Het mannetje van de radio 1


Honderdduizenden jongens verslonden na de oorlog de spannende boeken van Willy van der Heide. Later ontdekten zij met een schok wie hij was: fascist, Uilenspiegel, illusionist, politiek warhoofd. Zijn doortrapte pro-Duitse geheime zender bracht in 1944 de geallieerden in grote verwarring. thans schrijft hij stukjes in sexbladen. Het laatste deel van het Waterman- dossier.


          Op grond van een rechterlijke uitspraak mocht W.H.M. van den Hout, alias de jongensboekenschrijver Willy van der Heide tot 19652 geen journalistiek werk meer verrichten. Maar celstraf wegens het heulen met de vijand heeft hij nooit gekregen. Hoewel hij dit laatste zonneklaar deed. Dat hij een nationaal socialist was, staat ook vast. Niemand wist eigenlijk precies in welke mate hij fout was. De Duitsers niet, de NSB’ers niet, zijn naoorlogse rechters niet. De meeste ingewijden beschouwen zijn dikke verhalen over contacten met de Britse Geheime Dienst en de Israëlische Inlichtingendienst echter als bluf. De heer A.J. van der Leeuw van Oorlogsdocumentatie: „Ik heb de bewijzen nooit onder ogen gehad. Ik ben alleen betrokken geweest bij zijn persuitsluiting.”
          Nadat het satirische weekblad De Gil roemloos aan zijn einde was gekomen, nam Willem Waterman de draad van zijn kolderieke journalistiek weer op in de Radio Gil Club. Hij draaide jazz-platen, grapte over negermuziek, maar bleef tussen de regels door nazipropaganda spuien. Tijdens de Slag om Arnhem werkte hij mee aan de zender „Mary of Arnhem”, waarvan de uitzendingen de bedoeling hadden verwarring te stichten in het geallieerde kamp. Dit lukte boven verwachting. „Men relayeerde gewoon de BBC-uitzendingen op een uitgekiend ogenblik schakelde men de nieuwslezer uit en gaf in voortreffelijk Engels eigen nieuws ertussen.” (Radio Hilversum 1940-1945, Dick Verkijk).
          De inhoud was niet propagandistisch en leek zelfs uit een onverdachte bron te komen. Dappere krijgsdaden van de Engelsen werden echter aan de Amerikanen toegeschreven en omgekeerd, waardoor tussen de geallieerden onderling grote stampij ontstond. Willem gebruikte hiervoor geallieerde krijgsgevangenen, die in de waan werden gelaten voor de goede zaak te werken.
          Gedurende de laatste maanden van de oorlog opereerde er vanuit het Gooi ook een zogenaamd illegale zender die gecodeerde berichten doorgaf. Deze codes waren de Duitsers door verraad in handen gevallen. Ze sloegen er een grote slag mee, nadat ze een gecodeerde oproep hadden laten uitgaan aan alle Gooise illegalen om op een bepaald tijdstip in café Sport aanwezig te zijn, bekend verzamelpunt voor ondergrondse activiteiten. Vele illegalen gaven gehoor aan de oproep en werden prompt door de Gestapo ingerekend. Volgens de op dit punt zeer deskundige journalist Dick Verkijk is het „zeker dat ook hierbij Willem W. Waterman een bedenkelijke rol heeft gespeeld.”
          „Is dat waar, Willem?” vroeg ik.
          WWW: „Ik heb daar niets me te maken gehad. Wil je dat horen?”
          „Dan heb je Verkijk zeker wel aangeklaagd wegens smaad?”
          WWW: „Nee, ik heb hem wel verteld: Dick, als je denkt dat je met dat boek van je inderdaad een tijdbom onder Hilversum kunt leggen, dan vergis je je deerlijk. Alle archieven zijn gesloten. We leven in de tijd van de grote stilte.”
          Ken je die slagzin nog? „Hallo, hallo! Wie stinkt daar zo. Het mannetje van de radio.”
          Na de bevrijding werd Willem W. Waterman gearresteerd op beschuldiging van landverraad en collaboratie met de vijand. Het zou drie jaar duren voor de Nederlandse regering besloot hem te ontslaan van rechtsvervolging en hem vrij te laten. Hij mocht gedurende vijftien jaar3 geen journalistiek werk meer verrichten. Hij zat ook geruime tijd in het interneringskamp Fort Blauwkapel in Utrecht waar de intellectuele elite van de NSB en hoge SD’ers waren opgesloten. De bewakers sloegen hem vaak om zijn oren en zeiden dan: „Wie zei dat je in deze tijd niet lachen kon?”
          In 1947, terwijl hij vergeefs op zijn berechting wachtte, ontmoete Willem Waterman in de Scheveningse gevangenis de legendarische dr. F. Weinreb, de super-intelligente joodse econoom-filosoof. In de oorlog begon deze het zogenaamde Weinreb-Spiel, waardoor hij kans zag honderden joden uit handen van de Duitsers te houden. Na de oorlog werd Weinreb beschuldigd van zwendel, verraad en in 1948 hiervoor in hoger beroep veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. In 1968 kreeg hij een straf van 8 maanden wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde en „schennis van de eerbaarheid”. Het zal wel nooit helemaal duidelijk worden wie Weinreb werkelijk is geweest: de sex-maniak en duivelse intrigant of de „zondebok die moest boeten voor de fouten en het te kort-schieten van talloze niet-joden”.

          Eén heel sterk gerucht wilde ik in ieder geval graag bij Willem Waterman verifiëren, namelijk dat hij in de strafgevangenis samen met Weinreb heeft gewerkt aan financiële transacties met geblokkeerde dollars.
          WWW: „Kerels als ik werden betaald om na de oorlog hun bek dicht te houden en niet om te smoezen. Dus ik noem geen namen. Dat van die geblokkeerde dollars is waar. In de gevangenis zat meneer Huppeldepup. Die kreeg enkele mensen van het Beheersinstituut op bezoek. Zo, meneer Huppeldepup, zeiden ze, we hebben ontdekt dat u nog een kwartmiljoen dollar op de bak in Amerika hebt staan. Daar is intussen een jaar of zeven rente op bijgeschreven. Dus wilt u dit formulier even tekenen, zodat dat bedrag op de deviezenrekening van de Nederlandse Bank kan worden overgeboekt? Nou, daar voelde meneer Huppeldepup natuurlijk niets voor. Ik kreeg een idee. De Amerikaanse banken hebben een gloeiende hekel aan staatsinmenging.
          Ik schreef dus een brief, voorzien van de bekende Amerikaanse standaardkreten. Ik deelde mee dat de bezitter van bakrekening zoveel tijdelijk in arrest zat, maar dat hij nu geprest werd om dit bezit over te dragen aan de Staat der Nederlanden, afdeling Vijandelijk Vermogen. Ik schreef dat dit een duidelijk geval van State Blackmail was en dat ze meneer Huppeldepup waarschijnlijk zó sterk onder druk zouden zetten, dat ie op den duur de machtiging wel zou tekenen. Maar, schreef ik, dat zou hij dan doen met een handtekening die afweek van het origineel. Zodat hun verzocht werd de machtiging met deze handtekening terzijde te leggen. Onmiddellijk kwam er een brief terug dat ze op geen enkele manier aan State Blackmail zouden meewerken. Meneer Huppeldepup plaatste toen die rare handtekening onder die machtiging, maar inmiddels hadden we het gehele bedrag met zijn echte handtekening op een Zwitserse bank overgeboekt. We beschikten toen over z’n anderhalf miljoen aan zwart geld. Waarschijnlijk heeft Weinreb toen gedacht: Die Waterman, dat is een bruikbaar mannetje.”
          „Welke transactie heb je voor Weinreb geregeld?”
          WWW: „Ik regelde niets voor hem. Ik heb alleen enkele malen voor koerier gespeeld. Dat gebeurde heel ingewikkeld, met handtekeningen, machtigingen en verklaringen die de Zwitserse bank ertoe moesten brengen de zwarte dollars wit te maken. Weinreb was van dat soort transacties op de hoogte en liet mij daarvoor een bepaalde rol spelen. Toen al die berichten over Weinreb verschenen, heb ik op verzoek van bepaalde kringen een tip van de sluier opgelicht. Jij bent de enige die een einde aan dat gelul kan maken, zeiden ze. Dat heb ik gedaan. Hoor jij nog iets over Weinreb?”

Willem met zijn zwijgzame hond.
„Omringd door lafaards en kleine knoeiers ben ik gedoemd te leven. Nog even vol-houden en al mijn vijanden zijn overleden.”

Bob Evers-serie
          „Na mijn gevangenisperiode kon het me allemaal niks meer verdommen. Ik heb een oude Duitse kruiser gekocht en ben naar de Kager Plassen gevaren. Aan boord van de „Maja” ben ik aan de Bob Evers-serie begonnen. Toen het eerste manuscript klaar was, zeiden de meeste gerenommeerde uitgeverijen: Zo schrijf je geen jongensboeken, Waterman! Stenvert en Zoon in Meppel stapte er wel in. Ik weet nog hoe dat ging. Ik lag in Scheveningen op het strand met een stel mooie meiden en vrienden. Zuipen, dollen, lachen, weet je wel. Ineens klinkt door de luidspreker van de strandpolitie: „Er is hier iemand die Willy van der Heide wil spreken.” In die politietent zat de uitgever. Hij wilde meteen een contract tekenen. Hij had een fles citroenjenever meegenomen om me eventueel om te lullen. Kun je nagaan. Affijn, die boeken gingen lopen als de hel. Het was alsmaar Kassa-Ping, Kassa-Ping.
          Het enige wat ik vergat was belasting betalen. Elke keer als er zo’n grote brief kwam, dan borg ik het weg in de Doos met Vervelende Stukken. Op een dag zat ik in De Bontekoe op het Kaageiland. Zegt die ober: Willem, je uitgever aan de telefoon. Nou, ik had belastingbeslag op alles. De ramp was compleet. Ik hoefde nergens ooit contant te betalen. In al die kroegen niet. Af en toe ging ik wat honderdjes halen bij de uitgeverij. Die verdeelde ik dan over een aantal adressen waar ik altijd terecht kon.
          Ik nam toen een paar ingrijpende beslissingen: 1. ophouden met feesten 2. proberen een regeling te treffen 3. in de haven van Amsterdam gaan werken. Alleen punt 2 heb ik verwezenlijkt. Ha, ha, ha… Maar rijk ben ik niet geworden van die serie. Ik heb nooit een cent gehad, ook nu nog niet.”
          In de roerige revolutionaire jaren zestig (huwelijk van prinses Beatrix, het Provoverschijnsel, seksuele revolutie) werd Willem W. Waterman politiek ineens weer actief. Er viel weer in troebel water te vissen. Zo haalde hij meteen de voorpagina’s toen hij bij burgemeester Van Hall des nacht de ramen had ingegooid uit protest tegen het ontslag van hoofdcommissaris Van der Molen.
          Ook leidde hij in deze tijd een nieuwe geestesrichting: die van het Animalisme. (Uit de doelstellingen: het animalisme leert dwingend dat het menselijk dier verstandig genoeg behoort te zijn om op korte termijn paal en perk te stellen aan het dom en misdadig bijfokken van kinderen zonder te denken over de consequenties voor ons nageslacht.)
          Willem Waterman werd ook de boezemvriend van de anti-rookmagiër Robert Jasper Grootveld. Deze befaamde Amsterdamse extremist had de Taillehaeck-boeken van WWW gespeld en de inhoud ervan ingedronken. Toen de twee randfiguren elkaar oor het eerst ontmoetten, zei Grootveld: „Hoewel ik je een klote-padvinder vind, heb ik van jou de revolutie geleerd.” Waarom vond Grootveld Taillehaeck zo goed? Vooral wegens de idealistische, homoachtige verhouding tussen de hoofdfiguren, de generaal en zijn schrijvende vriend F. ter Heyde.
          Volgens een andere vroegere Willem Waterman-vriend, thans diens gezworen vijand, de Amsterdamse decadentiefotograaf Ab Pruis, is WWW een meester in het insinueren, maar is hij ook „fundamenteel laf”, omdat hij zaken waarbij hij zelf gevaar kan lopen altijd op een slinkse manier door anderen laat uitvoeren. Op zijn beur noemt Willem Waterman Ab Pruis „een rat”, een titel die op de op Napoleon gelijkende lichtprenter naar zijn mening vooral verdient sedert deze in zijn roddelboek Het Stinkdier een uitvoerig overzicht verstrekte van Watermans seksuele uitspattingen in het Amsterdamse rosse wereldje. Een citaat daaruit: De verzamelwoede van Willem voor reeksen vrouwen was buiten alle proporties. In een dronken bui vertelde hij me eens in het bezit te zijn van een collectie vrouwelijk schaamhaar. Ze zou te zien zijn in een kleine vitrine en ieder plukje zou voorzien zijn van een klein strikje.
          WWW: „Niets, maar dan ook niets wil ik meer met Pruis te maken hebben. Hij verkoopt zijn moeder voor één cent. Hij is nog laffer dan verschaald bier. Wat je als vrienden deed en bepraatte, dat ging hij achteraf publiceren.”

Sexverhalen
          Tijdens ons tweede vraaggesprek was WWW broodnuchter en gaf hij me op verzoek een opsomming van zijn huidige bezigheden: hij legt de laatste hand aan Bob Evers nr. 34 en nr. 35, aan een boek Waargebeurde verhalen uit de 50-er jaren, aan de Nederlandse editie van het pornografische werkje The House of Pain, aan een bloemlezing van intelligente en humoristische pornografie met een voorwoord van Gerrit Komrij, aan het voorleesboek Avonturen van Woutertje Wipneus en aan Waar gebeurde mirakels en voorvallen, die niemand verklaren kan. Voorts schrijft hij regelmatig hoofdartikelen voor het sexblad „Candy” („Is Rinus Michels sexpsychiater?”) en is hij dr. P.G. van der Woude, seksuoloog voor het Vlaamse pornoblad Cash.           Verder zag ik, toen wij enkele dagen tevoren naar een Haags volkscafé wandelden een bordje op zijn huisdeur: W.H.M. van den Hout, preadviseur voor psychiatrie.
          In het Haagse bierhuis beliep zijn stem reeds na de eerste consumptie de nodige decibels en werd hij door andere gasten die hem kennelijk vaker meemaakten en die aan de bar broeierig hun borreltjes stonden te bewaken, met de nek aangezien. Eenmaal bulderde hij: „Garçon, nog een dubbele jonge met Cola en een pakje sigaretten op rekening van Panorama.”
          Omdat ie dacht dat de fotograaf zou meekomen had ie een zwart fascistenhemd aangetrokken. Aan het tafeltje voor het raam zong hij enkele regels uit een fascistisch strijdlied. Ik meen me te herinneren dat de hymne „De Mars op Rome” heette. Toen ik hem ten afscheid de hand had gedrukt, schreeuwde hij op maximale sterkte: „Omringd door lafaards en kleine knoeiers ben ik gedoemd te leven. Nog even volhouden en al mijn vijanden zijn overleden.”
          ”Dag Willem,” zei ik.
          ”Dag Bob Evers, dag Arie Roos,” dacht ik, „jullie interesseren me niet meer.”
          Enkele dagen later belde hij me een aantal malen achtereen op, telkens vanuit een ander Amsterdams café. Hij zei: „Ik ben ontvoerd door een stel leuke meiden. Ik weet niet waarheen ze me brengen.
          Wil je vooral vermelden dat ik altijd omhoog gevallen ben? Mijn leven lang ben ik noodlottig omhoog gevallen.” Ik beloofde hem dit prompt.

Willem met uitgever: contract voor Bob Evers.




[1]Van Peter Gerritse (foto’s Albert van den Berg en Frans Verpoorten, e.a.), in Panorama, 26 september 1975.
[2]In hoger beroep teruggebracht tot 1955.
[3]Aanvankelijk 20 jaar, later in hoger beroep teruggebracht tot 10 jaar (maar van 15 jaar is nooit sprake geweest!).