Dr. Karl May
|
![]() |
![]() |
Der Mensch glaubt zu schieben und wird geschoben. Tritt ihm ein Ereignis nahe, das er nicht selbstgefällig auf seine eigene Rechnung setzen kann, obwohl sich später zeigt, dass es von grossem Einfluss auf sein Leben ist, so geniert es ihn, einzugestehen, dass hoch über ihn eine weise, mächtige Führung waltet, die ihn nicht um die Erlaubnis fragt, mit ihm tun zu dürfen, was sie für richtig hält, und so hat er das vollständig nichtssagende und inhaltlose Wort Zu fall er funden, mit dem er zwar seine Ohnmacht eingesteht, weil er nicht anders kann, aber auch keine ihn beherrschende und bewusst handelnde Potenz anerkennt. Mein Leben ist sehr reich an solchen sogenannten Zu fällen, die sich später als für mich ausserordentlich wichtig erweisen, und wenn ich dann auf sie zurückblickte, so entdeckte ich, dass sie mit einer logischen Folgerichtigkeit an mich herangetreten waren, die mich als denkenden Menschen zwang, sie nicht einem willenlosen, blinden Ungefähr, sondern einer ausserhalb meiner und jenseits dieser Tatsachen existierenden, unendlichem Güte zuzuschreiben. |
Karl May (Und Friede auf Erden 1901) 2 |
3
|
| I N H O U D |
| Pag. |
| 1. | Inleiding | 1 |
| A. W. Conrady in gesprek met Einstein en Schweitzer | 3 |
| Datumoverzicht | 3 |
| 1. | Kinderjaren (1842-1847) | 5 |
| 2. | Jeugd (1847-1857) | 6 |
| 3. | Tijd als kweekschoolleerling en onderwijzer (1857-1861) | 8 |
| 4. | Gevangenistijd (1862-1874) | 9 |
| 5. | Bij de colportage (1875-1866) | 11 |
| 6. | Mays werken | 12 |
| 7. | Gevoerde processen | 13 |
| 8. | Slot | 16 |
| 1. | Plaats van Karl May in de samenleving | 18 |
| 2. | Een visie met betrekking tot Mays aanrakingen met de strafrechter. | 20 |
| 3. | Over het verband tussen creativiteit, fantasie, symboliek en literatuur | 21 |
| 4. | Over Ik-probleem en moraal | 23 |
| 5. | Mays levenbeschouwing en de strijd tussen goed en kwaad. | 25 |
| 6. | Karl May en zijn critici | 27 |
| 7. | Over plagiaat, kinderlijke argeloosheid en de vrouw in Mays verhalen. | 30 |
| 8. | Van hallucinaties. | 31 |
| 9. | Enige para-psychologische aspecten. | 33 |
| Inkomsten en oplage-aantallen van zijn boeken | 34 |
| Brief aan een joodse jongen | 34 |
| Geweren en de D. D. R. | 35 |
| Uitspraken van Karl May | 35 |
| Literatuur | 36 |
| Bekende/beroemde personen over May | 36 |
| Verschijningsdata | 38 |
| Freddy Poncin over Karl May | 40 |
| An meine lieben Gratulanten | 40 |
L. S. |
| Bennebroek. Mei 1976. | J. Heyink. |
Hoofdredacteur van De KJJVA, |
Ixialaan 8 |
|
|
|
|
|
1. Karl May in zijn bibliotheek, beginperiode, beneden |
1
Kent U de schrijver en dichter Karl May? Van naam zeker, want welke Nederlander heeft nu nog nooit gehoord van deze schepper van Winnetou en Old Shatterhand. Van naam dus wel, maar als U werd gevraagd in welke tijd leefde de man eigenlijk en kunt U nog andere boeken van hem noemen dan Winnetou dan is er een grote kans dat U het niet zo ver zou brengen. Toch heeft May, die leefde van 1842-1912, in totaal zon 74 boeken geschreven 5. May schreef aanvankelijk voor kranten en tijdschriften en is er pas tegen 1900 6 toe gekomen door zijn uitgever Fehsenfeld 7 zijn verhalen in boeken te laten vatten, waar nodig aan te vullen en er een lopend geheel van te maken. Dat hij een Duitser was weet U waarschijnlijk, maar dat hij een profeet was die in eigen land niet werd geëerd is U misschien ook minder bekend. |
veel. Tijdens de gesprekken is nogal wat gesproken over Old Shatterhand, ook voor U! (1955) waarin Dr. F. C. de Rooy 10 zijn zienswijze op genoemde auteur heeft neergelegd, die in elk geval tot 1967 ongewijzigd bleef. Tegen deze achtergrond moeten de woorden van Dr. Schuurman worden gezien. Het geheim van het leven is dat je jezelf wordt. Dr. C. J. Schuurman. |
2
Dr. Cornelis Johannes Schuurman, geb. 5 juli 1898 te Aarlanderveen (thans gem. Alphen a. d. Rijn) studeerde medicijnen aan de universiteit van Leiden en is thans een der meest vooraanstaande psychiaters in Nederland. Hij promoveerde in mei 1925 tijdens zijn studententijd, een unicum in 1925!, op het proefschrift De bacteriofaag, een ultra-microbe en werkte enige tijd nauw samen met de ontdekker van de bacteriofaag (een parasiet van de bacterie), dHérelle 12.
|
|
3
| Voor lezers zonder ziel schrijf ik niet. |
| Karl May. |
| DEEL I | E. v. Linden. |
|
ALBERT WILHELM CONRADY 16 IN GESPREK MET EINSTEIN 17 EN SCHWEITZER 18. |
Datumoverzicht
|
4
Voor de volgende feiten werd May door de districtsrechtbank Leipzig tot vier jaar en 1 maand gevangenisstraf (Arbeitshaus) veroordeeld (op 8 juni 1865).
|
De districtsrechtbank Mittweida achtte het volgende bewezen:
Die Sonne krönt den goldnen Tag, |
5
|
1. Kinderjaren (1842- 1847) 1 Marktplein met raadhuis van Mays geboorteplaats. 2, 3 en 4 Mays geboortehuis in Hohenstein-Ernsttal. |
6
Sie trug mich stets auf ihren Armen; sie lehrte mich den ersten Schritt, und weinte ich zum Herzerbarmen, so weinte sie erbarmend mit. Wenn sie des Abends mich ins Nestchen mit linder Segenshand gebracht, so bat ich: Bleibe noch ein Restchen, und meinte da die ganze Nacht. Und wenn ein böser Traum mich schreckte so sass sie da beim kleinen Licht, nahm weg den Schirm, der es bedeckte, und sah mir liebend ins Gesicht. Ich sah in ihre Augensterne und tat sodann die Frage doch: Ich träume ohne dich nicht gerne; Grossmütterchen, sag, wachst du noch? Zwar ist sie fängst von mir gegangen; ich selbst bin alt, fast schon ein Greis, und fühl mich doch von ihr umfangen, die mich noch jetzt zu segnen weiss. Stets ist es mir, geh ich zur Ruhe, als setze sie sich zu mir hin, und wenn ich etwas Wichtges tue, kommt sie mir hilfreich in den Sinn. Sooft ich Sterne leuchten sehe, hell wie in meiner Jugendzeit, hör ich ihr Wort: Was auch geschehe, du und dein Glück, ihr seid gefeit. Dann mcht ich, wie in jenen Tagen, zwar Uberflüssig, aber doch die lieben, lieben Sterne fragen: Grossmütterchen, sag, wachst du noch?
|
* Mays vader was wever. |
7
doende tot ontwikkeling konden komen, door May zeer wordt geroemd. May kreeg van hem orgel- en vioolles in het bijzonder en muziekonderricht in het algemeen. May leerde op school snel en zat als achtjarige al spoedig bij elfjarigen in de klas, wat hijzelf als een voorname oorzaak aanduidt van zijn klassevreemdheid. Hij becritiseert in zijn auto-biografie sterk de toendertijd heersende sterk conservatieve opvattingen t.a.v. het onderwijs in zijn algemeenheid, bv. de gedachtengang dat men een intelligente leerling zonder meer enkele klassen hoger zou kunnen plaatsen. May werd van jaar tot jaar meer klassevreemd. Datgene wat men als jeugd aanmerkt heeft hij nooit gehad. Zijn vader, die voor hem een betere plaats in de maatschappij en een grotere ontwikkeling wenste als hemzelf was beschoren trachtte dit te bevorderen door May allerlei boeken van de meest uiteenlopende aard te laten overschrijven en leren. Een overvoering zonder weerga (Mays vader was analfabeet). Op straat spelen met kinderen van zijn leeftijd was er niet bij. Soms moest May met zijn vader mee naar het plaatselijk restaurant, gezien de toen heersende omstandigheden een minder gelukkige zaak. Op een dag kwam er een poppentheater 49 in Ernstthal, dat speelde: Doktor Faust, oder Gott, Mensch und Teufel 50. Het stuk maakte bijzonder indruk op May, die er met zijn grootmoeder heen mocht. Hij was toen 9 jaar. De Faust van Goethe aldus May zegt mij heden (1910) nog niet wat hij de mensheid waarschijnlijk heeft willen zeggen, maar deze poppen spraken duidelijk en erg eenvoudig: een duivel die slechts dan naar God mag terugkeren als hij een mens mee brengt! |
de universiteit. Vanwege het gebrek aan geldmiddelen kon hiervan niets komen. Het kwam tot wat men tegenwoordig de pedagogische academie noemt, de opleiding tot onderwijzer.
De Lügenschmiede 58 in H.-Ernsttal,
Komm her und sprich ein einzig Wort
|
8
3. Tijd als kweekschoolleerling en onderwijzer L1 (1857-1861)
|
Op 28 januari 1860 werd May van school gestuurd op beslissing van het Saksische Ministerie van Cuituur en Onderwijs. Mede door de tussenkomst van de direkteur van de
pedagogische academie in Waldenburg, de heer Schütze 60, kon hij zijn studie met succes voltooien in Plauen. Op 2 juni 1860 slaagde hij voor het toelatingsexamen aldaar. Op 12 september 1861 slaagde hij voor zijn eindexamen. Hij werd hulponderwijzer in Glauchau op 7 oktober 1861 in klasse IV van de armenschool aldaar. Verhoudingen in de persoonlijke sfeer deden deze betrekking slechts veertien dagen duren 61.
Begin november 1861 werd May aangesteld als onderwijzer aan fabrieksscholen van de firmas Claus 62 en Solbrig en Zoon 63 (spinnerijfabrieken). |
9
4. Gevangenistijd (1862-1874).
Ich hab gefehlt, und du hast es getragen
blz 5 maat = maar |
Aangezien May echter volgens Dr. Schuurman bepaalde zaken in een schemertoestand heeft gedaan, hetgeen betekent dat hij bij het schrijven van zijn biografie, aangezien hij zich van de feiten op zich niets meer herinnerde alles uit de tweede hand moest reconstrueren, valt het niet te verbazen dat aan het schrijven van die verhalen — omstreeks 1864 — ernstig moet worden getwijfeld. |
10
naar het edele. Hij geeft een uitvoerige verklaring voor zijn indeling van de wereld in zijn reisverhalen in een Amerikaans en een Aziatisch-Afrikaans deel.
|
dachtenwereld vreemd was, was daar slechts zijn moeder die hem toch ook niet begreep. May voelde zichals altijd eenzaam, welke eenzaamheid juist in zijn toestand gevaarlijk voor hem was. Zo gevaarlijk dat hij op 13 april 1870 belandde in de beklaagdenbank van de districtsrechtbank Mittweida. Hij werd veroordeeld o. a. wegens diefstal en bedrog tot 4 jaar tuchthuis. Die fürchterlichste Nacht. Kennst du die Nacht, die auf die Erde sinkt bei hohlem Wind und schwerem Regenfall, die Nacht, in der kein Stern vom Himmel blinkt, Kein Aug durchdringt des Wetters dichten Wall? So finster diese Nacht, sie hat doch einen Morgen; o lege dich zur Ruh, und schlafe ohne Sorgen! Kennst du die Nacht, die auf das Leben sinkt wenn dich der Tod aufs letzte Lager streckt und nah der Ruf der Ewigkeit erklingt, dass dir der Fuls in allen Adern schreckt? So finster diese Nacht, sie hat doch einen Morgen; o lege dich zur Ruh, und schlafe ohne Sorgen! Kennst du die Nacht, die auf den Geist dir sinkt, dass er vergebens nach Erlösung schreit, die schlangengleich sich um die Seele schlingt und tausend Teufel ins gehirn dir speit? O halte fern dich ihr in wachen Sorgen, denn diese Nacht allein hat keinen Morgen!
Gevangenis Schloss Osterstein in Zwickau omstreeks 1865 |
11
5. Bij de colportage (1875-1886).
|
Deze roman liep uitstekend in de verkoop. Münchmeyer drong bij May aan op verhuizing naar Dresden (waar zijn uitgeverij gevestigd was). Mays vrouw zorgde ervoor dat deze gedachte met spoed werd uitgevoerd.
|
12
6. Mays werken. |
De Münchmeyer-kliek die zich vormde stelde zich als doel May als persoon en schrijver te belasteren en kapot te maken. May werd verantwoordelijk gesteld voor praktisch al het afronddiep onzedelijke wat op letterkundig gebied in Duitsland destijds voorhanden was. Er warencritici die May jarenlang met smaad overlaadden, de uitgeverij Münchmeyer echter niets tegenwierpen, hoewel May destijds in feite slechts een instrument was geweest van Münchmeyer. |
13
trekken dan te schrijven als model-auteurs die niemand leest omdat ze langdradig zijn. Maar onze onderwerpen moeten zo edel zijn als onze doeleinden.
7. Gevoerde processen. |
geheim van gemaakt. Niet alleen May had gezeten, ook vele andere schrijvers voor Münchmeyer want zo deelde die hem in vertrouwen mede: met een schrijver die gezeten heeft kan men doen wat men wil.
1. May in Heluan. |
14
dat zinnen waren geschrapt. Hij dreigde dan, bij herhaling, geen woord meer voor Münchmeyer te zullen schrijven. Temeer daar hem zegt May was beloofd dat zulks niet zou gebeuren. Dat Münchmeyer eens zou beweren dat hij Mays romans met alle rechten voor altijd had verworven en niet slechts tot de 20.000e abonnee (terwijl hij bij 7000 al uit de financiële zorgen was) scheen hem onmogelijk. May beschikte over bewijzen van het tegendeel. Wat hij niet wist was dat Münchmeyer in vrij ernstige financiele moeilijkheden was geraakt door overname van een zaak in parfumerie- en aanverwante artikelen. |
Fischer uitgegeven Münchmeyer-romans waarin, naar later bleek als gezegd door medewerkers van Münchmeyer veranderingen waren aangebracht tot 5%, dat is bij 30.000 paginas manuscript 1.500 bladzijden, hetgeen door het gerecht werd bewezen geacht. Uitspraak daarover werd echter niet gedaan. Fischer had in augustus 1900, vlak na terugkeer van Mays reis door het Midden-Oosten, May het aanbod gedaan hem 70.000 Mark te betalen waarop alle rechten dan zonder meer aan May zouden toevallen en geen melding zou worden gemaakt van het verleden van May. Voor minder dan 70.000 Mark kon hij het echter niet doen want hij had voor de uitgeverij 150.000 Mark betaald. May weigerde een cent te beta1en. Met Fischer werd in 1903 een vergelijk getroffen. Fischer zou de romans niet verder drukken. Tijdens een privé-onderhoud met Fischer werd het May duidelijk dat de mogelijkheid bestond dat zijn manuscripten helemaal niet waren verbrand zoals door de weduwe Münchmeyer, die May ook had aangeklaagd, voor het gerecht werd beweerd. In 1946 nog werd een groot pak vergeelde manuscripten van May uit de kelder van uitgeverij Das Vaterhaus 94 opgevist. |
15
binding stelde en in de Stem van Saksen een serie artikelen over May publiceerde inzake diens in de jaren 1860/1870 ondergane gevangenisstraffen.
Toen Kahl, die in 1908 dus 21 jaar was, tegenover Lebius zijn bezorgdheid uitte over mogelijke strafrechtelijke consequenties antwoordde Lebius:
Op 19 mei 1909 volgde, na een strafklacht van May tegen Lebius, Kahl en uitgever Bechly, op aandrang van de rechter een vergelijk waarin de aangeklaagden verklaarden de brochure naar vorm en inhoud te betreuren. Partijen beloofden in de toekomst de vrede te zullen bewaren. Lebius was zulks echter allerminst van plan. Op 28 maart 1909 publiceerde hij in zijn Bond een artikel onder de kop: Een spiritistisch schrijfmedium als voornaamste getuige van de Voorwaarts-redactie. Dit sloeg op Klara May, Mays tweede vrouw. In Villa Shatterhand in Radebeul vonden namelijk wekelijks spiritistiscne seances plaats waarbij Klara Plöhn (later dus Klara May) als schrijfmedium, dus als tussenpersoon |
1. Klara May
tussen de levenden en de geesten die alles noteerde wat deze hadden mede te delen, fungeerde. Karl May zelf en zijn vriend Plöhn zaten er meestal enigszins sceptisch bij.
Ich bin so müd, so herbstesschwer |
16
In een brief aan de operazangeres Selma vom Scheidt 100 schreef Lebius onder andere (12 november 1909): |
2&4 Aan boord van de Grosser Kurfürst 103 3. May, dikke Jemmy en echtgenotes aan het strand van Salisbury.
Zijn woorden staan vermeld in deel II van dit boekje. |
17
ik dacht toen ik zei dat ik eindelijk mijn opgave had ontdekt. Ik wil weer afdalen tot diegenen, die verachten, die het zo moeilijk wordt gemaakt zich de hen geroofde achting terug te verwerven. Ik heb hen leren kennen en ik weet dat zij niet minder waard zijn dan al degenen die slechts daarom nooit vielen omdat zij ofwel nooit hoog stonden of niet de nodige innerlijke vrijheid bezaten te kunnen vallen. Ik wil hen zeggen wat niemand hen nog durfde te zeggen, namelijk dat niemand hen kan helpen als zij zich niet zelf weten te helpen. Dat zij verloren zijn tenzij ze zich op eigen kracht weten te redden, door zich nauw aaneen te sluiten.
|
zodat de vonken door alle kranten vlogen, ook thans nog, was het beulswerk dat ik over me moest laten komen zonder me van deze kwelling te kunnen bevrijden. Alles wat me in deze smidse en de pijn in de armen had gedreven moest wijken. In plaats daarvan kwam wat zuiver en eerlijk was en mee opwaarts streefde, uit Ardistan naar Dschinnistan het land der edele mensen.
|
18
DEEL II
|
|
|
Altijd lag ik overhoop
|
Karl May is een van die zonderlinge figuren die in de knel zijn gekomen in de maatschappij van de vorige eeuw. Zulke mensen zijn als figuur bijzonder interessant. Hij behoort tot de zogenaamde excentrieke, eigenlijk excentrische figuren (zonderlingen).
|
|
19
Schuurman |
Schuurman |
20
Schuurman |
|
21
Schuurman
Misschien zócht May wel de gevangenis. Bij de rechtbank is het tegenwoordig zo dat men dikwijls de psychiater er bij haalt om te kijken met wat voor mens men te maken heeft maar dat is nog maar een nieuw verschijnsel. |
|
3 Over het verband tussen creativiteit, fantasie, symbolieken literatuur. |
|
22
Schuurman |
Schuurman:
|
23
Schuurman |
Schuurman
|
Schuurman |
|
24
Schuurman |
|
3 4
1. Briefje links van Mays |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
25
Schuurman |
|
Schuurman |
|
26
Schuurman |
|
27
Schuurman |
Schuurman |
Schuurman |
Als dezelfde krant op zaterdag 31 maart 1962 schrijft: ..Vast staat in elk geval — en pas bij herlezing op latere leeftijd dan die van de jongenskiel valt het op — dat May een uiterst moraliserend heer was die van alles had mede te delen dat niet zou misstaan in door de zending verspreide tractaten .. dan is dat weer een poging May te kleineren. Uiteindelijk vind ik dat leken veel feiten kunnen geven maar de persoon van May niet kunnen beoordelen. Als Het Parool opmerkt: De belangstelling voor Karl May heeft door Arno Schmidts studie, Sitara und der Weg dorthin, een literaire legitimatie gekregen: ik weet niets van Arno Schmidt 136, in hoeverre hij op literair gebied iets gepresteerd heeft of niet. Of Karl May door zijn studie een literaire legitimatie heeft gekregen? We hebben het er over gehad dat het werk van May tot de literatuur behoort. Een literaire legitimatie van Schmidt heeft hij niet nodig. Wat natuurlijk een belangrijk argument is: de mate waarin de boeken van May ingeslagen zijn bij de jeugd. De boeken hebben zo aangesproken, om dat dan niet literatuur te noemen dat is toch een heel rare arbitraire |
28
Tot 1974 137 vonden om de drie jaar Karl May-spelen te Ruurlo plaats:
(12. 000 bezoekers per seizoen) |
|
|
Winnetou en Old Shatterhand vermomd als burgemeester (Jhr. de Beaufort) en secretaris (de heer D. J. R. Waringa) van Ruurlo- voor hun wigwam 138.
|
|
|
29
Schuurman |
Schuurman |
30
(Uit niets blijkt dat May t. a. v. zijn andere werken van een andere opvatting zou zijn. v.L.) |
|
Schuurman |
|
31
Schuurman |
Schuurman |
Schuurman |
Schuurman: |
32
Schuurman
Ik maakte deze verzen zonder innerlijk gestoord te worden ........ Daar ik mijn belofte echter houden moest greep ik kort daarop weer naar de pen. Onmiddellijk klonken de stemmen weer in koor: De vloek van de kleermaker, de vloek van de kleermaker! En toen ik desondanks mij helemaal op mijn opgave concentreerde kwamen er luidgeschreeuwde zinnen bij: Bouwvallig zijn de muren, de hypotheek drukt zwaar!. Dat ging de hele dag en de hele nacht zo door en ook nog daarna. Geen mens zag of hoorde het; niemand vermoedde wat en hoe vreselijk ik leed. Toch bleef ik kalm en observeerde mezelf. Ik zette ondanks alle weerstanden door, zodat mijn gedicht op de afgesproken tijd klaar was. Maar dergelijke overwinningen moest ik altijd duur betalen, innerlijk stortte ik dan ineen. (Karl May en zijn wereld — hfdst. 1, een hoofdstuk uit Mays auto-biografie). Eigenlijk gaat er, als ik het zo eens mag zeggen van Karl May een pessimistische invloed uit. Als May spreekt over gedachten en gevoelens die bij hem zichtbaar en hoorbaar gestalte hadden aangenomen die hij dag en nacht hoorde en hem uit zijn slaap wekten: men spreekt dan van hallucinaties maar er zijn ook hallucinaties die werkelijk bestaan. Men kan onderscheiden pathologische hallucinaties en werkelijk bestaande hallucinaties. Ik kan zomaar niet verklaren dat het t een of t ander is. Dat is niet zo eenvoudig, dat is heel moeilijk. Ik zou ook in zon geval veel meer van May moeten lezen aldoor met het oog op de vraag welke afwijkingen heeft deze man gehad. Als men nu weet dat er op dit gebied vaak zoveel verschillende meningen over eenzelfde persoon zijn waar men niet gemakkelijk uitkomt. Ik denk nog even aan een voorbeeld van iemand die psychiatrisch bestudeerd is als Dostojevski L16 155 maar daar ligt het anders. Vincent van Gogh L17 156 daar heeft men ook een etiketje op geplakt. Ik vind dat heel gevaarlijk. Van Gogh blijkt tenslotte een heel belangrijke figuur te zijn als schilder maar niet met de kenmerken van abnormaliteit. Maar dat hij het psychisch erg moeilijk had is zeker. Nee, ik kan toch geen duidelijk voorbeeld geven. Tegenwoordig hechten we niet zoveel meer aan etiket- |
Schuurman
|
33
|
|
Schuurman
We leven in een wereld van tijd en ruimte, dat is een zeer beperkt bewustzijn. We moeten natuurlijk altijd denken aan de beperktheid van ons bewustzijn. Het bewustzijn dat we hebben is niet hét bewustzijn, maar een bewustzijn. Dat ziet men al bij het kleine kind dat met een heel beperkt wereldje begint en naarmate het ouder wordt breidt zijn wereldje zich uit. Aanvankelijk heeft een kind, tenminste wat zijn bewustzijn betreft, alleen contact met zijn wieg etc. maar geleidelijk aan verruimt zich dat bewustzijn, al volwassen wordende, en breidt zich zijn wereld uit. Dus het bewustzijn is aanvankelijk een klein lichtpuntje om zo te zeggen, maar het is nog niet in staat het geheel te overzien. Als nu een kind ouder wordt dan gaat het langzamerhand een geheel overzien d. w. z. het kan zelfs langzamerhand zover zijn dat het een heel idee krijgt van een veel grotere ruimte op deze planeet maar het blijft ruimte op een planeet. Dan krijgt men toch weer dat ook dat nog te beperkt is en dan kan men — door bijzondere en ook door gewone ervaringen — gaan ontdekken dat de wereld veel uitgebreider is. Het is de kwestie dat als men bewuster wordt dan juist het onbewuste een grotere rol gaat spelen want er is altijd een soort krachtenspel tussen wat ik dan noem dag- en nachtbewustzijn. Het is altijd belangrijk als onbewuste inhouden een wijzigende invloed hebben op het dagbewustzijn. Als ik zeg we leven in een zeer beperkt bewustzijn dan is dat een bewustzijn dat om zo te zeggen de materie als uitgangspunt neemt en op grond daarvan overal grenzen ziet en dus zegt: Kijk, hier is iets concreets aanwezig, daarbuiten is niets. Wanneer men daar nu van uitgaat en iemand gaat nu ervaren of zelfs maar de mogelijkheid stellen dat er misschien veel andere niveaus van werkelijkheid zijn waar men nog helemaal niet mee in aanraking is gekomen, wat is nu de moeilijkheid? Zodra men daar wel mee in aanraking komt wordt dus alles wat men tot nog toe voor waar heeft gehouden op losse schroeven gezet, gerelativeerd. Het is niet helemaal onwaar maar het is ook niet in die absolute zin waar als het scheen. Dat betekent dat iemands houvast dat hij eerst |
|
34
is in ons land ook nog sterk. In universitaire kringen wil men er ook niets van weten en dat is zo ontzettend onwetenschappelijk want er zijn al zoveel gegevens. Dat is een voorbeeld van beperktheid van bewustzijn en van verstarring, dat men zich eenmaal heeft vastgelegd op een bepaalde kijk, b. v. de natuurwetenschappelijke kijk en de aard van de materie en al dergelijke, dat men niet meer in staat is om dat helemaal los te laten en weer nieuw over de dingen te denken.
dan zijn dat natuurlijk bekende dingen. In veel gevallen is er op spiritistisch gebied grote twijfel of iemand als hij zich aandient als die en die of hij dat dan ook werkelijk is, omdat er allerlei geesten zijn die zich dan naar voren schuiven en doen alsof ze die en die zijn, spotgeesten b. v. en die gewoon de aandacht willen hebben. Dus met andere woorden: met die dingen moet men zeer voorzichtig zijn en niet zonder meer aannemen dat het van die en die is. Dat is een heel bekende moeilijkheid op spiritistisch gebied. Ik geloof wel dat Barthel dat meegemaakt heeft. Op zichzelf maakt mnen dat mee en is men te goeder trouw als men daar waarde aan hecht maar men moet reuze kritisch zijn en goed, laten we zeggen, kenmerken te weten komen omtrent de identiteit van de geesten die zich dan manifesteren. Anders blijft het onzeker. Er moet eigenlijk iemand zijn die de persoon goed kent en op een ogenblik iets vraagt wat alleen die mens weten kan. Dat is dan noodzakelijk. Ik zie geen verband tussen dit feit en de spiritistische seances bij May thuis. May was natuurlijk ook mediumiek, dat zal hij wel zijn geweest. Met betrekking tot Mays laatste woorden: :Zege, zege, ik zie alles rozenrood L19 nou ja, dat is misschien dat hij op dat moment zijn lichaam al half verlaten had en dat hij dat van daaruit zei. Er zijn toch ook heel veel mensen die op het moment van hun sterven hun geliefden van de andere kant zien tegemoetkomen en er zijn mensen die prachtige muziek horen. De een
Inkomsten (Bron: Karl May Verlag - Bamberg)
Tengevolge van zijn talrijke processen, milddadigheid en buitenlandse reizen bedroeg zijn nalatenschap 140.000 Mark. Dit geld kwam, na de dood van zijn tweede vrouw Klara op op 31 december 1944, ten goede aan de Karl May Stichting voor onbemiddelde kunstenaars en onderwijzers. |
uit het op deze wijze, de ander op die wijze, dat kan zelfs uren voor de dood al het geval zijn. Dat May op zijn trouwdatum is overleden is zeker geen toeval. Ik heb het wel
eens extreem uitgedrukt: toeval is het meest expresse dat bestaat. Genoemd feit is eigenlijk weer astrologisch te verklaren, maar dat is weer een heel gebied op zichzelf.
Als het gaat over para-psychologie beveel ik in het bijzonder aan de boeken van de psycholoog Prof. Dr. H. v. Praag (een nieuwe serie van 9 delen). 161
Uit Ich (Karl May Verlag) blz. 399
Dr. E. A. Schmid, oprichter van de Karl May uitgeverij slaagde er in het kapitaal van deze stichting aanzienlijk te doen toenemen. |
35
Geweren en de D. D. R.
Oplage-aantallen van zijn boeken (Duitsland):
Vertalingen in ± 25 talen. |
Uitspraken van Karl May (Mahnung und Trost). Is het dan zo moeilijk te erkennen, dat voor, achter en om ons heen de eeuwigheid ligt, waarvan onze tijd nog niet een druppeltje is? Wij leven midden in de eeuwigheid en slechts het spraakgebruik verplaatst ons in de willekeurig vastgelegde en begrensde duur, die wij de naam tijd hebben gegeven. De vraag waar het paradijs eens lag moet ons niet kwellen. Zodra Gods genade het ons weer openbaart zullen wij de poorten ervan zien oprijzen. Het ware, gezonde leven is een altijddurend afsterven en uitstoten van het onbruikbare om het bruikbare plaats te verschaffen. Zonder dood geen leven. Wie de maatstaf van het eindige aanlegt voor het oneindige om het te onderzoeken loopt het gevaar bij zijn vergeefse inspanning ook nog deze maatstaf te verliezen. Er is een geven dat neemt en er is een nemen dat als een goede gift verheugt. Zoals verborgen warmte bestaat is er ook gebonden, d. w. z. onderdrukte liefde. Hebben wij haar bevrijd dan noemen wij haar dankbaarheid. Zodra de mens met anderen om God en Gods liefde twist heeft hij beide verloren. Verlang niet van elke druppel der zee apart dat hij je schip draagt en niet van een enkel mens dat hij juist jou goed doet. Beoordeelt ge Uw naaste slechts naar zijn waarde voor de gemeenschap dan zal het je niet moeilijk vallen waar Christelijk geduld te beoefenen. Een spreukje voor tomaten-werpers: Het theater moet niet een trefpunt van bevoorrechte klassen maar een school voor het volk in de waarste en beste zin van het woord zijn. Wie zijn vijand haat ziet af van het beste wapen hem te overwinnen. Wees altijd tot vergeven bereid — niet echter jezelf! Want deze vergiffenis kan slechts van anderen komen. De slaap is niet slechts dat waarvoor de meesten hem houden. Voor het lichaam een toestand van rust is hij voor de ziel een tijd van bezigheid vol geheimen, die wij met het nuchtere verstand niet vatten maar slechts fijngevoelig vermoeden kunnen. Wij moesten daar meer op letten. |
36
Wij glimlachen medelijdend over het bijgeloof aan spoken maar hebbener geen notie van hoeveel spoken wij ons zelf geschapen hebben om voor te kunnen griezelen.
Literatuur
Bekende/beroemde personen over May |
Ik waardeer de boeken van May al jaren en lees ze altijd weer graag.
U hebt inderdaad uit de werken van collega Karl May twee zinspreuken opgedoken die ik nooit heb opgemerkt. |
37
Toen ik namelijk zo oud was als U (17 jr. - v. L.) had ik zijn gehele werk gelezen van Durch die Wüste tot Weihnacht, en wel uit de volksbibliotheek van Kattowitz waar ik toen woonde. Destijds wist ik nog niet dat al zijn voorstellingen foutief zijn — dat b. v. de Amerikaanse blanken de Indianen, toen die dekens nodig hadden, zulke dekens met pokken geïnfecteerd wegschonken. Dat de Indianen daaraan in grote aantallen stierven was ook het doel.
(Geschreven door Karl May voor Klara voor hun trouwdag op 30 maart 1903. May stierf 30 maart 1912, dus op zijn trouwdag. Klara May op 31 december 1944 kort voor middernacht, dus tegen 12 uur, wisseling van het jaar.) |
....... omdat ik tot die mensen behoor die Karl May niet mogen.
Ik herinner mij dat, toen ik 12 jaar was May ijverig, met genoegen las.
Duits schrijver van heroisch realisme, wel beschouwd als de zuiverste belichaming van de geest der Duitse weermacht. Het lezen van Mays boeken heb ik een waar genoegen gevonden en mij daarbij mijn jeugdjaren herinnerd. Het is erg jammer dat de werken van deze schrijver bij ons in Rusland niet voldoende bekend zijn. De boeken van K. May vormen voor de komende generatie werkelijk een schat en een hulp bij de opvoeding en het stalen van de beste karaktereigenschappen die voor onze mensheid zo noodzakelijk zijn. (Antonow 180, kapitein van het Russische leger. Zie blz. 45 van het boekje Karl May Ausstellung, over een tentoonstelling (1945) in het museum voor volkenkunde in Wenen).
|
38
Verschijningsdata van het zo goed als totale oeuvre.
|
|
39
|
|
40
|
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Het betreft hier een in door De KIVA. Contactblad voor Indianen- en Karl May-vrienden in Nederland te Bennebroek uitgegeven boek. De auteur is E. van Linden, een pseudoniem van Wouter Tj. Klaren uit Amsterdam, samen met de psychiater Dr. Cornelis Johannes Schuurman (* 5 juli 1898, ?). |
Karl May: »Und Friede auf Erden«, pp. 144-145. |
Het persbericht stond in Het Parool van 10 januari 1976 (plus tientallen andere kranten). |
Dat was in 1976, toen dit boekje van E. v. Linden verscheen, inderdaad de actuele toestand. Inmiddels is er echter ergens een muurtje omgevallen en dat heeft vele zaken veranderd, o.a. de straatnamen in het huidige oosten van Duitsland. Na de bebouwing van het voormalige akkerlandschap Oberzeilen, die rond 1890 begon, kreeg de straat waaraan in later (in 1895) de villa werd gebouwd die aan het einde van dat jaar aan Karl May werd verkocht (die haar Villa Shatterhand noemde), in 1892 de naam Kirchstraße, omdat ze toegang verleent tot de achterkant van de Lutherkirche. In 1932 - ter gelegenheid van de 90e geboorte - of 20e sterfdag van May, werd de straat Karl-May-Straße genoemd. De communisten die niets van Karl May moesten hebben (maar gek genoeg wel alles van Karl Marx, niet bepaald de opwindende avonturenschrijver, van wie in de vorige noot sprake leek te zijn), veranderden de naam van de straat in 1945 in Hölderlinstraße; het verlengde van de Kirchstraße ten oosten van de Schildenstraße heette oorspronkelijk Moritzstraße (naar de voormalige keurvorst van Saksen van de albetinische lijn van het Huis Wettin - ook al zéér foute boel in de latere D.D.R.) en werd Hölderlinstraße, kortom: men hoefde de in het door de Russen bezette deel van Duitsland nauwelijks aanwezige fantasie aan te wenden om iets nieuws te bedenken. Na de Wende kreeg het oostelijk deel van de Hölderlinstraße de naam Karl-May-Straße terug, zodat ook Villa Shatterhand haar eigen huisnummer, 5, terugkreeg. Moritz kreeg zijn deel van de straat niet terug: die bleef voorbehouden aan de dichter Friedrich Hölderlin (* 20 maart 1770, 7 juni 1843). |
Het precieze aantal boeken dat May schreef is niet geheel duidelijk, omdat hij sommige delen dubbel gebruikte of soms gewoon hergebruikte. Van de door de Karl-May-Verlag bijeengebrachte en bewerkte werken waren onder de naam Karl Mays Gesammelte Werke tot 1968 73 lijvige boekdelen verschenen. De gretige lezers moesten tot 1985 wachten op verdere delen, dus in 1976 klopt het aantal van 74 niet. |
1892. |
Friedrich Ernst Fehsenfeld (* 16 december 1853, 16 september 1933) was een uitgever te Freiburg im Breisgau; hij gaf vanaf 1892 Karl Mays Gesammelte Reise-Erzählungen uit en was mede-oprichter van de Karl-May-Verlag. |
Prof. Dr. Karel van het Reve (* 19 mei 1921, 4 maart 1999) was een Nederlands letterkundige, slavist, literair vertaler, essayist, schrijver en columnist. Van 1957 tot 1983 was hij hoogleraar Slavische letterkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden. Van het Reve publiceerde wetenschappelijk werk en twee romans, maar is vooral bekend als essayist, die wordt gewaardeerd om zijn scherpzinnige redeneertrant en gevoel voor humor. |
Een zekere Gerd Frank won in 1969 een aflevering van de tv-quiz Alles oder nichts; hij had onderwerp Karl May gekozen. Na die winst schreef hij zelf een quizboek over Karl May met de titel »Kennen Sie Karl May?« dat door de Karl-May-Verlag werd uitgegeven. |
Dr. F. C. de Rooy (voluit: dr. Ferdinand Carel de Rooy, * 9 juni 1919, 4 maart 1998) was in het dagelijks leven leraar Frans te Zwolle, later Rijswijk/Z.H. en in zijn vrije tijd dé Karl May-kenner van Nederland. Van zijn hand is o.a. het boekje »Old Shatterhand - Kara Ben-Nemsi - ook voor U! De boodschap van Karl May, de idealist uit het Avondland« (Tilburg: Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis, 1955) en hij redigeerde en gaf in de jaren 1962-1967 de 50 bekende Karl May-pockets bij Uitgeverij Het Spectrum uit. Het vijftigste deel, »Karl May en zijn wereld« is niet (helemaal) geschreven door Dr. F. C. de Rooy: de bundel bestaat uit teksten van Karl May, voornamelijk uit zijn autobiografie, »Mein Leben und Streben«, die worden toegelicht door De Rooy. |
Blijkbaar een oud kaartje, want Chemnitz heette van 10 mei 1953 tot 1 juni 1990 op last van de DDR-autoriteiten Karl-Marx-Stadt en gedurende die zelfde periode was er geen sprake van deelstaten als Thüringen, Saksen-Anhalt of Saksen: de oude staten en provincies waren vanaf 1953 opgedeeld in Bezirke: Bezirk Dresden, Bezirk Karl-Marx-Stadt, Bezirk Leipzig, Bezirk Halle enz. Bovendien: als je een heel boek schrijft over Karl May, neem dan tenminste een kaartje waar zijn geboorteplaats op staat. |
Félix Hubert dHérelle (geboren als Hubert Augustin Félix Haerens, * 25 april 1873, 22 februari 1949) was een Franse microbioloog, die beroemd is geworden als de ontdekker van de bacteriofaag (virussen die specifieke soorten bacteriën infecteren) en uitvinder van de fagotherapie (de behandeling van bacteriële infecties door gebruik te maken van bacteriofagen; na de Tweede Wereldoorlog raakte deze therapie in de vergetelheid door de uitvinding van antibiotica). |
Het Institut Pasteur is een Franse particuliere non-profitorganisatie, opgericht bij decreet van 4 juni 1887 en geïnaugureerd op 14 november 1888, in het belang van de volksgezondheid gewijd aan de studie van biologie, micro-organismen, ziekten en vaccins. Het is naar Louis Pasteur (* 27 december 1822, 28 september 1895) genoemd, de stichter en eerste directeur, die in 1885 als eerste een vaccin tegen hondsdolheid heeft ontwikkeld. |
Prof. Dr. Klaas Herman Bouwman (* 5 november 1874, 8 november 1947) van 1915 tot 1946 hoogleraar in de psychiatrie en neurologie aan de Universiteit van Amsterdam en grondlegger van de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ). |
Jack van Belle (* 17 december 1922, 24 augustus 2008) was leraar Nederlands en geschiedenis in Apeldoorn en Lochem en schreef onder de naam Jacq Carré hoorspelen en populaire songteksten, waarvan een aantal ook op muziek is uitgegeven. In 1960 stapte hij over naar de omroep om voor de VARA tv-documentaires te maken waarin een breed scala van onderwerpen aan de orde kwam; zo maakte hij programmas over opvoeding en gezin, religieuze aangelegenheden, en ook over occulte zaken. Vanwege zijn achtergrond in het onderwijs werd hij gevraagd mee te werken aan de oprichting van de schooltelevisie in Nederland, een nieuw initiatief voor een destijds nog zeer nieuw medium. |
Dr. Conrad Wilhelm Albert Stromenger (* 31 juli 1889, 24 februari 1960) was een Zwitserse schrijver van Franse afstamming; hij maakte gebruik van het pseudoniem A. W. Conrady (=Albert Wilhelm Conrady). Hij was bevriend met Hans Wollschläger (zie noot 135) en werkte na zijn emeritaat voor de Karl-May-Verlag. Over Karl May schreef hij: |
Albert Einstein (* 14 maart 1879, 18 april 1955) was een Duits, later Zwitsers en nog later Amerikaans theoretisch natuurkundige van Joodse afkomst. In 1921 ontving hij voor zijn verdiensten voor de theoretische natuurkunde, en met name voor zijn ontdekking van de wet van het foto-elektrisch effect de Nobelprijs voor de Natuurkunde. |
Albert Schweitzer (* 14 januari 1875, 4 september 1965) was een Duits medicus, luthers theoloog, filosoof en schrijver; hij ontving in 1952 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn in woord en daad uitgedragen dogma Eerbied voor al het leven. |
Johann Wolfgang Goethe (sinds 1782 von Goethe, * 28 augustus 1749, 22 maart 1832; ) was de grootste dichter en dramaturg die Duitsland ooit gekend heeft; daarnaast was hij wetenschapper, romanschrijver, filosoof, natuuronderzoeker en staatsman. Bekende werken van hem zijn (o.a.) »Heidenröslein«, »Wandrers Sturmlied«, »Götz von Berlichingen«, »Die Leiden des jungen Werthers«, »Egmont«, »Iphigenie auf Tauris«, »Torquato Tasso«, »Der Erlkönig«, »Römische Elegien«, »Reineke Fuchs«, »Wilhelm Meisters Lehrjahre«, »Xenien« (samen met Friedrich (von) Schiller);, »Faust. Eine Tragödie«, »Hermann und Dorothea« »Pandora«, »Wilhelm Meisters Wanderjahre«, »Die Wahlverwandtschaften«, »Zur Farbenlehre«, »Aus meinem Leben. Dichtung und Wahrheit«, »Italienische Reise«, »Über Kunst und Altertum«, »West-östlicher Divan«, »Marienbader Elegie«, »Faust. Der Tragödie zweiter Teil« en »Einzelnheiten, Maximen und Reflexionen«. |
Heinrich Gotthold Münchmeyer (* 29 juni 1836, 6 april 1892) was uitgever en colportageboekhandelaar in Dresden. |
Friedrich Pustet (* 25 februari 1798, 6 maart 1882) was een Duitse uitgever en oprichter van de gelijknamige uitgeverij, die inmiddels Friedrich Pustet GmbH & Co. KG heet en al zes generaties lang door leden van de familie Pustet wordt bestuurd. Naast een uitgeverij bezit de firma ook een grafisch bedrijf en elf boekwinkels, waarvan alleen al vier in Regensburg, waar de firma ook statutair gevestigd is. Tussen 1874 en 1953 gaf de uitgeverij een van grootste Duitse katholieke tijdschriften, Deutscher Hausschatz (tot 1910: Deutscher Hausschatz in Wort und Bild), waarin Karl May tussen 1878 en 1909 met enige regelmaat publiceerde, uit. |
Het burgerlijk huwelijk wordt gesloten in het stadhuis van Ernstthal (Neumarkt 9), Karls woonplaats; het kerkelijk huwelijk vindt plaats in de St. Christophori-kerk in Hohenstein, Emmas woonplaats. In deze kerk zijn ook Karls ouders ooit getrouwd. |
Johann Wilhelm Spemann (* 24 december 1844, 29 juni 1910) was een uitgever in Stuttgart. In 1881 vertrouwde Spemann Jöseph Kürschner de redactie van het tijdschrift Vom Fels zum Meer toe. Ook het jaarboek Das Neue Universum en het jongenstijdschrift Der Gute Kamerad (vanaf 1887) stammen uit de uitgeverij van Spemann. In 1889 werd de Union Deutsche Verlagsgesellschaft opgericht en de uitgeverij van Spemann ging daarin op, maar na enkele onenigheden riep hij rond 1900 zijn eigen Spemann-uitgeverij weer in het leven. |
Friedrich Ernst Fehsenfeld : zie noot 7. |
In Perzië en Brits-Indië mocht hij niet van boord, omdat er een pestepidemie heerste. |
Dat heette toen nog gewoon Nederlands-Indië. De naam Indonesië werd vanaf de negentiende eeuw wel gebruikt door academische kringen buiten Nederland, maar de naam Indonesië werd pas officieel na de onafhankelijkheid 27 december 1949. |
Het huidige Sri Lanka. |
Voor alle duidelijkheid: scheiding van Emma May-Pollmer. |
Rudolf Lebius (* 4 januari 1868, 4 april 1946) was een Duitse journalist van het dubieuze soort, uitgever, vakbondsleider en antisemitisch politicus; nadat zijn pogingen om Karl May af te persen mislukt waren, werd hij diens vuigste tegenstander. Over Karl May schreef hij in november 1910 »Die Zeugen Karl May und Klara May. Ein Beitrag zur Kriminalgeschichte unserer Zeit«; voor de bewijzen in dat boek had hij talloze mensen omgekocht, onder druk gezet en hun woorden verdraaid. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat dit boek op 3 december 1910 verboden werd, al had het zijn vernietigende werk al gedaan, want Lebius had het boek al aan diverse rechtbanken in Duitsland gestuurd. |
Johanne Rosine Hennig (* 1807, 1875), de weduwe van een azijnfabrikant, verhuurde op 20 maart 1865 een kamer van haar woning aan het Thomaskirchhof 12 - na omnummering in 1888 is dat het huidige huisnummer 7 - in Leipzig an Karl May. Haar zoon Hermann diende nog diezelfde dag een aanklacht tegen May in vanwege bontdiefstal. |
Johann Friedrich Gottlob Erler (* 17 januari 1820, 23 juli 1898) was een pelswarenhandelaar in Leipzig (Brühl, hoek Nikolaistraße), die op 20 maart 1865 het slachtoffer werd van een geraffineerde bontdiefstal door Karl May. |
Op 29 maart 1869 (Paasmaandag) nam Karl May, die zichzelf politieluitenant von Wolframsdorf noemde, tien zogenaamde valse Thaler en een hoegenaamd gestolen horloge in beslag bij koopman Carl Reimann, die in Wiederau - een plaatsje in de buurt van Mittweida - ook Gasthof zum Hirsch runde. De hoogte van de buit was 18 Thaler |
Het gaat hier om zeilmaker Karl Friedrich August Krause (* 1828, 1896) in Ponitz. Karl May verscheen op 10 april 1869 bij deze Krause met de bewering dat hij een lid van de geheime politie was en belast met het zoeken naar vals geld. En ja hoor, van het geld dat Krause in zijn kas had, bleken maar liefst 30 Thaler vals te zijn. De overrompelde zeilmaker laat zich echter niet van zijn stuk brengen en eist een officiële ondervraging. Daarop neemt May de man mee naar Crimmitschau en wil onderweg onopvallend verdwijnen, maar de wantrouwend geworden zeilmaker achtervolgt hem niettemin. |
Christian Friedrich Weißpflog (* 1819, 1894) was in 1842 - toen hij nog smidsgezel was - Karl Mays peetoom. Later, toen hij al volwaardig smid was, woonde en werkte hij in de Mittelstraße 1 in Ernstthal en was hij getrouwd met Emilie Weißpflog, geb. Günther. Hij vertelde vaak in geuren en kleureun zijn belevenissen uit de tijd waarin hij nog rondtrok als smidsgezel. In 1869 ondersteunde hij de voortvluchtige draaideurcrimineel door hem wat makkelijk te verkopen voorwerpen gaf en hem aanried zijn toevlucht te zoeken in de Eisenhöhle (de huidige Karl-May-Höhle) in het bos ten noorden van Ernstthal. Voor de vorm deed hij een paar dagen later aangifte van de diefstal. In 1880 was hij trouwgetuige bij Karl Mays huwelijk met Emma Pollmer. |
Op de vroege ochtend van 31 mei 1869 begeeft May zich naar een restaurant te Limbach, bestelt een glas wijn zonder het te krijgen, daar de waard - Wünschmann - nog niet is opgestaan en eigent zich een set biljartballen (5 stuks) toe, door het benutten van een korte afwezigheid van het dienstertje. Deze vijf exemplaren worden later door de rechtbank op zon 20 Taler waarde gewaardeerd. Voor een kwart van de waarde kan hij ze kwijt aan een houtbewerker ter plaatse. |
Van Christian Gottlob Schreyer uis helemaal niets bekend, behalve dat hij hoteleigenaar in Bräunsdorf was. |
Christian Anton Wappler (* 1816, 1879) was wever en bakker in Mülsen St. Jacob, in de buurt bij Zwickau; hij was getrouwd en had drie zonen. Op 15 juni 1869 verscheen Karl May bij hem en gaf zich uit als expediënt - een boekhouder die niet alleen verantwoordelijk is voor kas- en boekhoudzaken, maar ook voor het bijhouden van lijsten en overzichten en ook voor het beheer van dossiers - van de jurist Dr. Wilhelm Michael Schaffrath in Dresden. Deze Schaffrath heeft werkelijk bestaan, dus het noemen van deze bekende naam nam elke vorm van wantrouwen weg; May overhandigde de bakker een vervalste oorkonde over een erfenis die hij van een Amerikaans familielid zou krijgen. Om de benodigde personalia te controleren moest Wappler meteen met zijn drie zonen naar Glauchau gaan. Zo gezegd, zo gedaan, maar het viertal had zijn kont nog niet gekeerd of Karl May verklaart aan de achtergebleven bakkersvrouw dat het verhaal over de erfenis een smoes was om de mannen weg te lokken, want men vermoedde dat er vals geld in het huis van de bakker aanwezig was; hij gaf te kennen dat hij geheim agent was en ook hier vond hij prompt 28 hoegenaamd valse Thaler, die hij in beslag nam en daarmee verder vluchtte. |
Bij Schankwirtschaft Engelhardt in Hohenstein (Karlstraße 57) hoorde ook een kegelbaan en een leesbibliotheek; eigenaren waren Johanne Christiane Engelhardt, weduwe Gündel (* 1799, 1876) en Christian Friedrich Engelhardt (* 1805, 1878). Als twaalfjarige werkte Karl May hier als kegeljongen, eke zondag vanaf de mis tot de late avond. Maar het drukst waren de maandagen, waarop de bewoners van de omliggende dorpen naar de markt in Hohenstein kwamen en aansluitend tot middernacht naar de kegelbaan. Hij verdiende daar aardig wat geld (20 groschen plus fooien), maar een en ander ging wel ten koste van zijn gezondheid: niet alleen zijn lichamelijke geonzdheid, maar vooral ook zijn geestelijke: omdat de kegelbaan als een trechter werkte, hoorde hij alles wat de kegelbroeders elkaar vertelde, ook de meest ordinaire grapjes. Af en toe kreeg hij ook een boterham, een uit restjes samengesteld bier of - om hem op te monteren - een glas jenever. De wachttijd verdreef hij door het lezen van alle mogelijke en vooral onmogelijke lectuur, zoals »Rinaldo Rinaldini en navolgers daarvan. Van het verdiende geld betaalde hij lessen Engels en Frans, die gegeven werden aan de kinderen van toekomstige emigranten. |
Op 2 december 1929 kreeg een 80 meter stuk straat dat de Bahnstraße met de Oststraße verbond, maar nog geen naam had, officieel de naam Karl-May-Straße. Het deel van de Bahnstraße waaraan het geboortehuis van Karl May stond, volgde in februari 1932 naar aanleiding van de 90e geboortedag van Karl May en in 1935 ten slotte werd ook het meest westelijke gedeelte van de Bahnstraße veranderd in Karl-May-Straße. Het huisnummer van Mays geboortehuis - het huidige Karl May-Haus, museum sinds 25 februari 1985 - is sindsdien 52. |
Karls ouders hadden veertien kinderen, maar slechts vijf ovverleefden hun eerste jaar. Toen Karl - als vijfde kind van het gezin - geboren werd, had hij één zus, Auguste Wilhelmine (* 1 december 1837, 27 mei 1880), de latere Frau Hoppe. Een eenvoudige rekensom leert ons dat er op dat moment dus al drie kinderen overleden waren: twee broers en een zusje. Als zesde t/m achtste kind werden Christiane Wilhelmine (* 28 mei 1844, 30 april 1932, de latere Frau Schöne), Ernestine Pauline (* 2 juni 1847, 29 april 1872) en Karoline Wilhelmine (* 9 juni 1849, 1 december 1945, de latere Frau Selbmann). Later werden nog drie broertjes en drie zusjes geboren, die echter geen van alle ouder werden dan een paar maanden. |
v. Linden geeft hier met een sterretje aan dat er een voetnoot komt. Vol verwachting klopt ons hart, maar die voetnoot wil maar niet komen. Het is een hele lap tekst, die hij in de tekst van pagina 6 heeft ingelast. Zie dus aldaar. |
Bedoeld worden Woldemar Ludwig Grenser (* 2 januar 1812, 2 juni 1872) en Carl Friedrich Haase (* 12 februari 1788, 10 november 1865). Beide waren professoren en directeur van het Entbindungsinstituts mit Hebammenschule an der Chirurgisch-Medizinischen Akademie in Dresden, gevestigd in het Kurländer Palais. Haase was dat van 1828 tot zijn pensioen op 30 juni 1845, Grenser vanaf 30 juni 1845. Beide heren hadden van Karl Mays moeder, die aan genoemd instituut met succes een vroedvrouwencursus had gevolgd, hadden van haar gehoord van Karls aandoening en besloten spontaan de jongen te helpen; in maart 1846 werd hij genezen verklaard. |
Christian Johann Heinrich Heine (* 13 december 1797, 17 februari 1856) was een Duitse dichter van Joodse afkomst. Zijn bekendste werken zijn »Gedichte«, Tragödien nebst einem lyrischen Intermezzo« (met hierin: »William Ratcliff«, »Almansor und Lyrisches Intermezzo«), »Dreiunddreißig Gedichte« (met hierin: »Die Loreley«), »Reisebilder. Erster Teil« (met hierin: »Die Harzreise«, »Die Heimkehr«, »Die Nordsee. Erste Abteilung« en verscheidene gedichten), »Buch der Lieder en Reisebilder. Zweiter Teil« (met hierin: »Die Nordsee. Zweite und dritte Abteilung«, »Ideen«, »Das Buch Le Grand« en »Briefe aus Berlin«), »Reisebilder. Dritter Teil« (met hierin: »Die Reise von München nach Genua« en »Die Bäder von Lucca«), »Der Salon. Erster Teil« (met hierin: »Französische Maler«, »Aus den Memoiren des Herren von Schnabelewopski« en verscheidene gedichten), »Der Salon. Zweiter Teil« (met hierin: »Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland« en de gedichtencyclus »Neuer Frühling«), »Der Salon. Dritter Teil«, »Neue Gedichte« (met hierin: »Deutschland. Ein Wintermärchen«), »Die schlesischen Weber«, »Atta Troll – Ein Sommernachtstraum«, »Romanzero«, en »Der Doktor Faust. Ein Tanzpoem«. |
Gerhart Hauptmann (eigenlijk: Gerhard Johann Robert Hauptmann, * 15 november 1862, 6 juni 1946) was een Duits toneelschrijver. Bekende werken van hem zijn Bahnwärter Thiel, Vor Sonnenaufgang, het al genoemde Die Weber, Florian Geyer, Fuhrmann Henschel en een viertal bewerkingen van klassieke tragedies. Hij ontving voor zijn complete werk in 1912 de Nobelprijs voor de Literatuur. |
Käthe Kollwitz geb. Schmidt (* 8 juli 1867, 22 april 1945) was een Duitse grafisch kunstenares en beeldhouwster. Bekende werken van haar zijn »Een Weberaufstand» (6 etsen), »Bauernkrieg« (9 etsen), »Krieg«, »Trauernde Eltern« (op de Duitse oorlogsbegraafplaats te Vladslo (België), vanwege haar in de Eerste Wereldoorlog omgekomen zoon Peter Kollwitz die daar begraven ligt), »Mutter mit zwei Kindern, Pietà (ook »Mutter mit totem Sohn) genoemd en ÅDie Klage. |
Prof. Dr. Pieter Jan Bouman (* 19 september 1902, 10 maart 1977) was van 1946 tot 1967 hoogleraar sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, van 1959 tot 1960 rector magnificus van die universiteit en schrijver van populair-wetenschappelijke boeken, waaronder »Revolutie der eenzamen« en »Cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw« de best verkochte waren. |
Friedrich August II. (voluit: Friedrich August Albert Maria Clemens Joseph Vincenz Aloys Nepomuk Johann Baptista Nikolaus Raphael Peter Xaver Franz de Paula Venantius Felix von Sachsen; * 18 mei 1797, 9 augustus 1854) uit de albertijnse lijn van het huis Wettin was van 6 juni 1836 tot 9 augustus 1754 de derde koning van Saksen. |
Samuel Friedrich Strauch (* 8 september 1788, 10 februari 1860) was cantor en leraar aan de Ernstthaler lagere school; hij woonde op de Markt nr. 186 (nu Neumarkt 19) en was dus na ± 1860 een buurman van de familie May. Hij gaf Karl May privéles in orgel-, piano- en vioolspel. Na zijn dood werd zijn complete nalatenschap, waaronder zijn eigen composities, door zijn weduwe Friederike Wilhelmine Concordia Strauch, geb. Layritz (* 1803, 1887) vernietigd, tenminste: volgens Karl May. In werkelijkheid zijn in ieder geval zijn boeken aan antiquariaat List & Francke in Leipzig verkocht dat ze in een catalogus te koop aanbood. In de figuur van de professor (in de bewerking van de Karl-May-Verlag Professor Vitzliputzli genaamd) in »In der Heimrath« weerspiegelde May cantor Strauch. |
Heinrich Lißner (soms ook Listner gespeld, * 1788, 1863) was een poppenspeler uit Frankberg, die met zijn Marionetten-, Welt- und Metamorphosentheater ook een paar keer in Ernstthal optrad. Waarschijnlijk in 1851 voerde hij in het Ernstthaler Webermeisterhaus de poppentheaterstukken »Das Müllerröschen oder Die Schlacht bei Jena« en »Doktor Faust oder Gott, Mensch und Teufel«, die May allebei samen met zijn grootmoeder bezocht heeft. |
»Faust« is een sage over een legendarische figuur, gebaseerd op de Duitse magiër en medicus Dr. Johann Georg Faust (* ±, 1480, ± 1540). Gelijk met zijn dood, vermoedelijk rond 1540, ontstond het gerucht dat hij een pact met de duivel had gesloten. Een van de eerste sagen over Dr. Faust werd in 1587 gepubliceerd door Johann Spies (* ± 1540, begraven op 21 februari 1623): »Historia von D. Johann Fausten«. Hierin had Dr. Faust een afspraak gemaakt met de duivel – Mephistopheles genoemd –, die Faust beloonde door hem te voorzien van alle rijkdom, kennis en geneugten van het leven. Faust stelde daar tegenover dat hij na zijn dood zijn ziel opgaf. Het verhaal werd veel vertaald en al in 1604 opgepikt door de Engelse dichter Christopher Marlowe (gedoopt op 26 februari 1564, 30 mei 1593): »The Tragical History of the Life and Death of Doctor Faustus«; Marlowes Faustus staat al met één been in de renaissance: Faustus verlangt de macht over de hele wereld en veracht de theologie en de gerichtheid op het hiernamaals. Twee eeuwen later, in 1808, schreef Johann Wolfgang Goethe (sinds 1782 von Goethe; * 28 augustus 1749, 22 maart 1832) zijn onovertroffen tragedie »Faust. Der Tragödie erster Teil«, in 1832 (postuum) gevolgd door »Faust. Der Tragödie zweiter Teil«. |
Bedoeld wordt óf Carl Traugott Schmidt (* 29 mei 1780, 27 augustus 1853), dominee van de St. Trinitatis-Kirche en lokale schoolinspecteur van 13 oktober 1825 tot 27 augustus 1853, óf |
Bedoeld wordt óf Dr. Friedrich Wilhelm Herz (* 1820, 1892), eerste jongensleraar aan en rector van de Ernstthaler Volksschule tot 20 december 1849, óf Christian Gentzsch (* 1811, 20 februari 1852), eerste jongensleraar aan en rector van de Ernstthaler Volksschule van 20 maart 1850 tot 20 februari 1852, óf
Magister Christian Wilhelm Ludwig (* 1823, 1896), eerste jongensleraar aan en rector ad interim van de Ernstthaler Volksschule van 11 november 1852 tot maart 1853, óf |
Zie noot 38. |
Christian August Vulpius (* 23 januari 1762, 25 juni 1827) was een Duits schrijver; zijn zus Christiane (voluit: Johanna Christiana Sophia Vulpius, * 1 juni 1765, 6 juni 1816) was vanaf 1788 de levensgezellin en vanaf 1806 de vrouw van Goethe. Vulpius is vooral bekend geworden door de roman »Rinaldo Rinaldini, der Räuberhauptmann«, dat in 1798 verscheen en dat talloze malen werd nagevolgd door andere schrijvers. Het staat vast dat deze roman aanwezig was in de bibliotheek van Schankwirtschaft Engelhardt in Hohenstein. |
»Sallo Sallini, der furchtbarste Räuberhauptmann in Italien und Böhmen. Eine Räuber- und Geistergeschichte« is een roman in twee delen van de Duitse journalist en schrijver Dr. Georg Carl Ludwig Schöpffer (ook wel gespeld als Schöpfer, * 13 maart 1811 , 1876) uit 1828, een duidelijke navolging van Vulpius roman »Rinaldo Rinaldini, der Räuberhauptmann«, zoals we reeds aan de allitererende titel kunnen zien. Het staat vast dat deze roman aanwezig was in de bibliotheek van Schankwirtschaft Engelhardt in Hohenstein. |
»Himlo Himlini, der Räuberhäuptling in Spanien mit seiner gefürchteten Bande. Großes Räubergemälde« is een roman in twee delen van de Duitse journalist en schrijver Dr. Georg Carl Ludwig Schöpffer (ook wel gespeld als Schöpfer, * 13 maart 1811, 1876) uit 1833, ook alweer een duidelijke navolging van Vulpius roman »Rinaldo Rinaldini, der Räuberhauptmann«, zoals we reeds aan de allitererende titel kunnen zien. Het staat vast dat deze roman aanwezig was in de bibliotheek van Schankwirtschaft Engelhardt in Hohenstein. |
»Die Sünden des Erzbischofs« wordt door Karl May in Mein Leben und Streben in samenhang met zeven andere titels genoemd, maar het bestaan ervan is tot op heden nooit bewezen. |
De zogenaamde Lügenschmiede was een café op de huidige hoek van de Braugasse en de Hermannstraße in Ernstthal. Het gebouw bestond al vanaf de jaren 20 van de negentiende eeuw. In 1870 kwam het in bezit van een zekere Karl Wilhelm Reinhold (* 1838, 1890), die de vergunning om wijn en Beiers bier te schenken verwierf; later noemde hij het Gasthaus zur Schmiede. Het café liep goed en de gasten kwamen uit de Ernstthaler en Hohensteiner middenklasse. De waard, Reinhold, en zijn vrouw Cäcilie hielden wel van een geintje, en beiden speelden hun gasten - vaak ruwe - streken. Het café kreeg daarop al snel de naam Lügenschmiede. In »Mein Leben und Streben« had Karl May geen goed woord over voor deze Lügenschmiede, omdat er natuurlijk, zoals dat gaat in een dorpscafé, ook stevig geroddeld werd; het onderwerp van die roddels laat zich makkelijk raden: Karl May, de ontaarde zoon van de stad. Op 31 mei 1900 werd het café ten slotte afgebroken om de straat te kunnen verbreden. |
Duitse titel: »Weihnacht!;« (Gesammelte Werke, Band 24«). |
Friedrich Wilhelm Schütze (* 19 april 1807, 12 februari 1888) was van 1844 tot 1885 directeur van het Fürstlich-Schönburgische Lehrerseminar in Waldenburg en schrijver van boeken en artikelen op het gebied van het lagere-school- en seminariewezen. Hij zorgde ervoor dat Karl May van het seminarie in Waldenburg werd verwijderd, maar richtte daarna wel een verzoekschrift aan het Vogtländisches Schul-Lehrer-Seminar in Plauen; als gevolg daarvan mocht Karl May in Plauen zijn studie voortzetten. |
Ernst Theodor Meinhold (* 1835 , 1890) was een koopman in Glauchau, die de jonge leraar Karl May in oktober 1861 als onderhuurder in zijn woning aan de Große Färbergasse 17 opnam. Na veertien dagen diende hij een aanklacht tegen May in omdat deze zich tijdens pianolessen iets te nadrukkelijk met mevrouw Meinhold (* 1842 , 1891) bezig had gehouden. Daarop verliet May Glauchau en vond al snel een nieuwe baan in Altchemnitz. |
Julius Friedrich Claus (ook gespeld als Clauß, * 1816, 1873) was de eigenaar van een katoengarenspinnerij in Altchemnitz (tegenwoordig een stadsdeel van Chemnitz), gelegen aan de Würschnitz bij de grens met Harthau (ook dat is tegenwoordig een stadsdeel van Chemnitz). Bij de spinnerij hoorde ook een fabrieksschool, waar Karl May van 6 november t/m 23 december 1861 twee klassen jonge fabrieksarbeiders les gaf. |
Carl Friedrich Solbrig (* 15 maart 1807, 17 maart 1872) was de eigenaar van een kamgarenspinnerij in Harthau, met een filiaal in Altchemnitz. Solbrig had in 1849 het gebouw van de failliet verklaarde Bernhardsche Fabrik in Harthau overgenomen en daar zijn spinnerijfabriek ingericht. Het filiaal in Altchemnitz kwam daar later bij; dat filiaal werd geleid door Solbrigs zoon Friedrich August Solbrig (* 1836, 1876) plus zijn schoonzonen Carl Wilhelm Rößler (* 1831, 1896) en Carl Wilhelm Heise (* 1829, 1886). In 1863 werden zij eigenaren van de onderneming dat vanaf toen C. F. Solbrig Söhne heette. Bij de spinnerijfabriek hoorde ook een fabrieksschool met één klaslokaal; ook hier gaf Karl May van 6 november t.m 23 december 1861 één klas jonge fabrieksarbeiders les. Beschermheer van de school was Carl Friedrich Solbrig zelf, maar beide scholen vielen onder de Superintendentur van Robert Kohl (* 14 december 1813, 31 december 1881), van 1859 tot 1880 dominee van de St. Nicolai-Kirche in Chemnitz en Superintendent (een predikant in het lutheranisme die belast is met het opzicht over en het leiding geven aan het kerkelijk leven in een bepaald gebied) van de ephorie (kerkelijk ambtsgebied) Chemnitz, waaronder ook Altchemnitz en Harthau vielen. |
Waarschijnlijk al op 24 december: op de Kerstmarkt in Hohenstein. |
Karl May had het zakhorloge van zijn kamergenoot Scheunpflug geleend, maar zonder dit bij het begin van de kerstvakantie terug te hangen; van een cadeau voor zijn vader is nooit sprake geweest. |
Wolf Hasso Erich Wulffen (* 3 oktober 1862 in Dresden, 10 juli 1936) was een Duitse criminoloog, Officier van Justitie en schrijver, Karl May in 1908 in zin boek »Psychologie eines Verbrechers« - zonder Mays naam te noemen, maar voor iedereen identificeerbaar - een geboren misdadiger noemde, een term die in 1876 gemunt was door de Italiaanse arts en psycholoog Cesare Lombroso (* 18 november 1836, 19 oktober 1909): delinquente nato. Rudolf Lebius (zie noot 29) pikte de term maar al te graag op en gebruikte hem over May tegen Selma vom Scheidt (* 26 september 1874, 19 februari 1959), een vriendin van Emma Pollmer. |
Friedrich Eduard Göhler (* 20 september 1824, 5 juni 1890) was van 1861 tot 1883 opzichter-beambte van de 1e disciplinaire klasse in Arbeitshaus Schloss Osterstein in Zwickau. Met grote waarschijnlijkheid is het aan hem te danken dat Karl May in 1867 in het schuiftrompetkwartet en daarmee van het kerkorkest werd opgenomen. |
Het zogeheten »Repertorium C. May« (zelf schrijft hij in zijn schrift: Repertorium Carl Maÿ« ontstond vermoedelijk in 1868 in Schloss Osterstein. Deze inhoudsopgave bestond uit 137 nummers met titel, die gedeeltelijk door hem becommentarieerd of toeglicht waren. Slechts weinig van de 137 titels of motieven heeft hij in zijn latere werken gebruikt. |
Johanne Christiane Kretzschmar, wed. May, wed. Vogel (* 15 september 1780, 19 september 1865) was Karl Mays oma van vaderszijde, de beroemde Märchengroßmutter. |
Johannes Kochta (eigenlijk Johann Peter Kochte, * 28 maart 1824, 27 februari 1886) was van 1866 tot 1884 katholiek gevangenisaalmoezenier in tuchthuis Waldheim. |
Friedrich Fritz Louis Münchmeyer (* 15 april 1829, 25 december 1897) was een oudere broer van Heinrich Gotthold Münchmeyer (zie noot 20). Beide broers lieten hun jonge redacteur May nauwelijks uit het oog en gingen s avonds vaak gedrieën uit. Hij leidde Verlag H. G. Münchmeyer aanvankelijk samen met zijn broer, maar gaf zelf ook boeken uit: zo verscheen het »Buch der Liebe« niet bij H. G. Münchmeyer, maar bij Verlag F. L. Münchmeyer. Vanwege dat »Buch der Liebe« kwam het op 23 februari 1876 tot een huiszoeking in de uitgeverij aan de Jagdweg 14 te Dresden; tot 1878 woonden Friedrich Louis Münchmeyer en zijn vrouw, Caroline Wilhelmina Münchmeyer geb. Heide (* 1834, 1906) ook op dat adres, maar in 1878 gingen zij en hun kinderen wonen in de nabijgelegen Rosenstraße 91III. Naar aanleiding van de huiszoeking komt het tot een rechtszaak tegen Münchmeyer en handlangers. Handlanger May werd daarvan meteen vrijgesproken, maar Heinrich Münchmeyer en drukker Friedrich Wilhelm Gleißner werden in eerste instantie wegens vergrijp tegen de openbare zeden allebei tot een geldstraf van 200 mark veroordeeld, maar later vrijgesproken. |
Minna Hulda Ey (* 23 februari 1843 , 1918) was de ongetrouwde zus van Ida Pauline Münchmeyer, geb. Ey (* 14 juni 1840 , 17 mei 1928), die bij haar zus en zwager inwoonde; nadat Karl May haar (in 1876) had afgewezen (Karl May und Minna Ey: Die werden niemals zwei), gaf hij zijn baan bij Münchmeyer op en trouwde vier jaar later met Emma Pollmer. Minna troostte zichzelf door in augustus 1879 te trouwen met de Dresdner meubelfabrikant Friedrich Carl Horst Tittel (* 1826, 1897). |
Hohenstein en Ernstthal werden pas op 1 januari 1898 samengevoegd, dus zo ver is het nu (in 1880) nog niet. Daarom is het beter om te spreken van de gevangenis van Ernstthal, gelegen op de hoek van de Lungwitzer Straße 39 en de - ironisch genoeg - Karl-May-Straße, die toen natuurlijk nog niet zo heette. |
Christian Gotthilf Pollmer (* 6 juni 1807 , 26 mei 1880) was barbier en chirurgus in Hohenstein. Zijn dochter Emma Ernestine Pollmer (* 17 juni 1830, 4 december 1856) stierf twee weken na de geboorte van haar dochter Emma Lina Pollmer, Karl Mays latere eerste vrouw. Emma Linas vader was naar men zegt Michael Zimmermann, een barbiergezel uit Zittau. |
Emil Eduard Pollmer (* 13 oktober 1828, 26 januari 1878) was de zoon van Christian Gotthilf Pollmer en dus de oom van Emma Pollmer. Begin 1878 wird hij onder mysterieuze omstandigheden dood aangetroffen in de paardestal van Gasthof Zum braven Bergmann in Niederwürschnitz; vermoedelijk was hij dronken en wel onder een koets terechtgekomen. |
Zie noot 21. |
Pauline Münchmeyer (voluit: Ida Pauline Münchmeyer, geb. Ey, * 14 juni 1840, 17 mei 1928) was de vrouw/weduwe van Heinrich Gotthold Münchmeyer. Zij hadden vier dochters: Anna Marie (Maria) Jäger, geb. Münchmeyer (* 12 april 1861, 3 september 1908), Anna (Alma) Veronika Heubner, geb. Münchmeyer (* 10 oktober 1862, 2 april 1952), Ida Pauline Schiller, geb. Münchmeyer (* 23 juli 1864, 12 augustus 1917) en Elsa Flora Böhler, geb. Münchmeyer (* 30 augustus 1873, 23 oktober 1961). |
Charles John Huffam Dickens, * 7 februari 1812, 9 juni 1870) was een van de belangrijkste Engelse schrijvers tijdens het victoriaans tijdperk, die tot na de Eerste Wereldoorlog Engelands populairste schrijver bleef. Hij verwierf bekendheid met »The Pickwick Papers« (voluit: »The posthumous papers of the Pickwick Club«), »Oliver Twist«, »Nicholas Nickleby«, »David Copperfield«, »Great Expectations«, »A Christmas Carol« en »A tale of two cities«. |
Bernhard Hermann Cardauns (* 8 augustus 1847, 14 juni 1925) was een Duitse katholieke historicus, journalist en schrijver, die zijn romans publiceerde onder het pseudoniem Heinrich Kerner. Van 1876 tot 1907 was hij hoofdredacteur van de Kölnische Volkszeitung die onder zijn leiding het leidende blad van de Zentrumspartei in het Rijnland werd. Later werd hij een uitgesproken tegenstander van Karl May. |
Het anonieme »Das Buch der Liebe. Wissenschaftliche Darstellung der Liebe nach ihrem Wesen, ihrer Bestimmung, ihrer Geschichte und ihren geschlechtlichen Folgen, nebst eingehender Besprechung aller Geschlechts-, Frauen- und Kinderkrankheiten mit besonderer Berücksichtigung des Wochenbettes nebst Anleitung zur Heilung sämmtlicher Krankheiten. Geschrieben und herausgegeben nur für erwachsene und wissenschaftlich gebildete Leute« verscheen in 1876 en kan, hoewel Karl May omwille van de werkdruk in die tijd veel passages uit andere werken heeft overgenomen, gedeeltelijk als zijn eerste boek gelden, hoewel ook anderen teksten aanleverden; in ieder geval is het het eerste boek dat hij als redacteur publiceerde. Twee jaar eerder was het bij Münchmeyer verschenen »Die Geheimnisse der Venustempel aller Zeiten und Völker oder Die Sinnenlust und ihre Priesterinnen. Geschichte der Prostitution und ihrer Entstehung, sowie die Darlegung ihrer Folgen auf die Entwickelung der Menschheit, samen met het geneeskundige voorlichtingsboek »Die Geschlechtskrankheiten des Menschen und ihre Heilung. Mit besonderer Berücksichtigung der Syphilis, ihrer Entstehung und Folgen. Mit über 100 allopathischen, sowie homöopathischen Recepten versehen, zur Heilung aller Krankheiten, welche die Geschlechtsorgane betreffen« in Pruisen en Oostenrijk-Hongarije verboden. »Das Buch der Liebe« was een poging van Münchmeyer om »Die Geschlechtskrankheiten des Menschen« - vanwege de censuur deels in een nieuw jasje - toch nog op de markt te brengen. Mat verdeelde de voor handen zijnde tekst in drieën en sleep de scherpe kantjes eraf door er nieuwe passages aan te te voegen en de bestaande teksten opnieuw te redigeren. Het boek bestond zodoende uit drie delen: |
Pater Ansgar Pöllmann (geboren als Theodor Pöllmann, * 21 september 1871, 20 juni 1933) was een Benedictijner monnik in het klooster Beuron en om een of andere reden een felle tegenstander van Karl May; in zijn zevendelige artikelserie Ein Abenteurer und sein Werk in het tijdschrift Über den Wassern sprak hij de wens uit, Karl May aus dem Tempel der deutschen Kunst hinauspeitschen te willen. Na ingrijpen van de aartsabt van Beuron, Ildefons Schober (geboren als Friedrich Schober, * 23 februari 1849, 28 februari 1918), hielden Pöllmanns aanvallen op Karl May als bij toverslag op. |
Paul Johann Ludwig von Heyse (* 15 maart 1830, 2 april 1914) was een Duitse schrijver, dichter en essayist. Bekende werken van hem zijn »Jungbrunnen«, »L'Arrabbiatia«, »Francesca von Rimini«, »Die Sabinerinnen«, »Ludwig der Bayer«, »Meraner Novellen«, »Colberg«, »Beatrice«, »Die Göttin der Vernunft«, »Die Kinder der Welt«, »Im Paradiese«, »Alkibiades«, »Merlin«, »Über allen Gipfeln«, »Melusine«, »Vanina Vanini«, »Der Bucklige von Schiras«, »Die törichten Jungfrauen« en »Die Geburt der Venus«. In 1910 won hij de Nobelprijs voor de Literatuur. |
Maurice Polydore Marie Bernard Maeterlinck (* 29 augustus 1862, 6 mei 1949) was een Belgisch-Waalse schrijver en dramaturg. Bekende werken van hem zijn »La Princesse Maleine«, »Les Aveugles«, »Les Sept Princesses«, »Pelléas et Mélisande«, »Le Trésor des humbles«, »La Sagesse et la destinée«, »Soeur Béatrice«, »La Vie des abeilles«, »Ariane et Barbe-Bleue«, »Monna Vanna«, »Le Temple enseveli«, »L'Oiseau Bleu«, »Marie-Magdaleine«, »La Mort«, »Le Miracle de saint Antoine«, »Marie-Victoire«, »La Princesse Isabelle«, »Jeanne dArc« en »Bulles bleues«. Op maandag 19 januari 1903 bezochten Karl en Klara May Maeterlincks toneelstuk »Monna Vanna« in het Schauspielhaus in Dresden. In 1911 won Maeterlinck de Nobelprijs voor de Literatuur. |
Alexandre Dumas père (eigenlijk: Alexandre Davy de La Pailleterie Dumas, * 24 juli 1802, 5 december 1870) was een Frans dramaturg en schrijver van hoofdzakelijk historische romans, o.a. »Les Trois Mousquetaires« (=»De drie musketiers«, »Le comte de Monte-Cristo« (=»De graaf van Monte-Cristo«, »Vingt Ans après« (=»Twintig jaar later«), »La Reine Margot« en »Le Vicomte de Bragelonne ou Dix Ans plus tard« (=»De Burggraaf van Bragelonne«). |
Edgar Allan Poe (* 19 januari 1809, 7 oktober 1849) was een Amerikaans schrijver en dichter, die ook werkte als literair criticus en redacteur. Hij was een van de eerste Amerikaanse schrijvers die van de pen probeerde te leven, waardoor hij het zwaar had. Zijn bekendste werken zijn »Metzengerstein«, »Loss of Breath«, »Berenice«, »Morella«, »Ligeia«, »The Devil in the Belfry«, »The Fall of the House of Usher«, »William Wilson«, »The Murders in the Rue Morgue«, »A Descent into the Maelström«, »Never Bet the Devil Your Head«, »The Oval Portrait«, »The Masque of the Red Death«, »The Pit and the Pendulum«, »The Tell-Tale Heart«, »The Gold-Bug«, »The Black Cat«, »The Premature Burial«, »The Purloined Letter«, »The Thousand-and-Second Tale of Scheherazade«, »The Imp of the Perverse«, »The System of Doctor Tarr and Professor Fether«, »The Facts in the Case of M. Valdemar«, »The Cask of Amontillado«, »Hop-Frog« en »The Light-House«. |
George Gordon Byron (beter bekend als Lord Byron, 22 januari 1788, 19 april 1824) was een Engels romantisch dichter en schrijver. Byrons reputatie berust niet alleen op zijn geschriften, maar ook op zijn leven vol aristocratische excessen, enorme schulden en talrijke liefdesaffaires. Hij nam bovendien deel aan de Griekse vrijheidsstrijd. Bekendewerken van hem zijn »Hours of Idleness«, »Childe Harolds Pilgrimage, Cantos I & II«, »She Walks in Beauty«, »The Giaour«, »The Bride of Abydos«, »The Corsair (1814)«, »Lara, A Tale (1814)«, »The Siege of Corinth«, »The Prisoner of Chillon«, »The Dream«, »Prometheus«, »Darkness«, »Manfred«, »The lament of Tasso, supposed to have been written in the dungeon of the lunatic hospital at Ferrara«, »Childe Harolds Pilgrimage«, »Don Juan«, »Mazeppa«, »The Prophecy of Dante«, »Marino Faliero, doge of Venice«, »Sardanapalus«, »The Two Foscari«, »Cain« en »Heaven and Earth«. |
Sir Walter Scott, 1st Baronet (* 14 augustus 1771 , 21 september 1832) was een Schots dichter en schrijver, vooral bekend door zijn historische romans. Zijn »Waverley« was de eerste historische roman, die uitgroeide tot een hele serie, waarvan »Ivanhoe« de bekendste werd. Andere bekende romans van zijn hand zijn o.a. »Rob Roy«, »Old Mortality«, »The Heart of Mid-Lothian« en »The Bride of Lammermoor«; ook zijn gedichten »The Lady of the Lake« en »Marmion« genoten wereldfaam. |
William Shakespeare (gedoopt op 26 april 1564 [juliaans] , 23 april [juliaans]/3 mei 1616 [gregoriaans]) was een Engels toneelacteur, dramaturg en Lyricus. Naast 154 sonetten en vijf epische dichtwerken schreef hij 37 of 38 toneelstukken die tot op de dag van vandaag tot de hoogtepunten van de wereldliteratuur worden gerekend. Een opsomming van de hoogtepunten van zijn dramas is een opsomming van nagenoeg zijn complete toneelwerk: »Titus Andronicus«, »The Comedy of Errors«, »The Two Gentlemen of Verona«, »King Richard II«, »King Richard III«, »The Taming of the Shrew«, »Romeo and Juliet«, »A Midsummer Nights Dream«, »King Henry IV, Part 1«, »The Merchant of Venice«, »King Henry IV, Part 2«, »Much Ado about Nothing«, »As You Like It«, »The Tragedy of Julius Caesar«, »The Merry Wives of Windsor«, »Troilus and Cressida«, »Hamlet, Prince of Denmark«, »Alls Well That Ends Well«, »Measure for Measure«, »Othello«, »King Lear«, »Timon of Athens«, »Antony and Cleopatra«, »Macbeth«, »Coriolanus«, »The Winters Tale«, »The Tempest« en »King Henry VIII or All Is True«. |
Pater Expeditus Schmidt O.F.M. (geboren als Carl Hermann Schmidt, * 3 juli 1868, 8 juni 1939) was een Franciscaner monnik en literatuurcriticus. In het tijdschrift Über den Wassern verscheen in 1910 de serie artikelen van Pater Ansgar Pöllmann tegen Karl May (zie noot …). Schmidt koos partij voor Pöllmann met een ingezonden brief (10 mei 1910) aan de Augusburger Postzeitung. May klaagde Schmidt als uitgever en Pöllmann als auteur aan wegens belediging; de hoofdzitting vond op 26 september 1910 plaats; in plaats van inhoudelijk op de zaak in te gaan wird er maandenlang gediscussieerd over de bevoegdheid van de rechtbank en uiteindelijk werd bepaald dat het Amtsgericht Dresden bevoegd was en dit wees Mays klacht op 9 mei 1911 af. |
Oskar Hermann Gerlach (* 20 juli 1870, 27 september 1939) was de advocaat van o.a. Pauline Münchmeyer, maar ook van anderen in de talrijke processen tegen Karl May. Door een smerig trucje wist hij gedaan te krijgen dat zijn oude schoolvriendje Hans Conrad Seyfert (* 1869, ?) als Officier van Justitie op een van de zaken wird gezet; die wist vervolgens gedaan te krijgen dat zijn studievriend Kurt Theodor Larraß (* 17 juni 1874 , 31 december 1949) de rechter in dit proces werd. Lang leve de onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak! |
Adalbert Fischer (voluit: Johannes Adalbert Fischer, * 3 december 1855, 7 april 1907) was uitgever te Dresden, die in 1899 Verlag H. G. Münchmeyer overnam van diens weduwe, met als enig doel om Karl Mays colportageromans opnieuw uit te geven, nu met enkele toegevoegde passages. |
Richard Alexander Plöhn (* 22 juni 1853, 14 februari 1901) was fabrikant van verbandstoffen in Radebeul en een vriend van Karl May. Zijn weduwe, Klara Plöhn-Beibler, zou in 1903 Karl Mays tweede echtgenote worden; als dank voor het feit dat Richard Plöhn het grootste deel van het gezamenlijk grafmonument te Radebeul had betaald, liet zij Plöhns stoffelijke resten in 1942 uit het graf verwijderen en in Tolkewitz cremeren, omdat hij volgens de Neurenberger rassenwetten een halfjood was ... |
Paul Reinhold Brückner (* 10 september 1870, 12 maart 1937) was een advocaat in Dresden. Hij behartigde in 1901 Karl Mays belangen in de confrontatie met Adalbert Fischer. Hij bewees ook dat Karl Mays handtekening onder nummer 615 in het gastenboek van Hotel Bürgerbräu in Bad Tölz vals was: de valse handtekening was door Mays tegenstanders gebruikt om te bewijzen dat Karl May in 1899/1900 helemaal niet in de Oriënt was, maar een kuur in Bad Tölz volgde. De Frankfurter Zeitung zag zich gedwongen deze bewering te rectificeren. In oktober 1902 overnachtten Karl en Klara May op weg naar Bozen/Bolzano werkelijk in Hotel Bürgerbräu en kon de familie Faist - eigenaren van het hotel - verklaren dat deze echte May niet de man was die in juni 1899 de handtekening in het gastenboek had geschreven. |
Das Vaterhaus. Illustrierte Deutsche Zeitschrift für Unterhaltung und Belehrung verscheen vanaf 1922 bij Verlag Das Vaterhaus, H. G. Münchmeyer G.m.b.H., Dresden-Niedersedlitz (op dat moment in handen van Julius Arthur Schubert (* 8 juni 1874, 1 december 1956), schoonzoon en erfgenaam van Adalbert Fischer); het blad verscheen waarschijnlijk tot 1938. In dit blad verschenen de volgende voorpublicaties van de bewerkte colportageromans van Karl May: |
Julius Eduard Maximilian (Max) Dittrich (* 10 juni 1844, 10 mei 1917) was een schrijver en redacteur van verscheidene kranten. Hij werkte na jarenlang in militaire dienst te hebben gezeten als medewerker van verscheidene ondernemingen, tot hij wegens oplichting en diefstal tot anderhalf jaar werkhuis veroordeeld werd; hij zat zijn straf uit van 13 juli 1866 en 13 januari 1868 in Schloss Osterstein bij Zwickau en leerde daar vermoedelijk Karl May kennen. Het tweetal ontmoette elkaar vermoedelijk weer bij toen ze in de jaren 80 allebei in dienst waren van Verlag H. G. Münchmeyer. Daarna verwatert het contact, maar in 1902 werd Dittrich in de privéklinkiek Waldpark-Sanatorium in Dresden-Blasewitz door dr. Hänel geopereerd en behandeld; Karl May bezocht hem daar en daarna verbleef Dittrich een paar weken in Villa Shatterhand om te herstellen. Hij stelde zich ter beschikking als getuige in het proces tegen Münchmeyer/Fischer. Van deze Dittrich ervaart Karl May o.a. dat een zekere Paul Ernst Richard Staberow (* 13 januari 1855, 8 september 1926) in opdracht van Münchmeyer verantwoordelijk was voor de veranderingen in zijn colportageromans. Toen de aanvallen tegen May in de pers begonnen, engageerde Dittrich zich voor May: zo schreef hij »Karl May und seine Schriften. Eine literarisch-psychologische Studie für Mayfreunde und Mayfeinde« (1904). Rudolf Lebius was bereid om tegen ruime betaling zijner bemoeiingen dit geschrift uit te geven, hetgeen May afwees, waarna Lebius zijn felste tegenstander werd. In 1903 was al onder Dittrichs naam een recensie van Karl Mays »Erzgebirgische Dorfgeschichten« verschenen in het tijdschrift Ueber Berg und Tal, die vermoedelijk door May zelf geschreven was. In 1907 werd Dittrich ten slotte in de districtsinstelling Saalhausen bij Dresden opgenomen, waar hij in november 1908 verhoord werd. In 1917 stierf hij in deze instelling. |
Bankiershuis Gebrüder Arnhold was een privébank met vestigingen in Dresden en Berlijn. Het werd in oktober 1864 opgericht door de uit Dessau afkomstige Max Arnhold (* 17 april 1845, 4 december 1908) en Ludwig Philippson; in 1876 stapte laatstgenoemde uit de onderneming en vijf jaar later werd Arnholds broer Georg (* 1 maart 1859, 25 november 1926) aan de directie toegevoegd. In de beginjaren moest het bankiershuis het met bescheiden kantoren in de Galeriestraße doen, maar vanaf 1873 betrok het een groter kantoor aan Seestraße en in 1878 aan de Altmarkt, alle in Dresden. De voornaamste cliënten waren brouwerijen en de keramiekindustrie (o.a. de Feldschlößchen-Brauerei Dresden, Export-Brauerei Radeberger, Vereinsbrauerei Rixdorf, Brauerei Brunn bij Wenen, Reichelbräu Kulmbach en Hofbierbrauerei Schöfferhof; C.M. Hutschenreuther AG en Triptis AG. Na overname van diverse andere banken werd Gebr. Arnhold de belangrijkste bank van Dresden; in 1907 werd een filiaal in Berlijn geopend. |
Carl Wermuth (* 1878, 1951) was een sociaaldemocratische journalist in Berlijn en van 1906 tot 1914 redacteur bij het linkse blad Vorwärts. Toen dit blad op 26 juli 1907 stelde dat Rudolf Lebius zich in een van zijn artikelen niet als man van eer had betuigd, werd Wermuth als verantwoordelijk redacteur door Lebius aangeklaagd. Wermuth probeerde daarop bewijsmateriaal voor de stelling dat Lebius geen man van eer was te verzamelen en wendde zich tot Karl May. Omdat Karl May een broertje dood had aan de sociaaldemocratie, ging hij hier niet op in, maar Wermuth noemde Karl May in zijn verweer toch als getuige. In eerste instantie werd Vorwärts tot een boete van 100 mark veroordeeld, maar het blad ging in beroep en noemde Karl May opnieuw als getuige. Daarop schreef Karl May op aandringen van Wermuth de tekst »Lebius, der Ehrenmann, met als gevolg dat Lebius begon Karl Mays geloofwaardigheid te ondergraven. |
Onder de auteursnaam Friedrich Wilhelm Kahl (* 10 mei 1887, 19 maart 1963) verscheen op 1 april 1908 de brochure »Karl May, ein Verderber der deutschen Jugend«; de auteur was vermoedelijk Rudolf Lebius zelf, van wie ook een kopie van het artikel »Atavistische und Jugendliteratur« uit het jaar 1906 opgenomen was. Verdere verspreiding van deze negatieve brochure werd op 25 april verboden, maar terwijl Karl en Klara May in Amerika verbleven had Lebius het bij de Officier van Justitie voor elkaar gekregen dat er een opsporingsbevel tegen Karl May uitging. Daarop telegrafeert May op 16 oktober aan August Ernst Walter Bahn (* 6 oktober 1873, 1952), advocaat en partner van de kanselarij Walter Bahn en Willy Beyer in Berlijn, Rathenowerstraße 8I. Op 23 december 1908 informeert deze Walter Bahn de inmiddels weer in Duitsland teruggekeerde Karl May, dat de uitgever van de brochure, Friedrich Bechly, bereid was tot een schikking. Na wat strubbelingen omtrent de betaling van de proceskosten kwam die schikking er uiteindelijk op aandringen van rechter Willi Schenk. |
Ferdinand Carl Ludwig Pfefferkorn (* 5 augustus 1841, 8 maart 1916) was een schoolvriendje van Karl May, die in 1855 met zijn vader, diens tweede vrouw en zes broers en zussen naar de Vernigde Staten was geëmigreerd, maar drie jaar later terugkwam naar Duitsland. In 1863 trouwde de inmiddels als barbier in Oberlungwitz werkende Pfefferkorn met Isa Amalie Schultze. Nogmaals drie jaar later emigreerde hij opnieuw, ditmaal definitief. Hij scheidde van Ida en woonde met zijn nieuwe echtgenote, Therese Johanna Pfefferkorn (* 1845, 1919) in Lawrence/MA, waar hij zijn oude beroep van barbier weer opnmam, maar daarnaast vermoedelijk ook als homeopaat werkzaam was. Volgens het adresboek noemde hij zich vanaf 1883 physician (arts) met als titel M. D. (medicinae doctor, Doctor of Medicine); of deze titel echt was, is niet bekend,maar we weten wel dat hij vanaf dat moment ook chirurgische ingrepen uitvoerde. In het najaar van 1895 bezochten hij en zijn tweede vrouw Karl en Emma May in Villa Agnes in Radebeul; bij aldaar gehouden de spiritische seances waren ook Richard en Klara Plöhn aanwezig. |
Selma vom Scheidt: zie noot 66. |
Rudolf Bernstein (voluit: Friedrich Rudolf Bernstein, * 25 juli 1858 , 9 november 1932) was advocaat te Dresden met als specialisatie bouwrecht. Op aandringen van Klara Plöhn-Beibler, Karl Mays latere tweede vrouw, die bevriend was met Bernsteins vrouw Emmy, koos May Bernstein nogal verrassend als advocaat in het auteursrechtenproces tegen Verlag H. G. Münchmeyer. Er ontstond zelfs een hechte vriendschap tussen de families May (inmiddels met de tweede mevrouw May) en Bernstein, tot Karl May erachter kwam dat zijn goede vriend Rudi het proces nodeloos bleef rekken om zo des te meer te verdienen. |
Hier is een stukje zin weggevallen; aan de hand van Karl Mays origineel, »Mein Leben und Streben« (p. 300), kunnen we reconstrueren dat de hele zin had moeten luiden: Hij ziet zichzelf als niet behorende tot de grote massa aan wie niet het weldadige geluk der onbewuste middelmatigheid is beschoren. |
Foto 2 is inderdaad gemaakt aan boord van de Großer Kurfürst, op de heenweg naar Amerika. Foto 4 is echter gemaakt aan boord van de Kronprinzessin Cecilia (zoals op de reddingsboot te lezen is, zie ook de wat grotere versie van de foto naast p. 15), dus op de terugweg naar Bremerhaven. |
En ook hier is een stukje zin weggevallen; aan de hand van Karl Mays origineel, »Mein Leben und Streben« (p. 306), kunnen we reconstrueren dat de hele zin had moeten luiden: Zaken die wettelijk zouden moeten worden verboden worden door de wet integendeel juist begunstigd, iets waar zelfs de rechtvaardigste en meest humane rechter machteloos tegenover staat schrijft May en dat is het waaraan ik dacht toen ik zei dat ik eindelijk mijn opgave had ontdekt. |
Barbier John Malok uit Chicago verstrekte tegen betaling doctorsbullen van de niet-bestaande Universitas Germana-Americana. |
Koning Klant was een consumentenprogramma van de VARA dat om de twee weken werd uitgezonden van 8 oktober 1965 tot medio 1983. |
De Geistersmiede duikt voor het eerst op in Mays »Babel und Bibel« en komt later nogmaals terug in »Ardistan und Dschinnistan«: tussen Ardistan en Dschinnistan ligt Merdistan, die steil omhooglopende strook oerwoud, waardoorheen men zich als in een labyrint van rotsen een gevaarlijke en moeilijke weg naar boven moet banen als men in Dschinnistan, dus: hogerop, wil komen. Merd is het Perzische woord voor man, dus in Merdistan mogen en kunnen zich alleen maar mannen wagen; ieder ander die het probeert, komt zonder meer om. Het gevaarlijkste deel van dit nog nauwelijks bekende gebied is het Woud van Kulub (Kulub is Arabisch voor: harten). In de krochten van onze harten loeren de vijaden die men een voor een moet verslaan als men van Ardistan naar Dschinnisten wil ontsnappen. En midden in dat Woud van Kulub, is die plek te vinden, waarover May in »Babel und Bibel« (p. 78) schrijft: in de Geisterschmiede smeden geen geesten, maar men smeedt daar geesten. |
Maria Schrott (* 23 januari 1853, 12 mei 1934) was de eigenares van Hotel Penegal op de Mendelpas. Met haar man Alois (* 8 december 1838, 28 maart 1902) had zij vier kinderen: Henriette, Walther, Othmar en Marianne. Na de dood van haar man leidde zij het hotel verder tot haar zoon Walther de leiding overnam. In Hotel Penegal hadden Karl May en zijn maîtresse Klara Beibler Emma May in 1902 achtergelaten; Karl May werd door Maria Schrott over Emmas doen en laten op de hoogte gehouden; ook de twee dochters Henriette (* 24 juni 1877, 10 februari 1962) en Marianne hielden Emma nauwgezet in de gaten. In 1910 werd het drietal Maria, Henriette en Walther Schrott in Bozen (Italiaans: Bolzano) als getuigen verhoord. |
Lambert Adolphe Jacques Quetelet (* 22 februari 1796, 17 februari 1874) was een Belgisch astronoom, wiskundige, statisticus, wetenschapshistoricus en socioloog. Hij was de oprichter van de sterrenwacht in Brussel, die later naar Ukkel zou verhuizen en de naam Koninklijke Sterrenwacht van België; daarvan bleef hij directeur van 1832 tot 1874. Hij was een van de eersten die statistische methoden in de sociale wetenschappen toepaste. Zijn invloedrijkste boek was »Sur lhomme et le développement de ses facultés, ou Essai de physique sociale«, gepubliceerd in 1835. Hierin is sprake van het begrip lhomme moyen (de gemiddelde mens). Deze fictieve persoon wordt gekarakteriseerd door de gemiddelde waarden van alle gemeten variabelen die aan menselijk gedrag ten grondslag liggen. Het was zijn doel de statistische regels te begrijpen die ten grondslag lagen aan fenomenen als criminaliteitscijfers, huwelijkssluitingen en zelfmoordpercentages. |
Met Olms op deze en de volgende bladzijden bedoelt Schuurman de reprint van »Mein Leben und Streben van Karl May, met talrijke aantekeningen van Hainer Plaul (* 18 oktober 1937), uitgegeven in 1974 door Olms Presse in Hildesheim (1997 3). |
De heer Schuurman heeft de onhebbelijkheid om zijn hoofdtekst af te wisselen met citaten, zonder dat duidelijk aan te geven. Omwille van de leesbaarheid heb ik de door hem gebruikte citaten hier binnen een kadertje gezet. |
Provo was een anarchistische protestbeweging die op 25 mei 1965 werd opgericht in Nederland en na twee jaar weer werd opgeheven. Oprichters waren Roel van Duijn (* 20 januari 1943; filosoof), Rob Stolk (* 23 februari 1946, 31 maart 2001; drukker) en Garmt Kroeze (* 5 augustus 1937, 8 november 2017; onderwijzer/arbeider); ook de pornograaf Joop Wilhelmus (* 7 januari 1943, 8 september 1994) speelde een rol in de beweging. In de zomer van 1965 sloten de provos zich aan bij de happenings van Robert Jasper Grootveld (* 19 juli 1932, 26 februari 2009; kunstenaar) op het Spui in Amsterdam. De criminoloog Wouter Buikhuisen (* 5 december 1933, 6 mei 2025) introduceerde het begrip provo in zijn proefschrift »Achtergronden van nozemgedrag« waarop hij in 1965 promoveerde; het woord is afgeleid van provoceren. Buikhuisen verbaasde zich over het ontstaan van een grote stroming antiautoritaire jongeren. Roel van Duijn gebruikte het daarna als geuzennaam. Het gedrag van de provocerende nozem moest worden gepolitiseerd. |
Jean Genet (* 19 december 1910, 15 april 1986) was een Frans schrijver en dichter. Hij bracht zijn jeugd door in opvanghuizen en reeds op zijn tiende werd hij veroordeeld voor diefstal en belandde hij in een jeugdgevangenis. Hij was onschuldig, maar omdat de wereld hem desondanks tot dief had verklaard, besloot hij deze reputatie na te leven. Ik verwierp de wereld die mij verworpen had, schreef Genet later. Op 19-jarige leeftijd ontsnapte Genet uit de gevangenis en sloot zich aan bij het Franse Vreemdelingenlegioen, om al snel weer te deserteren. Tien jaar zwierf hij door Europa en bracht hij – wegens veroordelingen voor landlopen, homoseksualiteit, prostitutie, diefstal en smokkelen – veel tijd door in Europese gevangenissen. Aan het einde van deze periode verbleef Genet in nazi-Duitsland, waarover hij schreef: Dit is een natie van dieven. Wanneer ik hier steel, betekent dat niets bijzonders voor de realisatie van mezelf. Ik gehoorzaam slechts de gebruikelijke gang van de dingen. Ik vernietig niets. Vanaf 1942 schreef Jean Genet autobiografische boeken waarin de bourgeoisie belachelijk wordt gemaakt en de pracht van diefstal en homoseksualiteit wordt gevierd. In 1948 werd hij voor de tiende keer veroordeeld wegens inbraak, waardoor hij automatisch levenslange gevangenisstraf kreeg opgelegd. Dankzij petities van André Gide (* 22 november 1869, 19 februari 1951), Jean Cocteau (* 5 juli 1889, 11 oktober 1963) en zijn latere biograaf Jean-Paul Sartre (* 21 juni 1905, 15 april 1980) kwam hij toch vrij. Als dank schreef hij een gedicht waarin de waarden van criminelen en het meditatieve leven in de gevangeniscel worden geprezen. |
Jean-Paul Charles Aymard Sartre (* 21 juni 1905, 15 april 1980) was een Franse communistische filosoof, publicist romanschrijver en dramaturg, die als voornaamste exponent van het existentialisme wordt gezien. Als zijn belangrijkste werken worden o.a. »La Nausée«, »La Transcendance de lego. Esquisse dune description phénoménologique«, »Lêtre et le néant«, »Les mouches«, »Huis clos«, »Lexistentialisme est un humanisme«, »Les chemins de la liberté« en »Les mains sales« beschouwd. |
Frederik Willem van Eeden (* 3 april 1860, 16 juni 1932) was een Nederlands arts, psychiater, spiritist, dichter en literair schrijver. Hij is vooral bekend geworden door zijn romans »De kleine Johannes« en »Van de koele meren des doods«. Andere bekende werken van hem zijn »Aan den keizer aller Russen«, »Johannes Viator. Het boek van de liefde«, »Lioba«, »De heks van Haarlem. Treurspel der onzeekerheid«, »De Bokkenrijder of het skelet« en »Jezus leer en verborgen leven«, Van Eeden begon zijn medische carrière als huisarts en werd daarna psychiater. Hij hield zich onder meer diepgaand bezig met taal- en begripskritiek. Rond 1900 ontwikkelde hij zich in anarchistische richting. De kolonie Walden, een commune in Bussum, was een poging zijn maatschappelijke opvattingen concreet gestalte te geven. Het Walden-experiment van 1898 tot 1907 is voor de ontwikkeling van het socialisme in Nederland van betekenis geweest. Een echte leider had de commune niet: men nam alle besluiten in gezamenlijkheid en de grond was gemeenschappelijk bezit. De idealistische opzet werd uiteraard een mislukking door zakelijk amateurisme en bovendien hielden niet alle bewoners zich eerlijk aan de afspraken over gezamenlijk eigendom. Uiteindelijk ging Walden in 1907 failliet. |
Band is een germanisme; in het Nederlands hebben wij het over een deel (uit een serie). |
Bertha von Suttner (voluit: Bertha Sophia Felicita Freifrau von Suttner, geborene Gräfin Kinsky von Wchinitz und Tettau, * 9 juni 1843 , 21 juni 1914) was een Oostenrijkse pacifiste en schrijfster. Zij was in 1905 de eerste vrouw die de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, vooral vanwege haar in 1899 gepubliceerde roman »Die Waffen nieder!«. Zij overleed exact één week vóór de aanslag op Franz Ferdinand, die de aanleiding zou worden tot een van de ernstigste oorlogen aller tijden. Haar beeltenis siert vanaf 2002 de Oostenrijkse 2-euro-munt. |
Fritz Barthel (* 3 augustus 1881, 19 april 1960) was een Duitse journalist, redacteur, schrijver en bewerker bij de Karl-May-Verlag. Samen met Rudolf Beissel (* 6 april 1894, 11 juli 1986), een bekende Karl May-onderzoeker en schrijver, gaf hij van 1918 tot 1920 de eerste drie »Karl-May-Jahrbücher« uit en samen met zijn vrouw Lisa Barthel geb. Winkler (* 2 januari 1893, 1966) bewerkte hij het draaiboek van »Winnetou« door Martin Raschke (* 4 november 1905, 24 november 1943) voor de eerste Karl-May-Spiele in Ratingen. In 1955 schreef hij de biografische roman »Letzte Abenteuer um Karl May«. |
Dr. Euchar Albrecht Schmid (* 29 augustus 1884, 15 juli 1951) was op 1 juli 1913 samen met Friedrich Ernst Fehsenfeld en Klara May oprichter van de Karl-May-Verlag. Op 28 november 1913 werd vastgelegd dat Schmid tot het einde van de wettelijk bepaalde auteursrechten de enige uitvoerend directeur van de uitgever zou zijn; dat zou dus 1943 zijn, maar voor die tijd werden alle geldende auteursrechten in Duitsland door een wetswijziging verlengd tot vijftig jaar en zo bleef Schmid tot kort voor zijn dood directeur. In 1950 droeg hij de leiding van de uitgeverij over aan zijn oudste zoon, Joachim Schmid (* 29 juni 1922, 10 januari 2003). Ook alweer in verband met rechten, maar ook van de politieke spanningen tussen de BRD en de DDR werd Joachim tussen 1950 en 1960 de enige directeur van Verlag Joachim Schmid in Bamberg. In 1960 werd er een verdrag gesloten met de Karl-May-Stiftung in Radebeul en mocht de uitgeverij in Bamberg zich weer Karl-May-Verlag noemen; Joachim bleef daarvan directeur van 1960 tot 1993, maar nu met zijn beide jongere broers Lothar (* 10 mei 1928, 18 mei 2013) en Roland (* 15 mei 1930, 4 januari 1990). Van 1993 tot 2003 was Lothar de enige directeur, van 2003 tot 2007 was hij dat samen met zijn zoon Bernhard (* 29 maart 1962) en vanaf 2007 is Bernhard – de derde generatie – de enige directeur van de uitgeverij. Een vierde zoon van Dr. Euchar Albrecht Schmid, Wolfgang (* 1 april 1924, 30 januari 1945) is in de oorlog aan het oostfront gesneuveld. |
In werkelijkheid 1 juli 1913, aanvankelijk onder de naam Verlag der Karl May-Stiftung Fehsenfeld & Co. |
Als voorbeeld voor Carpio – eigenlijke naam volgens Karl May: Hermann Lachner – in »Weihnacht!« (Gesammelte Werke, Band 24) diende waarschijnlijk Friedrich Wilhelm Garbe (* 26 juli 1842, 30 juni 1887), een medescholier van Karl May aan de Ernstthaler Volksschule, die de bijnaam karper droeg en volgens stadsarchivaris en May-kenner Hans Zesewitz (* 23 december 1888, 26 januari 1976) lichtelijk mesjokke was. Zijn vader was de wevergezel Karl Heinrich en zijn moeder heette Christiane Friederike Garbe, geb. Rost: de naam Rost kennen we ook uit »Weihnacht!«. |
Peteh (Oorlogsadelaar) is in »Weihnacht!« (Gesammelte Werke, Band 24) het vreselijke en listige opperhoofd van de Káinai (Bloedindianen). Hij sterft na een duel met Old Shatterhand. |
Hermann Rost is van beroep barbier, maar opgeleid als arts. Hij sluit zich in »Weihnacht!« (Gesammelte Werke, Band 24) aan bij Old Shatterhand en Winnetou op hun winterse tocht naar het westen; met kerstmis wordt hij rijk bedacht door Winnetou en bestudeert bij de Shoshones de indiaanse geneeskunde. Vervolgens opent hij in het oosten van de Verenigde Staten een naturopathische praktijk. Voorbeeld voor Hermann Rost is waarschijnlijk Friedrich Eduard Bilz (* 12 juni 1842, 30 januari 1922), natuurgeneeskundige in Radebeul en een goede vriend van Karl May, naast wiens graf hij begraven ligt. |
Rudolf Karl Alexander (Sascha Schneider (* 21 september 1870, 18 augustus 1927) was een Duits hoogleraar, beeldhouwer en schilder, die vooral als illustrator van Karl Mays Reise-Erzählungen bekend werd. |
Melle Oldeboerrigter (* 27 mei 1908, 24 mei 1976) was een Nederlands kunstenaar, die zijn werk alleen met zijn voornaam signeerde. Hij was kunstschilder, aquarellist, tekenaar, lithograaf, etser, boekbandontwerper, collagist en textielkunstenaar. |
Fanny Kelk (* 13 januari 1918, 7 november 1978) was een Nederlands textielkunstenares in kleden en wandtapijten, ontwerpster van kledingaccessoires en journaliste op het gebied van beeldende kunst, m.n. bij Het Parool. Beide hier weergegeven krantenartikelen zijn uit Het Parool, allebei van 25 mei 1976. |
Gerrit Willem Rietveld (* 24 juni 1888, 25 juni 1964) was een Nederlands architect en meubelontwerper; hij maakte ook grafisch werk, onder meer affiches en omslagen voor tijdschriften, waaronder een voor De Gemeenschap in 1925. Hij is vooral bekend als lid van De Stijl en als pionier van het Nieuwe bouwen. Naar hem is sinds 1968 de hoge school voor beeldende kunst en vormgeving in Amsterdam genoemd. |
Rembrandt Harmenszoon van Rijn (* 15 juli 1606, 4 oktober 1669) was een Nederlandse kunstschilder, etser en tekenaar. Hij geldt algemeen als een van de grootste schilders en etsers in de Europese kunst, en als de belangrijkste Hollandse meester van de 17e eeuw. Rembrandt vervaardigde in totaal ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen. Zijn leven is ettelijke malen verfilmd, o.a. in 1936 door Alexander Korda (geboren als Sándor László Kellner of Sándor Korda, * 16 september 1893 , 23 januari 1956), naar een scenario van Carl Zuckmayer (* 27 december 1896 , 18 januari 1977). |
Max Ernst (* 2 april 1891, 1 april 1976) was een Duits surrealistisch schilder. |
Gustav Selmar Werner (* 12 december 1864, 19 augustus 1953) was een beeldhouwer en een vriend van Karl May, wiens atelier in de Blasewitzer Straße 9 in Dresden lag. Na enig aarzelen - Klara Plöhn dacht eerder aan Max Klinger (* 18 februari 1857, 4 juli 1920) - viel de keuze voor het figuratieve reliëf van het graf op Selmar Werner, die in die tijd nog zelden opdrachten kreeg voor grote projecten. Hij voltooide het in 1903. Uiterlijk in 1908 had hij de buste van Karl May in sneeuwwit marmer gemaakt; de bronzen buste van Winnetou daarentegen werd waarschijnlijk pas in 1925 vervaardigd. Een bekend werk van het is het Schiller-Monument op de Albertplatz in Dresden. Een van zijn laatste werken was de sierlijke Madonna, gemaakt in 1952 voor het graf van Euchar Albrecht Schmid (* 29 augustus 1884, 15 juli 1951), directeur van de Karl-May-Verlag; voorheen in Bad Liebenstein, is het nu te zien in Bamberg. |
Wilhelm Heinrich Kreis (* 17 maart 1873, 13 augustus 1955) was een Duitse architect, die van 1902 tot 1908 professor für ruimtelijke kunst aan de Kunstgewerbeschule in Dresden was en o.a. de Friedrich-August-Brücke in Dresden (1907-1910), de warenhuizen van Leonhard Tietz AG in Köln und Elberfeld (1912-1914), het Deutsches Hygiene-Museum in Dresden (1927-1930), de Landeszentralbank in Dortmund (1950-1952) en elf Bismarcktorens (o.a. in Radebeul) ontwierp. Gedurende zijn tijd in Dresden/Radebeul organiseerde hij kunstenaarsavonden, die o.a. door Selmar Werner (zie noot 130), Sascha Schneider (zie noot 124), Kuno Graf von Hardenberg (* 13 augustus 1871, 15 november 1938) en Karl May bezocht werden. |
Gerardus (Gerard) Heymans (* 17 april 1857, 18 februari 1930) was een Nederlands filosoof en psycholoog, die gezien wordt als een van de belangrijkste filosofen van Nederland en als de grondlegger van de Nederlandse psychologie. Het oprichten van het psychologisch laboratorium in Groningen in 1892 wordt gemarkeerd als de start van de experimentele psychologie in Nederland. Van zijn geschriften zijn m.n. te noemen »Einführung in die Metaphysik«, »Einführung in die Ethik auf Grundlage der Erfahrung« en »Die Gesetze und Elemente des wissenschaftlichen Denkens, Ein Lehrbuch der Erkenntnistheorie in Grundzügen«, alle verschenen in het Algemeen Beschaafd Gronings, en »De oorlog en de vredesbeweging«, in het Nederlands; laatstgenoemd werk verscheen in het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak. |
De heer v. Linden vergist zich inderdaad. Dit was een populair geintje in de Eerste Wereldoorlog, maar bepaald onjuist. V. Linden zet dit drie jaar later recht op p. 116 van zijn »Enige essentiële elementen in leven en werk van Karl May«. Dicke Bertha is de bijnaam van een Duitse houwitser, waarvan de officiële naam Kurze Marine Kanone L/12 luidde, met als codenaam M-Gerät. Het werd gebouw door de staalfabrieken van Krupp en in werkelijkheid genoemd naar Bertha Krupp von Bohlun und Halbach, geb. Krupp (* 29 maart 1886, 21 september 1957), die het bedrijf Friedrich Krupp AG erfde van haar vader Friedrich Alfred Krupp (* 17 februari 1854, 22 november 1902) en in 1906 trouwde met Gustav Georg Friedrich Maria Krupp von Bohlen und Halbach (* 7 augustus 1870, 16 januari 1950). |
Werner Raddatz (* ?, ?) publiceerde in 1965 een Karl May-biografie met de titel »Das abenteuerliche Leben Karl Mays« bij de Sigbert-Mohn-Verlag; in deze biografie stelt hij o.m. dat Karl Mays blindheid (gedeeltelijk) te danken zou zijn aan Heinrich August Mays alcoholconsumptie. |
Hans Wollschläger (* 17 maart 1935, 19 mei 2007) was een Duits schrijver, vertaler, historicus, uitgever, muziekwetenschapper, organist en Karl-May-onderzoeker. In 1965 publiceerde hij de eerste complete biografie van Karl May (»Karl May in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten« (latere drukken onder de titel »Karl May. Grundriß eines gebrochenen Lebens«). In 1971 werd hij plaatsvervangend voorzitter van de Karl-May-Gesellschaft en mede-uitgever van de »Jahrbücher der Karl-May-Gesellschaft«, waarin hij zelf ook volop bijdragen over het leven en werk van Karl May schreef. Ook was hij als uitgever betrokken bij de publicatie van de Historisch-Kritische Ausgabe. |
Arno Otto Schmidt (* 18 januari 1914, 3 juni 1979) was na de Tweede Wereldoorlog een van de belangrijkste schrijvers in het Duitse taalgebied. Na meer dan tien artikelen over Karl May, zoals Vom neuen Großmystiker (Karl May), Abu Kital. Vom neuen Großmystiker, Old Shatterhand und die Seinen. Eine Darstellung von Leben und Werk Karl Mays, schreef Arno Schmidt in 1963 »Sitara und der Weg dorthin. Eine Studie über Wesen, Werk & Wirkung Karl Mays«: het boek dat Dr. C.J. Schuurman hier bedoelt. |
De openluchtspelen in Ruurlo met voorstellingen naar de verhalen van Karl May vonden plaats in 1962, 1965, 1968 en 1971, omdat Staatsbosbeheer het Rijkenbargse Bos nabij Ruurlo opeiste. Andere plekken op de spelen op te voeren waren er niet, dus de openluchtspelen stierven een roemloze dood. |
Het lijkt er eerder op dat het omgekeerde het geval is: burgemeester De Beaufort (Jhr. mr. Jan Willem de Beaufort (* 13 juli 1913, 28 juni 2001; van 1953 tot 1978 burgemeester van Ruurlo) en D. J. R. Waringa (gemeentesecretaris van Ruurlo en souffleur bij de Karl-May-spelen) vermomd als Winnetou en Old Shatterhand. |
Georg Trakl (* 3 februari 1887, 3 november 1914) was een Oostenrijkse expressionistische dichter en apotheker. Zijn bundel »Gedichte« verscheen in 1913, de bundel »Sebastian im Traum« en het gedicht »Grodek« verschenen in 1915 postuum. Als medicus had hij de Slag bij Gródek in september 1914 meegemaakt, maar uit frustratie dat hij niets voor de gewonden kon doen, pleegde hij zelfmoord. |
Otto Basil (tot oktoeber 1935 officieel Otto Adam Franz Bazil, * 24 december 1901, 19 februari 1983) was een Oostenrijks schrijver, publicist en journalist. Naast biografieën over Georg Trakl (zie noot 139) en Johann Nestroy (* 7 december 1801, 25 mei 1862, een Oostenrijks dramaturg, toneelspeler en operazanger) schreef hij gedichten, waarvan de bekendste bundels »Sternbild der Waage. Gedichte aus zwei Zyklen« en »Schon sind wir Mund und Urne. Ausgewählte Gedichte« zijn. |
Donatien Alphonse François, Comte de Sade, afgekort D.A.F. de Sade en bij ons bekend als Marquis de Sade (* 2 juni 1740, 2 december 1814) was een Franse schrijver. Hij is bekend geworden door het naar hem benoemde sadisme. Hij schreef pornografische romans vol geweld, waarvan hij de meeste gedurende decennialange verblijven in gevangenissen en gekkenhuizen. Tot zijn bekendste werken behoren »Les Cent-Vingt journées de Sodome ou lÉcole du libertinage« (»De 120 dagen van Sodom«), »Aline et Valcour ou le roman philosophique«, »Justine ou les Malheurs de la vertu« (»Justine of De tegenspoed der deugdzaamheid«) en »La Philosophie dans le boudoir ou Les instituteurs immoraux« (»Filosofie in het boudoir of De immorele schoolmeesters«). |
Walter Lennig (* 13 februari 1902, 18 februari 1968) was een Duits journalist en biograaf, die o.a. biografieën over Edgar Allan Poe (zie noot 85) en Marquis de Sade (zie noot 141) schreef. |
Drie zinnen uit dit krantenartikel van (?) zijn met pen onderstreept en in de marge van een vraagteken, eveneens met pen geschreven, voorzien. Heeft dhr. v. Linden of dr. Schuurman dit gedaan? |
Hermann Karl Hesse (* 2 juli 1877, 9 augustus 1962) was een Zwitsers, Duitstalig schrijver, dichter en schilder. Zijn bekendste werken zijn »Peter Camenzind«, »Siddharta. Eine indische Dichtung«, »Der Steppenwolf«, »Narziß und Goldmund« Voor zijn literaire werk ontving hij in 1946 de Nobelprijs voor Literatuur. |
Carl Zuckmayer (* 27 december 1896, 18 januari 1977) was een Duitse schrijver. Zijn bekendste toneelstukken zijn »Der fröhliche Weinberg«, »Schinderhannes«, »Der Hauptmann von Köpenick« en »Des Teufels General«. Verder is zijn autobiografie »Als wars ein Stück von mir« beroemd geworden, maar hij schreef ook de scripts van o.a. de Duitse film »Der blaue Engel« en de Nederlandse film »Boefje«. Zijn in 1926 geboren dochter droeg de doopnamen Maria Winnetou. |
Heinrich Mann (* 27 maart 1871, 11 maart 1950) was een Duits schrijver. Zijn bekendste werken zijn »Professor Unrat oder Das Ende eines Tyrannen« (dat later verfilmd werd als »Der blaue Engel«), »Der Untertan, »Die Armen«, »Der Kopf« (deze drie vormen samen de Kaiserreich-Trilogie) en de in Amsterdam bij Querido uitgegeven romans »Die Jugend des Königs Henri Quatre« en »Die Vollendung des Königs Henri Quatre«. |
Nienke van Hichtum (Fries: Nynke fan Hichtum, pseudoniem van Sjoukje Maria Diderika Bokma de Boer, * 13 februari 1860, 9 januari 1939) was een Nederlandse en Friese vertaalster en kinderboekenschrijfster. Haar bekendste boek is het flauwe »Afkes tiental«, dat op elke bladzijde met socialistische propaganda doordesemd is. Zij was een tijdje getrouwd met de dichter, advocaat en socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra (* 20 april 1860, 12 mei 1930), die in een zielige poging om de omwenteling in Duitsland na te apen, in november 1918 ook in Nederland de socialistische revolutie wilde uitroepen. |
Volledige titel: »Old Shatterhand - Kara Ben-Nemsi - ook voor U! De boodschap van Karl May, de idealist uit het Avondland«, een van de oudste Nederlandstalige boeken over Karl May, van F. C. de Rooy (zie noot 10). |
Mr. Pieter Jelles Troelstra (* 20 april 1860, 12 mei 1930) was een Nederlandse dichter, advocaat, journalist en politicus. Hij is bekend geworden als de leider van de S.D.A.P. (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij), die in november 1918, in navolging van de omwentelingen in Rusland en Duitsland, een zielige schertsvertoning op touw zette om ook in Nederland de socialistische revolutie uit te roepen, hetgeen uiteraard faliekant mislukte. Daarnaast heeft Troelstra in Friesland grote bekendheid gekregen als Fries schrijver en dichter. |
Erich Schwinge (* 15 januari 1903, 30 april 1994) was een Duits militair-jurist. Onder het pseudoniem Maximilian Jacta publiceerde hij tussen 1962 en 1972 een verzameling van beroemde strafprocessen, die ook in diverse talen vertaald werd. Een daarvan was een verhandeling over Karl May, die in 1972 door de Karl-May-Verlag als apart boekje verscheen. |
Wat in 1976 waarschijnlijk nog niet bekend was, omdat men er liever niet over sprak of schreef, was dat kerk- en schoolraad Dr. Gotthilf Ferdinand Döhner in opdracht van de districtsdirectie Zwickau naar Plauen afreist om op 26, 27 en 28 augustus 1860 op het Vogtländisches Schul-Lehrer-Seminar - héél voorzichtig en héél discreet - onderzoek te verrichten naar aanleiding van de door districtsarts Dr. Emil Richard Pfaff te berde gebrachte roddels over de wijd en zijd verbreide plaag van onanie. Karl May was pas op 2 juni van dat jaar begonnen aan die kweekschool en woonde bovendien niet in het seminarie zelf, maar in een onderkomen in de stad Plauen zelf. Zelfs het beddengoed werd onderzocht. Uit dat onderzoek in augustus 1860 zou blijken dat ongeveer de helft van de studenten zich schuldig maakte aan deze plaag; natúúrlijk werd door mededelingen verteld dat ook een leerling die van het seminarie Waldenburg was gekomen, maar uit Ernstthal afkomstig was hierbij betrokken was en dat kan er maar één zijn: Karl May. Natuurlijk! Die jongen die pas was gearriveerd en met nauwelijks iemand van zijn klasgenoten contact had! Vrij logisch dat hij genoemd, of liever gezegd omschreven werd. Een paar maanden later, toen Karl May nog steeds niet in het seminarie woonde (!), werd het onderzoek herhaald en het bleek dat het aantal leerlingen dat zich onledig hield met deze plaag in die paar maanden drastisch gedaald was. |
Hermann Cardauns: zie noot 79. |
In het Bomann-Museum in Celle werd in de zomer van 2022 een tentoonstelling gehouden over Arno Schmidt; in de kelder van het museum was de kleding van Arno Schmidt en zijn vrouw te zien. Als we zin hadden gehad, hadden we een verhandeling kunnen schrijven over de sexuele aberraties die aan een dergelijke tentoonstelling ten grondslag liggen, maar die zin hebben we niet. |
Johann Ludwig Uhland (* 26 april 1787, 13 november 1862) was een Duits dichter, filoloog, literatuurwetenschapper, jurist en politicus. Samen met zijn vriend, de arts Justinus Kerner (* 18 september 1786, 21 februari 1862), gaf hij het Sonntagsblatt für ungebildete Stände uit. Hij dichtte o.a. »Der gute Kamerad», dat tot op de dag van vandaag in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland gezongen of gespeeld wordt bij een militaire begrafenis. Ook het gedicht »Frühlingsglaube« is zeer bekend, net als »Schwäbische Kunde« (over de Derde Kruistocht). In 1815 werd hij lid van de Württembergse Landtag (tot 1838) en vanaf 1829 professor voor Duitse taal en literatuur in zijn geboortestad Tübingen. In 1848 werd hij nog eenmaal politiek actief en werd door 90% van de inwoners van Tübingen als afgevaardigde naar het parlement in de Paulskirche in Frankfurt am Main gekozen. Naast gedichten als de genoemde plus »Des Sängers Fluch«, »Einkehr« en »Das Glück von Edenhall« schreef hij ook toneelstukken, waarvan »Ernst, Herzog von Baden. Trauerspiel in fünf Aufzügen« en »Ludwig der Baier. Schauspiel in fünf Aufzügen« de bekendste zijn. Ten slotte schreef hij theoretische schriften over »Walther von der Vogelweide, ein altdeutscher Dichter«, »Der Mythus von Thôr nach nordischen Quellen« en »Sagenforschungen«. |
Fedor Dostojevski (eigenlijk Fjodor Michajlovitsj Dostojevski (Russisch: Фёдор Миха́йлович Достое́вский), * 11 november [juliaans]/30 oktober [gregoriaans] 1821 , 9 februari [juliaans]/28 januari [gregoriaans] 1881) was een van de beroemdste Russische schrijvers, wiens romans »Преступление и наказание« (»Schuld en boete«/»Misdaad en straf«), »Идиот« (»De idioot«) en »Братья Карамазовы« (»De gebroeders Karamazov«) wereldberoemd zijn geworden en gebleven. |
Vincent Willem van Gogh (* 30 maart 1853, 29 juli 1890) was een van de beroemdste Nederlands kunstschilders, behorende tot de stroming van het (post)impressionisme, die echter pas na zijn dood de waardering kreeg die hij verdiende. Zijn invloed op kunststromingen als het expressionisme, het fauvisme, de vroege abstractie en vele andere stromingen in de twintigste eeuw was enorm. |
Prof. Wilhelm Heinrich Carl Tenhaeff (* 18 januari 1894, 9 juli 1981) was van 1953 tot 1978 een Nederlandse bijzonder hoogleraar parapsychologie aan de Universiteit van Utrecht. Met de benoeming van Tenhaeff werd voor het eerst een leerstoel in deze discipline ingesteld. Tenhaeffs autoritaire karakter leidde ertoe dat hij de leerstoel tot zijn 81ste bekleedde, omdat hij het niet eens kon worden over zijn opvolging. |
Fritz Barthel: zie noot 118. |
Een Rätselholz is een soort houten puzzel, waarvan men de delen op een bepaalde manier of volgorde in elkaar moet zetten of juist uit elkaar moet halen waardoor men een soort oplossing te lezen krijgt. Het puzzeltje wordt wel gebruikt door mensen die in spiritisme geloven; de oplossing is dan, geloven zij, een boodschap uit de geestenwereld. |
Volgens Klara May, die als enige bij het overlijden van Karl May in Villa Shatterhand aanwezig was, waren zijn laatste woorden: Sieg, großer Sieg! Ich sehe alles Rosenrot! (Overwinning, grote overwinning! Ik zie alles rood als rozen!). |
Naphthali ben Levi (Henri) van Praag (** 12 september 1916 – Hilversum, 3 november 1988) was een Nederlands-joodse pedagoog, filosoof en theoloog (of liever gezegd: godsdiensthistoricus), die ook bekendheid kreeg als (ortho)pedagogisch therapeut en als publicist op psychologisch en parapsychologisch gebied. In het laatste vak werd hij in 1978, als opvolger van prof. W.H.C. Tenhaeff (zie noot 157), bijzonder hoogleraar namens de Studievereniging voor Psychical Research (SPR) aan de Rijksunversiteit Utrecht. Zijn »Parapsychologische bibliotheek« in 1975 uitgegeven bij Meulenhoff, bestaat niet uit negen, maar uit tien delen: 1. »Inleiding tot de parapsychologie«, 2. »Telepathie en telekinese«, 3. »Paranormaal bewustzijn«, 4. »Paranormale lichamelijkheid«, 5. »Paranormale identiteit«, 6. »Paranormale manifestaties«, 7. »Parapsychologie en occultisme«, 8. »Parapsychologie en religie«, 9. »Parapsychologie en evolutie« en 10. »Parapsychologie en transformatie«. |
Benjamin Tyler Henry (* 22 maart 1821, 8 juni 1898) was een Amerikaans geweermaker en uitvinder van het Henrygeweer, het eerste hefboomrepeteergeweer met 16 (!) schoten. In totaal werden er tussen 1860 en 1866 ongeveer 12.800 Henry Rifles geproduceerd; Henry kon de grote vraag - de Amerikaanse burgeroorlog was in volle gang en in de jaren daarna vonden de Amerikanen het nodig om de indianen uit te roeien - niet aan en trad in 1861 in dienst van de firma New Haven Repeating Arms Company van Oliver Fischer Winchester (* 30 november 1810, 11 december 1880) dat het geweer verbeterde en vanaf 1866 op de markt bracht onder de naam Winchester Model 1866; de firmanaam veranderde in dat jaar in Winchester Repeating Arms Company. |
Jacobus Heyink (ook gespeld als Heijink) (* 1906, juli 1997) was een boekhandelaar te Rotterdam en later in Bennebroek; oprichter van De Kiva, een tijdschrift voor iedereen die geïnteresseerd was in indiaanse culturen. |
Oskar Max Fuchs (* 20 maart 1873, 1954) was een Duitse geweermaker, die sinds 1895 in Dresden en vanaf 1916 in Kötzschenbroda (sinds 1935 een stadsdeel van Radebeul) werkzaam was. |
Dr. rer. nat. Klaus Hoffmann (* 3 december 1938, 26 februari 2023) was van 1987 tot 1993 wetenschappelijk directeur van het Karl-May-Museum in Radebeul. Hij bood de Karl-May-Verlag eind jaren 50 archiefmateriaal uit de vrijwel ontoegankelijke DDR-archieven aan, maar men kon het toen niet eens worden. Toen Karl May halverwege de jaren 80 weer mocht in de DDR, bewerkte Hoffmann stukken tekst uit »Der verlorne Sohn« in communistische zin voor afdrukken in tijdschriften door alles wat betrekking had op het christendom te elimineren, zelfs uitroepen als Mein Gott en Um Himmels Willen. In 1988 schreef hij de museumgids Karl May. Leben und Werk. Ausstellung in der Villa Shatterhand. Maar in 2001 verscheen bij Verlag Neues Leben (oorspronkelijk een Oost-Duitse uitgeverij, maar na de eenwording maakte dat niets meer uit) Hoffmanns boek »Karl Mays Werke«, waarin hij zich kritisch uitliet over de bewerkingen van de oorspronkelijke teksten van Karl May. Nog in hetzelfde jaar kreeg de Karl-May-Verlag het voor elkaar dat verdere verspreiding van het boek verboden werd. Er zijn slechts ongeveer 500 exemplaren op de markt gekomen (waarvan eentje in Dordrecht 😎), dus een waar collectors item. Door zijn vroegere medewerking aan de Stasi kreeg hij veel kritiek. Men mag echter niet vergeten dat Hoffmann juist hierdoor toegang kreeg tot die DDR-archieven, waardoor het hem mogelijk was om veel witte vlekken in Karl Mays leven in te vullen, zoals zijn publicaties in o.a. de »Jahrbücher der Karl-May-Gesellschaft«, de Mitteilungen der Karl-May-Gesellschaft en die Horen bewijzen. |
Karl Liebknecht (* 13 augustus 1871, 15 januari 1919) was een Duitse communistische agitator, die van 1900 tot 1915 lid was van de (linkervleugel van de) Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD), tot hij met deze partij brak en samen met o.a. Rosa Luxemburg (geboren als Rozalia Luksenburg, * 5 maart 1871, 15 januari 1919), Franz Mehring (voluit: Franz Erdmann Mehring, * 27 februari 1846, 28 of 29 januari 1919) en Clara Zetkin (voluit: Clara Josephine Zetkin, geborene Eißner, * 5 juli 1857, 20 juni 1933) de nog radicalere Spartakusbund oprichtte. |
Karl Georg Büchner (* 17 oktober 1813, 19 februari 1837) was een avant-gardistisch Duits schrijver uit de Vormärz (de periode van 1830 tot 1848 in Duitsland) en een maatschappelijk revolutionair. Bekende werken van Büchner zijn het revolutionaire vlugschrift Friede den Hütten, Krieg den Palästen! in Der Hessische Landbote, het drama »Dantons Tod«, de novelle »Lenz«, de komedie »Leonce und Lena« en het onvoltooid gebleven drama »Woyzeck«. |
Bernd Heinrich Wilhelm von Kleist (* 18 oktober 1777, 21 november 1811) was een Duits schrijver, dichter, essayist en toneelschrijver. Beroemde werken van hem zijn o.a.: »Die Familie Schroffenstein«, »Penthesilea«, »Amphitryon«, »Robert Guiskard, Herzog der Normänner«, »Die Hermannsschlacht«, »Das Käthchen von Heilbronn«, »Erzählungen (1. Band)« (met daarin o.a. »Michael Kohlhaas. Aus einer alten Chronik«, »Die Marquise von O.... « en »Das Erdbeben in Chili«), »Der zerbrochne Krug«, »Erzählungen (2. Band)« (met daarin o.a. »Die Verlobung in St. Domingo«, »Das Bettelweib von Locarno«, »Der Findling«, »Die heilige Cäcilie oder die Gewalt der Musik« en »Der Zweikampf«) en »Prinz Friedrich von Homburg«. |
Sven Anders Hedin (* 19 februari 1865, 26 november 1952) was een Zweeds ontdekkingsreiziger en geograaf die diverse reizen maakte naar Centraal-Azië en Tibet. Van zijn reizen schreef hij talloze boeken, die alle ook in het Duits werden vertaald door Brockhaus; sommige boeken schreef Hedin, die in Eerste en Tweede Wereldoorlog een pro-Duits standpunt innam, alleen in het Duits. Bekende populairwetenschappelijke werken van hem zijn o.a. »En färd genom Asien«, 2 volymer (=»Durch Asiens Wüsten. Drei Jahre auf neuen Wegen in Pamir, Lop-nor, Tibet und China«, 2 Bände), »Asien : tusen mil på okända vägar«, 2 volymer (=»Im Herzen von Asien. Zehntausend Kilometer auf unbekannten Pfaden« 2 Bände), »Transhimalaya : upptäckter och äfventyr i Tibet«, 3 volymer (=»Transhimalaja. Entdeckungen und Abenteuer in Tibet«, 3 Bände), »Från pol till pol 1 Genom Asien och Europa« en »Från pol till pol 2 Europa, Afrika, Amerika, Australien och Polarländerna« (=»Von Pol zu Pol«, 3 Bände), »Ein Volk in Waffen : den deutschen Soldaten gewidmet«, »Auf großer Fahrt. Meine Expedition mit Schweden, Deutschen und Chinesen durch die Wüste Gobi 1927- 1928«, »Rätsel der Gobi. Die Fortsetzung der Großen Fahrt durch Innerasien in den Jahren 1928-1930«, »Die Seidenstraße« en »Deutschland und der Weltfriede«. |
Jonathan Swift (* 30 november 1667, 19 oktober 1745) was een Iers schrijver, wiens bekendheid uitsluitend gebaseerd is op de satirische roman »Gullivers Travels« (voluit: »Travels into Several Remote Nations of the World, in Four Parts. By Lemuel Gulliver, First a Surgeon, and then a Captain of Several Ships«) uit 1726. |
Baron von Münchhausen (voluit: Karl Friedrich Hieronymus baron von Münchhausen, * 11 mei 1720, 22 februari 1797) was een Duitse edelman, die in het Russische leger diende in de strijd tegen de Turken. Daarover vertelde hij zeer sterke verhalen, die als volksverhalen in de mondelinge en schriftelijke overlevering voortleven. De anekdotes zijn verzameld in »Feldzüge und Abenteuer des Freiherrn von Münchhausen« van de Duitse Sturm und Drang-dichter Gottfried August Bürger (* 31 december 1747, 8 juni 1794). |
Rudolf Wilhelm Friedrich Ditzen (* 21 juli 1893, 5 februari 1947) was o.m. ambtenaar, boekhouder en nachtwaker voordat hij zich geheel aan het schrijven wijdde. Dat laatste deed hij onder het pseudoniem Hans Fallada; zijn stijl behoort tot de Neue Sachlichkeit. Bekende werken van hem zijn »Bauern, Bonzen und Bomben«, »Kleiner Mann – was nun« (=»Wat nu, kleine man?«), »Wer einmal aus dem Blechnapf frißt« (=»Wie eens uit het schaftje eet... «), »Wir hatten mal ein Kind« (=»Wij hadden eens een kind«), »Altes Herz geht auf die Reise« (=»Een oud hart gaat spelevaren«), »Das Abenteuer des Werner Quabs« en »Jeder stirbt für sich allein«. |
Ferdinand Ernst Albert Avenarius (* 20 december 1856, 20 september 1923) was een Duits dichter en activist. Avenarius was een neef van Richard Wagner. In 1887 richtte Avenarius het tijdschrift Der Kunstwart op, waarin hij met een reeks schrijvers en dichters actuele onderwerpen uit de kunst en cultuur behandelde. Met Der Kunstwart oefende Avenarius grote invloed uit op het denken over cultuurpolitieke vraagstukken van de burgerij. Een soortgelijke vereniging, maar meer gericht op de massa, richtte Avenarius in 1902 op: de Dürerbond. In 1902 publiceerde hij de bloemlezing »Hausbuch deutscher Lyrik«. In Der Kunstwart startte hij in 1902 een fel gevoerd debat over de literaire werken van Karl May; in 1912 schreef hij een denigrerend in memoriam over de schrijver wiens naam en werken vele malen bekender zijn gebleven dan die van Avenarius. |
Arnold Zweig (* 10 november 1887, 26 november 1968) was een Duits schrijver. Hij was een tijdgenoot, maar geen familie van Stefan Zweig (* 28 november 1881 , 22 februari 1942). Hij schreef o.a. »Novellen um Claudia«, »Ritualmord in Ungarn«, »Der Streit um den Sergeanten Grischa«, »De Vriendt kehrt heim«, »Bilanz der deutschen Judenheit. Ein Versuch«, »Erziehung vor Verdun« en »Was der Mensch braucht«. |
De toen 17-jarige Rainer Gagelmann schreef in 1965 en 1966 brieven aan beroemde personen, zoals Erich Kästner (* 23 februari 1899, 29 juli 1974), Hans Magnus Enzensberger (* 11 november 1929, 24 november 2022) en Günter Eich (* 1 februari 1907, 20 december 1972) om hun mening over Karl May te ontdekken. In 1967 publiceerde hij de antwoorden van deze mensen in een boekje van 32 paginas, »Soll die Jugend Karl May lesen?« bij de Karl-May-Verlag. Opvallend is dat vrijwel iedereen positief reageerde, behalve uitgerekend de Dresdner schrijver Erich Kästner, die toegaf dat hij Karl May niet mocht. |
Egon Erwin Kisch (* 29 april 1885, 31 maart 1948) was een Tsjechische journalist en auteur, die bekend stond als de razende reporter uit Praag. Op 17 oktober 1898 bezocht hij Karl May in Hôtel de Saxe in Praag en op 9 mei 1910 in Villa Shatterhand. Zijn verslag van dat laatste bezoek publiceerde hij op 15 mei 1910 onder de titel In der Villa »Shatterhand«. Ein Interview mit Karl May in de Duitstalige krant Bohemia; in 1925 volgde een uitgebreidere versie hiervan in zijn boek »Der rasende Reporter«, nu onder de titel Im Wigwam Old Shatterhands. |
Thomas Edward Lawrence (beter bekend als Lawrence of Arabia, * 16 augustus 1888, 19 mei 1935) was een Brits prozaschrijver, archeoloog en militair. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij officier bij de Britse inlichtingendienst in Egypte. Dankzij zijn kennis van de regio en de taal werd hij aangesteld als verbindingsofficier tussen het geallieerde leger en het toen nog losse stammenverband in het gebied van de Hidjaz (thans Saoedi-Arabië). De bedoeling was om de Duits-Ottomaanse alliantie onder druk te zetten door een nieuw front in het Midden-Oosten te openen, richting het Ottomaanse Rijk, zoals het tsaristische Rusland dat in het noorden deed middels het opstoken van de Armeniërs tegen de Turken, met de bekende en betreurde gebeurtenissen van 1915 tot gevolg. Over de door Lawrence bewerkstelligde Arabische opstand schreef hij nadien het boek »Seven Pillars of Wisdom«, in het Nederlands vertaald als »Opstand in de woestijn«, waarin we duidelijk het vuile dubbele spel van de Britten kunnen zien: aan de ene kant beloofden zij de Arabieren onafhankelijkheid en aan de andre kant beloofden ze hetzelfde stuk land in hun Balfour Verklaring van 2 november 1917 aan de Joden, tot 1948 een waardeloos stuk papier, want de Britten hielden Palestina na de Eerste Wereldoorlog liever zelf als mandaatgebied. De problemen die dit vuile spelletje opleverde, duren voort tot op de dag van vandaag. |
Erich Kästner (* 23 februari 1899, 29 juli 1974) was een Duits schrijver, dichter en cabaretier, vooral bekend door de (kinder)boeken »Emil und die Detektive«, »Pünktchen und Anton«, »Das fliegende Klassenzimmer«, »Drei Männer im Schnee«, »Emil und die drei Zwillinge«, »Die verschwundene Miniatur«, het door de dichter Paul van den Hout (voluit: Charles-Paul van den Hout, * 26 juni 1939, 1 december 2015) vertaalde en pas na diens dood gepubliceerde »Doktor Erich Kästners lyrische Hausapotheke«, »Das doppelte Lottchen«, »Als ich ein kleiner Junge war« en »Notabene 45, ein Tagebuch«. |
Friedrich Georg Jünger (* 1 september 1898, 20 juli 1977) was een Duits schrijver en advocaat. Hij was de jongere broer van de filosoof Ernst Jünger (29 maart 1895 , 17 februari 1998) en schreef o.a. »Der Aufmarsch des Nationalismus«, »Der verkleidete Theseus. Lustspiel in fünf Aufzügen«, »Der Krieg. Gedichte«, »Griechische Götter«, »Griechische Mythen«, »Orient und Okzident. Essays«, »Der erste Gang«, »Zwei Schwestern« en »Heinrich March« en vertaalde Homerus »Odyssee«. |
Over deze Antonow weet ik niet meer dan wat hier staat: kapitein in het Russische leger. |
Gabriel Ferry (eigenlijk Eugène Louis Gabriel Ferry de Bellemare, * 29 november 1809, 5 januari 1852) was een Frans auteur, voornamelijk van avonturenromans, waarvan »Une guerre en Sonora – souvenirs des côtes de lOcéan Pacifique«, »Les Squatters – La clairière du bois des Hogues, récit des côtes et de la mer«, »Costal lIndien ; roman historique. Scènes de la guerre de l'indépendance du Mexique«, »Les Révolutions du Mexique« en »Les aventures dun Français au pays des caciques« bekend zijn, maar dank zij de bewerking van »Le Coureur des bois« voor kinderen door Karl May is deze roman zijn bekendste werk geworden. |
De eerste drie drukken van dit eerste deel van de Gesammelte Werke bij Fehsenfeld verschenen onder de titel »Durch Wüste und Harem |
Deze tekst schreef Karl May speciaal voor de boekuitgave van »Winnetou III; hij vormt het laatste hoofdstuk ervan en is dus niet als een apart boek te beschouwen. |
De oorspronkelijke titel, waaronder het verhaal in twee delen in de »Einsiedler Marienkalender 1897/1898« verscheen, was »Mutterliebe«. De titel »Indianische Mutterliebe« is die van een bewerkte versie van het verhaal, die in 1948/1949 in het Oostenrijkse tijdschft Die Kinderpost verscheen. |
In Karl Mays nalatenschap bevond zich het fragment van een drama met de titel »Erlöst!«: het behandelt inderdaad het Ashaverus-thema, maar dat was niet de titel ervan. Het zeer korte fragment werd in 2000 opgenomen in »Abdahn Effendi» (Gesammelte Werke, Band 81, p. 405). |
Als slotstuk van een veelbewogen schrijversleven verscheen in december 1910 Mays autobiografie »Mein Leben und Streben« bij Fehsenfeld. Omdat hij het in de laatste twee hoofdstukken ook over zijn - bij name genoemde - procestegenstanders had, werd deze autobiografie op instigatie van Rudolf Lebius al snel verboden; in december 1911 probeerde Friedrich Ernst Fehsenfeld Karl May over te halen om een bewerkte versie uit te brengen, wat Karl May ook wilde, maar het is er niet meer van gekomen. |
(Parool, dec. 75) is met pen erbij geschreven waarschijnlijk door dhr. E. v. Linden, maar gelet op de datum van de brief van de jongen kan of moet dat een vergissing zijn. |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.
Terug naar de Karl May-startpagina.
Terug naar de Apriana-startpagina.
|