlacht«, »Das Käthchen von Heilbronn«, »Erzählungen (1. Band)« (met daarin o.a. »Michael Kohlhaas. Aus einer alten Chronik«, »Die Marquise von O.... « en »Das Erdbeben in Chili«), »Der zerbrochne Krug«, »Erzählungen (2. Band)« (met daarin o.a. »Die Verlobung in St. Domingo«, »Das Bettelweib von Locarno«, »Der Findling«, »Die heilige Cäcilie oder die Gewalt der Musik« en »Der Zweikampf«) en »Prinz Friedrich von Homburg«.

[169]

Sven Anders Hedin (* 19 februari 1865, † 26 november 1952) was een Zweeds ontdekkingsreiziger en geograaf die diverse reizen maakte naar Centraal-Azië en Tibet. Van zijn reizen schreef hij talloze boeken, die alle ook in het Duits werden vertaald door Brockhaus; sommige boeken schreef Hedin, die in Eerste en Tweede Wereldoorlog een pro-Duits standpunt innam, alleen in het Duits. Bekende populairwetenschappelijke werken van hem zijn o.a. »En färd genom Asien«, 2 volymer (=»Durch Asiens Wüsten. Drei Jahre auf neuen Wegen in Pamir, Lop-nor, Tibet und China«, 2 Bände), »Asien : tusen mil på okända vägar«, 2 volymer (=»Im Herzen von Asien. Zehntausend Kilometer auf unbekannten Pfaden« 2 Bände), »Transhimalaya : upptäckter och äfventyr i Tibet«, 3 volymer (=»Transhimalaja. Entdeckungen und Abenteuer in Tibet«, 3 Bände), »Från pol till pol 1 Genom Asien och Europa« en »Från pol till pol 2 Europa, Afrika, Amerika, Australien och Polarländerna« (=»Von Pol zu Pol«, 3 Bände), »Ein Volk in Waffen : den deutschen Soldaten gewidmet«, »Auf großer Fahrt. Meine Expedition mit Schweden, Deutschen und Chinesen durch die Wüste Gobi 1927- 1928«, »Rätsel der Gobi. Die Fortsetzung der Großen Fahrt durch Innerasien in den Jahren 1928-1930«, »Die Seidenstraße« en »Deutschland und der Weltfriede«.

[170]

Jonathan Swift (* 30 november 1667, † 19 oktober 1745) was een Iers schrijver, wiens bekendheid uitsluitend gebaseerd is op de satirische roman »Gulliver’s Travels« (voluit: »Travels into Several Remote Nations of the World, in Four Parts. By Lemuel Gulliver, First a Surgeon, and then a Captain of Several Ships«) uit 1726.

[171]

Baron von Münchhausen (voluit: Karl Friedrich Hieronymus baron von Münchhausen, * 11 mei 1720, † 22 februari 1797) was een Duitse edelman, die in het Russische leger diende in de strijd tegen de Turken. Daarover vertelde hij zeer sterke verhalen, die als volksverhalen in de mondelinge en schriftelijke overlevering voortleven. De anekdotes zijn verzameld in »Feldzüge und Abenteuer des Freiherrn von Münchhausen« van de Duitse Sturm und Drang-dichter Gottfried August Bürger (* 31 december 1747, † 8 juni 1794).

[172]

Rudolf Wilhelm Friedrich Ditzen (* 21 juli 1893, † 5 februari 1947) was o.m. ambtenaar, boekhouder en nachtwaker voordat hij zich geheel aan het schrijven wijdde. Dat laatste deed hij onder het pseudoniem Hans Fallada; zijn stijl behoort tot de Neue Sachlichkeit. Bekende werken van hem zijn »Bauern, Bonzen und Bomben«, »Kleiner Mann – was nun« (=»Wat nu, kleine man?«), »Wer einmal aus dem Blechnapf frißt« (=»Wie eens uit het schaftje eet... «), »Wir hatten mal ein Kind« (=»Wij hadden eens een kind«), »Altes Herz geht auf die Reise« (=»Een oud hart gaat spelevaren«), »Das Abenteuer des Werner Quabs« en »Jeder stirbt für sich allein«.

[173]

Ferdinand Ernst Albert Avenarius (* 20 december 1856, † 20 september 1923) was een Duits dichter en activist. Avenarius was een neef van Richard Wagner. In 1887 richtte Avenarius het tijdschrift Der Kunstwart op, waarin hij met een reeks schrijvers en dichters actuele onderwerpen uit de kunst en cultuur behandelde. Met Der Kunstwart oefende Avenarius grote invloed uit op het denken over cultuurpolitieke vraagstukken van de burgerij. Een soortgelijke vereniging, maar meer gericht op de massa, richtte Avenarius in 1902 op: de Dürerbond. In 1902 publiceerde hij de bloemlezing »Hausbuch deutscher Lyrik«. In Der Kunstwart startte hij in 1902 een fel gevoerd debat over de literaire werken van Karl May; in 1912 schreef hij een denigrerend in memoriam over de schrijver wiens naam en werken vele malen bekender zijn gebleven dan die van Avenarius.

[174]

Arnold Zweig (* 10 november 1887, † 26 november 1968) was een Duits schrijver. Hij was een tijdgenoot, maar geen familie van Stefan Zweig (* 28 november 1881 , † 22 februari 1942). Hij schreef o.a. »Novellen um Claudia«, »Ritualmord in Ungarn«, »Der Streit um den Sergeanten Grischa«, »De Vriendt kehrt heim«, »Bilanz der deutschen Judenheit. Ein Versuch«, »Erziehung vor Verdun« en »Was der Mensch braucht«.

[175]

De toen 17-jarige Rainer Gagelmann schreef in 1965 en 1966 brieven aan beroemde personen, zoals Erich Kästner (* 23 februari 1899, † 29 juli 1974), Hans Magnus Enzensberger (* 11 november 1929, † 24 november 2022) en Günter Eich (* 1 februari 1907, † 20 december 1972) om hun mening over Karl May te ontdekken. In 1967 publiceerde hij de antwoorden van deze mensen in een boekje van 32 pagina’s, »Soll die Jugend Karl May lesen?« bij de Karl-May-Verlag. Opvallend is dat vrijwel iedereen positief reageerde, behalve uitgerekend de Dresdner schrijver Erich Kästner, die toegaf dat hij Karl May niet mocht.

[176]

Egon Erwin Kisch (* 29 april 1885, † 31 maart 1948) was een Tsjechische journalist en auteur, die bekend stond als de „razende reporter uit Praag”. Op 17 oktober 1898 bezocht hij Karl May in Hôtel de Saxe in Praag en op 9 mei 1910 in Villa „Shatterhand”. Zijn verslag van dat laatste bezoek publiceerde hij op 15 mei 1910 onder de titel „In der Villa »Shatterhand«. Ein Interview mit Karl May” in de Duitstalige krant Bohemia; in 1925 volgde een uitgebreidere versie hiervan in zijn boek »Der rasende Reporter«, nu onder de titel „Im Wigwam Old Shatterhands”.

[177]

Thomas Edward Lawrence (beter bekend als Lawrence of Arabia, * 16 augustus 1888, † 19 mei 1935) was een Brits prozaschrijver, archeoloog en militair. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij officier bij de Britse inlichtingendienst in Egypte. Dankzij zijn kennis van de regio en de taal werd hij aangesteld als verbindingsofficier tussen het geallieerde leger en het toen nog losse stammenverband in het gebied van de Hidjaz (thans Saoedi-Arabië). De bedoeling was om de Duits-Ottomaanse alliantie onder druk te zetten door een nieuw front in het Midden-Oosten te openen, richting het Ottomaanse Rijk, zoals het tsaristische Rusland dat in het noorden deed middels het opstoken van de Armeniërs tegen de Turken, met de bekende en betreurde „gebeurtenissen van 1915” tot gevolg. Over de door Lawrence bewerkstelligde Arabische opstand schreef hij nadien het boek »Seven Pillars of Wisdom«, in het Nederlands vertaald als »Opstand in de woestijn«, waarin we duidelijk het vuile dubbele spel van de Britten kunnen zien: aan de ene kant beloofden zij de Arabieren onafhankelijkheid en aan de andre kant beloofden ze hetzelfde stuk land in hun „Balfour Verklaring” van 2 november 1917 aan de Joden, tot 1948 een waardeloos stuk papier, want de Britten hielden Palestina na de Eerste Wereldoorlog liever zelf als mandaatgebied. De problemen die dit vuile spelletje opleverde, duren voort tot op de dag van vandaag.

[178]

Erich Kästner (* 23 februari 1899, † 29 juli 1974) was een Duits schrijver, dichter en cabaretier, vooral bekend door de (kinder)boeken »Emil und die Detektive«, »Pünktchen und Anton«, »Das fliegende Klassenzimmer«, »Drei Männer im Schnee«, »Emil und die drei Zwillinge«, »Die verschwundene Miniatur«, het door de dichter Paul van den Hout (voluit: Charles-Paul van den Hout, * 26 juni 1939, † 1 december 2015) vertaalde en pas na diens dood gepubliceerde »Doktor Erich Kästners lyrische Hausapotheke«, »Das doppelte Lottchen«, »Als ich ein kleiner Junge war« en »Notabene 45, ein Tagebuch«.

[179]

Friedrich Georg Jünger (* 1 september 1898, † 20 juli 1977) was een Duits schrijver en advocaat. Hij was de jongere broer van de filosoof Ernst Jünger (29 maart 1895 , † 17 februari 1998) en schreef o.a. »Der Aufmarsch des Nationalismus«, »Der verkleidete Theseus. Lustspiel in fünf Aufzügen«, »Der Krieg. Gedichte«, »Griechische Götter«, »Griechische Mythen«, »Orient und Okzident. Essays«, »Der erste Gang«, »Zwei Schwestern« en »Heinrich March« en vertaalde Homerus’ »Odyssee«.

[180]

Over deze Antonow weet ik niet meer dan wat hier staat: kapitein in het Russische leger.

[181]

Gabriel Ferry (eigenlijk Eugène Louis Gabriel Ferry de Bellemare, * 29 november 1809, † 5 januari 1852) was een Frans auteur, voornamelijk van avonturenromans, waarvan »Une guerre en Sonora – souvenirs des côtes de l’Océan Pacifique«, »Les Squatters – La clairière du bois des Hogues, récit des côtes et de la mer«, »Costal l’Indien ; roman historique. Scènes de la guerre de l'indépendance du Mexique«, »Les Révolutions du Mexique« en »Les aventures d’un Français au pays des caciques« bekend zijn, maar dank zij de bewerking van »Le Coureur des bois« voor kinderen door Karl May is deze roman zijn bekendste werk geworden.

[182]

De eerste drie drukken van dit eerste deel van de Gesammelte Werke bij Fehsenfeld verschenen onder de titel »Durch Wüste und Harem”

[183]

Deze tekst schreef Karl May speciaal voor de boekuitgave van »Winnetou III”; hij vormt het laatste hoofdstuk ervan en is dus niet als een apart boek te beschouwen.

[184]

De oorspronkelijke titel, waaronder het verhaal in twee delen in de »Einsiedler Marienkalender 1897/1898« verscheen, was »Mutterliebe«. De titel »Indianische Mutterliebe« is die van een bewerkte versie van het verhaal, die in 1948/1949 in het Oostenrijkse tijdschft Die Kinderpost verscheen.

[185]

In Karl Mays nalatenschap bevond zich het fragment van een drama met de titel »Erlöst!«: het behandelt inderdaad het Ashaverus-thema, maar dat was niet de titel ervan. Het zeer korte fragment werd in 2000 opgenomen in »Abdahn Effendi» (Gesammelte Werke, Band 81, p. 405).

[186]

Als slotstuk van een veelbewogen schrijversleven verscheen in december 1910 Mays autobiografie »Mein Leben und Streben« bij Fehsenfeld. Omdat hij het in de laatste twee hoofdstukken ook over zijn - bij name genoemde - procestegenstanders had, werd deze autobiografie op instigatie van Rudolf Lebius al snel verboden; in december 1911 probeerde Friedrich Ernst Fehsenfeld Karl May over te halen om een bewerkte versie uit te brengen, wat Karl May ook wilde, maar het is er niet meer van gekomen.
In juli 1912 publiceerde Mays weduwe Klara een tweede, bewerkte versie; in die tweede druk werden 50 pagina’s uit het laatste hoofdstuk verwijderd; maar omdat Klara May ook in de hoofdstukken daarvóór wijzigingen en verklaringen had opgenomen, probeerde Oskar Gerlach, de advocaat van o.a. Pauline Münchmeyer en Rudolf Lebius, opnieuw een verbod op het boek gedaan te krijgen, maar op 17 december 1912 verwierp het Landgericht Dresden deze aanklacht.
In 1914 verscheen een derde druk bij de pas opgerichte Verlag der Karl-May-Stiftung; als uitgever wordt Dr. Euchar Albrecht Schmid aangegeven.
Pas sinds 1917 is de (bewerkte) tekst opgenomen in »»ICH« Karl May • Leben und Werk« (Gesammelte Werke, Band 34), tezamen met enkele andere teksten.

[187]

„(Parool, dec. ’75)” is met pen erbij geschreven waarschijnlijk door dhr. E. v. Linden, maar gelet op de datum van de brief van de jongen kan of moet dat een vergissing zijn.






Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.




Google
www op deze website