P R O C E S - V E R B A A L 1


van de openbare zitting van de RAAD VAN BEROEP VOOR DE PERSZUIVERING op Donderdag 29 en Vrijdag 30 December 1949 te 10 uur in het gebouw Prinsessegracht 21 te ‘s-Gravenhage.
      Tegenwoordig zijn:
Jhr. Mr. G.W. van Vierssen Trip
Mr. Dr. A.L. Scholtens
S.W.Melchior
Mr. J. Biemond
Voorzitter
Lid
Lid
Adjunct-Secretaris.

      Aan de orde is het beroep van H.A. SEYFFARDT en W.H.M. VAN DEN HOUT, die bij uitspraak van de Commissie voor de Perszuivering van 27 April 1948 zijn ontzet uit het recht werkzaam te zijn in een journalistieke of leidende niet-journalistieke functie in het perswezen tot onderscheidenlijk 5 Mei 1961 en 5 Mei 1965.
      Appellant SEYFFARDT is op 29 December afwezig. Aanwezig is W.H.M. VAN DEN HOUT en zijn raadsman Mr. Dr. J.C. Coebergh.
      Als eerste getuige wordt gehoord H E L M U T    P R Ö B S T I N G, geboren 27 November 1912 te Ürdingen (Duitsland), van beroep landbouwkundig ingenieur, thans gedetineerd. De Voorzitter heeft hem doen bijstaan door de tolk HERMAN FLAUMENHAFT, beëdigd vertaler te ‘s-Gravenhage, die de eed aflegt. Aangezien getuige echter blijkt de Nederlandse taal uitmuntend te beheersen, wordt van de tussenkomst van de tolk geen gebruik gemaakt.
      Getuige PRÖBSTING verklaart, na de eed op de voorgeschreven wijze te hebben afgelegd, zakelijk gerelateerd als volgt:
      Ik heb VAN DEN HOUT slechts eenmaal - en dat geheel toevallig buiten mijn werk om - ontmoet. (Van den Hout beaamt dit).
      Ik ben van November 1942 af leider geweest van het Referat III B bij de Befehlshaber der Sicherheitspolizei en van de S.D. te ‘s-Gravenhage. Als zodanig was het mijn taak inlichtingen in te winnen over de politieke situatie in Nederland en speciaal over de groepen die den Duitsers welgezind waren. Ik had hierbij aanvankelijk veel contact met Dr. Haagn van het Duitse Ministerie voor Propaganda; hij was voor mij een bron van inlichtingen.
      Ik weet dat Haagn werkte met Thijssen, Ds. Van Duyl, Paul Kičs en ook met Van den Hout. Voor zover ik mij herinner was Van den Hout medewerker aan De Gil vanaf het eerste nummer, omstreeks medio 1943. Ik heb nooit vooraf met Haagn over De Gil gesproken, wel achteraf, toen het blad al bestond.
      Het Rijkspropaganda-ministerie van Goebbels voerde een andere politiek dan het imperialistische en annexionistische Rijkscommissariaat onder Seyss Inquart en Schmidt. Minister Goebbels streefde naar een verenigd Europa en de beslissingen omtrent De Gil werden uiteindelijk door zijn ministerie genomen, vaak in tegenstelling tot het Rijkscommissariaat. Ook de middelen kwamen uit Berlijn, al liepen die via het Rijkscommissariaat. Haagn vond De Gil een instrument om op propagandistisch terrein de Duitse oorlogvoering te begunstigen. Of dit doel bereikt is, is moeilijk te zeggen. Op een gegeven moment kwamen zij op het idee de N.S.B. en de landwachters propagandistisch af te breken. Haagn wilde echter de verantwoordelijkheid daarvoor niet alleen dragen en vroeg mij hem te helpen. Zodoende kreeg ik vooraf de copie. Rijkscommissariaat en ook Mussert lieten hun ontstemming blijken en toen ontstonden er discussies over de resultaten van De Gil.
      Een deel der Duitsers meende dat De Gil aldus propaganda voor de geallieerden maakte, doch andere Duitsers, waaronder Rauter en ik, meenden dat De Gil de tegen de Duitsers gerichte propaganda moest neutraliseren door volledig "illegaal" te zijn, bezien van het annexionnistische Duitse standpunt, dus in de geest van Goebbels, voor een verstandig verenigd Europa. Ik heb echter - terwijl het mijn functie was om het oor te luisteren te leggen - nimmer één stem gehoord die zei, dat De Gil een echt illegaal blad zou zijn; iedereen begreep dat het een Duits blad was, doch men las het gaarne als grap. Het grote propagandistische voordeel was m.i. dat door deze uitgave werd aangetoond dat er ook nog andere Duitsers waren dan zij die bezig waren alles met hun laarzen kapot te trappen. De Gil bereikte een groot publiek.
      Dr. Haagn kreeg vooraf alle copie. De ingezonden brieven werden soms met Haagn besproken doch ze zijn nooit gebruikt voor een politioneel doel.
      Ik moest erg opletten opdat niemand er achter kwam wie voor De Gil verantwoordelijk was, temeer omdat het régime Thijssen zo slordig was dat allerlei paperassen elders rondzwierven. Bovendien vond ik Thijssen's vriendschap met de communistisch gezinde Mej. Spanjer verdacht. Vandaar dat ik tenslotte eiste dat Thijssen zou worden ontslagen. We hebben hem daarop in April 1944 gearresteerd; Thijssen is vervolgens vrijgekomen en, naar ik meen, in Noorwegen voor de propaganda ingezet. Haagn was over het vertrek van Thijssen zeer verstoord, waardoor de goede verstandhouding tussen Haagn en mij verbroken is. Ik kreeg de copie van De Gil voortaan niet meer vooraf ter inzage en De Gil interesseerde mij toen verder niet meer. Van April 1944 af heb ik me dus in het geheel niet meer met het blad bemoeid.
      Met Boogerman heb ik vaak contact gehad, wel niet direct, maar middels mijn medewerkers; hij was fel anti-N.S.B. en daarom voor mij interessant. Hij was niet in eigenlijke Duitse dienst maar declareerde zijn onkosten. Het is niet door mijn toedoen dat hij lid van De Gil-club werd.
      De namaak van een nummer der illegale bladen Het Parool en Trouw was een experiment van Dr. Haagn; van medewerking van Van den Hout daaraan of aan de radio, is mij niets bekend. Wie de diverse anti-geallieerde brochures heeft geschreven, weet ik evenmin. M.i. zijn ze vervaardigd op last van het Rijkscommissariaat; ik leid dit af uit gesprekken met Dr. Haagn.
      Dat Van den Hout een bekwamer journalist was dan Thijssen, heb ik nooit verklaard, wel dat Van den Hout bekend stond als goed journalist. Van mijn gezichtshoek bezien vond ik dat De Gil in grote lijn aan zijn doel beantwoordde. Na Dolle Dinsdag is De Gil nog eenmaal verschenen, daarna niet meer omdat Dr. Haagn wegging. Het is niet onmogelijk dat het interne meningsverschil tussen de Duitsers omtrent De Gil van invloed op dit stopzetten is geweest. Een Duitser houdt nu eenmaal niet van grappen.
      VAN DEN HOUT vraagt of getuige Denis Hatenboer kent.
      PRÖBSTING:      Ja, dat was de deskundige op afdeling III B (Presse). Ik ging op zijn oordeel af. Hij vertaalde ook De Gil voor intern gebruik.
      VAN DEN HOUT:      Acht U het mogelijk dat buiten Uw medeweten brieven afkomstig van Haagn in handen van andere Duitse instanties zijn gekomen?
      PRÖBSTING:      Voor zover ik weet is dit nooit geschied doch ik kan dit niet garanderen.
      Vervolgens wordt als getuige gehoord J A C O B   A N T O N IE   B O O G E R M A N, geboren 21 October 1913, van beroep arbeidscontractant, wonende de ‘s-Gravenhage, die na de eed te hebben afgelegd, het volgende verklaart:
      Seyffardt heeft mij reeds over De Gil ingelicht voor het verschijnen van het eerste nummer; hij vertelde dat het een nieuw propaganda-experiment was van het Rijkscommissariaat. M.i. was De Gil duidelijk een Duits propagandablad. Het blad trachtte een eigen stijl in te voeren. De redactie heeft deze stijl opzettelijk uitgehold; het blad was zo dwaas dat de propaganda op de achtergrond raakte. Het lijkt me zeer wel mogelijk dat het publiek de opvatting kreeg dat de redacteuren anti-Duits waren omdat er zoveel aandacht werd besteed aan de Engelse radio e.d., maar anderzijds moet ik erkennen dat het artikel in no. 4 tegen de Joden zeer slecht was.
      De VOORZITTER wijst erop dat alle nummers totaan 12 aanstotelijke artikelen bevatten o.a. tegen het Koninklijk Huis en de Regering te Londen. Was het niet veeleer zo dat de Duitsers de neutrale of "goede" artikelen toelieten om de pro-Duitse propaganda van De Gil onder het publiek te brengen? Fel hebben de echte illegale bladen dan ook tegen De Gil geageerd; er is zelfs door hen een pseudo-Gil uitgegeven.
      BOOGERMAN:      Toch ben ik bij De Gil gekomen in overleg met Cageling en Nieuwenhuisen namens de G.D.N. (Geheime Dienst Nederland). Ik heb dit overleg met Cageling zelf geëntameerd toen Thijssen wegging. Ik heb van circa no. 7 af medegewerkt aan De Gil (Buitenlands Nieuws); mijn medewerking had speciaal ten doel de Duitse propaganda zoveel mogelijk te neutraliseren, vandaar dat Van den Hout en ik zoveel mogelijk goede copie in het blad zetten. Van den Hout toonde steeds veel begrip voor de wensen van de G.D.N. en was niet bang voor onze illegale verhouding.
      VOORZITTER:      Wat voor risico liep Van den Hout? De Gil werd gedrukt bij De Residentiebode, die in pro-Duitse handen was en U was oud-N.S.B.-er.
      BOOGERMAN:      Ik schreef voor ondergrondse pers en had contact met Matla, die copie voor illegale bladen verzamelde.
      Ik erken, dat mijn verklaring tegenover de P.R.A. dat Van den Hout's artikel over Dolle Dinsdag oorzaak was dat Seyss Inquart De Gil verbood, slechts op een persoonlijke indruk van mijzelf berust.
      Seyffardt werkte mede in illegale geest door de wijze van illustreren. Ik erken dat die bedoeling aanvankelijk niet zo tot uiting kwam, maar later liet men meer toe, referte het artikel "Na Parijs Amsterdam bevrijd".
      Ik ben verhoord door de R.C. en er is nog een zaak tegen mij hangende, maar ik ben niet gedetineerd geweest.
      Vervolgens wordt als getuige gehoord M A R I N U S    A R N O L D    C A G E L I N G, geboren 15 November 1902, thans wonende te Voorburg, die op voorgeschreven wijze de eed aflegt.
      CAGELING verklaart, zakelijk gerelateerd, als volgt:
      Ik ben geen lid van de N.S.B. geweest maar verbonden geweest aan het Ned. Dagblad van Arnold Meyer (Dec. ‘40 - April/Mei 1941). In die tijd heb ik Van den Hout wel eens ontmoet.
      Toen Thijssen van De Gil vertrok kwam Boogerman bij mij en stelde voor dat wij "A finger in the pie" zouden krijgen bij dat blad. Hij vertelde dat Van den Hout en Seyffardt ook goed waren en stiekum geallieerde propaganda in De Gil bedreven. Het spreekt vanzelf dat het blad ook foute artikelen bevatte. De opzet was nu eenmaal fout geweest doch onze bedoeling was het foute karakter door penetratie te neutraliseren. Zelf ben ik niet aan De Gil verbonden geweest maar ik heb Van den Hout aangemoedigd, middels Boogerman die mijn contact-man was. Zelf werkte ik voor Je Maintiendrai en de Geheime Dienst Nederland, waarvan ik de landelijke chef Miki (Schoenmaker) kende. Weliswaar heeft deze later onder ede alle contact met mij ontkend, doch later is uit de stukken gebleken, dat "Miki" een spionnage-opdracht gaf aan de groep-Vogel en daarin schreef "die ene Gil-vent lijkt me wel iets". Hiermede is bedoeld Boogerman. (Spreker legt een afschrift van het betreffende schrijven d.d. 17-10-‘44 van de chef G.D.N. "Miki" aan Vogel over). Ik houd vol, dat de landelijke leiding van de G.D.N. de infiltratie van De Gil kende en goedkeurde. Ik erken echter dat de illegale bladen zeer tegen De Gil ageerden.
      VOORZITTER:      Tegenover de P.R.A. hebt U verklaard dat de Duitsers in De Gil een jazz-rubriek hadden geopend met het doel de jazz-muziek belachelijk te maken doch dat Van den Hout deze opzet frustreerde door juist goede jazz-muziek te geven, waardoor deze rubriek feitelijk geallieerde propaganda werd. Hoe kende U die bedoeling der Duitsers?
      CAGELING:      Dat was een veronderstelling van me.
      VOORZITTER:      Misschien is het aldus dat de Duitsers deze neutrale rubriek welbewust als lokaas gebruikten.
      CAGELING:      Duitsers konden dat niet aanvoelen. De jazz-rubriek had vooral bij de jeugd veel succes.
      Mr. COEBERGH:      Hebt U met zoveel woorden aan Van den Hout namens de G.D.N. gezegd dat hij met De Gil kon doorgaan?
      CAGELING:      Ja.
      Hierna wordt als getuige gehoord J O H A N N E S    A N D R E A S    A N T O N I U S    L E A R B U C H, geboren 19 Januari 1911, thans handelsagent, wonende in ‘s-Gravenhage, die na op de voorgeschreven wijze de eed te hebben afgelegd, als volgt verklaart:
      Gedurende de bezetting was ik bestuurder van het Persgilde en zakelijk leider van het Verbond van Journalisten. Ik weet dat Van den Hout, Seyffardt en de Duitser Kierdorff medegewerkt hebben aan De Gil: Het was een Duitse uitgave, doch formeel werd het uitgegeven door De Opbouw, welke het blad liet drukken bij De Residentiebode. Ik herinner me niet dat ik ooit met Dr. Haagn over De Gil heb gesproken, zodat ik niet bekend ben met zijn opinie over het succes van het blad. Wat de opheffing van De Gil betreft deel ik U het volgende mede: De Residentiebode zond geregeld opgave van het voor De Gil verbruikte papier; aan de hand daarvan werd papier voor het volgende nummer toegewezen. De papiervoorziening liep echter spaak tengevolge van de ontreddering van het transportwezen; vandaar dat de Haagse kranten op een gegeven moment (tussen Dolle Dinsdag en Arnhem) zonder papier zaten. Ik ging toen naar de Perschef Dr. Dittmar en deze belde Apeldoorn op, waar een deel van de staf zat. Het resultaat was dat het papier dat bij De Residentiebode klaar lag voor het volgende Gil-nummer, onder de Haagse kranten moest worden verdeeld, welke verdeling ik zelf ten uitvoer heb gebracht. Als De Gil daarna nog papier had willen hebben, zou ik het niet gegeven hebben omdat de voorraad alleen voor de dagbladen reeds te klein was. Het is mij bekend dat Dittmar De Gil vijandig was gezind doch dit kwam m.i. voort uit de controverse tussen het Rijkscommissariaat en Dr. Haagn (Ministerie van Propaganda). Ik heb geen grond om aan te nemen dat het motief tot stopzetten van De Gil gelegen zou zijn in de ontevredenheid van Duitse zijde met de inhoud.
      VAN DEN HOUT:      Als de Duitsers het gewild hadden, zou De Gil toch doorverschenen zijn.
      Mr. COEBERGH:      Was Dittmar uit zichzelf bereid om een einde te maken aan De Gil?
      LEARBUCH:      Zeker, ik heb hieromtrent geen enkele moeite met hem gehad, hij was nu eenmaal niet pro-GIL, dat had ik al eerder gemerkt.
      Vervolgens wordt als getuige gehoord G E R A R D U S    J O H A N N E S    N I C O L A A S    M A R I A R U Y G E R S, geboren 21 Augustus 1911 te Breda, lid der Tweede Kamer der Staten-Generaal, wonende te Rijswijk, die na beëdiging de volgende verklaring aflegt:
      Ik ben zelf gedurende de bezetting verbonden geweest bij Je Maintiendrai en als zodanig heb ik contact gehad met Cageling, die ook illegaal werkte. Voor onze groep was Cageling een dubieuze figuur, maar zulke figuren hadden wij ook nodig om informatie te verkrijgen. Persoonlijk vertrouwde ik hem niet. Met Boogerman en Nieuwenhuisen heb ik nooit iets te maken gehad.
      In de kringen der illegaliteit werd De Gil als volkomen fout beschouwd en alle illegale bladen hebben, na speciaal onderling overleg hierover, hun lezers nadrukkelijk tegen dit blad gewaarschuwd. Mij is niet bekend of deze waarschuwing ook is doorgegeven aan Cageling, Boogerman c.s. De Gil was daarom zo gevaarlijk omdat het ook door goede Nederlanders gretig gelezen werd - in tegenstelling met de N.S.B.-bladen als "Volk en Vaderland", die ongelezen bleven.
      VAN DEN HOUT:      Blijkens door Van Nispen tot Sevenaer verstrekte gegevens bedroeg de oplage 150.000 exemplaren.
      RUYGERS:      Bedenkelijk vond ik ook dat de door Van den Hout geredigeerde jazz-rubriek zo insloeg, speciaal bij de jeugd: men organiseerde avondjes om de radio te beluisteren en daarbij werd het gif druppelsgewijs toegediend.
      De illegaliteit bezat een lijst van medewerkers van De Gil; zo herinner ik me de namen Thijssen, Van den Hout en Seyffardt. Zonder twijfel was de bedoeling van de uitgave geheel fout. Of alle medewerkers ook foute bedoelingen hadden, durf ik niet zeker te zeggen, maar de illegaliteit vond wel dat geen enkele aan De Gil verbonden Nederlander boven verdenking stond; het waren alle dubieuze figuren.
      Mr. COEBERGH:      Maar een boven alle verdenking staande figuur zou nooit aan De Gil hebben mogen medewerken!
      RUYGERS:      Toch zijn er verscheidene integere figuren geweest die bij vijandelijke instanties werkten.
      VAN DEN HOUT:      Getuige heeft vroeger op een zitting verklaard dat sommigen meenden dat De Gil afkomstig was van illegale zijde. Hoe kan men dat gemeend hebben as de inhoud daartoe geen aanleiding gaf?
      RUYGERS:      Inderdaad was er in sommige kringen onzekerheid of De Gil van nationale of antinationale zijde kwam, en dit was juist zo gevaarlijk, dit was de verderfelijke opzet van het blad. De Duitsers duldden nooit enige kritiek en daarom meende menigeen dat De Gil, die in enkele opzichten tegen het Duitse standpunt inging, niet van Duitse zijde afkomstig kon zijn. Juist daarom heeft de illegaliteit zo tegen De Gil gewaarschuwd. Inderdaad berustte het oordeel der illegaliteit aanvankelijk alleen op de eerste nummers, maar het illegale Gil-nummer is pas veel later verschenen en uit die opzienbarende uitgave blijkt dat de illegaliteit ook na het vierde nummer het blad nog als zeer gevaarlijk beschouwde.
      Mr. COEBERGH:      Cageling moge in het begin der bezetting wat dubieus zijn geweest, maar sedert 1943 heeft hij belangrijk illegaal werk gedaan. Hij werd door de S.D. gezocht en is ondergedoken.
      RUYGERS:      Jawel, hij bewoog zich in de sfeer van spionnage en contra-spionnage en beschikte inderdaad wel eens over belangwekkende inlichtingen. Maar we hebben hem nooit helemaal vertrouwd.
      Daarna wordt als getuige gehoord A R N O L D U S    J O S E P H U S    M E Y E R, geboren 5 Mei 1905 te Haarlemmermeer, thans landbouwer en champignon-kweker te Oisterwijk, die na de eed te hebben afgelegd, als volgt verklaart:
      Van den Hout is lid van het Nationaal Front geweest. Hij is omstreeks Juni 1940 toegetreden. Hij heeft een betaalde functie bekleed als lid van de Publicatieraad van Nationaal Front doch in feite was dit werk van geringe omvang omdat ons dagblad spoedig verboden werd. Van den Hout, die niet overijverig was en laat op kantoor kwam, is daarop als lid van de Publicatieraad ontslagen en kort daarop is deze raad opgeheven. Van den Hout was anti-Duits ingesteld; het gehele Nationale Front was trouwens tegen de bezetter; het Nationaal Front heeft dan ook nooit tegen het Koninklijk Huis geageerd.
      Ik weet niet meer welke teksten van strooibiljetten van het Nationale Front door Van den Hout zijn ontworpen. Overigens waren al onze strooibiljetten contra de N.S.B. en N.S.D.A.P. Van den Hout is ondanks zijn ontslag uit de bestuursfunctie lid van het Nationaal Front gebleven tot de opheffing eind December 1941.
      VAN DEN HOUT:      Ik heb alleen contributie betaald tot eind Augustus 1941.
      MEYER:      Dat zegt niets; Uw contributie werd van Uw bezoldiging ingehouden en dat was na de beëindiging van Uw functie niet meer mogelijk. Ik weet zeker dat U tot het einde toe lid zijt gebleven.
      Mr. COEBERGH:      Is het waar dat Van den Hout vlak na de capitulatie lid uitmaakte van een door U ingestelde geheime raad die moest nagaan wie er met de vijand heulde?
      MEYER:      Inderdaad.
      Hierna wordt als getuige gehoord H E N R I    P E T I L L O N, geboren 8 Maart 1911, wonende te ‘s-Gravenhage, zonder beroep. Getuige verklaart niet aan God te geloven en daarom geen eed te willen afleggen. Op een vraag van de Voorzitter antwoordt hij dat hij vroeger wel eens een eed heeft afgelegd, maar sedert 1946 niet meer. Getuige belooft de waarheid te zullen spreken en verklaart als volgt:
      Ik ben secretaris van Nationaal Front geweest. Van den Hout was lid van de Publicatieraad. Er waren in de partij twee stromingen, de ene nationaal-Nederlands, de andere die welgezind tegenover de Duitsers was.
      Van den Hout had thuis veel Engelse en Amerikaanse muziek en ik had de indruk dat hij anti-Duits was. Wat zijn propaganda-werk betreft, dit was betaalde arbeid waarvoor hij de richting van de hoofdleiding volgde. Ik kan me de door hem vervaardigde affiches niet meer herinneren. Ik kan niet zeggen dat hij de pro-Duitse elementen uit Nationaal Front trachtte te werken, wel dat hij veel omging met nationaal gezinden in het Nationaal Front.
      VAN DEN HOUT:      In het dossier ligt de volgende verklaring van Mr. Schillings: "Juist is dat zich in het Nationale Front een scherpe tegenstelling voordeed, vooral in de eerste maanden van 1941, tussen de pro-Duitsers en de anti-Duitsers ....... Het feit dat Van den Hout's pamfletten en aanplakbiljetten zo sterk anti-Duits en anti-N.S.B. waren, leidde tot protesten der meer pro-Duitse afdelingen." (Mr. S. was secretaris der afd. Organisatie van Nat. Front) Ik zou gaarne aan getuige vragen of dit waar is.
      PETILLON:      Inderdaad. De afdelingen die Duits-gezinde besturen hadden, wilden zijn affiches niet ophangen en toen gingen deze afdelingen in ledental achteruit; de afdelingen daarentegen doe deze biljetten wel ophingen, gingen vooruit.

      Twee voor heden opgeroepen getuigen zijn niet verschenen: Jhr. Mr. C.H.M.J.J. VAN NISPEN TOT SEVENAER is verhinderd wegens ziekte en R.L.A. NIEUWENHUISEN is weggebleven zonder opgaaf van redenen.

      In antwoord op aan hem gestelde vragen verklaart VAN DEN HOUT voorts als volgt:
      De brief van Heinrich Blömer's Verlags-, Versand- und Exportbuchhandlung d.d. 3 Juni 1944 aan mij is mij bekend. Ik erken dat ik heb toegezegd een boek te schrijven met als inhoud "Kritiek op het Amerikanisme". Ik erken ook mijn contract d.d. 26-8-1943 met de "Nenasu" (Nederlandse Nationaal-Socialistische Uitgeverij) voor het leveren van een novelle van 8000 woorden. De kritiek op het Amerikanisme heb ik echter nooit geschreven en t.a.v. de Nenasu betrof het alleen short stories zonder politieke tendenz. Ik moest toch leven. Meermalen heb ik trouwens contrqcten getekend zonder die na te leven; ik incasseerde dan wel vooruit de helft van het honorarium. Aperte weigeringen op aanbiedingen waren nu eenmaal in mijn positie moeilijk.
      Ik erken ook op 1 Juni 1943 een aanvrage te hebben ingediend om vrijstelling van de inleveringsplicht voor de radio. Ik kende iemand van de Cultuurraad van Prof. Snijders; daar diende ik dus mijn verzoek in; ik heb echter nooit antwoord gekregen. De toevoeging "Mitglied des Niederl. Kulturkreises no. 506" heb ik er persoonlijk niet op gezet.
      Ik heb niet aan De Residentiebode gewerkt; mijn contact met Thijssen was niet in zijn functie als hoofdredacteur maar betrof de uitgeverij. Wel heb ik gewerkt aan de R.K. krant "Het Huisgezin".
      De brochure "Balans der Fronten", "Geef mij maar Amerika!", "Dus toch Amerika" heb ik niet geschreven. Wel zijn ze mij in manuscript voorgelegd omdat Thijssen prijs stelde op mijn advies. Ik heb daarop waarschijnlijk advies uitgebracht.
      Twee kunnen over mijn gezindheid getuigen, Denis Hatenboer van de S.D. en Marinus van de afdeling Pers van het Rijkscommissariaat. Marinus heeft elders verklaard dat ik als principieel anti-Duits stond genoteerd en dat nagenoeg alle pro-Duitse brochures op compilatiewerk van het Duitse Ministerie van Propaganda berustten, zodat het zeer onwaarschijnlijk is dat ik de auteur van "Geef mij maar Amerika" e.d. zou zijn.
      Ik heb allerlei opdrachten van Duitse en pro-Duitse instantie als quantité negligeable beschouwd; of ik antwoordde niet, of ik kwam mijn belofte niet na of ik trok de zaak in het belachelijke. Zo moest ik eens een luisterspel voor een Paas-bijeenkomst van de N.S.B. schrijven. Ik schreef "het vierkante paasei", dat dan ook prompt geweigerd werd.
      Inderdaad ben ik de schrijver van de brochure "Practische uitwerking van het Leidersbeginsel" door Willem W. Waterman. Dit is echter slechts een uitwerking van het eerste hoofdstuk van mijn boek "De kruistocht van Generaal Tailleheack". De brochure is trouwens nooit uitgegeven.
      Het mij getoonde strookje van de postgiro voor storting op mijn naam van F 125.-- door de administratie van "Volk en Vaderland" voor "hon. uitg." beduidt een betaling vooraf van 50%. De prestatie is nooit geleverd, vandaar dat er geen tweede dergelijk stortingsbewijs is.
      Het strookje van F 400.-- storting door de Ned. Kultuurraad voor "betaling rapport radio-omroep (restant)" betreft een zakelijk advies van mij over de omroep.
      U toont me een anonieme brief van 27 november 1944 aan "Dear Miss Miller", waarin de volgende passage voorkomt: "of is deze plaatjes-draaierij bedoeld als blikvanger voor de hatelijkheden die U zo nu en dan lanceert? Wat heeft Bing Crosby b.v. te maken met Walcheren? Wat heeft het zingen van de knappe Amerikaanse Conny Boswell te maken met de door U zo verfoeide geest van de Engelsman?"
      Hierop heb ik het volgende te verklaren. Miss Miller was Mej. de Marez Oyens. De teksten maakte ik inderdaad in grote getale zelf. Uit de reactie van de lezers, waarvan dit een voorbeeld is, bleek duidelijk dat men zeer goed wist te onderscheiden tussen de platen, waarnaar men met genoegen luisterde, en de tussentekst, die men langs zich heen liet gaan. Ik heb de Radio-Gil niet op eigen gezag op mij genomen, maar in overleg met de G.D.N.; Jager (die zich toen nog als mijn vriend voordeed) heeft mij aangemoedigd ermede door te gaan onder voorwendsel dat hij namens de Amsterdamse illegaliteit sprak; toen ik ermede ophield, zette Jager zelf de uitzendingen in elkaar; ik zorgde ervoor dat de bij de gevaarlijkste exemplaren van de bij de Radio Gil binnenkomende brieven werden verbrand.
      De artikelen in De Residentiebode d.d. 13-4-‘42 (Van blind geloof naar blinden twijfel), van 14-4-‘42 (De kern der Britsche onmacht) en 15-5-‘42 (Wurgende greep), alle ondertekend met W.W.W., zijn mij bekend. Ik ontken ze te hebben geschreven, al staan daaronder de initialen van mijn nom de plume Willem W. Waterman. Wel heb ik vooruit de pro-Duitse strekking geweten en vermoedelijk ook de inhoud der artikelen vooraf gelezen, althans van het eerste; ik heb er ook vooruit in toegestemd dat mijn initialen daaronder werden geplaatst. De zaak is n.l. dat Thijssen weg zou gaan als hoofdredacteur Bij de Residentiebode; ik reflecteerde op die plaats, doch moest tegenover de Duitsers bewijzen dat mijn anti-Duitse reputatie ongegrond was en ik wel degelijk qua geestelijke instelling voor deze positie in aanmerking kwam. Ik deed dit alles omdat ik het van groot belang achtte dat De Residentiebode een anti-Duitse hoofdredacteur zou krijgen (n.l. mijzelf). Aangezien dit alles geschiedde met het oogmerk de Duitsers te misleiden, acht ik mij voor deze artikelen stellig niet aansprakelijk.
      Mijn werkzaamheden aan De Gil zijn aangevangen bij no. 4. De grap op de achterpagina is van mijn hand; verder was mijn aandeel in dit nummer slechts summier. De eerste drie nummers zijn in elkaar gezet door Thijssen met onbekende medewerkers. Ze hadden een grote hoeveelheid materiaal laten liggen voor volgende nummers. Ik ben geen hoofdredacteur geweest, dus voel ik mij niet aansprakelijk voor de slechte artikelen, voorzover ik ze niet zelf geschreven heb. Het mij thans voorgehouden geschrijf in De Gil over Het Koninklijk Huis interesseerde me niet; ik heb het niet geschreven, evenmin als het artikel over van Kleffens. Het feuilleton was van Boogerman. Het artikel tegen de Joden in no. 4 was een typisch voorbeeld van een ingezonden artikel. Ik heb me daarover niet te verantwoorden.
      VOORZITTER:      Pas bij no. 11 begint er een kentering te komen, het is echter nog een dubieus nummer. No. 12, 13 en 14 zijn feitelijk geen Duitse propagandabladen meer.
      VAN DEN HOUT:      Daaruit ziet U precies de ontwikkeling: De Gil werd steeds minder pro-Duits.

      De zitting wordt thans gesloten en voortgezet op Vrijdag 30 December 1949.
      Appellant VAN DEN HOUT en zijn raadsman Mr. Dr. J.C. Coebergh zijn weder aanwezig, benevens Mr. Dr. K.W.P. Klaassen als raadsman en vertegenwoordiger voor de afwezige SEYFFARDT.
      Als getuige wordt gehoord H E N R I    R E N É    M A R I E    V A N     H O O F, geboren 12 Mei 1914, op 14 December 1949 uit detentie ontslagen en thans wonende te Eindhoven, die na het afleggen van de eed het volgende verklaart:
      Ik herinner me niet dat ik ooit over Van den Hout ben verhoord. De eerste keer dat ik verhoord ben was in maart 1948. Ik ontken pertinent de juistheid van het proces-verbaal van mijn verhoor op 8 Februari 1947 door de Ambtenaar van Politie Vollebregt met de daaronder gestelde mededeling dat het concept aan mij voorgelezen en door mij ondertekend zou zijn. Ik ben me volkomen bewust onder ede te staan. Ik ben in het geheel niet verhoord in 1947 en een groot deel van de inhoud van dat proces-verbaal, dat U mij thans voorlegt, is mij volslagen onbekend.
      Van den Hout ken ik van 1942 af en wel als schrijver van luisterspelen voor de Radio Omroep. Hij was een humorist die muziek uit een film verwerkte tot een radio dialoog. Het waren show- en ontspanningsfilms. Ik herinner me niet dat hij daartussen politieke toespelingen inlaste.
      Of Van den Hout teksten schreef voor het cabaret De Spinnekop onder Eenhoorn, weet ik niet; dat ressorteerde onder een andere afdeling.
      Van den Hout is bij de omroep slechts kort in vaste dienst geweest, daarna was hij slechts incidenteel medewerker. Als ik een grappige tekst nodig had, schreef ik hem aan. Ik had geen rechtstreeks contact met de Rundfunkbetreuungsstelle; dit liep over de programmaleider. Mij is nooit een hoorspel van Van den Hout van Duitse zijde als voorbeeld voor ogen gesteld. Hij heeft me nooit gesproken over brochures die hij voor het Rijkscommissariaat geschreven zou hebben; ik weet daar niets van. Hij heeft me evenmin gezegd dat hij een rapport moest uitbrengen over de gang van zaken bij de omroep.
      De daarna geschiede tewerkstelling van Van den Hout bij de Radio Gilclub viel buiten mijn gezichtsveld. Wel heb ik hem daarna dikwijls in de studio ontmoet. Van de Gilclub weet ik niets; wel heb ik er een paar maal naar geluisterd maar toen heb ik er geen vijandelijke propaganda uit vernomen.
      Inderdaad was Radio Hilversum een z.g. Kampfsender, doch dit was met alle radio-omroepen zo. Naast de Nederlandse Radio Omroep stond de Rundfunkbetreuungsstelle onder Ir. Taubert; de uitzendingen van Paul Kičs c.s. ressorteerden onder laatstgenoemde instantie. Voorzover mij bekend heeft Van den Hout niet voor de Rundfunkbetreuungsstelle gewerkt.
      Met de uitzending Arnhem Calling ben ik bekend. De geallieerde uitzendingen werden op gramofoonplaten opgenomen en weer uitgezonden met tussenvoegsels. Dat was een geslaagde truc. Ik weet niet of Van den Hout daarbij betrokken was. Evenmin weet ik of hij teksten voor de Golden Pirate Club maakte.
      Mij zijn ook de uitzendingen van "Het vrije Zuiden" bekend. Die zender ressorteerde onder de Reichs-Rundfunk.
      Omtrent de capaciteit van die zender weer ik niets, ik ben technisch ongeschoold. Of Van den Hout voor Het vrije Zuiden teksten heeft geschreven is mij onbekend; ik was toen niet in Hilversum.
      Voorzover mij bekend gold Van den Hout als anti-Duits. De gezindheid gaf echter nooit de doorslag in Hilversum, men lette speciaal op vakmanschap. Zo zijn er ettelijke N.S.B.-ers ontslagen. Er was grote behoefte aan humoristische teksten.
      Vervolgens wordt het woord gegeven aan Mr. KLAASSEN; deze betoogt dat het werk van Seyffardt aan De Gil als opmaker betrekkelijk onschuldig is geweest. De Commissie heeft in haar beoordeling mede betrokken Seyffardt's werkzaamheden voor het reclamebureau E.C.V.O. doch zoals voor het Bijzonder Gerechtshof is gebleken kwam hij pas bij de E.C.V.O. toen dit bureau klaar was met zijn Duitse opdrachten. Wat zijn werk voor De Gil betreft moet Seyffardt bezien worden in het licht zijner Amerikaanse levenshouding (hij is lang in de U.S.A. geweest). Hij moest een uitlaat hebben voor zijn Americanisme. Hem stond een blad voor de geest dat ook na de oorlog zou blijven verschijnen. Door hun gevoel voor humor hebben Van den Hout en Seyffardt elkander gevonden en beide hebben ze het vijandelijk propagandistisch karakter van De Gil (die inderdaad qua opzet fout was) geleidelijk tot nihil verminderd. Het gaat bij Seyffardt hoogstens om een beleidsfout. Indien de Raad deze aanwezig acht, bepleit spreker een maatregel van veel korter duur dan door de Commissie opgelegd.
      VAN DEN HOUT wijst er nog op dat foute artikelen compleet met foto's erbij van Duitse zijde geleverd werden.
      Vervolgens wordt als getuige gehoord C O R S T I A A N    J A N    T O N N E M A N, geboren 13 Juni 1920, wonende te Amsterdam, van beroep persvertegenwoordiger der Indonesische Republiek, die op de voorgeschreven wijze de eed aflegt en als volgt verklaart:
      Sinds September 1944 ben ik werkzaam geweest bij de Radio Omroep te Hilversum; daar leerde ik Van den Hout kennen. Meestal zocht hij de platen uit; de tussenteksten waren soms van mij soms van Van den Hout. Zijn fort was "kolder".
      Er was na Dolle Dinsdag niet veel Duits toezicht meer; wel was Ir. Taubert er nog, maar die kon zelfstandig niets verbieden, wel aanhouden. Wat er passeerde was dus wel door hem goedgekeurd. Ik weet dat Arnhem Calling bestaan heeft; dat was een Duitse zender die de gehele dag het programma van de American Expeditionary Forces opving en heruitzond met uitzondering o.a. van de nieuwsberichten. Deze werden vervangen door berichten uit Hilversum of het cabaret-programma van de Golden Pirate Club, dat van de hand van Van den Hout was, terwijl deze ook meermalen de regie verzorgde.
      De opmerking in het proces-verbaal in het dossier dat deze uitzendingen aan het gestelde doel beantwoordden gelijk bleek uit een legerorder van Generaal Eisenhower, is echter enigszins tendentieus; deze legerorder slaat niet op de Golden Pirate Club maar op de truc van het doorzenden van het Engelse programma door Taubert, met inlassing van valse nieuwsberichten na het slaan van de Big Ben. M.i. was het programma van de Gilclub geen Duitse propaganda. Ik had de indruk dat Van den Hout niet pro-Duits was.
      Hierop vraagt de VOORZITTER aan Van den Hout welke verklaring hij ervoor heeft dat op de (zeer aanstotelijke) copie voor no. 4 van De Gil zijn initialen W.W.W. staan.
      VAN DEN HOUT:      De zetters maakten bezwaar die artikelen te zetten; toen kwam Seyffardt op de herrie af en ging de ergste passages schrappen. Ik kwam er daarop bij en nam alle copie mee naar het Rijkscommissariaat. Daar kreeg ik de order dat alles gezet moest worden waarop ik de doorhalingen van Seyffardt ongedaan maakte, dus de copie in de oorspronkelijke vorm herstelde en mijn initialen erop zette om te voorkomen dat de stukken toch nog verwisseld zouden worden F 2. Met het oog op latere ruzie heb ik toen het zakje met copie bewaard.
      Hierna wordt als getuige gehoord C A R O L A    B R U N H I L D E    S T E I N K E, geboren 17 Februari 1914, wonende te Naarden, van beroep secretaresse van een confectiefabriek, die na de eed te hebben afgelegd, als volgt verklaart:
      Van begin 1944 tot Maart 1945 ben ik te Hilversum werkzaam geweest als secretaresse van Ir. Taubert. Zodoende leerde ik Van den Hout kennen. Hij schreef teksten voor de Radio Gil Club. De brieven die daarop uit het publiek binnenkwamen, werden door mij in een lade bewaard. Van den Hout of Mej. de Marez Oyens haalde ze daarna af.
      De een zag propaganda in deze teksten, de ander niet. Ik heb er nooit propaganda in gezien. Ik vond het een twijfelgeval. Wat Van den Hout ermee verdiende, weet ik niet.
      Van de geuitge Mej. Ch.O.L.    B E Y E R wordt schriftelijk bericht ontvangen dat zij wegens ongesteldheid verhinderd is te verschijnen.
      VAN DEN HOUT merkt hierna het volgende op:
      In October 1943 heb ik mijn medewerking aan Cinema & Theater stopgezet 3, gelijk uit de copie-correspondentie blijkt. Wat De Spinnekop betreft, van Hemert en ik hadden samen twee volkomen onpolitieke schetsen voor de Radio geschreven: "Het Huwelijksbureau" en "Het Detective-bureau".
      Hierna houdt Mr. COEBERGH zijn pleidooi voor Van den Hout, een belangrijke bekorting bepleitend van de op hem toegepaste maatregel van ontzetting.
      Mr. Scholtens vraagt hierop aan Van den Hout waarom hij in 1945 door de Canadezen is gearresteerd; als zijn lezing van alles waar is, zou hij bij de bevrijding juist als een groot man moeten zijn beschouwd.
      VAN DEN HOUT, het laatste woord hebbende, merkt op dat zijn vriend Jager hem dat alles heeft aangedaan. Toen spreker vrijgelaten is, heeft Jager door beschuldigingen bij het B.N.V. bewerkt dat spreker opnieuw is gearresteerd.
      De VOORZITTER sluit hierop de zitting.

      Waarna is opgemaakt dit proces-verbaal, hetwelk door de Voorzitter en de Adjunct-Secretaris is ondertekend.


[handtekening (Biemond)][handtekening (Trip)]

Adjunct-Secretaris.Voorzitter.




[1]Boven het document staat met pen - in een onbekend handschrift - het woord "minute" geschreven.
[2]De letter F is met pen neergezet; in de marge staat (eveneens met pen geschreven) : "F De door mij gemaakte kopien heb ik op de zetterij gegeven. f.i. T.B. (of T.β)"
Wat de enigszins onleesbare afkortingen "f.i. T.B.(β?)" betekenen, is niet bekend.
[3]Van den Hout heeft niet zijn medewerking stopgezet, maar is domweg ontslagen (vgl. de brief van H. Scholte d.d. 24 Sept. 1943).