ENIGE ESSENTIËLE ELEMENTEN IN LEVEN EN WERK VAN KARL MAY ![]() Door: E. v. Linden |
2
Warum ich Karl May noch immer lese und schätze? Einmal aus Dankbarkeit für die vielen schönen Stunden, die mir seine Geschichten und Bücher geschenkt haben. Er vermittelt auch immer noch viel geographisches, geschichtliches und völkerkundliches Wissen. |
Dominee Höck - Itter/Tirol |
Hat man wo sein Herz gelassen, |
Voor Rie den Hartog en Riet Evers |
Verschenen bij: |
Nadruk verboden |
Eerder verschenen: Dr. Karl May |
3
|
Dr. Karl May .... titel niet erkend. |
4
Ich musste mich durch Privatunterricht ernähren und während andere Studenten das Geld ihrer Väter mit ihrer Gesundheit und dadurch oft auch ihre ganze Zukunft verjubelten, hielt ich im Winter mein Buch zum Dachfenster meines Bodenstübchens hinaus um meine Lektion im Mondenschein durchzuznehmen, weil ich kein Geld zu Licht und Feuerung hatte. (Old Surehand I, blz. 338).
|
|
Foto ontleend |
De bescheiden zolderkamer waarin Karl May onderdak vond sinds zijn intrede in de Pedagogische Academie te Plauen. (Gebouw van de vrijmetselaarsloge Zur Pyramide.)
5
Inhoudsopgave | Blz. |
Inleiding | 12 |
De ontwikkeling van Mays schrijverschap | 16 |
Das Weihnachtslied | 19 |
Bevelen tot opsporing en aanhouding | 28 |
Bijlage bij de bevelen tot opsporing en aanhouding | 37 |
Hoofdstuk 1 |
Eerste levensjaren (1842-1856) | 44 |
Hoofdstuk 2 |
Waldenburg en verder (1856-1868) | 49 |
Hoofdstuk 3 |
Saksische capriolen (1868-1874) | 61 |
Hoofdstuk 4 |
Uit het dossier van iemand die veel gereisd heeft (1874-1879) - de zaak Stollberg | 67 |
Hoofdstuk 5 |
De colportageromans voor Münchmeyer (1879-1887) | 80 |
Hoofdstuk 6 |
Jaren van roem (1887-1895) | 86 |
Hoofdstuk 7 |
Preken tot de volkeren (1895-1899) | 92 |
Hoofdstuk 8 |
De reis naar de Orient en de verwikkelingen met uitgever Fischer (1899-1900) | 97 |
Hoofdstuk 9 |
Naar een nieuw begin (1900-1902) | 103 |
Hoofdstuk 10 |
De echtscheiding met Emma Pollmer (1902/1903) | 107 |
Hoofdstuk 11 |
Rudolf Lebius contra Old Shatterhand (1903-1907) | 114 |
Hoofdstuk 12 |
Een uitgeverij van minderwaardige lectuur en zijn helpers (1907/1908) | 125 |
Hoofdstuk 13 |
Amerikareis (1908) | 131 |
Hoofdstuk 14 |
Auteur van vrome boeken - een bandiet?(1908-1910) | 135 |
Hoofdstuk 15 |
Opwaarts naar het rijk der edele mensen (1910-1912) | 147 |
De openluchtspelen in Ruurlo | 154 |
Correspondentie met tijdgenoten | 161 |
Mijn vriend; gedicht van P. Wiesenekker | 184 |
6
Aanvulling van de in Dr. Karl May 3 verstrekte literatuuropgave:
Der grosse Karl May Bildband - Klussmeyer en Plaul (Olms)
Karl May und Sascha Schneider - H. Hatzig (Karl May Verlag)
Karl May und Emma Pollmer - F. Maschke (idem)
Karl May Ausstellung - Wien
Der Hakawati - K. Meichsner (Ludwig Schmidt)
Karl May, Leben und Werk - T. Ostwald (Verlag A. Graff)
Ich - Karl May (Karl May Verlag)
Alle fotos werden aan bovengenoemde boekwerken ontleend.
De uitgeverijen zijn gevestigd in West-Duitsland.
7
8
| E. v. Linden Gelukkigst met Carmiggelt ...... |
9
| Richtsnoer voor May was de Bijbel
|
10
|
11
|
12
Inleiding
Twee jaren verstreken sinds ik mijn Dr. Karl May liet drukken en in eigen beheer uitgaf.
Er is een boek getiteld En de jaren gingen voorbij 4.
In dit geval gingen zij voorbij zonder dat een nieuwe publikatie volgde. Toch jammer eigenlijk dat ik, door omstandigheden gedwongen, niet eerder iets nieuws aan het papier kon toevertrouwen. Het is echter verheugend, en ik hoop dat dit ook uw mening is, dat dit thans opnieuw het geval kan zijn.
Wij geven de strijd voor erkenning van onze Karl May als een van Duitslands belangrijkste romanciers uit de 19e en ook deze eeuw, strijd voor erkenning van zijn verdiensten in het belang van de vrede nooit op. Een ieder die nauwkeurig kennis neemt van zijn geschriften kan naar mijn idee tot geen andere opvatting komen dan dat het hier helemaal niet gaat om een eenvoudig maar opwindend avonturenschrijver, schrijver van jongensboeken pur sang.
Is het voor de lezer die kennis neemt van het totale oeuvre op een wijze dat hij de daarin levende gedachten goed tot zich laat doordringen reeds een ergernis te moeten constateren dat de auteur als zodanig werd en wordt gekalificeerd wat moet het voor de schrijver zelf niet hebben betekend.
|
Erkenning van May als Volksschriftsteller, als schrijver voor en zelfs in het belang van het volk dat is het doel waarnaar wij streven. |
13
Centrale Bibliotheek belangstelling toondoor afname van een aantal exemplaren. |
Amersfoortse Courant, |
14
Een ander punt wat ik nog even wilde aanroeren is de omstandigheid dat niet over het landelijk verspreidingsnet van de boekhandel kan worden beschikt. Bijzonder jammer want daardoor blijft het aantal te verkopen exemplaren gering en iemand die schrijft wil graag gelezen worden. Ik zeg opzettelijk niet schrijver want met dat predikaat zou ik me toch niet durven sieren.
May is voor mij een leraar en vriend geweest, zo schreef mij een lezer te Winterswijk en ik kan dat slechts volmondig met hem eens zijn. Dikwijls denk ik nog terug aan leesbibliotheek Argus, thans ter ziele, in de Lekstraat in Amsterdam-(Z).
Gaarne vermeld ik hier nog even de positieve reactie op mijn vorige boekje van Dr. F.C. de Rooy 12 te s-Gravenhage, auteur van Old Shatterhand, ook voor u! (1955) en Karl May en zijn wereld.
Eerstgenoemd boekje was destijds uitgangspunt voor het mijne.
Tot slot: ik hoop dat u ook mijn nieuwste onder pseudoniem geschreven publikatie weer zult waarderen.
E. v. Linden | Amersfoort, mei 1979 |
|
15
|
16
De ontwikkeling van Mays schrijverschap
Literatuur per meter en omzet als enige legitimatie van kwaliteit: zo wordt nog heden een der interessantste persoonlijkheden uit de Duitse literatuur gewoonlijk voorgesteld.
Een beeld dat de achtenswaardige prestaties van Karl May verbergt en dat van dag tot dag onhoudbaarder wordt. Een onafhankelijk onderzoek door de in 1969 gestichte Karl May Vereniging 13 heeft resultaten opgeleverd die het traditionele eenzijdige en ongedifferentieerde oordeel over de schrijver beslissend corrigeren.
Tot de eigenaardigheden der algemene waardering van de mens en schrijver Karl May behoort dat, waar en in welk verband hij ook ter sprake komt, met zekerheid wordt gewezen op een crimineel verleden (ik volg hier de Biographie in Dokumenten und Bildern welk boekwerk zich richt naar de situatie in Duitsland, van zulk een verleden is in Holland vrijwel niets bekend) en, daar wordt dan in het bijzonder de nadruk opgelegd, op reizen die niet werden gemaakt.
Is heden ten dage een enigszins opmerkelijke levenswijze waarbij men met de Wet in strijd komt op zich reeds voldoende om tot literair aanzien te komen in dat licht bezien en meer in het algemeen mag men wel stellen dat denkbeeldige, fictieve reizen meer vóór de auteur spreken dan tegenhem. Erich Mühsam 14 heeft dat eens zo geformuleerd: Wat mogen zich de mensen toch voorstellen bij dichterlijk scheppen, zij die May verwijten dat hij helemaal niet in de landen die bij beschreven heeft geweest is? Dat dat niet uit de lectuur van zijn werken blijkt maar eerst door nasnuffelen moet worden geconstateerd moest meen ik elk gekef tegen zijn
talent tot zwijgen brengen.
Om op deze plaats op de beide voornaamste verwijten in te gaan: nee, Karl May was in zijn jeugd geen roverhoofdman. Zijn wetsovertredingen verraden veel van zijn rijkdom aan fantasie. Uit de bevelen tot aanhouding en voorgeleiding, zo geheten Steckbriefe moge zulks duidelijk worden. Zij zijn in dit boekje opgenomen. De straffen die hij onderging waren in verhouding tot de begane delicten te zwaar.
Wat betreft het tweede verwijt: ja, Karl May is voor het schrijven van zijn meeste romans in feite niet in Amerika, niet in de Oriënt en niet op de andere schouwtonelen van zijn verhalen geweest. Zijn reizen waren innerlijke reizen. Reizen in het kader van een rusteloze vitale fantasie ondernomen door een man die de bekwaamheid bezat deze fantasie in literatuur om te zetten. Van onopgesmukte Humoresken en eenvoudige Dorpsverhalen tot sleutelromans reikt het oeuvre.
Reeds voor May de onvangrijke romans voor de Uitgeverij Munchmeyer 15 begon te schrijven - in de periode 1882-1887 - had hij reeds talrijke werken gepubliceerd die voor een deel ver boven het colportage-niveau uitstijgen, waaronder b.v. Die Rose van Kahira (1877). Met Deadly Dust (1880) kondigde zich reeds zichtbaar de overgang tot de als klassiek aan te merken reisverhalen aan. Voor de Deutscher Hausschatz, een katholiek
weekblad, ontstond, vanaf het begin van 1881, gelijktijdig met de Münchmeyer-romans, de in 1887 voltooide grote Orient-reizen-roman Giölgeda padishanün (in de latere boekuitgave, zonder wezenlijke veranderingen in de tekst, van Durch die Wüste tot Der Schut). Karl May had zijn concept voor de toekomst ontwikkeld. Het reisverhaal in zijn karakteristieke vorm waarop zijn roem werd gegrondvest, was geschapen.
17
De Münchmeyer-romans van May (Das Waldröschen, Der verlorne Sohn enz.) met hun naar hun inhoud overdreven platheid tonen, in vergelijking met de eerder, te gelijker tijd en ook direct aansluitend ontstane geschriftten de bekwaamheid van May zich aan commerciäle eisen aan te passen. Tevens ook maken zij duidelijk hoe ver zich zijn Reisverhalen en Werken voor de jeugd - geheel afgezien nog van zijn werk in later tijd - van datgene onderscheiden wat algemeen als massaliteratuur wordt aangemerkt.
Mikte hij met zijn Hausschatz-romans in de eerste plaats op het Katholiek opgevoede publiek met zijn colportage-romans in tijdschriftvorm ging het hem om de van een hogere opleiding uitgesloten lezer uit het stedelijk en landelijk proletariaat alsmede op de zogenaamde kleinburgers. Door tussenkomst van de bekende uitgever en lexikograaf Joseph Kürschner 16 kwam May in de tachtiger jaren met de Stuttgarter uitgever Wilhelm Spemann 17 in contact, die hem als medewerker van zijn nieuwe tijdschrift voor de jeugd Der Gute Kamerad wist te winnen.
Als geschoold pedagoog wist May welke eisen hier aan hem gesteld zouden worden. Weer was hij er toe geroepen tot een bepaald deel van het volk te schrijven. Voor de ernst waarmede hij zich van deze opgave kweet spreekt de omstandigheid dat hij zijn colportage-schrijven direct opgaf (een reeds aangevangen zesde roman brak hij onverwacht af) om zich met vlijt en energie aan zijn nieuwe arbeid te wijden. De romans welke nu ontstonden: Der Schatz im Silbersee, Der Ölprinz, Das Vermächtnis des Inka enz. zijn, in tegenstelling tot zijn andere geschriften geheel met opzet als lectuur voor de jeugd geschreven: spannenden pakkend geheuren in exotische, avontuurlijke omgeving, leerrijk en toch zonder op de voorgrond tredende belering. Deze geschriften in een de jeugd aansprekende stijl schreef Karl May niet, zoals zijn Reisverhalen, op de manier van eigen belevenissen maar als verteller die van avonturen van een derde bericht. Zij verraden veel van zijn opvoedkundige bedoelingen, zijn didactische bekwaamheden, geven daarenboven een blik in de pedagogische opvattingen van zijn tijd. Zijn Ik-verhalen in de Deutscher Hausschatz brachten in de loop der jaren zijn lezers steeds meer tot de opvatting in May - zoals in een persbericht viel te lezen - de laatste vertegenwoordiger van de Romantiek van het Wilde Westen voor zich te hebben. De suggestieve kracht van zijn verhalen en de herhaalde verwijzingen van de redactie dat de reisavonturen van May inderdaad op werkelijke belevenissen berusten voerden uiteindelijk tot een sterren-cultus naar moderne snit. Van deze populariteit profiteerde natuurlijk ook de uitgever. Zijn toenmalige hoge oplage verkreeg de Deutscher Housschatz in de eerste plaats door de publikatie van de reisverhalen van Karl May stelde de uitgeverij Pustet in Regensburg later vast. De legenden om Old Shatterhand waren vele. In oktober 189l trad de vereerde auteur zijn lezers voor de eerste maal optisch tegemoet toen het portret van Karl May werd gepubliceerd.
Toen dan in 1892 uitgever Fehsenfeld in Freiburg de reeks Verzamelde reisromans publiceerde scheen het succes geen grenzen meer te kennen: Mijn lezers dringen om fotos, ik liet daarom een vereerder (natuurlijk fotograaf) komen, die 101 opnames van mij maakte (1896) 18.
Van terughoudendheid was geen sprake meer; met zichtbaar behagen genoot hij van de hem toestromende geestdrift.
Omstreeks deze tijd begon hij ermede zijn romans nog meer volgens plan gestalte te geven.
18
Na de beide eerste delen van Im Reiche des silbernen Löwen die een zekere vermoeidheid tonen verscheen in 1897 de met auto-biografische elementen doorspekte roman Weihnacht!.
De reis door het Midden-Oosten van 1899/1900 welke May voor de eerste maal met schouwtonelen van zijn romans confronteerde leverde als resultaat op de roman Friede auf Erden! Het scenario en de inhoud van het reisverhaal veranderden.
De Oriënt-reis leverde nog een ander resultaat op:
ansichtkaarten met afbeeldingen van de verblijfplaatsen en opnamen van May (diens vrouw en het echtpaar PlBhn) welke in grote aantallen vrienden en vereerders bereikten en alzo compleet behouden zijn gebleven. In de nu volgende tijd werd de discussie rondom Karl May en zijn werk steeds hartstochtelijker gevoerd. In de plaats van zakelijke literaire kritiek traden in toenemende mate aanvallen die tegen de persoon van de auteur zelf gericht waren.
En toen een gewetenloos journalist 19 tenslotte het angstvallig versluierde verleden van May onthulde en deze kennis, fantastisch overdreven, publicitair uitbuitte was de catastrophe niet meer af te wenden.
De uiterlijke en innerlijke strijd uit deze tijd zijn weerspiegeld in enige novellen en in het bijzonder in de vierde Winnetou-band waarin May bovendien impressies van zijn korte tevoren plaatsgehad hebbende Amerikareis (1908) verwerkt heeft.
Onder de indruk van deze strijd ontstond ook de uit twee delen bestaande roman Ardistan und Dschinnistan.
Het laatste werk, zijn autobiografie. Mein Leben und Streben (1910) was biecht, verdediging en polemiek tegelijk.
In het Chinese paviljoen 20 |
19
Gedicht uit 1897:
Welch »duftenden Gruß« sendet pfälzische Liebe! Und wenn ich Bouteillen voll Tinte verschriebe, Ich schrieb doch die herrlichen Düfte nicht aus. Nun geht es ans Kosten, ans Butterbrod-Streichen; Wir legen darauf dann den herrlichen Käs; Kein anderer Käs ist mit ihm zu vergleichen, Das sagt uns die Zunge, das sagt uns le nez L1. Drum bitten wir Alle in Deidesheim drüben: Wollt treu Ihr uns bleiben, wollt Ihr uns verstehn, So haltet ja immer auf Vorrath, Ihr Lieben, Und laßt diese Sorte von Käs nicht ausgehn! |
Karl und Emma, |
Radebeul-Dresden, d. 16./10. 96 |
Was sind das für Accorde doch, Und heimlich durch das Schlüsselloch In meine Stube dringen? Ah, dieser wohlgestimmte Klang Ist mir ein theurer, lieber; Er kommt, ich kenne ihn schon lang, Jenseits des Rheins herüber. Dort hauset ein Kommerzienrath L2 In einem tiefen Keller, Der viele schöne Weine hat, Bald roth und auch bald heller. Ich habe ihm mein Herz geschenkt Nebst all den lieben Seinen, Und wenns an seinen Keller denkt, Da fängt es an, zu weinen. Kein Schmerz, kein Kummer trägt die Schuld; Das soll ja Niemand wähnen; Nein, seiner Freundschaft, seiner Huld Verdank ich diese Thränen. Nicht von den Wimpern tropfen sie; Ich kann mich gut besinnen, |
de neus |
handelsraad, een Duitse titel |
20
Daß sie von keinem Parapluie, O nein! Wenn sie mit goldner Fluth Aus Flaschenhälsen fließen, Wird mir so dankbar froh zu Muth, Und wann muß ich ihn grüßen! Drum höre ich die Stimmen gern, Die heute hier erschallen, Sie sind, ob leider von so fern, Die liebsten mir von allen. Es muß der Organistin 22 Hand Wohl in die Tasten greifen, Denn es ertönen mit einand Jetzt alle Orgelpfeifen, Zunächst ein Stimmchen, weich wie Schnee, Vor Liebe anzubeißen; Es ist Flauta amabile, Doch Hadwig sonst geheißen, Dann kommt die Camba viola Mit wunderbarem Tone; Die heißt wohl Else? Nicht wahr? Ja? O, die ist auch nicht ohne! Hierauf die Vox angelica, Mein Magdchen süß und milde; Ich kenne sie; sie steht auch da Auf meinem Pfeifen-Bilde. Auch Vox humana höre ich Mit schon was kräftgerm Schalle; Ich glaube, das ist sicherlich Gertrud auf jedem Falle. Und fünftens – – – aus Aschaffenburg, * Da höre ich doch keine! So weit dringt wohl der Ton nicht durch? Drum fehlt mir leider Eine! 23 Doch dafür klingt ein andrer Ton, Wie Prima Violine; Das ist wohl Mama? Hat ihn schon! Grüß Gott, Frau Aeoline 24! Und endlich dringt nun auf einmal Durch Wände und durch Thüren Der 16 füßge Prinzipal 25, Den Grundbaß zu markiren. – Und wenn auch ich was sagen muß, So will ichs gern beschwören: |
21
Es ist ein wahrer Hochgenuß, Wer es nicht selbst vernommen hat, Der kann es nicht begreifen. O, Deidesheim, Du Kränzler-Stadt, Was hast Du doch für Pfeifen. Wenn von Maria gut gespielt, Tönt Ihr durch alle Mauern; Bis in die Fingerspitzen fühlt Man es mit tiefen Schauern. Bei solchen Pfeifen muß es ja Sehr leicht sein, hier auf Erden Auf Orgel und in musica Ein Virtuos zu werden! – Nun mein Gedicht ein Ende nimmt, Erbitt ich mir zum Lohne: O, werdet ja niemals verstimmt; Bleibt bei dem heutgen Tone, Bis ich als Organistenzwerg Nach so und so viel Tagen Selbst komm zu Euch nach Ruppertsberg, Die Klaviatur zu schlagen! Ihr glaubt ja gar nicht, wie gewandt Und wie viel tausend Male Schon schlug der starke Shatterhand Auf Ped- und Manuale! Wir kommen sicher bald einmal In großen, hellen Haufen Beim Sonnen- oder Mondesstrahl Bis an die Hardt 26 gelaufen. Inzwischen, bitte, bleibt getreu Im schönen Pfälzer Lande |
dem Onkel und der Tante May |
22
|
23
| Karl May als Old Shatterhand, omstreeks 1896
|
24
.... Nu echter is het genoeg want ik zie dat ik in het stadium van de Dichteritus kom en dan word ik levensgevaarlijk. (Uit een brief aan de fam. Seyler).
Gedicht, waarschijnlijk vervaardigd in de gevangenis van Waldheim 27. Opgenomen in de band Lichte Höhen der Karl May Verlag (Bamberg - W.Dtsl.)
DAS WEIHNACHTSLIED Ich verkünde große Freude, |
25
In den Wunden seiner Seele |
26
Zitternd lehnt er an der Mauer, |
27
Und der Alte hört die Lieder, |
28
Bevelen tot opsporing en aanhouding
Mein Gott! Ist denn diese Zeit noch immer nicht versunken und vergessen?
(Weihnacht).
Onbekende bedrieger in Penig, naar vernoemen Dr. in de medicijnen, oogarts en voormalig militair uit Rochlitz geraamd Heilig. Het betreft hier een herhaalde bekendmaking aangezien de eerste zonder resultaat is gebleven.
Daar de bedrieger waarschijnlijk zijn oude kleren zeer spoedig na ontvreemding der nieuwe (in eerst genoemde plaats) ergens zal hebben verkocht wordt er de politionele instanties speciaal op gewezen dat in het bijzonder ook zorgvuldige navraag bij de uitdragers tot ontdekking van de onbekende kan leiden. Voor het overige heeft dezelve nu eens laarzen met sporen dan weer rijglaarzen gedragen. Hij heeft glad achterover gekamd iet wat verward lang haar. Zijn houding was stijf en onhandig. Zijn gedrag vriendelijk en handig.
Kon. Saksisch Gendarmerieblad |
... Luister eens, beledig me niet in aanwezigheid van studenten, anders toon ik je, wat Sapienti pauca betekent. Hij wist hoogstwaarschijnlijk evenmin als zij, wat deze beide woorden betekenden, toch misten zij het doel niet, indruk op haar te maken. Hij wilde haar door zijn Latijn slechts tonen dat hij geestelijk de meerdere van haar was. Of zij dat nu erkende of het woord pauca een ietwat geweldadige betekenis toekende, kort en goed, zij antwoordde: Begrepen! Pauke nu je Sapienti, maar morgen vroeg spreken we elkaar nader! ... |
(uit: Weihnacht) |
29
een kledingmagazijn alhier voren beschreven manspersoon die zich voor een arts uit Rochlitz heeft uitgegeven zich de volgende zonder uitzondering geheel nieuwe kledingsstukken als: 1 bukskin zwarte overjas, 1 zwarte stofjas, 1 bruin/zwarte broek, l lichtbruine bukskin broek en 1 zwarte vest op bedriegelijke wijze toegeëigend. Medewerking wordt verzocht tot opsporing van de bedrieger en de omschreven kledingstukken.
Kon. Saksisch Gendarmerieblad |
|
30
De onder gesignaleerde voormalige onderwijzer Karl Friedrich May uit Ernstthal, tegen wie wegens talrijke delicten hier een vooronderzoek is ingesteld is de 26e dezer maand op het transport van St. Egidien naar Bräunsdorf onder verbreking der boeien ontsnapt L4 28, en alle autoriteiten worden verzocht May in geval van betrapping te arresteren en daarvan bericht te geven.
Kon. Districtsrechtbank |
Steckbrief uit de Leipziger |
Bekend zijn de talloze keren dat Old Shatterhand c.q. Kara Ben Nemsi (Karel, Zoon van de Duitsers) op eigen kracht aan gevangenschap weet te ontkomen. |
(uit: Weihnacht) |
31
|
(Old Surehand II) |
32
Onbekende. Leeftijd: ca. 26 jaar. Lengte: 72 (duim). Haar: blond. Baard: korte dunne bakkebaard. Gezicht: schraal, vrij lang. Kleding: donkere korte overgooier, zijden muts en Turkse shawl. Dezelve welke een stalen bril droeg heeft op de 16e juni in een bonthandel alhier zich middels bedrog de hieronder nader beschreven pelzen en bontkragen verduisterd.
De ene pels, reeds iets gedragen van Bizam-naturel 30 met Russisch-groene doeken 31 overtrokken, aan de kraag iet wat vettig, van binnen van een zijzak voorzien, waarin twee halve letters van gele zijde zijn ingenaaid, de andere pels, eveneens van Bizam-naturel en met Russisch-groene overtrek, is helemaal nieuw, heeft aan de binnenkant een met zwarte katoen gevoerde zijden zak 32, lussen van touw voor het toeknopen en is aan de rechter voorkant van twee knopen voorzien. De beide dames-bontkragen zijn eveneens van Bizan-naturel, gestikt 33 en hebben bruine voering.
19) Unbekannter. Alter: ca. 26 J.; Größe: 72, Haare: blond; Bart: kurzer dünner Backenbart; Gesicht: hager, länglich; Kleidung: dunkler kurzer Ueberzieher, seidne Mütze u. türkisches Shawltuch. Derselbe, welcher eine Stahlbrille getragen hat, hat am 16. huj. 34 in einer hiesiger Pelzhandlung sich betrügerischer Weise die unten näher beschriebenen Pelze und Pelzkragen (Werth über 100 Thlr.) 35 erschwindelt. — Der eine Pelz, bereits etwas getragen, von naturellem Bisam mit russisch-grünem Tuche überzogen, am Kragen etwas fettig, inwendig mit einer Seitentasche versehen, in welcher met gelber Seide sich zwei halbe Buchstaben eingenäht befinden; der andere Pelz, gleichfalls von naturellem Bisam und mit russisch-grünem Ueberzuge, ist vollständig neu, hat inwendig eine mit schwarzem Kattun gefütterte Seitentasche, Schnurenhenkel zum Zuknöpfen u. ist auf der rechten Vorderseite mit 2 Knöpfen versehen. Die beiden Frauenpelzenkragen sind ebenfalls von naturellem Bisam, elffellig gesteppt u. haben braunes Futter. — Wir bemerken, daß sich der Schwindler am 16. h.m. 36 mit dem um 3 Uhr nach Leipzig gehenden Eisenbahnzuge von hier entfernt hat, und bitten um thunlichste Mitwirkung zur Entdeckung des Diebes u. Wiedererlangung der Pelze. Stadtpol.-Beh. Chemnitz, den 19/12. 64.) |
Kon. Saksisch Gendarmerieblad d.d. 2 april 1869:
Onbekende. Leeftijd 28-32 jaar oud, ca. 72 lang, slank, bleke gelaatskleur, donkerbruin haar, zonder baard, kleding: jas, vest en broek van bruine glimmende stof, de broek van zwarte galon voorzien, verder puntige vilten hoed, zegelring en knoestige stok dragend is op tweede
33
Paasdag bij een winkelier in Wiederau 39 versehenen, heeft zich voor de Luitenant der politie von Wolframsdorf uit Leipzig uitgegeven, beweerd dat hij in verband met vals papiergeld onderzoekingen had in te stellen, tevens uit de kas van de winkelier 1 briefje van 10 Thaler als beweerd onecht en 1 verguld cylinderhorloge als beweerd te zijn gestolen in beslag genomen en is daarmee verdwenen.
Bekendmaking geschiedt met het doel van opsporing der bedrieger. Mittweida, de 1/4 69. De officier van justitie: Taube 40.
Onbekende. Lengte: middelgroot. Haar: bruin, lang. Baard: bruine dunne snorrebaard. Kleding: breedgerande lichtbruine vilten hoed, lichtbruine jas en vest, beenbekleding van gelijke kleur met zwarte galons. Deze heeft hier in de omgeving een zodanig bedrog gepleegd, dat hij zich als lid van de geheime politie heeft uitgegeven, die onderzoekingen zou hebben in te stellen naar vals papiergeld, zich onder dit voorwendsel in het bezit heeft gesteld van ca. 30 Taler aan geld en daarmede is gevlucht. Op de vlucht heeft hij zich door de achtervolgers 41 een pistool voor te houden aan zijn arrestatie onttrokken. De bedrieger is, in ieder geval dezelfde als de door het Openbaar Ministerie van Mittweida vervolgde, een klein kartonnen kaartje ontvallen waarop met blauw stempel de namen Julius Metzner Oberlungwitz zijn gedrukt. Grimmitschau, de 10/4 69 L5.
Onbekende. Leeftijd: ca. 26 jaar. Lengte: middelmatig postuur. Gelaat: ovaal, gezonde kleur. Haar: blond, lang. Kleding: bruine jas met brede zwarte kraagrand, muts van spitse vorm, broek met zwarte galon rood/zwarte shawl; droeg over de arm 1 jas. Deze persoon van onbekende identiteit is luidens aangifte van de gendarme Bahr
de 18/6 69. De redactie 45 |
Gendarme 1e klas Schwarzenberg 46 en gendarme 1e klas Prasser 47 houden de door Mittweida vervolgde bedrieger voor de zich vroeger noemende en als zodanig opgetreden Dr. in de medicijnen Heilig, de voormalige onderwijzer Karl Friedrich May uit Ernstthal, 28 jaar oud wiens signalement met dat van de bedrieger volledig overeenstemt. |
De redactie |
34
62 HET KAMP IN HET FIRWOOD
|
|
35
afgesloten stal L6 in de nacht van 3/4 juni een paard ter waarde van 200 Taler (daalders V.L.) en 1 rijzweep met geelachtig bruin leren, vlechtwerk gestolen. Het paard werd in Höchendorf bij Meerane waar de onbekende het had willen verkopen terugverworven, de laatste is echter naar Schindmaas gevlucht zonder te kunnen worden gearresteerd.
Grundig gelooft in de mogelijkheid dat de identiteit van de dief overeenkomt met:
Franke, Joh. Gottlieb, handarbeider uit Dänkritz
de 7/6 69 |
De redactie |
de 14/5 69 |
De redactie |
Old Shatterhand in gesprek met Frank Shephard de prayer-man: |
.... |
Ja, antwoordde hij. |
Fragment Weihnacht |
36
|
Nach Fort Dodge. Ahl Das lag am Arkansas, wo ihn die große und sehr belebte Gimarronstraße kreuzte. Da gab es reichen Verkehr, und es waren stets Pelzhändler mit bedeutenden Kapitalien da, die solche Summen zu jeder Zeit bezahlen konnten. Aber es gab da auch eine zahlreiche Garnison. Daß er sich überhaupt und nun gar mit der Ausführung eines solchen Betrugs dorthin wagte, war eine Frechheit, die ihresgleichen sucht. Es war eine große Unvorsichtigkeit von euch, ihm diese Waren anzuvertrauen. Ich vermute, daß ihr ihn nicht fortgelassen habt, ohne ihm Begleitung mitzugeben? Old Shatterhand hat es erraten. Da er ein Abgesandter des großen, weißen Vaters war, glaubten wir, nicht unvorsichtig zu sein, wenn wir ihm Vertrauen schenkten. Wir mußten ihm auch schon deshalb glauben und vertrauen, weil er uns selbst aufforderte, ihn nach Fort Mann zu begleiten, wo wir die Bezahlung in Waren ausgeliefert bekommen sollten. Wieviel Osagen bekam er mit? Sechs Mann; ich war selbst dabei. Hatten so viele Personen in dem Boot Plan? Wohl schwerlich! Er nahm zwei Mann zur Hilfe beim Rudern mit in den Kahn. Die anderen vier mußten zu Pferd dem Fluß folgen. Um gleichen Schritt mit dem schnellschwimmenden Fahrzeug halten zu können, war es notwendig, die besten Pferde auszusuchen. Wie pfiffig ausgedacht! Ich bin nämlich überzeugt, daß er es auch auf diese Pferde abgesehen hatte. Old Shatterhand hat auch hier das Richtige getroffen. Es war zur Zeit, wo der Fluß viel Wasser und gute Strömung hat; darum erreichte der Kahn das Fort einen Tag früher als wir mit den Pferden. Wir kamen abends so spät an, daß wir kurz vor Torschluß das Fort betraten; wir hatten zwei Männer bei den Pferden |
|
37
Bijlage bij de bevelen tot opsporing en aanhouding
38
Ja, ik geef toe dat ik terwille van het historisch belang, in het belang van het vormen van een totaal beeld van wat we dan zouden kunnen noemen de mens Karl May een concessie heb moeten doen aan de goede smaak. In mijn ogen, en ik hoop dat u er ook zo over denkt, is en blijft Karl May, ik mag wel zeggen ondanks alle Steckbriefe als kunnen worden gevonden, een schrijver die aan zichzelf hoge eisen stelde. Tragisch valt het te noemen dat deze man op latere leeftijd op schandelijke wijze door een
ronduit gezegd anti-semitische riool-journalist 52 met zijn eigen verleden werd geconfronteerd.
39
Bijlage met betrekking tot de Bevelen tot opsporing en aanhouding als voorkomende in het Kon. Saksisch Gendarmerieblad.
In het boek Karl May, Biographie in Dokumenten und Bildern 51 worden zogen. Steckbriefe uit bovengenoemd blad zonder commentaar weergegeven. Hoewel dit boekje (Enige essentiële elementen ....) hoofdzakelijk een collage, een samenstel is van datgene wat in de Duitse literatuur over Karl May kan worden gevonden wil ik op het punt Steckbriefe toch graag een persoonlijke kanttekening maken. Toen ik namelijk mij ging verdiepen in het vertalen van deze brieven is bij mij de vraag gerezen of door het weergeven daarvan niet bepaalde grenzen zouden worden overschreden. Men is allicht, d.w.z. de oppervlakkige lezer is dat, zo gauw geneigd verkeerde conclusies te trekken. In verband hiermede zou ik toch nog eens willen verwijzen naar de in mijn Dr. Karl May opgenomen bijdragen van Dr. C. J. Schuurman. Ik zou die bijdrage uniek willen noemen, uniek voor Nederland zowel als voor Duitsland. Voor Nederland omdat het betreft het oordeel van een psychiater vakman voor Duitsland omdat dat oordeel wezenlijk andere inhoud heeft dan al datgene wat dar tot dusverre te berde werd gebracht. In verband hiermede moge ik u naar genoemd boekje verwijzen, niet om nog eens wat extra exemplaren te verkopen, wel om u duidelijk te maken dat de strafbare feiten waaraan May zich schuldig maakte, welke voor het overige meer het karakter dragen van een komische opera, naar alle waarschijnlijk in schemertoestand zijn geschied, d.w.z. onbewust.
Dit is een principieel ander uitgangspunt dan welke auteur tot dusverre heeft gehanteerd. Als ik spreek over essentiële elementen dan is deze uitdrukking hier zeker op zijn plaats. Van wezenlijk, essentieel belang is namelijk de vraag: was May zich van het strafbare karakter der in de Steckbriefe genoemde feiten bewust of was hij dat niet. Zonder uitzondering gaat de Duitse literatuur uit van het eerste en komt rondweg gezegd tot de meest wonderlijke conclusies. In dit verband wil ik toch eens noemen het boekwerk Karl May van de hand van de vice-voorzitter van de Duitse Karl May Vereniging Hans Wollschläger 52. Aan de goede zaak, als ik het zo mag uitdrukken, wordt op zon manier ernstig afbruik gedaan. Als ik tot opneming der brieven in mijn boekje besluit word ik voor de noodzaak geplaatst te komen tot die principiële keuze tussen:
a. opnemen uit het oogpunt van historisch van belang
b. niet opnemen uit het oogpunt van goede smaak
Ik moet u eerlijk zeggen dat ik me hier voel als een ezel tussen twee schelven hooi. Aangezien ik behoor tot diegenen, en dat zal u gelet op de inhoud van de Inleiding duidelijk zijn, die Karl May een warm hart toedragen, ja hem zelfs min of meer vereren valt een keuze voor a. mij bijzonder zwaar.
Toch is het zo dat ik het wel bijzonder interessant vind een vergelijking te maken tussen Steckbriefe en b.v. de roman Weihnacht. Deze roman immers, gescreven in 1897, bevat bijzonder veel auto-biografisch materiaal hetwelk in het bijzonder interessante en spannende verhaal is verweven. Bij nader inzien verbaast het me niet dat als men mij zou vragen welk boek van May mij het meest heeft aangesproken ik zeer zeker deze roman zou noemen.
Ik zal hierop niet verder ingaan doch slechts constateren dat zij die May destijds deze dienst bewezen thans in dat licht zijn komen te staan dat zij verdienen.
Hinauf zu dir will ich nur immer denken,
hinauf zu dir, der ewig mein gedenkt.
Zu dir will meinen Flügelschlag ich lenken,
zu dir, der all mein Sehnen zu sich lenkt.
Es sind nicht stolze Höhen zu erzwingen,
es ist kein Flug, wie der Phantast ihn liebt,
und dennoch gilts, das Höchste zu erringen,
was es auf Erden für den Himmel gibt.
Hinab in mich will ich nur immer denken,
wo es so falsch, so irrig für mich denkt.
In mich hinab will meine Kraft ich senken,
der andern nach, die sich dorthin gesenkt.
Es sind nicht grausge Tiefen zu ergründen,
so weit hinab wie vorher himmelan,
und dennoch ist der Abgrund unsrer Sünden
das grausig Tiefste, was es geben kann.
Hinauf, hinab will ich nur immer denken,
so wie man dort ja meiner stets gedenkt;
dann werd ich mir das Allerhöchste schenken.
nachdem ich mir das Tiefste, mich, geschenkt.
Es ist nicht schwerer Rätsel Sinn zu lösen;
es stürzt kein Himmel, keine Erde ein;
nur möchte ich mich reinigen vom Bösen
und gern ein Mensch nach Gottes Willen sein.
40
41
— Een Yankee-naam, zei de ranchero, en die deugen allemaal niet. En jij? |
42
43
44
Hoofdstuk 1. Eerste levensjaren (1842-1856)
Ernstthal, een stadje in Saksen, in 1898 verbonden met het naburige Hohenstein zou model kunnen staan voor de sociale ellende van de tijd dat Karl Friedrich May daar, in dat armste, smerigste Ardistan 54, op 25 februari 1842 des avonds om 10 uur, in de Niedergasse (thans Karl May strasse) wordt geboren.
Hij is het vijfde van veertien kinderen uit het huwelijk tussen moeder Christiane Wilhelmine Weise (1817-1885) en Heinrich August May (1810-1888). Slechts twee zusters hebben Karl overleefd en een hoge leeftijd bereikt.
Van de 2.630 inwoners van Ernstthal hield zich 80% bezig met huis-weverij L7. Nevenberoepen moesten er toe bijdragen aan het bestaansminimum te komen (ook smokkel!).
In grote aantallen verlaten emigranten het kommervolle bestaan L8 in hun vaderland Saksen, welke staat toen nog een zelfstandig koninkrijk was. Doel is Amerika, het land der onbegrensde mogelijkheden.
Ziekten, ontstaan door gebrek aa bepaalde voedingsstoffen, bepalen leven en sterven; dat wat men tegenwoordig discreet als ondervoeding pleegt aan te duiden mag wel de oorzaak worden genoemd voor de tijdelijke blindheid van Karl May kort na de geboorte. Eerst op de leeftjd van vijf jaar wordt deze opgeheven door ingrijpen van artsen uit Dresden. Het eten bestaat uit schimmelige broodjes, onkruid- en aardappelsoep 55 en
daarom groeit op een ziek, zwak kind dat nog op de leeftijd van zes jaar op de grond viel zonder te kunnen staan of lopen. 56
Van invloed op zijn fantasie is zijn grootmoeder Johanne Christiane Kretzschmar (1780-1865) die hem tal van verhalen en sprookjes vertelt. Welk een invloed deze bijzondere vrouw ook op hem had of zij nu de bron van inspiratie voor het kind geweest is als in Mein Leben und Streben (autobiografie) beschreven staat moet worden betwijfeld.
Meer lijkt die eer toe te komen aan de smid Christian Weissplog 57 waarover May zich in 1899 58 heeft geüit: Ik had een peetoom die als rondtrekkend handwerksgezel de wijde wereld was ingetrokken. Die nam me in de schemering en op feestdagen als hij niet werkte graag tussen zijn knien om mij en de in het rond zittende jongens van zijn tochten en belevenissen te berichten.
Hij was een klein zwak mannetje met witte lokken maar in onze ogen een geweldige verteller vol tintelend jeugdplezier en mensenliefde die hij nog tot in de volwassenheid had behouden. Alles wat hij verhaalde leefde en werkte in ons door, hij bezat een geheel eigen handigheid zijn gestalten juist dat te laten zeggen wat voor ons goed en heilzaam was, en in zijn avonturen scènes te vervlechten die zo onweerstaanbaar belerend, aanmoedigend of waarschuwend op ons werkten. Wij luisterden ademloos en wat geen strenge onderwijzer en geen straffende vader bij ons bereikte dat bereikte hij zo met speels gemak door de verhalen van zijn trektochten. Hij heeft zijn laatste trektocht al lang voltooid; ik echter vertel in zijn plaats verder.
Onder afschuwelijke omstandigheden o.a. geschetst in Gerhart Hauptmanns 59 drama Die Weber. |
Mede veroorzaakt door de invoering van mechanische weefstoelen uit Engeland sinds 1825. |
45
Voor het beeld van Mays moeder schuift zich een zekere zwijgzaamheid. Schuldgevoelens tegenover haar behoudt hij nog tot op hoge leeftijd:
... Zij was een martelares, een heilige, altijd stil, oneindig vlijtig, ondanks onze eigen armoede steeds offer bereid voor andere, wellicht nog armere mensen. Nooit, nooit heb ik een kwaad woord uit haar mond gehoort. Zij was een zegen voor ieder met wie ze verkeerde, vóór alles een zegen voor ons, haar kinderen.
Al leed ze nog zo zwaar, geen mens ervoer ervan.
Maar s avonds als ze, haar breinaald vlijtig roerend, bij het kleine walmende olielampje zat en zich onbespied waande, kwam het voor dat er een traan in het oog kwam en, om sneller dan hij gekomen was te verdwijnen, haar over de wang liep. Met een beweging van de vingertoppen werd het spoor van leed direct uitgewist ... 60
Wat zij zowel onder de armoede als onder haar vrij tirannieke man geleden moet hebben schijnt haar in een soort woordenloze zwaarmoedigheid te hebben gedrukt.
Deze zwaarmoedigheid kwam ook in de familie voor: haar vader, Christian Friedrich Weise (1788-1832) keerde zijn weversbestaan door zelfmoord de rug toe. Oorzaak: dronkenschap en vertwijfeling merkt het kerkboek op.
Zij gaat naar Dresden voor een cursus van vroedvrouw, slaagt op 13 februari 1846 voor het examen met de aantekening uitstekend en wordt vijf weken later aangesteld als vroedvrouw in Ernstthal een ambt waarin haar dochter Caroline Wilhelmine Selbmann (1849-1945) gevolgd is.
Sinds 1838 bezat moeder May door erfenis zowaar enig vermogen, waartoe het geboortehuis van May behoorde.
Van het contante geld werden 60 voor vader May verborgen gehouden daalders uitsluitend voor de vroedvrouwcursus besteed. Henrich May echter dacht door de erfenis plotseling millionair geworden te zijn l geloofde hij dan niet direct plotseling rijk te zijn geworden hij nam toch aan nu tot een andere manier van leven te mogen overgaan. Hij zag ervan af zich zijn hele leven achter de weefstoel af te jakkeren.
Hij had nu een huis en hij had geld, veel geld. Hij kon naar iets anders, beters trachten wat gemakkelijker was en meer loonde dan de weverij ... (hij werkte zon 14 uur per dag). Dat betere stond dan voor duivenhandelaar en agent voor al het mogelijke. Het gespaarde geld smelt weg. De 15e april 1845 moet het huis in de Niedergass a verkocht worden: opbrengst 515 Taler (daalders), waarmee vader Heinrich ook wel raad weet. De familie houdt zich inmiddels bezig met het naaien van witte handschoenen die overledenen worden aangetrokken (lijken handschoenen), men trekt in het huurhuis aan de markt van weversmeester Selbmann 61. Vader May is de veruit interessantste persoonlijkheid uit Karls jeugd. Daar waren wij constant bang hem kwaad te maken ... Aan de weefstoel hing een drievoudig gevlochten touw dat blauwe striemen achterliet L9 en achter de kachel hing de welbekende Birkene Hans 62 waarvoor wij kinderen bijzonder terugschrokken ... Zelfs op de vrolijkste en vreedzaamste ogenblikken hadden wij het gevoel dat wij op vulkanische bodem stonden en van moment tot moment een uitbarsting verwachten konden. Dan kreeg men het touw of de Hans zo lang tot vader niet meer kon ... 63
Bekend gegeven vormen de forse tuchtigingen in Mays werken. |
46
Vader streefde naar het hogere aldus Karl. Als 24-jarige reeds behoorde zijn vader tot de burger-garde en was aanvoerder van de 7e compagnie, later was hij nog marktmeester en op gevorderde leeftijd armenverpleger, echter allemaal baantjes die niets opleverden. De drang naar het hogere ontwikkelt zich ook op militair gebied: met Karl samen wordt het krijgsbedrijf ingestudeerd.
Diens latere afkeer daarvan zou daarmee verband kunnen houden.
De met het bezoeken van de school, de Rectoratsschule (1848-1856) 64 zichtbaar wordende begaafdheid in het leren nodigen de vader (die analfabeet was!) uit tot het volstoppen met de meest onzinnige kennis. Alle boeken van dominee en schoolhoofd moeten uit het hoofd worden geleerd of overgeschreven.
Gevorderd wordt ook muzikale kennis: orgel-, viool- en klavierspel brengt de Kantor L10 bij. De teksten van de oude kerkliederen maken onderricht in het Latijn wenselijk 65.
De vrije uren en de zondagen brengt hij als twaalfjarige door als kegelopzetter in de Hohensteiner herberg van Engelhardt waar hij ook kennis maakt met de uitleenbibliotheek met boeken als Himlo Himlini, de Zonden van de Aartsbisschop, Rinaldo Rinaldini (van de hand van de zwager van Goethe, Vulpius) die hij later in zijn autobiografie als minderwaardige lectuur heeft omschreven.
Ook de Kantor speelt in Mays werken vaak een rol, zij het soms ook een lachwekkende. |
47
|
|
48
Weisspflog was smid.
De rowdy mat de gestalte van den smid met onderzoekenden blik en vroeg: Maar wat zal er met mij gebeuren, wanneer ik u
doodsla? |
49
Hoofdstuk 2. Waldenburg en verder (1856-1868)
Aan de Pedagogische Academie van Waldenburg slaagt May op Michaelis - 29 september 1856 - voor het toelatingsexamen en wordt hij als Pro-seminarist officieel opgenomen. De verwijdering van de huiselijke haard (en de daarnaast hangende vaderlijke tuchtroede merkt ons aller Herr. Wollschläger fijntjes op) voelt May ondanks de strenge leiding van de Academie als een bevrijding.
Bijzonder gelukkig heeft May zich tijdens zijn Waldenburger jaren nauwelijks gevoeld en de vakanties brengt hij graag weer door in zijn geboorteplaats, alleen minder vaak in het ouderlijk huis aan de markt als in de Hermannstrasse 53 67, waar de gezusters Anna en Laura Pressler hem sterk bezighouden, vooral de even oude Anna (Meine I. Liebe 68) die echter in 1858 aan het huwelijk met een handelaar in garen en band de voorkeur heeft boven de romantiek.
De Academie is maar een troosteloze, saaie toestand.
In zijn auto-biografie schrijft May: Het onderwijs was koud, streng, hard. Ieder spoor van poëzie ontbrak er aan. In plaats van gelukkig en
geestdriftig te maken stief het af ... Men leerde namelijk minder datgene wat te leren was als veeleer de aard en wijze waarop men moest leren. In mijn kennis ontbrak het vaste geraamte. Ik was met betrekking tot datgene wat ik geestelijk bezat een kwal die noch van binnen noch van buiten een houvast bezat en daarom ook geen plaats waarop zij zich thuis vermocht te voelen.
De godsdienstlessen waren zeer ruim vertegenwoordigd (... zeer rijkelijk uitvallende onderricht in godsdienst-, bijbel- en gezangboekleer ... - Wij werden elke zon- en feestdag in corpore ter kerke gevoerd, etc.).
Als Karl in april 1859 een keer wegblijft - op een namiddag - van de godsdienstles ontvangt hij direct een waarschuwing. Hij was toch al van zwak religieus gevoel tenminste volgens de leiding van Waldenburg, het ontbrak hem aan de ware geest: met deze scholier kon het niet goed gaan arge Lügenhaftigkeit und rüdes Wesen! zijn hem eigen.
Midden november 1859 is hij Lichtwochner, waarbij hij tot taak heeft te zorgen voor de lampen in de klaslokalen en neemt zes kaarsen L11 tot zich die hij twee weken in zijn koffer bewaart. Op aangifte van twee mede-scholieren worden ze gevonden. May zelf spreekt later van Talkresten, hoogstens voor smeer te gebruiken ... Rommel ... geen 3 Pfennig waard.
Bedoeling was ze mee te nemen voor zijn ouders en zusters ter gelegenheid van het aanstaande kerstfeest. L12
Er was natuurlijk toen nog geen elektrische verlichting. |
Dit zegt alles uiteraard wel iets van de toenmalige armoedige omstandigheden waarin het gezin May destijds verkeerde. |
50
Es gibt keinen höheren Beruf als den Lehrerstand, und ich dachte, fühlte und lebte mich derart in meine nunmehrige Aufgabe hinein, daß mir alles Freude machte, was sich auf sie bezog ... Wie stolz ich war, als ich zum erstenmal die grüne Mütze trug! Wie stolz auch meine Eltern und Geschwister! ... Es herrschte im Seminar der Brauch, daß die Angelegenheiten jeder Klasse reihum zu besorgen waren, von jedem eine Woche lang. Darum wurde der Betreffende als ,Wochner bezeichnet. So gab es auch in der zweiten Klasse einen ,Lichtwochner, der die Beleuchtung der Klassenzimmer zu überwachen hatte. Diese Beleuchtung geschah damals mit Talglichten, von denen, wenn eines niedergebrannt war, ein andres neu aufgesteckt wurde. Der Lichtwochner hatte täglich die Säuberung der alten verschmutzten Halter vorzunehmen und insbesondere die Dillen von den steckengebliebenen Docht- und Talgresten zu reinigen. Diese Reste wurden entweder einfach weggeworfen oder vom Hausmann zu Stiefel- oder andrer Schmiere zusammengeschmolzen. Sie galten allgemein als wertlos. Es war kurz vor Weihnachten 1859, als die Reihe, Lichtwochner zu sein, an mich kam. Ich besorgte diese Arbeit wie jeder andre. Am Tag vor dem Heiligen Abend begannen unsre Ferien. Tags zuvor kam eine meiner Schwestern, um meine Wäsche abzuholen und das weniee Geoäck, das ich mit in die Ferien nehmen mußte. Sie tat das stets, sooft es Ferien gab. Der Weg, den sie da von Ernstthal nach Waldenburg machte, war zwei Stunden lang. So auch jetzt. Als sie diesmal kam, war ich grad beim Reinigen der Leuchter. Sie war traurig. Es stand nicht gut daheim. Es gab keine Arbeit und darum keinen Verdienst. Mutter pflegte, wie selbst die ärmsten Leute, für das Weihnachtsfest wenigstens einige Kuchen zu backen. Das hatte sie heuer kaum erschwingen können. Aber beschert werden konnte nichts, gar nichts, denn es fehlte das Geld dazu. Es gab keine Lichte für den Weihnachtsleuchter. |
Aber beschert werden konnte nichts, gar nichts, denn es fehlte das Geld dazu. Es gab keine Lichte für den Weihnachtsleuchter. Sogar die hölzernen Engel der kleineren Schwestern sollten ohne Kerzen sein. Zu diesen Engeln gehörten drei kleine Lichte, das Stück fünf oder sechs Pfennige; aber wenn diese achtzehn Pfennige zu andern, notwendigeren Dingen gebraucht wurden, so mußte man sich eben fügen. Das tat mir weh. Der Schwester stand das Weinen hinter den Augen. Sie sah die Talgreste, die ich eben aus den Dillen und von den Leuchtern herabgekratzt hatte. |
51
Schon nach einer halben Stunde wurde sie mir verkündet. Ich war aus dem Seminar entlassen und konnte gehen, wohin es mir beliebte. Ich ging gleich mit der Schwester - in die heiligen Christferien ohne Talg für die Weihnachtsengel - es waren das sehr trübe, dunkle Weihnachtsfeiertage. Wie ich schon einmal erwähnte, ist überhaupt Weihnacht für mich oft eine Zeit der Trauer, nicht der Freude gewesen. An diesen Weihnachtstagen löschten heilige Flammen in mir aus, Lichter, die mir wert gewesen waren. Ich lernte zwischen dem Christentum und seinen Bekennern unterscheiden. Ich hatte Christen kennengelernt, die unchristlicher gegen mich verfahren waren, als Türken und Heiden handeln würden. Glücklicherweise zeigte sich das Ministerium des Kultus und öffentlichen Unterrichts, an das ich midi wendete, verständiger und menschlicher als die Seminarleitung. Ich erlangte ohne eiteres die Genehmigung, meine unterbrochenen Studien auf dem Seminar in Plauen fortzusetzen. Ich kam dort (Juni 1860) in die gleiche Klasse, also in die zweite, und bestand nach zurückgelegter erster Klasse die Lehrerprüfung, worauf ich meine erste Stelle in Glauchau erhielt, bald aber nach Altchemnitz kam, und zwar in eine Fabrikschule, deren Sdiüler ausschließlich aus ziemlich erwachsenen Fabrikarbeitern bestanden. Hier müssen meine Bekenntnisse beginnen. Ich lege sie ab, ohne Scheu, der Wahrheit gemäß, als ob ich mich nicht mit mir selber, sondern mit einem andern, mir fremden Menschen beschäftigte. Im komme auf die Armut meiner Eltern zurück. Die Reifeprüfung hatte einen Frackanzug erfordert, für unsre Verhältnisse eine kostspielige Sache. Hierzu kam, da ich als Lehrer nicht mehr wie als Schüler herumlaufen konnte, eine wenn auch noch so bescheidene Ausstattung an Wäsche und anderen notwendigen Dingen. Das konnten meine Eltern nicht bezahlen; ich mußte es auf meine Rechnung nehmen; das heißt, ich borgte es mir, um es von meinem Gehalt nach und nach abzuzahlen. Da hieß es sparsam sein und jeden Pfennig umdrehen, bevor er ausgegeben wurde. Im beschränkte mich aufs Äußerste und verzichtete auf jede Ausgabe, die nicht unbedingt notwendig war. Ich besaß nicht einmal eine Uhr, die doch für einen Lehrer, der sich nach Minuten richten muß, fast unentbehrlich ist. Der Fabrikherr, dessen Schule mir anvertraut worden war, hatte laut Vertrag für mein Unterkommen zu sorgen. Er machte sich das leicht. Einer seiner Buchhalter besaß auch freie Wohnung, Stube mit Schlafstube. Er hatte bisher beides allein besessen; nun wurde ich bei ihm untergebracht; er mußte mit mir |
teilen. Hierdurch verlor er seine Selbständigkeit und seine Bequemlichkeit; ich behinderte ihn an allen Ecken und Enden, und so läßt es sich gar wohl begreifen, daß ich ihm nicht sonderlich willkommen war und daß ihm der Gedanke nahelag, sich auf irgendeine Weise von dieser Störung zu befreien. In der ersten Zeit hängte ich die Uhr, sobald ich aus der Schule zurückkehrte, sofort wieder an den Nagel. Später unterblieb das zuweilen; ich behielt sie noch stundenlang in der Tasche, denn eine so auffällige Betonung, daß sie nicht mir gehöre, kam mir überflüssig vor. Schließlich nahm im sie sogar auf Ausgängen mit und hängte sie erst am Abend, nach meiner Heimkehr, an Ort und Stelle. Ein wirklich freundschaftlicher oder gar herzlicher Umgang kam nicht zustande; der Buchhalter duldete mich notgedrungen und ließ es mich zuweilen absichtlich merken, daß ihm die Teilung seiner Wohnung nicht behage. Da kam Weihnacht. Ich teilte ihm mit, daß ich die Feiertage bei den Eltern zubringen würde, und verabschiedete mich von ihm, weil ich nach Schluß der Schule gleich abreisen wollte, ohne erst in die Wohnung zurückzukehren. Als die letzte Schulstunde vorüber war, fuhr ich nach Ernstthal, nur eine Bahnstunde lang, also gar nicht weit. Die Uhr zurückzulassen, daran hatte im in meiner Ferienfreude nicht gedacht. Als ich bemerkte, daß sie sich in meiner Tasche befand, ließ mich das gleichgültig. Ich war mir ja nicht der geringsten unlauteren Absicht bewußt. Dieser Abend bei den Eltern war sehr glücklich; ich hatte die Schülerzeit hinter mir; ich besaß ein Amt; ich bekam Gehalt. Der Anfang zum Aufstieg war da. Morgen war Heiliger Abend. Wir begannen schon heut die Christbescherung vorzubereiten. |
52
53
In plaats daarvan ontsteekt directeur Dr. Schütze de fakkel der gerechtigheid; een conferentie van leraren houdt zich bezig met het Infernaal karakter (21 en 22 december 1859), terwijl van de zaak melding wordt gemaakt bij het Ministerie van Cultuur te Dresden L13. 0p 28 januari 1860 wordt de straf uitgesproken ingevolge het reglement van de Academie: verwijdering van de inrichting wegens zedelijke onwaardigheid voor zijn beroep, dit is het resultaat van een selbstgerechte, starre, salbungsvolle und muckerische Schulmeisterreligiosität van zijn leraren.
Of dit dan een schoolmeestersgodsdienstigheid is die door May later zo virtuoos in de praktijk werd gebracht, zoals Wollschläger ons wil doen geloven, laten we dat maar in het midden.
Op 6 maart 1860 vermant hij zich een gratieverzoek tot het Ministerie van Onderwijs te richten, ondersteund door de Ernstthaler dominee Schmidt. Bij het Ministerie wil men de gewenste genade voor Academierecht laten gelden: weliswaar verstrijken nog een bange zes weken, doch dan, op 24 mei, ontvang Karl van Seminardirektor Wild in Plauen bericht dat hij zijn studie daar mag voortzetten.
Op 2 juni 1860 slaagt hij voor het toelatingsexamen; twee dagen later vangen de lessen voor hem aan.
In Plauen wordt de opleiding tot het einde toe voltooid.
Op 13 september 1861 kan hij zijn diploma mee naar huis nemen.
Voor de armenschool in Glauchau wordt een hulponderwijzer gezocht. Op 5 oktober 1861 komt May tegen het gebruikelijke salaris (175 Taler per jaar plus logiesgeld) in de vierde klasse van de armenschool L14 aldaar. Deze dienstbetrekking heeft voor de 19-jarige May slechts een korte duur, nl. 14 dagen want: op 17 oktober verschijnt koopman Herr Ernst Theodor Meinhold uit de Färbergasse nr. 7 70 en deelt mede dat hulponderwijzer Carl Friedrich May die bij hem sinds 5 oktober in de kost is gedurende deze tijd op de onwaardigste manier zich door leugens van allerlei soort moeite heeft gegeven, zijn echtgenote van hem afkerig en Mays schandelijke bedoelingen toegenegen te maken.
May moet toegeven dat hij zich toenadering tot de echtgenote van Meinhold heeft veroorloofd en deswege naar een andere functie omzien. Reeds op 6 november aanvaardt May zijn ambt aan de fabrieksscholen van de Firmas Solbrig en Claus in Altchemnitz en de jonge onderwijzer hat kein übles Lehrgeschik (doet het goed zou je kunnen zeggen) volgens schoolopzichter Kohl op 10 december 1861.
Hoofdstad van het toen nog zelfstandige koninkrijk Saksen. |
In die tijd waren er nog armenscholen. |
54
55
56
De vrome wens van Kohls ambtsbroeder in Glauchau: dat God moge helpen dat de ernstige waarschuwing waarmede May hier ontslagen werd vrucht moge dragen gaat niet in vervulling. Als May op de vraag waarom hij toch zijn functie aan de armenschool zo spoorslags heeft verlaten mededeelt dat hij in Clauchau het ongeluk had bij een aan de drank verslaafde waard te wonen die zijn roep in Clauchau geschaad heeft en betrokkene zich over een en ander beklaagt wordt hem medegedeeld dat hij slechts provisorisch en onder speciale contrôle zijn ambt als fabrieksonderwijzer te Altchemnitz kan uitoefenen en hij bij de geringste aanleiding tot ontevredenheid met hem in leer, leven en gedrag weer uit zijn betrekking zal worden ontslagen: iedere stap gaat nu over glad ijs.
Echter: op 21 december 1861 71 gaat hij in de kerstvakantie naar huis, daar wordt hij op Tweede Kerstdag L15 plotseling in het Hohensteiner hotel Drie Zwanen gearresteerd waar hij net biljart speelt 72. De beschuldiging luidt dat hij van zijn kamergenoot - een boekhouder L16 - in Altchemnitz o.a. een horloge zou hebben gestolen.
De voorwerpen 73 worden bij hem gevonden doch hij ontkent het oogmerk van diefstal. Alles is sterk overdreven maar niettemin blijkt het hier te gaat om het wederrechtelijk gebruik van vreemde eigendommen overeenkomstig § 330 van het Strafwetboek van het Koninkrijk Saksen. Hierop staat een gevangenisstraf van 6 weken.
May wordt te Chemnitz (het tegenwoordige Karl May-stad) L17 74 gevangen gezet.
Mays vader, Heinrich May, schrijft 75 reeds op 26 december 1861 een brief aan Superintemdant Kohl waaruit blijkt hoe zwaar het voorval ook de familie trof:
U zult wel gehoord hebben van het treurige voorval dat mijn zoon is overkomen. Het voorgevallene brengt zwaar verdriet over mij en mijn gehele familie daar wij helemaal niet weten hoe de zaak precies in elkaar zit. Ik kan nauwelijks geloven dat mijn zoon het horloge meegenomen heeft om een diefstal te willen begaan. Ik geloof veeleer dat hij het gedaan heeft om genoemd horloge gedurende de kerstvakantie te gebruiken om het dan weer stilzwijgend op de plaats van bestemming te
brengen, aldus Heinrich May.
Kerstmis heeft voor May altijd een nare klank gehad, zo schreef hij eens. |
Die deze kamer aanvankelijk alleen bewoonde en deze eerst later met May moest delen, zeer tot zijn ongenoegen. |
Een gedeelte van Saksen behoort thans tot de Bondsrepubliek 77, een ander deel tot de DDR. Om dit laatste deel gaat het hier. |
57
58
Zou de nauwelijks begonnen loopbaan van mijn zoon reeds een andere worden, en wellicht zulk een welke met de grootste onzekerheid omgeven is, welk een onoverkomelijke smart zou dat voor ons allen worden luidt het slot van de brief aan Herr Kohl die zich afzijdig houdt. Eerst 16 maanden later informeert hij eens bij de rechtbank te Chemnitz of May bestraft is en zijn eventuele straf heeft uitgezeten. Antwoord: ... dat de fabrieksonderwijzer C .F. May te Altchemnitz door het in tweede instantie bevestigde vonnis van de rechtbank wegens diefstal tot zes weken gevangenisstraf veroordeeld is en na afijzing van zijn gratieverzoek en dat van zijn ouders deze straf van 8 september tot 20 oktober 1862 78 heeft uitgezeten. De akten zijn niet bewaard gebleven.
Het vonnis is meer gebaseerd op aanwijzingen dan op feiten.
De uitwerking voor Karl is als die van een slag op zijn hoofd Ik stond weliswaar weer op, doch slechts uiterlijk, innerlijk bleef ik zwaar
59
verdoofd liggen; weken lang, ja maanden lang ... L18 Er heerste nu in mij het strikte tegendeel van helderheid; het was nacht; er waren slechts weinige vrije ogenblikken waarin ik verder zag dan juist de dag van vandaag mij liet zien.
Deze nacht was niet helemaal donker; zij had schemerlicht. En vreemd genoeg zij strekte zich slechts uit over de ziel L19 niet over de geest. Ik was zielsziek, echter niet geestesziek ...
Uit de gevangenis van Chemnitz ontslagen gaat May naar zijn ouders in Ernstthal waar hij zich o.a. bezig houdt met het geven van privéles. De zangvereniging Lyra schijnt hij tijdelijk geleid te hebben; daarvoor ontstaan een aantal composities:
Immer Forsch resolut. 79 Of zijn eerste pogingen tot schrijven ook in deze tijd vallen blijft onbewezen:
Humoresken schreef ik vanaf 1860 en Mijn eerste publikaties verschenen reeds in 1863 meent May later.
Op 20 juni 1863 L20 beslist het Ministerie van Cultuur dat hij van de candidatenlijst L21 geschrapt wordt zodat hij na zes jaar weer met lege handen staat.
Op 9 juli 1864 verschijnt in Penig een Dr. in de medicijnen Heilig, oogarts en voormalige militair uit Rochlitz.
Leeftijd 21-33 jaar. Lengte 68-69 duim L22 etc. (zie de Steckbriefe). Deze laat zich in een kledingmagazijn van kleding voorzien waarbij hij als bewijs toont een, een goede schoolopleiding verradend, oogrecept, en verdwijnt zonder te betalen.
Op 16 december 1864 duikt hij in Chemnitz op als Seminarlehrer Lohse die ook werkelijk bestond, en laat zich, thans met korte dunne bakkebaard en in de ogen der Gendarmerie tot 26 jaar en 72 duim lengte bevorderd, in hotel Zum Anker divers bontmateriaal komen (waarde meer dan 100 Taler) en begeeft zich daarmede in een zijkamer om het daar te tonen aan zijn zieke directeur. Hij keert echter niet terug maar verwijdert zich daarentegen met spoed met de trein van 3 uur naar Leipzig. In Leipzig huurt hij een kamer aan het Thomaskirchhof 12 - op 20 maart 1865 - onder de naam Hermes, laat bontwerk op zicht komen en verdwijnt daarmee naar Rosental 80 waar hij na een kort handgemeen wordt gearresteerd en wordt overgebracht naar het politiebureau te Leipzig. Als ik dit allemaal zo moet opsommen denk ik wel eens hoe zou een en ander nu bij de lezer overkomen. Zou deze zich wel bewust zijn van de speciale geestestoestand warin May verkeerde toen hij tot al deze daden kwam Zou men niet lichtvaardig redeneren van: oh, dat was dus een oplichter en daar houd ik niet van, zoals iemand mij nog kortgeleden toevoegde.
Onwillekeurig denken wij hierbij aan zijn: waarde lezer hebt ge wel eens een slag met een geweerkolf op het hoofd gehad? Zo ja, wee u! |
Vergelijk het gedicht Kent ge de nacht 81 in Dr. Karl May. |
Het wordt een beetje een opsomming van data maar daar kom ik helaas niet onderuit. |
De officiële status van onderwijzer heeft May zodoende nooit bereikt. |
Lengtemaat. |
60
Dat May in de tussenliggende tijdruimten nog op een dergelijke manier als bovengeschetst is te werk gegaan lijkt onwaarschijnlijk. Hij werd uitsluitend veroordeeld op grond van de 2 hier genoemde delikten.
Op 8 juni 1865 vindt de openbare behandeling plaats voor de districtsrechtbank Leipzig en May wordt wegens onder verzwarende omstandigheden uitgeoefend laag bedrog (elders: wegens meervoudig bedrog) tot een straf veroordeeld die - en daar vallen we Herr Wolschläger van harte bij - : heden ten dage voor hulp aan massamoord wordt uitgedeeld, nl. 4 jaar en 1 maand werkhuis.
Een week later is het onwaardig lid van de onderwijzersstand slechts nog nummer 171 onder de rond 1.000 gevangenen van de strafinrichting Schloss Osterstein in Zwickau.
PRÜFUNG
Nimm, was du hier zu tragen hast, |
61
Hoofdstuk 3. Saksische capriolen (1868-1874)
Op 2 november 1868 wordt Karl May Ingevolge allerhoogste genade uit Schloss Osterstein in Zwickau ontslagen. Hij gaat terug naar het ouderlijk huis in Ernstthal. Innerlijke stemmen die van hem eisen dat hij zich op de maatschappij zal wreken vervolgen hem.
Reeds na vijf maanden gaat het mis.
0p 29 maart 1869 begeeft hij zich als Polizeileutnant von Wolframsdorf uit Leipzig op een Paasmaandag naar winkelier Reimann in Wiederau, deelt deze mee dat hij de opdracht heeft een onderzoek in te stellen naar diens mogelijke connecties met valse munters en eist van hem dat hij zijn bankbiljetten voor onderzoek zal voorleggen. Een bankbiljet van 10 Taler wordt na nauwkeurig onderzoek in beslag genomen.
Ook een horloge wordt, als geregistreerd staande te zijn gestolen, meegenomen.
Op 10 april 1869 verschijnt May als lid van de geheime politie bij touwslager Krause in Ponitz, verlangt deze onder vier ogen te spreken en eist het in huis aanwezige geld voor onderzoek op.
30 Taler worden als zijnde vals geld in beslag genomen nl. 23 Taler in bankbiljetten en 7 Taler in muntgeld.
Krause wordt vervolgens opgevorderd hem direct naar Crimmitschau te volgen voor nader onderzoek.
Op weg daarheen - voor Frankenhausen - is May er onder voorgeven een natuurlijke behoefte te moeten bevredigen ter zijde getreden en is plotseling het veld in gevlucht, is door Krause en een door deze te hulp geroepen derde vervolgd en ingehaald en heeft, na het tevoren van Krause onder voorwendsels verkregen geld te hebben weggeworpen, zich tegen de door zijn achtervolgers voorgenomen arrestatie met succes verzet door het trekken van meegevoerde dubbel-terzerol (pistool) en daarmede zijn vervolgers met schieten te bedreigen.
Dat dit pistool ook geladen was kon niet worden bewezen.
Als May op 12 april 1869 bij zijn ouders in Ernstthal arriveert is reeds een bericht van de Gendarme le klas Prasser onderweg die de indentiteit van de gezechte vermoedt; er zijn dus enkele redenen zo spoedig mogelijk weer te verdwijnen.
In dit verband mag ik verwijzen naar de in dit boekje opgenomen brief aan zijn ouders.
Op 18 april reist hij naar Schwarzenberg voor een samenkomst met zijn geliefde, het dienstmeisje Auguste Grässler; de volgende dag voert zijn weg hem naar Leipzig.
Inderdaad reist Karl af naar Amsterdam doch komt slechts tot Bremen waar vandaan hij naar Saksen terugkeert. Op Pinksteren. 16/17 mei, verblijft hij wederom te Schwarzenberg bij Auguste Grässler; dan verschijnt hij op 27 mei plotseling in Ernstthal, echter niet bij zijn ouders, maar bij zijn peetoom: de smid - opmerkelijk is hoe vaak er in Mays werk smeden een rol spelen - Weisspflog die hem, vermoedelijk omdat ook hij een avontuurlijke aard had, gedurende de volgende tijd bijstaat. Vermoedelijk is het deze Weisspflog geweest die de vervolgde Karl een enkele kilometers ten noorden van Hohenstein in de bossen gelegen hol (een verlaten mijngang) aanwees dat later Karl May-hol werd genoemd. In de nacht van 27 op 28 mei neemt hij (May) de volgende voorwerpen daar naar toe:
62
Dresden-A, den 13. Juli 1890 |
Julius Balder |
RECHNUNG für Herrn Dr. Phil. May, Kötzschenbroda Lößnitzstraße 11 |
1889 |
|
|
|
|
|
|
|
63
1 kinderwagen 82 - om de zaken in de vervoeren -, 1 schemerlamp, 1 bril met etui, 1 brieventas en 2 beurzen met in totaal 2 Taler, 1 Neugrosche, 3 Pfennige als inhoud en ¼ pond zeep. Een buurman heeft echter de transactie met Weisspflog gadegeslagen en deze doet om niet als medeplichtig te worden aangeklaagd, een schijn-aangifte, doch neemt zich daarvoor wel een week de tijd. Dit delikt komt bij die waarop May later veroordeeld wordt. Vanuit zijn vochtige hoofdkwartier (Wollschläger waaraan ik ze het nodige ontleen) spreekt hier van een vochtig, weinig romantisch hoofdkwartier van waaruit May zijn pogingen voortzet zich aan de door de maatschappij gestelde welten te vergrijpen) begeeft May zich in de vroege ochtend van 31 mei in een restaurant te Limbach, bestelt een glas wijn zonder het te krijgen, daar de waard nog niet is opgestaan en eigent zich een set biljartballen (5 stuks) toe, door het benutten van een korte afwezigheid van het dienstertje. Deze vijf exemplaren worden later door de rechtbank op zon 20 Taler waarde gewaardeerd.
Voor een kwart van de waarde kan hij ze kwijt aan een houtbewerker ter plaatse. Een overeenkomstige diefstal geschiedt in de nacht van 4 juni in Bräunsdorf. Uit de paardenstal van de hoteleigenaar Schreier 83 ontvreemdt hij een paard met trens 84, een rijzweep en halsriemen met een gezamenlijke waarde van 66 Taler, 15 Neugroschen.
Voor 15 Taler slechts zou een en ander in betzit kunnen komen van paardenslachter Voigt in dit verband is het wel aardig even te denken aan een andere Voigt, namelijk de jonge schoenmaker Wilhelm Voigt 85, bijgenaamd De Kapitein v. Köpenick, aan wie Karl Zuckmayer 86 een toneelstuk heeft gewijd.
Waar het me om gaat is dit: ook Voigt raakte door een betrekkelijke kleinigheid achter de tralies (waar hij het schoenmakersvak leerde en een boek met Pruisische legervoorschriften uit het hoofd leerde waardoor hij de Duitse autoriteiten bij de neus kon nemen) in 1906. Na zijn vrijlating moest bij ervaren dat daardoor zijn leven voorgoed dichtgeslagen was ... Want, al kwam hij dan weer op vrije voeten als een man zonder identiteitspapieren kreeg men in het Duitsland uit de keizertijd geen voet aan de grond; zonder pas geen werk en zonder werk geen pas. Wat moest hij doen?
Dit wat moest hij doen gold natuurlijk in het bijzonder onze Karl die al eerder door een soort Berufsverbot getroffen werd. Als men nagaat in welke omstandigheden het gewone volk in de jeugd van May, laten we zeggen omstreeks 1848 - het revolutiejaar bij uitstek - moest leven valt het te verwonderen dat men soms tot daden kwam die achteraf betreurd moesten worden. Ik zou hier wel nader op in kunnen gaan maar dan raken we het spoor bijster.
Paardenslachter Voigt zou, als opgemerkt, het paard - goedkoop - voor zon 15 Taler in Höckerdorf kunnen verwerven doch helaas voor May was de vorige eigenaar te snel ter plaatse, zodat hij het raadzaam achtte zonder de koopprijs door Voigt te hebben uitbetaald gekregen zich zo spoedig mogelijk uit Höckendorf te verwijderen.
0p 15 juni 1869 verschijnt May in de gestalte van een gevolmachtigde van de advocaat Dr. Schaffrath in Dresden ten huize van bakker Wappler te Mülsen St. Jacob 87. Deze verneemt de blijde tijding, dat hem vanwege een Amerikaanse verwant een erfenis is toegevallen en begeeft zich met zijn drie zoons op weg naar Glauchau waar in het Dingelstädts Hotel Dr. Schaffrath hen persoonlijk wil leren kennen. Nauwelijks zijn ze
64
vertrokken of May verricht weer een onderzoek naar vals geld bij bakkersvrouw Wappler. Men draagt aan wat in huis is: tenminste 28 Taler. De onderzoeker neemt ze aan en vertrekt.
Eind juni is de opbrengst in een kegelhuis in Hohenstein:
een handdoek en een sigarenpijpje, gezamenlijke waarde naar later werd vastgesteld 10 Neugroschen 5 Pfennig.
Op 2 juli 1869 s nachts 3 uur wordt Karl in Hohenstein gearresteerd, opgesloten in de gerechtsgevangenis van Mittweida en de volgende dag door Officier van Justitie Taube 88 verhoord.
|
Foto Bildband Olms Presse |
65
Bildband Olms Presse
|
Tuchthuis Waldheim. |
Dan nam ik een van mijn zelfvervaardigde sigaren, stak hem in brand en blies rookfiguren met een welbehagen als was ik een planter uit Virginia.
(Winnetou III) |
Het thema op eigen kracht de boeien verbreken en aan de Indianen c.q. Oosterlingen ontkomen is ons allen natuurlijk bekend. 92 |
66
De openbare behandeling vindt plaats op 13 april 1870: de Koninklijke rechter erkent voor recht dat Carl Friedrich May schuldig is aan diefstal, bedrog en bedrog onder verzwarende omstandigheden, verzet tegen geoorloofde zelfverdediging en vervalsing. Het vonnis luidt vier jaar tuchthuis.
Verdediger Haase 93 spreekt in het door hem aangetekende hoger beroep bij het Gerechtshof Dresden van beklaagde als een voor de gemeenschap schadelijk individu die niet zozeer uit slechtheid of boosaardigheid handelde dan wel uit grenzeloze lichtzinnigheid met de aangeboren kunst de mensen iets wijs te maken en daaruit voordeel te trekken.
0p 16 mei 1870 wordt het vonnis van de Districtsrechtbank Mittweida bevestigd.
Vier jaar lang: van 3 mei 1870 tot 2 mei 1874 is Karl May gevangene nr. 402 in het tuchthuis te Waldheim.
67
Hoofdstuk 4. Uit het dossier van iemand die veel gereisd heeft (1874-1879)
De vier jaren Waldheim vormen de donkerste tijd in Mays leven. Ik zal aan de uiteenzettingen van Hans Wollschläger - wiens boekwerk ik voor zover het de feiten betreft volg omdat de zaken daarin chronologisch zijn weergegeven - voorbijgaan.
Ik beperk me dus tot de feiten en laat beschouwingen achterwege.
Op 2 mei 1874 ligt de tijd welke voor mij en ieder mensenvriend de verschrikkelijkste, voor de psycholoog echter de interessantste is achter May: Het was doorstaan, ik keerde huiswaarts.
Wanneer de eerste oefeningen, de eerste pogingen tot schrijven tot stand kwamen valt nauwelijks met zekerheid uit te maken. Een manuscript Ange et diable lag reeds in Mittweida voor; het Kerstgedicht dat hij later naar zijn schooltijd verlegde is duidelijk in Waldheim zelf ontstaan. Met grote waarschijnlijkheid valt aan te nemen dat waarschijlijk ook uit de Waldheimer tijd stamt het document Repertorium Carl May, welk werk vermoedelijk heeft geleid tot de kennismaking met A. G. Münchmeyer 94.
Heinrich Gotthold Münchmeyer (1836-1892) was aanvankelijk timmermansgezel en dansmuzikant en startte in 1862 te Dresden een Uitgeverij en colportagehandel. In 1868 komt daar de boekhandel bij.
In 1874 is de aanvankelijke handdrukpers een complete drukkerij geworden. Er komt een soort volksliteratuur uit voort als Venustempel en Boek der Liefde waarvan de derde afdeling De liefde naar haar geschiedenis van May stamt en een vierbandig Zwarte boek/Misdadiger gallerij een soort colportage waarin twee of drie anonieme verhalen van May afkomstig kunnen worden geacht.
De nauwere samenwerking tussen May en Münchmeyer begint zon tien maanden na zijn vrijlating uit Waldheim. De uitgever verschijnt hem te Ernstthal waar hij hem de langere novelle Wanda overreikt.
Münchmeyer biedt aan de post van redacteur van Der Beobachter an der Elbe, welke voordien werd waargenomen door Otto Freitag 95. Men vreest zijn concurrentie. Voor een jaargeld van 600 Taler gaf ik hem de handslag; ik was .... Redacteur.
Reeds twee
68
Het is een historisch moment deze oktoberdag 1875, niet slechts voor May zelf, maar voor miljoenen Duitse (en ook niet Duitse voeg ik er dan maar aan toe) lezers: begin van een mythologie: Swallow, mijn wakkere 97 mustang, spitste de kleine oren.
Zomer 1876, in het midden van de Münchmeyer-tijd, leert Karl bij een verblijf in Ernstthal en Hohenstein ten huize van zijn zuster Christiane Wilhelmine Schöne (* 1844, 1932) zijn toekomstige vrouw Emma Lina Pollmer (* 1856, 1917) kennen. Zij is de dochter van de ongehuwde Emma Ernestine Pollmer (* 1830, 1856) 98 en kleindochter van barbier Christian Gotthilf Pollmer (* 1807, 1880) bij wie zij in huist woont; locale schoonheid van 19 jaar door vereerders omgeven 99. May bracht haar wel eens thuis maar behoefde dat echter niet opnieuw te doen want reeds van morgen af kwam ze dagelijks s avonds naar me toe, in plaats van ik naar haar, zodra Pollmer naar bed was gegaan, heimelijk, zacht, door mijn achterdeur, die voor haar open stond. Weer in Dresden houdt May de verbinding door briefwisseling in stand:
Zij sprak van mijn mooie, gewichtige beroep, van mijn heerlijke opgaven, van mijn edele doelen en idealen. Ze citeerde passagages uit mijn Geographische Predigten en knoopte daaraan gedachten vast waarvan de voortreffelijkheid me verbaasde. Wat een aanleg voor vrouw van een schrijver.
In september 1876 heeft May Schacht und Hütte en het Familienblatt doen ophouden te bestaan. Hij probeert het met Feierstunden am Häuslichen
Heerde. Als Münchmeyer, fabrikant van de in huizen en harten te brengen zonneschijn, hem als loon van in het verleden bewezen en in de toekomst nog te bewijzen diensten de hand van de zuster van zijn vrouw, Minna Ey, aanbiedt zegt May zijn betrekking op.
Karl May und Minna Ey die werden niemals zwei, zo luidt het in de volksmond.
In maart 1877 verlaat May het uitgevershuis, laat de historische roman Der beiden Quitzows letzte Fahrten liggen aan de huiselijk haard en verhuist naar de Pillnitzerstraat.
Op 26 mei volgt Emma Pollmer May naar Dresden en trekt korte tijd in bij de domineesvrouw de weduwe Petzold in de Mathildenstrasse 18 om het huishouden te leren maar vervoegt zich al spoedig bij Karl die haar toch wel los sein wollte maar in oktober daaraan volgend voltrekt zich te Hohenstein een verzoening ook met grootvader Pollmer. Januari 1878 keert May naar Dresden, waar hij nu ook een nieuwe betrekking heeft gevonden, terug. Uitgever Bruno Radelli stelt hem aan als redacteur van zijn weekblad Frohe Stunden en de jaargang 1877-1878 bevat nu 12 bijdragen, waarvan 7 onder het pseudoniem Emma Pollmer. Ook andere bladen brengen langzamerhand wat kortere werken: Humoresken, Dorpsverhalen, Avonturenverhalen. Het oordeel van de bekend Peter Rosegger 100 luidt: Kort geleden schrijft hij op 12 juli 1877 aan Robert Hamerling 101 kreeg ik van een heer Karl May, Redacteur in Dresden, voor mijn Heimgarten een verhaal Die Rose von Kahira, ein Abenteuer aus Ägypten. Dit verhaal is zo geestig en spannend geschreven dat ik mezelf feliciteer .... Gelet op zijn gehele manier van schrijven houd ik de schrijver voor een man die veel ervaren heeft, die lange tijd in de Oriënt geleefd moet hebben.
Terwijl het zo langzaam aan dus beter gaat komt May nog een keer met de wet in botsing.
69
In de nacht van 25 op 26 januari 1878 sterft de enige zoon van de oude Pollmer, Emil Eduard (geboren 1828) onder ietwat geheimzinnige omstandigheden in de paardenstal van een hotel te Niederwürschnitz. De zaak wordt onderzocht (Pollmer zou door een wagen zijn aangereden en in de stal neergelegd) en als ongeval terzijde gelegd doch daarmede is de oude Pollmer niet tevreden.
Op zijn verzoek begeeft May zich op 25 april naar de plaats van de misdaad alsmede naar het naburige Neuölsnitz om een onderzoek in te stellen. Hij geeft zich uit voor een hoge, door de regering met een onderzoek belaste ambtenaar.
De dorpsbewoners geloven er echter niet zo in. Natuurlijk is weer een wakkere gendarme ter plaatse, n.l. zekere Oswald 102 uit Ölsnitz, die de zaak aan het rollen brengt. Op 15 mei bereikt het Openbaar Ministerie te Chemnitz (het tegenwoordige Karl Marx stad) bericht dat het gaat om de beruchte, veelvuldig eerder bestrafte sociaal-democraat L24 Karl May. Deze draagt nu op 1l en 20 juni bij de autoriteiten in Dresden zijn versie van de zaak voor doch op 24 juni besluit de Districtsrechtbank Chemnitz het onderzoek in te leiden wegens uitoefening van een publiek ambt, ingevolge § 132 R.St. G.B.
Onder het opgeven van zijn betrekking onderneemt May nu een aantal reizen vermoedelijk in de hoop dat de aangelegenheid zich vanzelf zal oplossen. Daarvan is echter geen sprake en als hij eind augustus weer in Hohenstein arriveert (waar hij verblijft in de woning van Pollmer aan de markt tot eind januari 1879) volgt al spoedig de dagvaarding. Zelfs een inhechtenisneming wegens vlucht-verdenking wordt overwogen. Er volgen afmattende weken. Op 9 januari 1879 veroordeelt het Amtsgericht Stollberg in eerste instantie tot drie weken gevangenisstraf. Niets blijft May bespaard.
Het oordeel wordt in tweede instanties bevestigd, een gratieverzoek op 12 mei aan koning Albert 103 afgewezen. Van 1 tot 22 september 1879 brengt Karl door in de gevangenis van Hohenstein-Ernstthal L25.
May gaat vervolgens op reis. De oude Pollmer, aanvankelijk verlamd, sterft op 26 mei 1880.
In het jaar 1880, kort na de dood van haar grootvader, heb ik dan overeenkomstig mijn belofte Emma Pollmer uit medelijden, rechtvaardigheidsgevoel en in de hoop dat ik met haar gelukking zou worden, getrouwd. 104
Zulks op 17 augustus voor de burgelijke stand van Ernstthal en op 12 september voor de kerk 105.
Das Band, das Band, das man die Ehe nennt, Verhasst, verhasst, mir fürchterlich verhasst. 106
De sociaal-democraten stonden destijds in een slecht blaadje. |
Welke beide gemeenten in zijn tijd werden samengevoegd 107. |
70
71
De gendarme Ernst-Oswald in Ölsnitz beweerde in zijn aan het openbaar Ministerie te Chemnitz geadresseerd bericht van 15 mei 1878 dat een onbekende man, ongeveer veertig jaar oud tamelijk goede kleding, innemend voorkomen zich in de restauratie van Sonntag voor de aanwezige gasten zich voor een hoge rijksbeambte had uitgegeven en in de zaak Pollmer een onderzoek had ingesteld, .... ook meerdere getuigen verhoord en daarbij de uitlating gedaan, als de Officier van Justitie te Chemnitz in het onderzoek verkeerd zou hebben gehandeld hij hem zou laten opsluiten want waar hebben we die kerels voor.
Voor het geval de rechtbank te Stollberg niet gelijk sectie zou hebben laten verrichten of de Officier eerst enige dagen later, zou hij ze eveneens laten insluiten want met een paar flessen wijn is tegenwoordig veel te doen. Het glas bier zou hij niet voor eigen rekening nemen maar dat zou de Staat betalen L26.
Het lijk zou hij weer laten opgraven L27 en hij zou tien artsen voor sectie laten komen. De onbekende bleek later, zo werd vastgesteld de veelvuldig bestrafte vroegere onderwijzer Karl May. Deze is door en door sociaal-democraat en moet tegenwoordig schrijver van sociaal-democratische bladen zijn.
|
bekend zijn in zijn werken de Rowdies die in cafes hun consumpties niet betalen. |
opgraving van lijken komt in Mays boeken nogal eens voor. |
72
Afwijzing gratie- |
73
|
Eing. den 25.Juni 78 1234./1 B
Blatt 14
Im verflossenen Winter, Tag und Monat ist mir nicht geläufig, war in den ›Dresdener Nachrichten‹ zu lesen, daß der Barbier Emil Pollmer in dem Gasthofe zum ›braven Bergmann‹ in Niederwürschnitz ermordet worden sei. Einige Tage später erhielt ich vom Großvater meiner Frau, dem Chirurgen C. G. Pollmer in Hohenstein eine Zuschrift, aus welcher ich erfuhr, daß der Ermordete identisch sei mit seinem Sohne, dem Onkel meiner Frau. Besonders war es der Erstere der beiden Genannten, Hesse, der es sich angelegentlich sein ließ, diese letztere Meinung zu verbreiten. Er besuchte meinen Schwiegervater, begegnete ihm öfters, versuchte, ihn aufzuhetzen und äußerte, als seine Bemühung erfolglos schien: »Ich strafe ihn mit Verachtung, ich rede gar nicht mehr mit ihm. Wer seinen Sohn ruhig todtschlagen läßt, mit dem mag ich Nichts mehr zu schaffen haben!« Im höchsten Grade aufgeregt durch solche Reden, bat der Schwiegerpapa, da er selbst zu schwach und angegriffen war, mich in Niederwürschnitz doch einmal zu erkundigen, ob der Hergang wirklich so sei, wie er von Hesse und Hübsch dargestellt wurde. Um ihn zu beruhigen, erfüllte ich seine Bitte. Ich fuhr nach Niederwürschnitz und kehrte im ›braven Bergmann‹ ein. Die sehr glaubhafte Erzählung des Wirthes lautete dahin, daß der Onkel überfahren worden ist. Ich erwähnte die Stelle in den ›Dresdener Nachrichten‹. Er bat mich, dafür zu sorgen, daß sie widerrufen werde, da sein Haus in ein sehr schlimmes Renommee gerathen sei. Namen und Stand zu verleugnen, hatte ich nicht die geringste Ursache. Habe ich einen Namen genannt, so ist es sicher kein anderer als der meinige gewesen. Nur meine Verwandtschaft mit dem Todten habe ich nicht in Erwähnung gebracht. [Amtlicher Vermerk auf Bl. 14 unten: Chemnitz] |
74
|
Blatt 14 b
Auf die Anregung des Wirthes, daß ich dort ganz dasselbe erfahren werde, ging ich noch nach einer im nahen Neu-Oelsnitz gelegenen Restauration, deren Name mir entfallen ist. Es waren mehrere Gäste da, sie saßen bei Schnaps und Bier, gehörten dem unteren Stande an und schienen sehr animirt zu sein. Es giebt sehr viele demokratische Elemente unter der dortigen Bevölkerung, und das Local machte ganz den Eindruck einer Socialistenkneipe.
spräches, sie sind aus dem Zusammenhange gerissen und zugespitzt gegen mich gerichtet worden. Solcher Ausdrücke kann sich meiner Ansicht nach kaum ein Betrunkener bedienen. |
75
|
mein Onkel, und meine Erkundigungen geschahen aus rein persönlicher Theilnahme. Zwar bin ich, wie ich nicht zu leugnen vermag, bereits gerichtlich beanstandet und bestraft, aber ich habe das unter Kampf mit schweren Hindernissen durch angestrengte Arbeit und treue Pflichterfüllung vergessen zu machen gesucht und mich zu einer Existenz emporgerungen, welche mir die Segnungen der Loyalität in so deutlicher Weise zu erkennen giebt, daß ich mich von jedem ungesetzlichen Schritte streng fern zu halten bemühe. Indem ich mir die Hoffnung gestatte, daß vorliegende Zeilen eine freundliche Berücksichtigung finden werden, zeichne ich |
|
Mit Hochachtung und Ehrerbietung |
|
Strießen-Dresden, den 20/6 1878 |
|
Karl May |
Terugblik van een oorlogsveteraan (hieraan volgend) |
76
|
|
77
ERDENLEID
Siehst du das Leid der Erde so denke nicht, es werde schon morgen wieder gehn. Es wird das Leid der Erde aus Liebe dir gesandt, daß es dein Führer werde hinauf ins Vaterland. Es bleibt das Leid der Erde dir treu, solang du lebst, damit errungen werde, der Sieg, den du erstrebst. So nimm das Leid der Erde gern auf als Kamerad, daß es zur Freude werde, wenn sich der Himmel naht! |
78
Rückblicke eines Veteranen am Geburtstage Sr. Majestät des Königs A l b e r t von Sachsen |
Horch! klingt das nicht wie ferner Schwerterklang? Gedicht verschenen in Der Kamerad, mili- tair tijdschrift, d.d. 24 april 1875. Het is wel aardig te be- denken dat May nooit in militaire dienst is ge weest. |
Hell klingt das Wort, hell leuchtet auch der Stahl, |
79
WAFFENTATEN
Wer seid denn ihr, die ihr die Säbel schwingt, | Dit gedicht van veel later tijd als de Rückblicke eines Veteranen, stamt uit de nalatenschap van de dichter die overleed in 1912. |
Uit het werk van Karl May blijkt zeer duidelijk dat de auteur een ijveraar voor vrede was. Ik wil dit nog eens duidelijk stellen omdat er wel eens stemmen klinken van mensen die menen dat Karl een soort militarist zou zijn geweest. Vooral uit de in dit werkje opgenomen gedichten mag meen ik het tegendeel toch duidelijk blijken. May was zeer vaderlandslievend maar was vrij van elke smet L29 van militarisme, getuige mede zijn Und Friede auf Erden! Men hoort wel eens mensen die weten te vertellen dat May behalve dat hij nog nooit in het buitenland zou zijn geweest, er in de gevangenis zou hebben gezeten ook nog de mees geliefde auteur van Adolf Hitler zou zijn geweest.
Adolf Hitler, de Duitse Rijkskanselier en Führer van het Duitse volk zou zijn romans als bed-literatuur hebben benut. Ook schijnt de Führer in 1912 in Wenen aanwezig te zijn geweest bij de voordracht van May in de Sophiazaal. L30 Mij lijkt het dat een auteur er toch moeilijk voor verantwoordelijk kan worden gesteld wie zijn boeken leest. Het sterke punt in al Mays publicaties is juist het menselijk element, datzelfde element wat in het levenswerk van de Duitse dictator zozeer ontbrak. Geen militarist dus maar ook geen pacifist in de klassieke zin des woords. Eenzijdige ontwapening dáár ging het hem niet om.
Het ging hem om het kweken van een andere gezindheid m.b.t. het regeren door middel van het zwaard. Hij was ook voorstander van een Frans-Duitse toenadering in een tijd toen dat nog als landverraad werd ervaren. Wel was hij voorstander van de totstandkoming der Duitse Eenheidsstaat en aanhanger van de politiek van Bismarck. Zulks mede omdat zo in zijn ogen een staat van sociale rechtvaardigheid tot stand zou kunnen komen.
Het gedicht van de terugblikkende oorlogsveteraan uit 1875 gelieve men met enige mildheid te bezien. |
Hij had toen als verblijfplaats het daklozenasyl te Wenen en woonde de voordracht op geleende schoenen bij. 112 |
80
Hoofdstuk 5. De colportageromans voor Münchmeyer (1879-1887)
De volgende zeven jaar vormen wellicht de periode met de grootste gevolgen in MayIs leven.
Ik was al beroemd - zo ziet May zijn positie later - mijn reisverhalen verzekerden mij een rijkelijk inkomen; mijn Erzgebirgische Dorfgeschichten brachten mij goed geld in, en de Franse vertaling van mijn verhalen werd zeer goed betaald.
Toch is het maar een moeizaam schrijversbestaan dat May weet op te bouwen, zolang hij nog redacteur was ging alles redelijk maar met schrijven als hoofdberoep blijkt van een matig gouden bodem.
Eind 1879 biedt de Deutscher Hausschatz, toonaangevend Katholiek familieblad, May een vast verdrag aan. Uitgever Pustet 113 laat hem door zijn redacteur Venanz Müller 114 mededelen dat hij bereid is al zijn manuscripten te verwerven.
Hij zou direct betalen: Dat zag er aantrekkelijk uit en May heeft de achtbare firma op latere leeftijd zelfs dan nog geprezen toen voor het tegendeel alle reden aanwezig was. Toch zijn de financiäle condities niet om over naar huis te schrijven.
20 Mark per blad. Met de Reisherinneringen uit het Turkenrijk Giölgeda Padishanün en de voortzettingen ervan Reisavonturen in Koerdistan en De dodenkaravaan I verdient May bij onafgebroken schrijven van januari 1881 tot juni 1882 in totaal 1840 Mark. De beide door keihard werken tot stand gebrachte romans Scepter und Hammer en Die Juweleninsel leveren May tot 1881 niet meer op dan een zeker bestaansminimum dat door de onvermoeibaar vervaardige Humoresken en Erzgebirgische Dorfgeschichten slechts licht wordt verbeterd.
Dan komt hij in de zomer van 1881, met zijn vrouw in Dresden verblijvende, wederom in contact met Münchmeyer.
Overeenkomstig de wens van mijn vrouw ging ik s avonds, het was in de schemering, met haar het mij bekende stamcafe van Münchmeyer in, in het Rengersche tuinrestaurant op de Plauensche Platze alhier. Toen wij dit restaurant betraden zag ik Münchmeyr als enige gast aan een tafel zitten, het hoofd op de armen gesteund, met de rug naar de ingang. Hij zat daar als een mens dat met zware zorgen te kampen had. Ik maakte mijn vrouw op hem opmerkzaam, ging achter hem staan, hield hem beide handen voor de ogen en liet hem raden wie ik was. Münchmeyer herkende mij direct aan mijn stem. Hij was zeer verheugd me weer te zien en mijn vrouw te leren kennen; hij begroette mij met de woorden: de goede God heeft haar mij gestuurd.
Op aandringen van zijn vrouw besluit May, mede uit een soort misplaatst schuldgevoel zich destijds van Münchmeyer te hebben gedistancieerd, weer voor deze te gaan schrijven.
Münchmeyer verschijnt s morgens in alle vroegte in het hotel waar de Mays verblijven. Emma is nog niet op. Het gesprek met Münchmeyer vindt derhalve onder vier ogen plaats. Er wordt geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt.
Hij zei dat we beiden eerlijke mannen waren en elkaar nooit zouden bedriegen. Het zou voor hem als een belediging klinken, van hem een handtekening te verlangen.
Reeds de vastgestelde voorwaarden zijn alarmerend eerlijk: 100 tijdschriften van elk 24 bladzijden zal de gewenste roman omvatten; 20.000 stuks mag Münchmeyer drukken; daarvoor betaalt hij de auteur een tijd-
81
schrift honorarium van 35 Mark; hierna vallen de rechten aan May terug die bovendien nog een fijne gratificatie zal ontvangen.
Bij een bruto-omzet van 200.000 Mark betaalt hij de auteur 3.500 Mark. Nogal magertjes derhalve.
Nauwelijks naar de marktwoning in Hohenstein teruggekeerd begint May met vlijt de dienst voor beide heren. Want ook de Hausschatz-verplichtingen lopen door. Het begin van de nieuwe jaargang IX brengt in oktober 1882 het tweede deel van de Todes-Karavane, dan Damaskus und Baalbek
en tot maart 1883 het vervolg Stambul: alle reisverhalen.
Van het colportage-front komen inmiddels gunstige berichten. De roman, dat is Das Waldröschen oder die Verfolgung rund um die Erde", onder het pseudoniem Capitän Ramon Diaz de la Escosura geschreven, lóópt. Dat de roman onder pseudoniem zou verschijnen was een van Mays voorwaarden. Op 7 april 1883 verhuist het echtpaar May naar Dresden-Blasewitz, Sommerstrasse 7.
Veilig voor Münchmeyer is hij daar zeker niet want deze laat zich niet ontnemen al zijn zondagen bij ons door te brengen. Toen hem dat niet meer voldoende was huurde hij zich een woning in Blasewitz in onze nabijheid om het mogelijk te maken vaker dan slechts eenmaal per week bij ons te zijn.
Emma May en Heinrich Münchmeyer kunnen het goed met elkaar vinden. Zij was barbiersdochter geweest en innerlijk gebleven. Hij was timmergezel geweest en innerlijk gebleven, echter Gezegd moet hierbij zijn dat de dweperij van Münchmeyer en mijn vrouw niet tot dingen geleid heeft die ik als echtgenoot zou hebben moeten verbieden.
Zo verschijnt de tweede reuze roman Die Liebe des Ulanen (Wollschläger keurt natuurlijk - zoals hij alles beziet door een negatieve bril - ook het schrijven van de colportageromans af, hij spreekt ervan dat May zich bewust zou zijn geweest zich door het schrijven van deze romans, in een taal die steeds dwazer en kitschiger zou worden, de hand te hebben bedorven. Ik vind dat het met die dwaasheid en kitsch nogal meevalt, de boeken worden nog steeds gelezen en mag het misschien als je nauwelijks brood op de plank hebt. Nee, er deugt in dit Duitse standaardwerk van May niet veel) nu onder eigen naam in jaargang VIII, oktober 1883 tot september 1884 van Münchmeyers Deutscher Wanderer.
Ik werkte toen meer dan vlijtig, dikwijls wekelijks twee of drie nachten door. Deze rusteloze vlijt maakt het me mogelijk te vergeten dat ik me in mijn levensgeluk vergist had en nog veel, veel eenzamer leefde dan het voordien ooit het geval geweest was.
Een geestelijke uitwisseling was met Emma Pollmer onmogelijk.
Gelukking weet Herr Wollschläger ons te berichten dat er met May ook nauwelijks iets geestelijks viel uit te wisselen.
Ik had weliswaar een huis schrijft May, maar geen echt tehuis. Emma plaatst in een Dresdener dagblad een advertentie waarin zij een vriendin zoekt:
Toen ik de uitverkorene te zien kreeg, was het een Berlijnse met een zeer fraaie buuste die echter niet geheel echt scheen en met een zeer poëtisch klinkende naam die ik echter niet voor de juiste hield. Zij kwam zeer dikwijl bij ons; zij at bij ons. Ze bracht een oom mee, die ook mee at. Toen deze niet meer kwam bracht ze een bruidegom mee, die ook mee at. Hierop kwam de oom toch weer en zag de bruidegom. Dat gaf een scène. Ik gooide ze er allemaal uit .... 115
82
|
Blz. 88. 116 Karl May en zijn vrouw Emma, geboren Pollmer. |
83
84
Het was daar bij May thuis een soort zoete inval waar de meest merkwaardige figuren werden ontvangen die ook vrijwel allen in de Münchmeyer-romans hun plaats kregen toebedeeld. We kunnen de daarin voorkomenden derhalve als uit het leven gegrepen omschrijven, we kunnen alleen, en dit geldt natuurlijk evenzeer de Reisavonturen niet meer precies vaststellen: Who is who.
Wie May niet de deur uitwerpt zijn bijvoorbeeld Frau Dietrich 117 met haar vijf kinderen en Frau Jäger 118, de oudste dochter van Münchmeyer of het veruit kwalijkste exemplaar De jonge, dikke vrouw van een oude heer die haar de koosnaam konijn had gegeven om aan te duiden wat hier op deze plaats niet aangeduid mag worden. Toen hij stierf huwde zij snel weer en steeds meer zodat haar naam nu aldus te schrijven is: Frau Louise Achilles, weduwe Frau Louise Häussler, weduwe Frau Louise Langenberg, weduwe Frau Louise Hübner, geboren Louise Schmidt 119.
Dat hij in het voorjaar 1884 opnieuw verhuist naar de Prinzenstrasse 4 om de eindeloze rij mee-eters en hun verwanten te ontlopen helpt slechts weinig.
Zo is er dan voortaan door de week rust, echter de zondagen worden als tevoren met Münchmeyer tesamen doorgebracht met uitstapjes naar de Dresdener heide, naar de Weide van Hof 120, Langebrück, Kozsche etc.
De rust wordt benut om in de herfst van 1884 de draad weer op te nemen van het verhaal Giölgeda Padisharün voor de Deutscher Hausschatz in Wort und Bild echter in de volgende jaren blijven de bijdragen tot kleine leveringen beperkt, May is de draad kwijt.
Vijf grote colportage-romans verschijnen bij Münchmeyer tot 1887. Vanaf Die Liebe des Ulanen ontvangt May 50 Mark L31 per tijdschrift: Herr Münchmeyer verlaat de zijnen niet.
Vijf dikke romans overeenkomstig 513 tijdschriften met 12.390 bladzijden vormen de aanloop tot zijn grote beroemdheid.
In het voorjaar van 1887 verhuist May opnieuw, naar de Schorrestrasse 31 waar het contact tussen Emma en Pauline Münchmeyer normaal wordt voortgezet.
May zelf verwijdert zich meer en meer uit het colportage-milieu.
In de zomer van 1887 breekt hij zijn zesde roman Delilah af en verbreekt de band met Münchmeyer.
Een schamele beloning vergeleken bij de winst van de uitgever. Vroeger kwamen de schrijvers wat de financiën aangaat er al helemaal niet aan te pas. |
85
86
Hoofdstuk 6. Jaren van roem (1887-1895)
Op 1 januari 1887 verschijnt het eerste Cahier van Spemanns Illustrierter Knaben-Zeitung: Der Gute Kamerad, waarin tot september 1887 Mays De zoon van de berenjager verschijnt.
Het is een ontegenzeggelijk fris en uitstekend geredigeerd blad dat het opvoedingsbegrip van die tijd aanmerkelijk vooruit is. Met energie wijdt hij zich aan de bijdragen die uitgesproken voor de jeugd bestemd moeten zijn: belerend, zonder droog te zijn, spannend en toch niet oppervlakkig, kortom alles wat hem naar beste weten opvoedkundig schijnt.
Op 6 september 1888 sterft Mays vader Heinrich August May. Na de dood van zijn moeder op l5 april 1885 ondersteunde May hem zo goed mogelijk. Steeds gedenkt hij zijn ouders met een zeker schuldgevoel. Zijn ze gestorven dan heeft het kerkhof het beste deel van het kind ontvangen en geen ziel op aarde meent het met hem weer zo goed en trouw als de overledenen. 121
Na afsluiting van het vervolg van de Berenjager: Der Geist der Llano estakata brengt May in de zomer 1888 enige weken door in Ossiach am See (Kärnten); daar ontstaat het derde Kamerad-verhaal: Kong-Kheou, das Ehrenwort. 12 oktober 1888 huurt hij zich de Villa Idylle in Kötzschenbroda, Schützenstraße 6 en op 2 december komt uit Stuttgart het bericht binnen dat het de wens is van de heer W. Spemann, de heer Dr. Karl May als vaste medewerker van zijn uitgeverij te winnen.
De Gute Kamerad verplicht zich over alle manuscript-inzendingen van May direct te beslissen, voor de geaccepteerde direct een interim-honorarium te betalen en de definitieve afrekening bij de aanvang van de druk te doen plaatshebben. Inkomsten: 4 Mark per kolom.
De verhouding tot Emma was inmiddels door de breuk met Münchmeyer niet verbeterd.
Toneelspelers, zangers, vrolijke kunstenaars, allerlei rondtrekkend volk moest bij mij verkeren. Daar wilde zij heersen; daar wilde zij als koningin gelden, daar wilde zij geliefd zijn en liefhebben. 122
Mays leven verloopt ook in deze jaren van stijgende roem eenzaam als tevoren.
Ik had moeten inzien dat er voor mij geen ander geluk in het leven was als slechts dat, hetwelk uit het werk voortvloeit. 123
Steeds weer verhuist hij: in het voorjaar 1890 naar Nieder-Lößnitz (Lößnitzstraße), in het voorjaar 1891 naar Ober-Lößnitz (Nizzastraße, Villa Agnes), voor bezoekers is hij zoveel mogelijk op reis.
De enige goede kennissen zijn de families Plöhn in Radebeul en Seyler in Deidesheim. Richard Plöhn (1853-1901) 124 was de stichter en bezitter van de Säksische verbandstoffen-fabriek in Radebeul.
Handelsraad Emil Seyler (1845-1926) 125 was bezitter van wijngaarden bij Deidesheim, Ruppertsberg en Forst.
Bij Seyler zijn het de vijf dochters, de orgelpijpen die hij onvermoeibaar geschiedenissen vertelt en schertsgedichten toestuurt.
Klara Plöhn (1864-1944), dochter van de Dessauer Heinrich Beibler (1789-1880) en Wilhelmine Höhne (1837-1909) houdt hij omstreeks deze tijd voor een Gansje, niet helemaal zo groot als mijn eigen gans, doch geestelijk onbeduidend 126 een mening welke hij op latere leeftijd aanzienlijk heeft gewijzigd daar ze mij in de zwaarste periode van mijn leven een ware engel geweest is. 127
87
De lucht van het Hausschatz-front is inmiddels wat bewolkt geraakt. Weliswaar is het Katholieke familieblad in Heiligheid toegenomen maar dat zulks uitsluitend aan May te danken zou zijn dáár wil de, inmiddels onder leiding van Heinrich Keiter (1853-1898) 128 gekomen, redactie niet aan.
Keiter schrijft ook en heeft veel schrijvende bekenden.
Zo begint de XVe jaargang van 1888/1889 met de verklaring: Onder onze lezers is strijd ontstaan over de romans van de reisverhalen-auter Carl May. Terwijl de ene partij zich in brieven bij de redactie beklaagt dat de romans zon grote ruimte innemen die veel kostbaarder zou kunnen worden gebruikt, verlangt de andere in niet minder krasse bewoordingen dat in de nieuwe jaargang direct weer met een verhaal van Carl May wordt begonnen.
Daar is de redactie dan toch gedwongen de gulden middenweg in te slaan om beide partijen recht te doen.`48;
Artikelen van de hand van de heer Hermann Cardauns 129, H. Kerner(= al weer de heer Cardauns) en M. Herbert (= Frau Therese Keiter) 130 worden opgenomen. Dan volgt Mays Scout.
Vervolgens de twee-delige Sendador (Jaargangen XVI/XVII-oktober 1889 tot september 1891), daarna Das Vermächtnis des Inka (voor de Gute Kamerad).
In de Hausschatz volgt dan de twee-delige Mahdi (XVIII/XIX-1891-1893) en Die Felsenburg (XX-1893/1894). Over het vervolg daarvan: Kruger Bei, komt het tot een openlijke breuk met Keiter; deze heeft namelijk eenvoudig het rode potlood genomen en van de 1210 bladzijden handschrift zonder enige waarschuwing 440 paginas geschrapt.
In verband hiermede stopt May in 1895 met de verdere levering van manuscripten en ontzegt de Hausschatz zijn verdere medewerking.
Pustet (de uitgever) probeerde mij schriftelijk van mening te doen veranderen, doch tevergeefts. Dan kwam hij, de oude heer, persoonlijk. Dat was roerend, had echter ook geen resultaat. Dan stuurde hij zijn neef, geheel vanzelfsprekend met hetzelfde negatieve resultaat want beiden waren het toch niet die zich aan mijn rechten vergrepen hadden. Daar kwam de goede, Heinrich Keiter zelf ..... 131
May werkt voortaan weer mee maar Keiter blijft zijn vijand. Inmiddels werkt hij als auteur die zich de K van Katholiek heeft laten aanmeten mee aan de Maria-Kalender van Benziger en Co. (Verlag der Gesellschaft des göttlichen Heilandes) 132 welke Firma als reclame voerde dat het blad in de voorkamer van de Heilige Vader zou zijn geschapen: deze had bij het zien ervan viermaal dat is goed gezegd en direct zijn schriftelijke zegen gegeven: te lezen in jaargang 1876. Verhalen ontstaan als Christus oder Muhammed (1891), Maria oder Fatima (1894), Er Raml el Helahk (1896).
Een poging om te komen tot boekuitgaven was door Spemann 133 reeds in 1888 overwogen en twee jaar later voorzichtig begonnen. Maar in 1891 meldt zich de uitgever Friedrich Ernst Fehsenfeld (1853-1933) 134 met wie May in zee gaat:
Ik zeg U, de namen Fehsenfeld en May zullen in de geschiedenis zo diep ingegraven zijn, dat wij rustig kunnen sterven en toch verder zullen leven. 135
Een contract wordt opgesteld dat tot beider tevredenheid uitvalt. Fehsenfeld ontvangt van May een brief, bevattende het volgende gedicht:
88
Im lieben, schönen Lößnitzgrund Die schlossen einen Freundschaftsbund, Gehn niemals auseinander. Der Eine schickt Romane ein, Der Andre läßt sie drucken, Unds Ende wird vom Liede sein: s wird Beiden herrlich glucken! |
89
90
Oskar May Fuchs (1873-1954), Geweermaker.
Vervaardiger van Berendoder en Zilver-
buks. Opname uit 1920. In zijn arm de
met zilveren nagels beslagen Zilverbuks.
|
|
91
92
Hoofdstuk 7. Preken tot de volkeren (1890-1899)
Mijn lezers drongen om fotos, ik liet me daarom een vereerder (natuurlijk fotograaf) komen die 101 opnames van me gemaakt heeft. Hij wilde zaak zelf uitgeven .. De heer die deze zo nuttige gedachte ten uitvoer brengt is Adolf Nunwarz uit Urfahr-Linz 140. Op 24 juni 1896 komt de overeenkomst
tot stand. Visitekaartjes worden gedrukt, het incognito is ten einde: Dr. L32 Karl May/genoemd Old Shatterhand/Radebeul-Dresden/Villa
Shatterhand. Op 14 januari 1896 betrekt hij villa Shatterhand te Radebeul, Kirchstrasse 5 in eigendom. Naar zijn persoonlijke omstandigheden komen steeds meer vragen. Met de nodige fantasie wordt het: zijn grootmoeder stierf in de leeftijd van 96 jaar, hijzelf was driemaal blind geweest en moest driemaal geopereerd worden, getrouwd is hij ook maar nog niet lang en dat kan ik dan ook van harte zeggen: zeer gelukkig (dit in een tijd dat hij meer buitens- dan binnenshuis vertoefde). Zijn gevangenistijd blijkt een donkere periode tijdens welke hij zijn buitenlandse reizen zou hebben gemaakt: Ik heb de landen werkelijk bezocht en spreek de talen der betreffende volkeren en; ook zonder dit te weten moet en zal ieder vakman opmaken dat ik zulke studies onmogelijk in de studeerkamer gemaakt kan hebben. De gestalten welke ik breng (Halef Omar, Winnetou, Old Firehand) hebben geleefd of leven nog en waren mijn vrienden ....
In Old Surehand (1896) merkt hij op wil een boek zijn doel bereiken dan moet het een ziel hebben, namelijk de ziel van de schrijver. Is het bij toegeknoopte jas geschreven dan wil ik het niet lezen. 141
Wollschläger vermeldt dan nog eens de grote gelijkenis tussen Old Shatterhand en May in Weinacht, een boek geschreven in de zomer van 1897 in Birnai aan de Elbe: in Hotel-restaurant Herzig laat May een kamer leegruimen, omgeeft zich met talloze landkaarten en schrijft dag en nacht bij petroleumverlichting, binnen korte tijd is het boek klaar L33. In de Hausschatz verschijnt in juni het Ave Maria, gedicht en compositie voor mannenkoor door Dr. Karl May, het volgend jaar ook bij Fehsenfeld.
De aan zijn edelste vriend in zijn graf meegegeven zilverbuks hangt tot verbazing van de bezoekers naast zijn schrijftafel, hij laat het boek corrigeren. Winnetou, zo schrijft hij aan een vereerster 142 werd geboren in 1840 en werd neergeschoten op 2 september 1871. Hij was nog voortreffelijker als ik hem beschrijven kan.
Zelfs haren van Winnetou besteedt hij aan de reliqui-hongerige gelovigen: paardeharen zijn het zo blijkt.
Als een gravin Cabura (Slavonië) 143 geërgerd is dat Winnetou als zondige heiden is heengegaan en aanvraagt waarom hij dan niet van de Katholieke Dr. Shatterhand de nood-doop ontving, antwoordt May dat hij die ook inderdaad gegeven heeft maar daarvan in de roman niet heeft gewaagd om niet van Protestantse kant te worden aangevallen.
Zijn eigenlijke religeuze behoefte bevredigt May met behulp van het Spiritisme, waartoe hij zich zowel bekend als gedistancieerd heeft. In het huis vonden regelmatig spiritistische seances plaats aldus een vriendin van Emma Pollmer.
Karl May voerde een niet-erkende titel. |
Een andere bron vermeldt dat hij het thuis schreef. |
93
Een zekere heer Pfefferkorn (dikke Jemny) 144 zou ze hebben ingevoerd. Pfefferkorn was een oude schoolvriend van May die het in Lawrence, Massachusetts (USA) tot een arts van aanzien gebracht had en die in 1896 met zijn vrouw in Villa Shatterhand op bezoek was.
Ook de bekende Anna Rothe 145 - een veel geraadpleegd Dresdener medium - zou soms bij deze zittingen aanwezig zijn geweest. Klara Plöhn was schrijfmedium. Plöhn en May zouden er meest wat spottend bij gezeten hebben. Sinds Pfefferkorns beleringen verschijnen hen zijn beschermengelen en verwanten steeds vaker, aldus Wollschläger: terwijl ik hier aan mijn tafel zit en deze regels neerschrijf ben ik er volledig van overtuigd dat mijn onzichtbaren rondom me zweven en mij, op de manier van een schrijver uitgedrukt, de pen in de inkt dopen 146 Direct door het spiritisme
beïnvloed is Am jenseits verschenen in 1899 147: Men begint nu eindelijk in te zien dat Karl May geen Indianenverhalen maar Preken aan de volkeren schrijft ... 148. Het boek blijft onvoltooid. De voortzetting Im Jenseits die May nog lang hierna belooft en die zelfs de blindheid de ogen moet openen is nooit tot stand gekomen.
Omstreeks deze tijd staat May op het toppunt van zijn roem. In grote getale melden zich lezers, dan wel zij schrijven of staan voor de huisdeur.
Zelfs vorstelijke personen komen of nodigen hem uit: de prinses van Schönburg-Waldenburg 149 laat hem met een rijtuig van het station afhalen en May passeert met gemengde gevoelens - zo weet Wollschläger ons althans te berichten -de oorden uit zijn verleden.
De dagelijkse roem kost hem veel tijd en geld (500 brieven welke ik nu hier ter beantwoording heb liggen .... 150). In Freude und Leiden eines Vielgelesenen (oktober 1896 in de Deutscher Hausschatz) flakkert nog iets van de ironie waarmee hij zijn lezers beziet.
De Hausschatz wordt weer eens onvriendelijk en deelt hem mee er door derden op te zijn gewezen dat hij in de jaren 1883/1887 voor H. G. Münchmeyer romans van minderwaardig allooi zou hebben geschreven.
May antwoordt op 16 juli 1897: Ik zal de uitgeverij boekhandel Münchmeyer gerechtelijk laten vervolgen en u het resultaat mededelen. Noch met het eerste, noch met het laatste loopt het echter zon vaart.
In de tachtiger jaren had May bij Münchmeyer nog verkeerd als literarischer Aufsichtsrat (een soort commissaris van toezicht op literair gebied). Uit wat Wollschläger hier verder over schrijft maakt ik op dat de firma wel met May tot een akkoord wilde komen en graag een nieuwe roman had tegemoet gezien maar dat May zijn colportage-romans bezag als voortspruitend uit een Sturm und Drang-periode waar hij niet meer mee van doen wilde hebben. L34
In de herfst van 1898 zegt May telegrafisch zijn medewerking aan de Hausschatz op en verlangt de reeds ingezonden manuscripten van Im Reiche des silbernen Löwen L35 terug.
Toppunt van macht: begin 1898 verblijft May op hoge uitnodiging vijf weken in Wenen 151. De echtgenote van de Oostenrijkse troonopvolger 152 treedt hij tegemoet met de woorden: Keizerlijke hoogheid, moet ik als cowboy of als schrijver het onderhoud voeren? De aartshertogin besloot voor het laatste.
Uit deze opstelling zijn tenslotte de latere moeilijkheden voortgekomen. |
Voor deze roman ontving hij zijn niet-erkende titel. |
94
Bij het afscheid vroeg May haar voor hem te willen bidden. Intussen verscheen in de kranten het bericht dat May waanzinnig was geworden: een dienstbode had dit niet zeer heugelijke bericht in omloop gebracht omdat May zich destijds oefende in de nogal gehorige Namaqua-taal maar dat wist ze niet. Voor het overige: Ik spreek en schrijf .... (volgt een opsomming van een groot aantal talen). Rond veertig vreemde talen zou hij gesproken hebben.
0ok zou hij Doctor in de filosofy zijn: hij noemt zich reeds 20 jaar zo, de zwakte van zijn Duitse naaste wel kennende. In oktober 1898 vordert hij zelfd de drukproef van het Radebeuler adresboek: Ik ben niet in het bezit van een door een Duitse universiteit verleende doctor-titel, daarentegen is mij de doctorstitel in Rouaan in Frankrijk verleend Verder verluidt: dat hij grote reizen ondernomen had, o.a. lang in China geweest was en daarbij een aan de doctors-titel gelijke of nog hoger staande waardigheid verworven had Amerika heeft hij meer dan twintig maal bereisd, vertelt hij in München waar hij begin juli 1897 urenlange voordrachten houdt in de eetzaal van hotel Trefler 153 voor honderden toehoorders.
Daar verstaat hij meer dan 1.200 talen en dialecten - de verering neemt zulke vormen aan dat de brandweer moest verschijnen om de vereerders met een waterstraal te verspreiden: Ik ben echt Old Shatterhand respectievelijk Kara Ben Nemsi en heb beleefd wat ik vertel ....
Uit brieven aan lezers: U bent de grootste schrijver van Duitsland [die zou ik zelf wel hebben willen schrijven! v.L.], U bent een groot theoloog, Moge de heer u nog lang laten reizen en verhalen, U lectuur is tegelijk ontspanning en opvoeding, vooral voor een geestelijke.
Ik zal de dood van uw 0ld Wabble op de kansel brengen om in mijn kudde berouw te wekken zo schrijft een andere dominee.
Ik werd beter door het lezen van uw heerlijke geschriften.
Van de vele citaten wil ik dan tot slot deze nemen: Sinds wij uw werken gelezen hebben zijn wij geen sociaal-democraten meer.
95
|
|
96
Paardehaar en Winnetou ....
Es schien ihr vor allen Dingen um den Gesamteindruck zu tun zu sein. Dabei machte sie dann und wann eine Bemerkung, die mich aufhorchen ließ. In diesem Mädchen schien ein seltsames, ungewöhnlich reiches Seelenleben zu pulsieren! Einmal hätte ich beinahe verraten, daß ich ihr aufmerksam zuhörte. Sie nannte nämlich meinen Namen. Pagina uit ...... Friede auf Erden 156. |
|
97
Hoofdstuk 8. De reis naar de Oriënt en de verwikkelingen met uitgever Fischer (1899-1900)
Zevenenvijftig jaar oud is Karl May als hij besluit ook metterdaad een bezoek te brengen aan het land der Arabieren. 50.000 Mark zal de onderneming kosten. De pers is op de hoogte gesteld en een testament gemaakt. Reizen was vroeger toch kennelijk een wat gewaagdere onderneming als tegenwoordig. Hij wil voor heden en toekomst bewijzen dat zijn boeken niet in de studeerkamer ontstonden. Vanaf Dresden, waarvandaan hij op 26 maart 1899 vertrekt, wordt hij begeleid door zijn vrouw Emma (Pollmer) 157 en het echtpaar Plöhn. De reis gaat via Frankfurt, Freiburg, Lugano, Como, Milaan, Padua en Genua. Op 3 april 1899 stapt hij op de boot na een moeilijk afscheid. Met de Preussen van de Korddeutsche Lloyd vaart May over Rome, Napels en Messina naar Port Said waar hij op 9 april in hotel Continental zijn intrek neemt. Op de 14e is hij in de veelbeschreven Poort van de Orient: Cairo, waar hij zes weken verblijft. Naar Sakkara, Bedraschen en Heluan voert hem een rit durch die Wüste (naar de gelijknamige Duitse titel van een zijner romans welke zich afspeelt in het Midden-Oosten) op 19 en 20 april.
K
98
99
De 29e komt hij in Jeruzalem aan waar hij drie weken blijft. Inmiddels is in juni 1899 het thema Karl May in Duitsland door de Frankfurter Zeitung aangegrepen n.a.v. een bericht in de Beierse Koerier dat Mays geschriften van de middelbare scholen zouden zijn verbannen omdat zijn fantasie voor de jeugd zo gevaarlijk is. De Frankfurter Zeitung was o.a. van oordeel Wij houden dus de gehele Karl May literatuur voor een weinig verheugend cultuurverschijnsel. Als we dan toch over kritiek spreken: May moet niet denken dat hij tegelijkertijd voor Jules Verne 161 en de apostel Paulus 162 kon spelen zo merkte een tijdgenoot-criticus, de hoofdredacteu van de Keulse Volkscourant Hermann Cardauns (1847-1925) 163 op. Deze Cardauns, die aan May de raad geeft om, zo mogelijk, zijn stijl te verbeteren heeft als medestander de feuilleton redacteur van eerder genoemde Frankfurter Zeitung Fedor Mamroth 164.
|
|
|
|
|
|
100
May, die inmiddels van de aantijgingen in de pers heeft kennis genomen, besluit niettemin nog een aantal andere plaatsen aan te doen. Zijn vriend Richard Plöhn stelt zich inmiddels in de Dortmunder Tremonia waarvan de hoofdredacteur inmiddels van tal van ansichtkaarten is voorzien, tegen de aantijgingen teweer 165.
Op 2 september 1899 begeeft May zich met de Dakalije van Jaffa naar Port Said, van daaruit naar Suez (waar hij zich de nicotine ontzegt, in Kaïro was hij reeds vegetariër geworden) en op ll september met de Gera naar Aden waar hij op 15 september aankomt. Wat hem dan bewogen heeft bij 51 graden Celcius weer voor een week naar Massaua terug te varen is moeilijk te verklaren.
Laat U die leugenaars toch kletsen! Mij stoort dat niet in het minst! Belachelijke bemoeizucht van onmachtige geesten (Cardauns en Mamroth)
Anders niets ..... schrijft hij vanuit dez plaats aan zjn uitgever Fehsen feld van Aden uit gaat het naar Colombo (20 september-6 oktober 1899). Overal heerste de pest; ook in Bombay mag hij niet aan land. In Colombo blijft hij drie weken en schrijft gedichten.
In een serie van 22 kaarten schrijft hij aan de Tremonia Nu komt een mededeling welke U waarschijnlijk zal interesseren. Plaats, tijd en dergelijke verzwijg ik. Het gaat om de ontdekking van een rijk uitgestrekt goudveld ... Natuurlijk doet deze vondst de ronde door allerlei kranten enr wordt smakelijk om gelachen. Cardauns merkt lakoniek op dat te vrezen valt dat de heer May dit geheim mee in het graf zal nemen.
Op 28 oktober gaat het met de Vindobona naar Penang en van daaruit met de Coen op 4 november naar Ulehleh, Kota Radja en Padang: Het is hier zo heerlijk dat ik gisteren mijn vrouw, de u bekende heer Plöhn in Radebeul en zijn echtgenote getelegrafeerd heb, dat zij direct naar Port Said moeten kamen, waarheen ik voor morgen ook de boot genomen heb om hen hierheen te halen en hun dit paradijs te tonen.
Deze terugreis met de Bromo duurt 18 dagen; in Port Said moet May voor de tweede maal in quarantaine. Emma en de Plöhns zijn niet gekomen. Ik telegrafeerde naar huis; zij was afgereisd. Ik wachtte tot het volgende schip; zij kwam niet. Ik schreef en telegrafeerde naar alle plaatsen waar ik haar vermoeden kon. Eindelijk vernam ik dat ze aan de Riviera was, maar waar, dat wist men niet. Nu ging ik met een Engelse stoomboot naar Marseille en liet van daar uit de telegrafen spelen. Op 17 december, kort voort kerstmis, vindt hij de drie dan in Arenzano: Plöhn, sinds lang nierlijdend, is in Milaan ziek geworden.
De verhouding tot zijn vrouw Emma is intussen ernstig verstoord. Weliswaar schreef May zijn vrouw dikwijls en stuurde haar ook geschenken maar bij het weerzien wordt de afstand onaangenaam duidelijk. Voor een reis naar Egypte voelt zij weinig.
Op 15 maart 1900 breekt het gezelschap op van Arenzano; na een kort oponthoud in Pisa gaat het voor een week naar Rome en nog een week naar Napels.
Begin april varen ze naar Port Said. De l0e april zijn ze in Caïro, Van langere excursies van daaruit is echter geen sprake, dit in tegenstelling
tot de beweringen van Klara Plöhn (de latere Klara May dus!).
Eind april reizen ze weer af van Port Said naar Jaffa en nogmaals worden twee maanden lang alle heilige plaatsen bezocht.
Het slot van de reis voert op 18 juni 1900 over Cyprus, Rhodos, Samos, Chios, Lesbos naar Constantinopel (23 juni) en van daaruit op 7 juli naar Athene.
Over Korinthe, Patras, Korfu, Brindisi gaat het huiswaarts (15-19 juli); vier dagen Venetië.
Op de avond van de 31e juli zijn ze weer in Radebeul.
101
DER HERRGOTTSSCHNITZER
Hab all mein Lebtag stets gedacht, |
Man fühlt es wohl heraus, daß dieser arme, alte, einfache Herrgottsschnitzer, den ich mir da gedacht habe, ein wirklicher Künstler ist. Er läßt den Stoff, das Holz, weinen, und er läßt er jauchzen. Er gibt ihm die Träne und den Juchezer, den Schmerz und die Freude. Das ist das Innere. Aber noch tiefer als dieser Schmerz und diese Freude liegt etwas andres, nämlich das seelische Erleben des äußerlich Geschauten. Denn nur aus diesem seelischen Miterleben heraus entwickelt sich jene unwägbare, ich möchte sagen, himmlische Schöpferkraft, die das Werk des Meisters durchgeistigt und verklärt und als sicheres Zeichen gelten darf, daß er wahrer Künstler ist. |
102
103
Hoofdstuk 9. Naar een nieuw begin (1900-1902)
Het besluit, ondanks gevorderde leeftijd, te komen tot een geheel nieuw begin moet in de jaren na terugkeer van de reis niet eenvoudig zijn geweest.
Vol vreugde registreert May de 2 miljoen lezers die hij nu heeft. Het moet hun geen moeite kosten hem op zijn verdere pad omhoog te blijven volgen zo denkt hij, maar uit de praktijk blijkt het tegendeel.
Tot de eerste stappen op het nieuwe toneel behoort de uitgifte der Himmelsgedanken: zeer snel heeft het materiaal van zijn reis de omvang van een boek bereikt, in de zomer van 1900 komt daarbij een rij van aforismen, gedeeltelijk door Gedachten der geesten van de andere kant van het graf geïnspireerd.
Wollschläger staat m.i. de plank ook hier weer eens mis als hij schrijft dat de gedichten een soort traaglopende rijm-machinerie vormen die beter uit het verkeer had kunnen blijven.
Uitgever Fehsenfeld raadt hem in eerste instantie af deze gedichten in druk te laten verschijnen en wil in tweede aanleg slechts een oplage van 5.000 riskeren. Onder de critici die de Gouden band op de goudweegschaal leggen en te licht bevinden is ook Cardauns: Wij verzoeken dringend van de heer May als lyrisch dichter verschoond te blijven, ofschoon zich volgens May in de bundel geen enkel lyrisch gedieht bevindt.
In Villa Shatterhand hebben zich ondertussen de tegenstellingen, die in de laatste fase van de reis onaangenaam fel aan het licht waren getreden, verder verscherpt. Emma leeft met enige uitgelatenheid het oude leven dat Karl inmiddels achter zich heeft gelaten.
Ik raakte haar niet meer aan. Ik vermeed het met haar alleen te zijn, en sliep in een afgelegen dienstbodenkamer, waar ik mezelf bediende. Ik at slechts van de spijzen waarvan eerst de dienstbodes aten, en had daar mijn goede redenen voor. Het meest echter at ik in het restaurant. Dit leven wond mij lichamelijk en geestelijk op. Ik was bijna tot op het bot vermagerd, kon nauwelijks nog vooruit en van werk was ook nauwelijks nog sprake .....
Klara Plöhn is May's secretaresse geworden op wens van Plöhn zelf, die op 14 februari 1901 aan zijn nierziekte overlijdt.
May zelf gaat het komende conflict tussen zijn vrouw en Klara uit de weg. Een verbintenis met Joseph Kürschner 166 is tot stand gekomen. Deze wenst een bijdrage over China, zon soort vaderlands werk waarin de zege op de Chinezen in de Boxersopstand 167 wordt weergegeven. May besluit niet mee te doen aan de Vaderlandse hoera-stemming en houdt zich Oost-Indisch doof voor Kürschners nadere wensen. Spoedig heeft Kürschner in de gaten wat hij met Und Friede auf Erden (Et in Terra Pax!) heeft aangehaald en nodigt May uit tot voortijdige afsluiting van het verhaal. Het gehele voorval is door May weergegeven in Het tovertapijt waar hij Yussuf el Kürkdschü (Joseph Kürschner) o. a. laat zeggen: Bekort het werk (aan het tovertapijt) en voeg snel de rand toe.
Kürschner verontschuldigt zich bij de lezers:
Karl Mays reisverhaal heeft een iets andere inhoud en achtergrond gekregen als ik gepland en verwacht had. De verdediging van de vredesgedachte - door de auteur - .... zal echter bij velen weerklank vinden. Het honorarium van 2. 000 Mark is May op die manier ontgaan maar als tegenwicht tegen het militarisme was het een zeer achtenswaardige daad. Wel een bewijs dat May zijn eigen gang ging en zich niet door derden liet beïnvloeden.
104
Terwijl heel Europa onder het gedonder van het geestdriftige Hiep hiep hoera beefde had ik mijn arme, kleine dunne stemmetje verheven en vol angst gebedeld: Geeft liefde slechts, geeft liefde slechts alleen! 168
In februari 1901 begint Adalbert Fischer er mee de Münchmeyer-romans als Karl Mays geïllustreerde werken opnieuw uit te geven en nu inderdaad met zulk een reclame-trompetstoten dat iedereen deze onderneming moest opmerken.
Fischer begint met Die Liebe des Ulanen. Als een klacht bij de rechtbank echter uitblijft riskeert Fischer meer. Direct daarna volgen Deutsche Herzen, Deutsche Helden en het jaar daarop Waldröschen en Der Weg zum Glück.
Waarom May het gevaar, blijkende uit de Kaïro-brief van Fischer niet in het minst tegemoet trad lijkt slechts een reden te hebben gehad: hem ontbraken de nodige rechtsmiddelen. Of hij 20 jaar geleden de dikke manuscripten eenmalig aan Münchmeyer verkocht had of slechts het recht tot afdrukken voor een gelimiteerde oplage liet zich niet bewijzen, alle onderhandelingen waren mondeling geweest en de brieven daaromtrent met Münchmeyer gewisseld hadden nooit bestaan. De vermelding ervan in zijn brief aan Fischer van 30 april 1899 was slechts een diplomatie van hem geweest, zo bleek bij een ondervraging door Officier van Justitie Seyfert 169 op 9 november 1907. May heeft zijn onmacht in deze aangelegenheid steeds op rekening van zijn vrouw geschreven: zij zou zakenbrieven die voor Mays beroep van groot belang waren opzettelijk - omdat zij bevriend was met Pauline Münchmeyer - dan wel per ongeluk hebben verbrand, zo werd destijds voor de rechtbank beweerd.
Hij gelooft echter voldoende macht te bezitten met de colportage-fabriek af te rekenen en als Fischer hem de teruggave van de romans met alle
rechten voor 70.000 Mark aanbiedt slaat hij het aanbod rondweg af. Ook een delicate verwijzing naar zijn verleden vermag hem hierbij niet te hinderen.
Op 19 maart 1901 kondigt hij aan: met betrekking tot Karl Mays geïllustreerde werken .... alle boekhandelaren welke daarbij aan mijn bekende reisverhalen denken maak ik er op opmerkzaam dat ik tegen genoemde firma gerechtelijk opgetreden ben, een verklaring waar Fischer tegenover stelt: De onder de gezamenlijke titel Karl Mays geïllustreerde werken verschijnende romans en reisverhalen zijn van dezelfde Karl May die de bekende reisverhalen geschreven heeft .... Van een gerechtelijk optreden tegen mij is op dit moment helaas nog niets bekend, ofschoon ik sinds twee jaren van de heer Karl May voortdurend verlangd heb zijn hierop betrekking hebbende ongegronde dreigementen waar te maken.
In feite schijnt May de omvang van de naderende catastrophe eerst bij de hernieuwde aanblik van zijn muze-kinderen duidelijk te zijn geworden, dat is kitsch, dat is minderwaardige lectuur zo meent hij, dat kan hij toch niet zo geschreven hebben.
Zo volgt dan de volgende verklaring:
Ik schreef de verhalen waarom het hier gaat. Münchmeyer wist dat ik geen tijd had de drukproeven of zelfs de gereed zijnde werken opnieuw door te lezen en zo ontdekte ik slechts door toeval dat hij mijn heimelijke medewerker geweest was L36. Hij had veranderd omdat zijn verlangen
Dagtaak van August Walther (1827-1900) 170 zou zijn geweest de manuscripten die bij Münchmeyer binnenkwamen te bewerken opdat zij voor de colportage geschikter zouden worden. |
105
naar liefdesscenes verwaarloosd was. Ik brak met hem en heb sindsdien geen woord meer voor hem geschreven, waarop Fischer weer:
Van een medewerken van de heer Münchmeyer aan de werken van de heer Karl May verneem ik eerst door de laatste verklaring. Voor zover ik weet bestond de heer Münchmeyers medewerken er uitsluitend in drukproeven te maken en doorhalingen in manuscripten te plannen. Dat de heer Münchmeyer auteur van de liefdesscènes zou zijn zal de heer Karl May nauwelijks in ernst kunnen beweren. L37.
Voor de eerste maal wordt gesproken van bijzonder onzedelijke inhoud der romans L38. Uiteindelijk begint May een proces dat in totaal zon 12 jaar geduurd heeft. Een hele advocatenfirma moet hij engageren (Bernstein 171, Klotz 172 en Langenhan 173 in Dresden) en deze heren beijveren zich uit alle macht constant voor May te doen te hebben met vooraan de geachte Rudolf Bernstein - kennis van Mays tweede vrouw Klara - der liebe Rudi, der wahre Freund zoals May hem in zijn argeloosheid noemt.
Er wordt een civiele klacht ingediend tegen Fischer bij het Kgl. Landgericht 174 in Dresden.
Het voorlopig vonnis luidt dat de romans weliswaar verder verkocht, doch uitsluitend nog gecompleteerd, niet verder gedrukt worden.
Dat is voor Fischer inderdaad een zware tegenslag en tegenover Bernstein geeft hij een verlies op van 40.000 Mark, maar voor May betekent het geen winst: alles blijft voorlopig.
Dan komt op 24 september 1902 Pauline Münchmeyer weer in het spel: May moet nu zowel zijn onbeperkt auteursrecht op de romans bewijzen en tevens dat zijn auteursrecht niet de minderwaardige passages betreft. Een vrijwel onmogelijke opgave.
Voor de pers is May omstreeks deze tijd interessant zoals nauwelijks een ander in de maatschappij. Waar zich schandalen altijd verkopen laten brengt men het nieuwste over Karl May: berichten, notities, grappen, parodieën.
Op 6 november 1901 houdt Hermann Cardauns in Dortmund voor de eerst maal zijn voordracht over literaire curiosa waarin hij aan de Münchmeyer-romans 50 minuten wijdt L39.
Gedurende de volgende weken reist hij daarmee door Rijnland. May brengt binnen een maand een brochure van 159 bladzijden gereed die anoniem onder de titel Karl May als opvoeder en De waarheid over Karl May of De tegenstanders van Karl May in hun eigen licht - door een dankbare May-lezer op 13 januari 1902 verschijnt in een oplage van 10.000 exemplaren.
De inhoud van de brochure laat wel wat vragen open en geeft aanleiding tot nieuwe processen.
De gehele zaak is als de Da wal Ihana 175 in Im Reiche des silbernen Löwen opgenomen.
May repliceerde dat de meeste mensen er geen flauw idee van hebben hoe het in feite in een colportage-uitgeverij toegaat. |
Door Cardauns. |
Cardauns maakte de enorme opleving in de verkoop van Mays boeken nog mee. |
106
|
|
|
|
107
Hoofdstuk 10. De echtscheiding met Emma Pollmer (1902-1903)
Op 21 juli 1902 begint een langdurige reis met Emma Pollmer en Klara Plöhn (die de Geesten laat spreken in de zin van: Als je nu niet onze wil doet en ondertekent wat Karl je voorlegt dan Wee! Wee! Wee!) die alles beslist. De rol van Klara Plöhn bij het tot standkomen van de echtscheiding is even onverkwikkelijk als de nadere bijzonderheden.
Inmiddels, n.a.v. zijn nieuwe werken, aan zijn uitgever: Merkt u nu, hoe Karl May gelezen moet worden? U zult dan bemerken dat u iets heel anders liet drukken dan u dacht! Dus: mijn tijd is eindelijk daar!
Dat Fehsenfeld iets geheel anders laat drukken ziet hij wel en de lezers zien het ook maar het verheugt hun niet.
De reis gaat eerst 14 dagen naar Berlijn, dan voor eenzelfde tijd naar Hamburg, daarvandaan 3 dagen naar Leipzig en 6 dagen naar München. May staat vlak voor een zenuwinzinking.
Van München uit gaat het verder naar Bolzano en vandaar naar de Mendel, het lievelingslandschap van May en de daar wonende familie Schrott 177, in het bezit van het hotel Penegal is dan nog lange tijd de voornaamste getuige in de affaire.
Op donderdag 28 augustus 1902 worden de scheidingsgronden uitgewisseld en de 29e ondertekent Emma de inwilliging van de scheiding L40 die May voor haar heeft opgesteld:
Ik, ondergetekende, verklaar hiermede dat ik wegens wederkerige onoverwinnelijke afkeer een verder samenleven met mijn echtgenoot tot nu toe, de schrijver de heer Karl May in Radebeul voor volledig onmogelijk houd en ik hem daarom mijn onherroepelijke toestemming tot de scheiding van ons huwelijk gegeven heb ....
Op 30 augustus 1902 verlaten May en Klara alleen de bergen. Nauwelijks weer in Radebeul om het verzoek tot echtscheiding in te dienen moet hij opnieuw drie dagen naar München en via omwegen over Mittenwald-Innsbruck-Kochel terug. Op 22 september wordt het verzoek aan Emma ter hand gesteld en op 8 oktober gaat May met Klara op een vakantiereis over Linz, Salzburg, Bolzano naar Riva aan het Gardameer waar beiden op 14 oktober aankomen en tot maandag 15 december blijven.
Op 14 januari 1903 wordt de scheiding uitgesproken door het Kön. Landgericht te Dresden; deze krijgt rechtskracht op 4 maart. Reeds op 31 maart 1903 worden May en Klara voor het altaar van de Lutherse kerk in de echt verbonden.
Uit deze tijd stamt Mays beroemde Doctorsdiploma. Via Klara wordt een diploma-molen in Amerika aangeschreven en op 9 december 1902 verleent een Universitas Germana-Americana L41 in Chicago May het Honoris causa voor zijn werk Im Reiche des silbernen Löwen. De vreugde van May naar aanleiding van dit document duurt slechts korte tijd. De 14e maart 1903 tracht hij erkenning tot het voeren van de titel te verkrijgen.
Hij krijgt bericht terug dat men helaas niet in staat is de verzochte goedkeuring te verlenen.
Met uitgever Fischer wordt inmiddels een vergelijk getroffen. Directe aanleiding mag geweest zijn dat hij inziet de oude Pauline Münchmeyer
Deze zou mede een gevolg zijn geweest van het feit dat May een buiten-echtelijk kind had 178. |
Hierachter bleek schuil te gaan de barbier Malok 179. |
108
slechts dan de baas te kunnen als hij Fischer, die met de dame op gespannen voet staat, en de gehele firma als getuigen aan zijn kant brengt.
Dus trekt hij op 4 mei de aanklacht in; de gerechtskosten worden gedeeld. Dan gaat de reeds op 11 februari notarieel vastgelegde verklaring naar de pers: Ik, Karl May, verklaar hiermede, dat de heer uitgever Adalbert Fischer bij aankoop van de Firma H. G. Münchmeyer naar de woorden van het hem voorgelegde koopverdrag moest aannemen alle rechten op mijn bij deze firma versehenen werken mee verworven te hebben.
Waarop Fischer honoreert dat: mochten de bij H. G. Münchmeyer verschenen geschriften van de heer Karl May iets onzedelijks bevatten dan stamt zulks niet uit de pen van de heer Karl May maar is door derden vroeger ingevoegd.
Fischer verkrijgt bij deze verklaring alle rechten en is slechts verplicht bij nieuwe oplagen op zijn kosten uit deze werken de naar zijn overtuiging misschien aanstootgevende passages te verwijderen.
Fischer denkt er natuurlijk niet aan tot deze overtuiging te komen en drukt monter in de oude stijl verder. In het volgende jaar ook nog Der verlorene Sohn (deze roman wordt gebracht als Roman uit het leven van Karl May). Niets is gewonnen.
Daarenboven geeft May nu aan Fischer ook nog het deel Erzgebirgische Dorfgeschichten in druk welke Fehsenfeld niet brengen wil: oude verhalen uit de tijdschriftentijd.
Op 10 september 1903 is het manuscript van de Silberne Löwe afgesloten. De oude tijd wordt afgesloten: de vroegere werken waren schetsen, vooroefeningen .... om mezelf en mijn lezers te oefenen waarop?
Men zegt dat door de daad.
109
| Ein berühmter Dresdner Kolportageschriftsteller. |
Als ich unlängst in einem hiesigen öffentlichen Institute, das der Bildung dient, den wißenschaftliche gebildeten Beamten um biographische Angaben über Karl May bat, geriet der Herr in Verlegenheit. K a r l M a y ? Weder M e y e r noch B r o c k h a u s gaben Auskunft. K ü r s c h n e r und S p e m a n s goldenes Buch enthielten nur wenige Zeilen. Unsere Nachforschungen waren auf einem toten Punkte angelangt. Da kam uns ein Retter in der Not. Der 18jährige Diener mischte sich in die Unterhaltung. Was der alles von May wußte. Er nannte u.a. auch die Buchhandlungen, in denen eine ganz neue Broschüre über K a r l M a y ausgehängt sei. Dieses Erlebnis ist bezeichnend. Die gebildeten Mittelschichten des Volkes lesen und kennen May nicht. Die Schüler und nichtsozialistischen Arbeiter sind dagegen leidenschaftliche M a y leser. Ich ging übrigens zu den bezeichneten Buchhändlern und fand hier tatsächlich die M a y -Schrift. Sie ist soeben im Buchhandel erschienen und bildet die eigentliche Veranlassung zu diesem Artikel. |
| Aanvang van het verhaal van Lebius |
|
Bilband - Olms Presse De meerdere malen wegens belediging met geldboete en gevange- nisstraf bestrafte Rudolf Lebius (1868-1946). Oprichter van de anti-semitische Nationaal-Demo- cratische Partij. |
|
110
111
112
|
|
113
|
|
114
Hoofdstuk 11. Rudolf Lebius contra Old Shatterhand (1903-1907)
De behandeling van de echtscheiding wordt op 30 december 1903 beëindigd. Emma Pollmer trekt zich naar Weimar terug en ontvangt van Klara May bij wijze van schenking een jaarrente van 3.000 Mark voor haar verdere leven 181. De publiciteit inmiddels - veel sensatiebladen - berooft May van zijn rust. De roman Im Reiche des silbernen Löwen wordt zwijgend, zonder veel enthousiasme, ontvangen en May zet zich nu aan zijn nieuwe werk Und Friede auf Erden! (kerstmis 1903). In de ziektegeschiedenis van de daarin voorkomende Waller ligt een oprechte zelf-bekentenis schrijft Wöllschlager maar Mays hele oeuvre kan dacht ik gerekend worden tot wat men dan noemt bekentenissen-literatuur.
In een boekwerk van zon 360 bladzijden tracht een zekere Arno Schmidt 182, een in Duitsland niet geheel onbekend auteur, min of meer te bewijzen dat onze Karl een unterschichtige Homosexuelle L42 geweest zou zijn. Het is met hem als bij die andere Halbseidenen seines Schlages, met zijn Cäsarenwahn, de Frechling. Nu is dit boek, zoals u duidelijk zal zijn, ondanks de goede pers in Duitsland, niet waard om kennis van te nemen, gelet op de vele beledigingen en op vele punten onjuiste inhoud. Echter, de Duitse heren Stollte en Klussmeier, goede Karl May toegewijden hebben zich in een werkje getiteld »Arno Schmidt und Karl May, Eine notwendige Klarstellung«, uitgegeven bij Hansa Verlag Hamburg gehaast hun banvloek over Schmidt uit te spreken.
Van verbazing ben ik bijna van mijn stoel gevallen.
Wat immers lezen wij op blz. 13: .... Want zoveel is thans geheel duidelijk. Hij had, deze Karl May, veel menselijke zwakheden, hij was bij tijden een leugenaar, een bedrieger, een oplichter, een landloper, een opsnijder maar juist die ene ondeugd, die ene laster behoort daartoe niet. 183
May heeft in zijn auto-biografie destijds gesproken van het afleggen in zijn werken van een alomvattende biecht waartoe zijn tegenstanders - en hij had er nog al wat - niet in staat waren. Deze biecht omvat ook het homo-seksuele aspect L43 al begrijp ik wel dat bovengenoemde heren daarvan niet willen weten. Homoseksualiteit nog ondergeschikt achten aan bedrog en oplichting en daarbij dan aanvoeren dat de briefwisseling tussen May en de beeldhouwer Sascha Schneider niets te dezer zake opleverde! Ik zal hier niet verder op ingaan, alleen nog even opmerken dat de auteur Adriaan Venema 184 in Homoseksualiteit in de Nederlandse literatuur een tweetal passages van de nota bene Duitse auteur May opnam.
Omstreeks 1903 valt de her-oriëntering van Mays Ik.
De mensheidsvraag is het Ik aldus May: Zij is in Amerika Old Shatterhand, en zij is in de Oriënt Kara Ben Nemsi Effendi.
Over zijn godsdienst: Ik ben Christen, verder niets. Confessies bestaan er voor mij niet, zo schrijft hij aan Franz Weigl 185, de latere uitgever van de Münchener Pädagogischen Zeitfragen:
Maar, mijn beste vriend, ik schrijf mijn boeken niet voor de Christenheid maar voor de Menselijkheid.
Een absoluut onjuiste bewering. |
De door de homoseksuele kunstenaar en vriend van Karl May, de beeldhouwer Sascha Schneider (zie noot 180) ontworpen boekomslagen die bij May een gunstig onthaal vonden vormen daarvan een illustratie. |
115
Und Friede auf Erden! is de eerste band met omslag van Sascha Schneider (1870-1927) 186. Schneider, een thans geheel vergeten kunstenaar, wordt voor May gedurende diens laatste tien levensjaren de meest betekenende figuur: zowaar valt May zoiets als een echte vriend ten deel. Op 30 oktober 1904 verschijnt in de Dresdener Anzeiger een lange honende bespreking van het boek van de hand van een rond zestig jaren oude, ongehuwde juffrouw uit Stettin 187, en zo ben ik, in plaats van me te kunnen meten met een geestelijk gespierde, krachtige opponent, gedwongen mij fatsoenshalve precies als Wilhelm Busch 188 te gedragen, namelijk:
Im Gesichte Seelenruhe, an den Füssen milde Schuhe. Hij raakt echter wel in conflict met Paul Schumann (1855-1927) 189, redacteur Kunsten en Wetenschappen van de Anzeiger. In dit conflict delft Schumann het onderspit, al behoudt hij wel het laatste woord.
Tegen Lebius kon May echter niet op.
Over Rudolf Lebius (1868-1946) uitvoerig de waarheid te zeggen verhindert de strafwet aangezien nog nakomelingen in leven zijn.
Op 7 april 1904 meldt Lebius zich mit vorzüglicher Verehrung en het verzoek om een onderhoud en wordt op 2 mei ten huize van May ontvangen. Men mag het bezoek van bepaalde journalisten niet afwijzen temeer, als ze met een al is het ook nog zo klein krantje bewapend zijn, anders wreken ze zich.
Max Dittrich 190, auteur en voormalig mede-gevange van May L44 is er als getuige bij aanwezig; zijn broschure over May is net tot stand gekomen en Lebius verzoekt hem te mogen uitgeven; onophoudelijk spreekt hij van zijn grote handigheid, zijn rijke ervaringen en zijn uitstekende resultaten als journalist en redacteur, uitgever etc.
Op 12 juli volgt het eerst verzoek zou U mij een over drie jaar lopende 5%-lening kunnen verstrekken? Als dank daarvoor zou ik de broschure zo lanceren dat iedereen van het boek spreekt.
Op 8 augustus daaraan volgend wordt verzocht om een lening van drie tot zesduizend Mark. Een risico is uitgesloten ... Tot tegenprestaties ben ik gaarne bereid ... We kunnen de artikelen waaraan U waarde hecht aan 300 en meer Duitse en Oostenrijkse kranten verzenden ... Zo iets werkt onfeilbaar.
In dit verband noemt Lebius ook zijn eigen blad de Sachsenstimme.
Op 15 augustus 1904 richt Lebius zich tot Dittrich: Ik geef U voor de bemiddeling 1%.
Meer dan 10.000 Mark heb ik niet nodig ... Zou U Dr. May niet kunnen bewerken dat hij me geld voorschiet?.
Op 7 september stuurt hij May een anonieme briefkaart met als tekst: Waarde Heer! Een zekere Heer Lebius, redacteur van de Sachsenstimme, vertelde een heer dat hij een artikel tegen U schrijft.
Ik heb het zojuist in het cafe gehoord. Een vriend waarschuwt U voor de man B. Het artikel tegen May verschijnt op 11 september in de Sachsenstimme: Meer licht over Karl May/160.000 Mark schrijversinkomsten/Een beroemde Dresdener colportageschrijver. 191
Als andere artikelen volgen met zelfs ambtelijk materiaal doet May aangifte van chantage op 19 december. Strafvervolging, zo wordt op 10 augustus 1905 beslist, wordt niet ingesteld. Het artikel van 11 september gaat in generlei opzicht boven een toelaatbare kritiek uit menen de autoriteiten.
Ook bij Münchmeyer werkzaam geweest. |
116
Zo blijft slechts een klacht wegens belediging over. Door een slechte aanpak van Mays advocaten Klotz 192 en Bernstein 193 wordt de hele zaak een rel waarbij de rechter Mays oude strafakten begint voor te lezen. De klacht wordt de hele zaak een rel waarbij de rechter Mays oude strafakten begint voor te lezen. De klacht wordt ingetrokken.
Gevolg van een proces Dittrich-Lebius is echter dat de grote firmas voortaan hun advertenties aan de Sachsenstimme onthouden waardoor dit blad failliet gaat. Lebius: Herr May heeft zich daardoor op mij gewroken dat hij door laster mijn maatschappelijke positie ondergroef en mij in het bankroet dreef. Zodra ik in een andere stad vaste voet had gekregen, verscheen hij weer op het toneel om dezelfde manoeuvre te herhalen. Daarbij houdt hij ervan voor hij voor zijn nieuwe slag tegen me uithaalt me telkens in mijn woning op te zoeken en met tranende ogen om vrede te vragen ....
In het proces-Münchmeyer intussen wordt op 9 januari 1907 het hoger beroep van Münchmeyer afgewezen.
In deze tijd schrijft May zijn - nooit opgevoerde 194 - drama Babel und Bibel, een wonderlijk stuk dat hij beslist overschat heeft dat echter wel verdient aan de vergetelheid te worden ontrukt.
De verwachtingen die May van het stuk had waren groot: ten slotte beoogt hij niets minder dan een hervorming van het theater. Echter, geen mens interesseert zich voor een opvoering.
In september 1906 doet May in verband hiermee de stap zich te wenden tot de Prinses van Beieren: E. Königliche Hoheit! Hochverehrteste, Durchlauchtigste, Gnädigste Frau Prinzessin! luidt de aanhef van een 13 vellen lange, dicht beschreven brief aan deze dame, deze Allerhöchste Dame..., welche von Gott berufen ist, die Führende Seele des bayerischen Volkes zu sein. 195 Hij blijft echter zonder gevolg.
De Oostenrijkse vredestrijdster Bertha von Suttner L45 (De wapens neer) 196 die May elk nieuw werk stuurt kan hem slechts met woorden danken, Sascha Schneider ziet er niet veel in en Fehsenfeld als echte uitgever komt slechts onder druk tot het drukken ervan.
Zo is het ondanks verdere plannen, bij dit ene drama gebleven.
Naar wie dat kanon van Krupp, de dikke Bertha, toch echt niet werd genoemd zoals ik in Dr. Karl May meende. Het werd genoemd naar de vrouw van Krupp. |
117
Karl May en Sascha Schneider omstreeks 1905
Foto Karl May Verlag - Bamberg
DIE SCHÖNSTE BLUME AUF DER WELT
Die schönste Blume auf der Welt |
118
Dr. Euchar Albrecht Schmid omstreeks 1938
Oprichter Karl May Verlag
Het couranten-artikel in Het Parool (lees die krant!) over de dood van de schilder Melle 197 werd in Dr. Karl May opgenomen omdat ik meen dat Mays seksuele landschappen al even persoonlijk zijn als die van Melle. Let b.v. op de letterlijk talloze rotskloven en keteldalen in zijn werken!! Hierover handelde Arno Schmidts Sitara en de weg erheen
Sappho 198! Daar komt het toch aan het daglicht wat ik verzwijgen wilde! Men weet dat bijna geen enkele scholier zonder bijnaam blijft. Ik was tot voor kort zo gelukkig geweest slechts bij mijn gewone naam genoemd te worden maar dat was sinds mijn kerstgedicht anders geworden. Men had naar de naam van de dichter voor mij gezechten daar deze toch schertsend moest zijn was men op de merkwaardige gedachte gekomen mij naar een dichteres te noemen. Men kende mij de naam Sappho toe en toen ik mij verzette dat te dulden bewees men mij, dat er geen voornamere was omdat
119
Sappho de beroemdste dichteres uit de Oudheid en door de niet te overtreffen reinheid en schoonheid van haar verzem uitstekend was. Wat kon ik daartegen doen? Ik moest me er bij neerleggen.
Weihnacht 199 |
Dorothy Strachey Bussy 200 beschrijft in haar roman Olivia het lesbiese wel maar vooral wee van een leerlinge die verliefd wordt op de directrice. Dit was Dit was Marie Souvestre die een vergelijking met Sappho wel schijnt te doorstaan.
(Sek, 25 november 1978)
Winnetou trug, wie auch ich stets, wenn ih mich im Westen befand, einen aus Elkleder gefertigten Jagdanzug von indianischem Schnitt, an den Füßen leichte Mokassins, die mit Stachelschweinsborsten geschmückt waren. Eine Kopfbedeckung gab es bei ihm nicht. Sein bläulich schwarzes Haar war auf dem Kopf zu einem helmartigen Schopf geordnet und fiel, wenn er im Sattel saß, wie eine Mähne fast bis auf den Rüden des Pferdes herab. Keine Adlerfeder schmückte diese indianische Haartracht. Er trug dieses Abzeichen der Häuptlinge nie; es war ihm auch ohne dies auf den ersten Blick anzusehen, daß er kein gewöhnlicher Krieger sei. Ich habe ihn mitten unter Häuptlingen gesehen, die alle mit den Federn des Kriegsadlers geschmückt waren und sich auch sonst mit allen möglichen Siegeszeichen behängt hatten; seine königliche Haltung, sein freier, ungezwungener und stolzer Gang zeichneten ihn immer als den edelsten von allen aus. Wer nur einen einzigen Blick auf ihn richtete, der sah sofort, daß er es mit einem bedeutenden Mann zu tun hatte. Um den Hals trug er die wertvolle Friedenspfeife, den Medizinbeutel und eine dreifache Kette von Krallen der Grizzlybären, die er mit Lebensgefahr selbst erlegt hatte. Der Schnitt seines ernsten, männlich schönen Angesichts, dessen Backenknochen kaum merklich vorstanden, war fast römisch, und die Farbe seiner Haut ein mattes Hellbraun, mit einem leisen Bronzehauch übergossen. |
120
alle die Gegenstände enthielt, die der Westmann in seinem Gürtel zu tragen pflegt. Auf seinem Rücken hing ein doppelläufiges, an den Holzteilen mit silbernen Nägeln beschlagenes Gewehr. Das war die weltberühmte Silberbüchse, deren Kugeln nie ihr Ziel verfehlten. Sein Tomahawk steckte unsichtbar in einer Scheide von Opossumfell. |
Fragment uit Weihnacht met |
121
Sappho omstreeks 1896
Foto Karl May Verlag - Bamberg
122
Uit Sek. blad van het Cultuur en ontspanningscentrum (C.O.C) N.V.J.H. d.d. maart 1979 |
123
Pagina uit het geschrift Arno Schmidt und Karl May door Stolte en Klussmeier L46
Wir brechen hier ab. Die Kanonade tödlicher Beschimpfungen geht über 360 Seiten, munitioniert von einer gewißlich virtuosen Sprachbegabung. Unsere Zitate mögen aber dazu dienen, verständlich zu machen, warum es, als Arno Schmidts ›Sitara‹ erschienen war, nicht eigentlich zu einer öffentlichen Diskussion hatte kommen können. Wer könnte hier diskutieren? Wer könnte hier mithalten? Wer auch das Kalauerhafte vom Ernsthaften, das unflätige oder läppische Gewitzel vom Geistreichtun einer wissenschaftlich sein sollenden Hypothese unterscheiden? |
Ik heb deze bladzijde 202 opgenomen omdat het hier betreft een aan de kaak stellen van Arno Schmidts van beledigingen overlopende, in de Duitse pers notabene goed onthaalde, werk Sitara und der Weg dorthin. |
124
Titelpagina van de Frany-uitgave De Duivelskop in het rotsgebergte.
125
Hoofdstuk 12. Een uitgeverij van minderwaardige lectuur en zijn helpers 1907 - 1908
Het slechte resultaat van Babel und Bibel heeft May diep geschokt. Ook zijn Brieven over kunst gericht aan de redactie van de Kunstfreund
vinden geen erg gunstig onthaal.
Reeds de zesde kunstbrief van 15 april 1907 wordt niet meer opgenomen daar Leopold Gheri 203 uit de redactie treedt.
Op 15 april 1907 doet de advocaat van Mays tegenpartij Gerlach 204 aangifte van meineed tegen May und Genossen.
Een zenuwinzinking brengt hem aan de rand van de dood en eerst midden mei is hij weer zover hersteld dat hij zich met zijn vrouw naar Bad Salzbrunn kan begeven. Zorgvuldig wordt hij daar door de familie Barchewitz 205 met verering omgeven en dankbaar rijmt hij het afscheid in het gastenboek.
Ich trank an Deiner Quelle mich gesund |
126
Terwijl het eerste tijdschrift met Der Mir in de Hausschatz verschijnt laten de heren Seyfert en Larrass plotseling huiszoeking doen in de villa Shatterhand.
... ik hield het nooit voor mogelijk dat het Herr Gerlach lukken kon het tot aan huiszoeking bij mij te drijven" aldus May.
Alle hoeken van de villa worden tijdens dit acht uur durend onderzoek doorzocht, alles wat ergens van belang schijnt wordt meegenomen.
Nu kunt U het niet meer tegenhouden dat Uw straffen van vroeger in de publiciteit komen! Daar kunt U op voorbereid zijn! zegt Seyfert, een zin die hij later vanwege de opwinding die dergelijke situaties met zich brengen verklaarbaar acht. Privé-brieven, werkschetsen etc. worden in beslag genomen.
Ik houd het niet meer uit schrijft May omstreeks deze tijd aan zijn advocaat Bernstein Jij hebt een sterk karakter, maar geloof me, je was allang krankzinnig of dood als je deze dodelijke steken zo voortdurend en zo lang te dragen zou hebben.
Temeer als je dagelijks ziet dat alle moeite deze kwellingen te verkorten vergeefs is.
De getuigen verhoren duren intussen onverminderd voort met grote scherpte Larrass, een strever, draait de getuigen de woorden in hun mond om. Getuige Spindler 213 bericht: Toen ik gunstig over Uw man sprak trachtte hij me tot een andere uitspraak te beïnvloeden door te zeggen maar May is toch vroeger zwaar bestraft.

127
|
|
|
Ook het Doctors-diploma wordt er weer bijgesleept. Op 12 juni 1908 wordt Gerlachs verzoek als ongegrond verworpen, maar niet nadat eerst nog in april en mei een tweede grote golf van getuigenverhoren had ingezet. Een manuscript dat ook in 1908 ontstaat is de prive-uitgave Frau Pollmer, eine psychologische Studie bestemd voor de latere biograven. De novelle Abdahn Effendi verschijnt in maart/april in het Grazer Volksblatt.
Ook komt een klein manuscript tot stand Mijn biecht (Meine Beichte) die op 28 mei 1908 bij de gerechtsakten werd gevoegd, een stuk op de toon van een auto-biografie waartoe May omstreeks deze tijd het plan opvat.
Ouderdoms-moeheid dringt steeds sterker op. Als het dan moet dan zie ik af van de gehele aardse gerechtigheid heet het in een brief aan Bernstein.
Heb ik het proces laten vallen dan vind ik wel een stille plek waarop ik mijn levensopgave voltooien kan ...!!
Maar Bernstein drijft hem steeds verder. In de zomer van 1908 heeft May zoveel van het Mir-manuscript gereed dat zich een - zij het ook korte -reis naar Amerika: die reis die ik nu al drie jaar plan, maar niet kan uitvoeren omdat het proces mij hier in Dresden gevangen houdt,
laat realiseren.
Na Kerstmis 1908 echter zo meldt Klara May: Helaas volgde ook op deze zonnige dagen de schaduw. Mijn goede man heeft in Amerika een verwonding opgelopen die zo booswaardig werd dat hij een operatie moest ondergaan. Dat men hem een stuk uit de borst gesneden heeft verzuimt May niet aan alle mogelijke lieden mede te delen: zo goed is zijn gezondheid.
Privé echter voelt hij zich zwaar ziek en reeds vlak voor de dood. Zijn laatste testament dat zijn vermogen aan een liefdadige stichting doet toevallen heeft hij voor de reis reeds gemaakt.
128
Nauwelijks weer in Radebeul moet hij weer met een nieuwe tegenstander afrekenen: Paul Rentschka, een Katholiek dogmaticus (1870 - 1956) 215 die in december 1908 in de Germania het thema van Mays geloofsovertuiging nog eens uit de kast haalt.
Geen criticus is May gering genoeg om te overzien. Op 26 januari 1909, na 1½ jaar worden May und Genossen wegens gebrek aan bewijs buiten vervolging gesteld.
EIN BAUER AN DIE GELEHRTEN
Ich pflüge deutsch und nicht latein, |
VOGELSANG L47
Es klang ein Lied vom Himmelszelt doch hat es in der weiten Welt wohl niemand recht verstanden. Nur durch der Vöglein lauschend Ohr ist tiefer es gedrungen und wird seitdem als Frühlingschor in Feld und Wald gesungen. |
Dit gedicht heb ik opgenomen ter herinnering aan Piepie 216 - v. L. |
129
|
130
|
|
Warum denn küssen, |
De pater der Benedictijnen Ansgar Pöllmann (1871-1933) 217 literatuurcriticus, dichter en uitgever van de Gottesminne Maandblad voor religieuze dichtkunst.
Hij zag zich als de hoeder van een waarachtig Katholieke literatuur. Tegen al het schijn-Katholieke trok hij te velde. Zo ook tegen May toen publiek werd dat deze behalve de verhalen in de Deutscher Hausschatz en in de Mariakalender ook colportageromans geschreven had en in werkelijkheid Protestant was.
Hij stond in verbinding met Lebius. Wilde May met de zweep uit de Duitse cultuur slaan. Ereburger van Halle.
131
Hoofdstuk 13. Amerikareis (1908)
Op 5 september 1908 begint May met Klara met de Grosse Kurfürst van de Bremer Lloyd de reis naar Amerika; na 11 dagen komt op 16 september des ochtends om 4 uur het vrijheidsbeeld in zicht.
Het is een prachtige ochtend, zonder nevel.
Hij neemt al spoedig afscheid van de weinige medereizigers bij wie ze zich hebben aangesloten: Mrs. E. C. Hendrichson 218, een rijke Amerikaanse uit Chicage brengt hem later in Radebeul nog een bezoek.
Nieuwe lieve vrienden wachten met bloemen aan de kade van verre waren de goede mensen gekomen die via omwegen van zijn aankomst vernomen hadden! L48 Hij neemt zijn intrek in het Continental hotel, tourist als andere touristen. Hij hield niet van de grote steden, weshalve wij New York slechts als een doorgangsstation gebruikten (Klara May in haar herinneringen). Ze blijven er bijna een week, bezichtigen de voornaamste bezienswaardigheden van de stad en omgeving en leggen visites af.
Dr. Ralph Winfred Tower 219, directeur van het Amerikaans Museum voor Natuurlijke Historie leidt hen door het ongelofelijk rijke en mooie museum en schenkt May ten afscheid een rij vakwerken over de iIndianen, resultaat van een en ander valt in Winnetou IV (Winnetous testament) te bespeuren. De 20e september bezoeken beiden een dienst in de heerlijke witte marmeren tempel van de Christian Scientists.
Aansluitend gaat het met de boot New York de Hudson op naar Albany. De vaart duurt negen uur op dit varende paleis; het balkon van de luxe kamers komt uit op de rivier en doet van het heerlijke landschap genieten.
s Avonds in Albany treffen de Mays weer vrienden met wie ze een avond samen blijven.
Twee dagen blijven ze daar. Dan gaat het naar Pittfield waar Longfellow (dichter) 220 leefde tot wiens poezie May zich verwant voelt. In Appleton House werd het gedicht »Old Clock on the Stairs«" geschreven: daar staat deze klok in de hal. De invloed van Longfellow, met name de zwaarmoedigheid waarmede de landschappen zijn geschilderd is op zijn Winnetous testament niet gering. In de Berkshire-heuvels zijn de boerderijen vervallen: wilde wingerd groeit in de notebomen, perziken staan in het loofhout, de boomgaarden, te ver af gelegen van de verkeersaders, verwilderen.
Met het rijtuig gaat het door de eenzame wouden naar Mount Lebanon waar oude bekenden uit het vaderland wonen. Broeder Otto en Zuster Rosalia
Alle tussen aanhalingstekens geplaatste passages betreffen die welke in officile documenten c.q. Mays autobiografie, hetzij in andere boeken zijn vastgelegd. Ook Klara May heeft in een boek van haar ervaringen met Karl May verslag gedaan 221. |
132
|
|
|
|
|
|
133
Thümmel 222 schrijven later nog brieven naar Radebeul aan die goede mensenvrienden die bij hun weer eens bij mensen zijn". [Herr Wollschäger doet net alsof dit allemaal zo bespottelijk zou zijn maar als we eens nagaan wat een deel van de Duitsers er in hun houding ten opzichte van iemand die zich zo moeizaam emporgearbeitet heeft van hebben gebrouwen, zo geweldig veel is dat niet.
Dit is ook mede de reden dat ik met dit boekje ben gekomen. Dagelijks zon 50 tot 70 kranteknipsels die van gif en hoon overlopen dat houdt geen Simsom en Hercules uit zo schreef May ongeveer.]
May is erg stil op de tochten en Klara stoort hem niet: De grote geweldige natuur stemt me ernstig en feestelijk. Het land moet een Tempel van God geweest zijn, toen het nog niet door de cultuur beroerd was, die wij het brachten. Kinderzielen baden(van bidden !) hier in de geest van een Winnetou. Van deze gebeden bleeft niets behouden. Slechts vermoeden kan men de inhoud die zij hadden.
Via brede straten gaat het naar Buffalo voor een kort verblijf. Op het kerkhof Forest Lawn rusten de overblijfselen van het Seneca-opperhoofd Sa-go-ye-wat-ha (hij die Wakker houdt) 223 en zijn bloedverwanten. De foto van May bij diens standbeeld werd reeds opgenomen in Dr. Karl May. Dit standbeeld werd opgericht door de Buffalo Historical Society. Deze Indiaan van aanzien, die leefde van 1752-1830, die heel vroeg de uiteindelijke zege der blanken inzag en door taaie vredesonderhandelingen de overleving van zijn volk trachtte veilig te stellen - om tenslotte toch eenzaam en verbitterd verslaafd aan alcohol te sterven - was een onvoorwaardelijk pacifist en uitstekend rederaar. De volgende woorden staan in de gedenkzuil gegrift: When I am gone and my warnings are no longer needed, the craft and the avarice of the white man will prevail. My heart fails me when I think of my people, so soon to be scattered and forgotten.
Van Clifton House, op de Kanadese kust van de Niagara-watervallen, waar de Mays nu hun intrek nemen wordt nog een uitstapje op het Seneca-meer gemaakt: daar heeft het Volk van de grote heuvel nog tot 1850 geheerst; nu is het in een paar kleine reservaten tot nauwelijks 3000 zielen beperkt.
Een excursie naar het reservaat der Tuscarora-indianen wordt ondernomen: de grote mooie natuur van Amerika geeft rust en sterkt de zenuwen. Nauwelijks 400 mensen zijn van de eens zo machtige Irokezenstam nog overgebleven, hun huisvesting: tenten.
Hitte en stof liggen grauw over de middag en bederven elk lang verblijf: mijlen verder woedt een van de vele bosbranden. May laat zich al snel met het opperhoofd samen fotograferen.
Over het Ontario-meer gaat een trip naar Toronto.
Tegen het einde van de maand september vinden ansichtkaarten hun weg weer naar Duitsland: Karl May aan de Niagara-watervallen Karl May bij de Tuscasora-Indianen, Karl May op het kerkhof van Buffalo enz. In Lawrence, Massachusetts woont, naast talrijke andere emigranten uit Hohenstein-Ernstthal, Doktor Ferdinand Pfefferkorn en hij woont daar als een kleine vorst, heeft eigen huis, tuin, bedienden, paarden, zelfs een
auto waarmee verschillende gezamenlijke uitstapjes ondernomen worden, b.v. naar het Carobie-meer, niet ver van Lawrence en naar de zogenaamde Nugget Hill. Aan Salisbury Beach treden de vier weer voor de camera. In de buurt van Manchester (Devils Pulpits) is het weer allemaal rook wat de klok staat: bosbranden zo ver het oog reikt.
134
Naar Andover trekt May de herinnering aan Harriet Beecher-Stowe (De negerhut van Oom Tom) 224: daar in Phillips Inn, nu ten dele een hotel, heeft zij tot haar dood in 1894, gewoond.
Met haar voelt hij een grote verwantschap: de vorm waarin zij haar gedachten goot stond artistiek niet hoog; doch daarop komt het niet aan: de kostbare inhoud, het edele willen is de hoofdzaak en de oneindige zegen, die daaruit voortkomt. Hoeveel leed heeft ze verzacht! Wat baat de schoonste vorm, die kostbaarste schaal, als hij slechts armzalige alledaagsheid bevat. Haar gaven bergen oneindige goedheid, door diepe liefde voor mensen doorlicht .......... Duizenden zegenen haar gedachtenis In Lawrence houdt May zich al bezig met de voorbereiding van Winnetous testament; zijn rust wordt echter verstoord door het vooronderzoek ter zake van meineed in Dresden.
Ook de kwestie van het onderzoek naar zijn Doktors-diploma houdt hem bezig: Chicago heeft hieromtrent aan het het Saksische Ministerie voor Justitie de nodige gegevens verstrekt. Op 16 oktober 1908 telegrafeert hij hierover met zijn Berlijnse advocaten Bahn 225 en Bertram 226.
In Lawrence houdt hij op 18 oktober 1908 een voordracht: Drie mensheids vragen. Wie zijn wij? Waar vandaan kamen wij? Waar gaan we heen? De door
Pfefferhorn gearrangeerde gebeurtenis in de overvolle turnhal wordt een grandioze huldiging. Vijf zangverenigingen nemen er aan deel en zingen Das ist der Tag des Herrn. De menigte was zo groot dat de tram niet verder kon.
May draagt deze maal een uitgesproken historische predikatie voor: Wij zijn missionarissen der humaniteit en gaan de vorming van een nieuwe staat tegemoet welke de eerste ware en werkelijke staat des geestes is, die er op aarde bestaat. Niet ongaarne vernemen de toehoorders hoe tenslotte slechts de Duitser een volksziel heeft en juist nu op het punt staat van zelf bewust zijn tot Godsbewust zijn over te gaan.
De beide Duitse kranten 227 brengen ellen-lange berichten over de voordracht, waarin het verder nog heet: Duits land verhief zich onder Bismarck tot westelijke machtsstaat en haastte zich te gelijker tijd -overeenkomstig zijn innerlijke aard - de eerste bouwstenen tot de Humaniteitsstaat te leggen. De thema-vragen beantwoordt hij naar verwachting: l een wordende geest, die des te menselijker denkt en handelt hoe meer hij de Goddelijke liefde weer tegemoet treedt; 2, van God; 3 naar God terug. Dan komt hij in samenhang hiermede ook te spreken over wat hij de psychologie der toekomst noemt. Daar hoort de gemeenschap nog dat het Germaanse ras hier in Amerika aan de top van het streven staat de geweld-staat in de humaniteitsstaat om te zetten.
Nu, dat Germaanse ras hebben we hier leren kennen, anno 1940 was het stadium humaniteitsstaat duidelijk nog niet aangebroken.
Onder applaus der aanwezigen overhandigt gemeente-vertegenwoordiger Grunwald in naam der vereniging en de Duitsers in Lawrence een gouden bondsinsigne.
Praktisch is de reis ten einde. Wat May in Lawrence nog beleeft is een soort getransformeerd Radebeul: huiselijke gemoedelijkheid bij de Pfefferkorns, vermoeide herinneringen, gesprekken, spiritisme.
Over Boston gaat het dan naar New York terug en van daar met de Kronprinzessin Cecilie naar Engeland waar beiden nog 14 dagen blijven 228. In de eerste week van december zijn ze weer thuis.
135
Hoofdstuk 14. Auteur van vrome boeken - een bandiet? (1908-1910)
Sinds 1906 geeft Lebius in Berlijn zijn blad Der Bund uit, een orgaan van de zogenaamde Gelbe Gewerkschaften waarvoor hij de sociaal-democratie in 1904 heeft ingeruild. Lebius die op 30 juni 1906 in het in Berlijn verschijnende blad Bruhnscher Blatt 229 een boosaardig artikel 230 doet verschijnen waarin hij spreekt over May als een gebrekkig mannetje (wel iets anders dan het Hooggeerde Herr Doctor in zijn brieven aan May) met een zware chronische ziekte, waarin hij ook gewaagt van voortgezette inbraken en diefstallen.
Zich tegen een dergelijke soort kritiek te verdedigen had de natuur van een Old Shatterhand vereist. May deelt de rechtbank mede een borstomvang van 1 meter 5 te hebben, dit als antwoord op de kwalificatie een gebrekkig mannetje.
Tussen Lebius Bund en het toonaangevend blad Vorwärts 231 ontwikkelen zich al spoedig een aantal vetes. Het komt tot beledigings-processen over en weer. Op 1 oktober 1907 wendt Carl Wermuth 232, hoofdredacteur van laatstgenoemd blad zich tot May: Op raad van een collega uit Dresden wend ik mij in vertrouwen tot u, of u mij over deze heer wellicht enige opheldering .... enz. May bevindt zich in eerste instantie op reis en probeert aanvankelijk op eigen kracht Lebius er onder te krijgen. Toch heeft de Vorwärts May intussen reeds als getuige opgegeven; Lebius weet dat reeds eind september 1907 en haalt uit voor een zorgvuldig voorbereide slag om deze gevaarlijke getuige eedsonwaardig te maken. Op 1 april 1908 verschijnt de brochure Karl May - een bederver der Duitse jeugd door F.W. Kahl 233 - te Bazel, vervaardigd door een stroman en uitgerust met de waarheid van 1906.
May dient direkt tegen alle drie een klacht in, namelijk tegen uitgever Walther 234 als verspreider van het pamflet, tegen Kahl als schrijver en tegen Lebius als eigenlijke aanstichter. Kahl keert zich direkt zowel van de brochure als van Lebius af; de brochure wordt praktisch direkt aan het verkeer onttrokken maar het doel is bereikt: de getuigenis van May heeft aan gewicht verloren.
De voorbereidingen tot het gevecht met Lebius duren ± een jaar en de journalist benut de tijd die May in Amerika doorbrengt naar krachten. Hij heeft contact gezocht met Emma Pollmer, Mays eerste vrouw, en de verbitterde vrouw doet een boekje open.
Het resultaat is het Bund-artikel van 28 maart 1909 Een spiritistisch schrijfmedium als kroongetuige van de Voorwarts-redactie (Klara May) waarin de hele echtscheidingsgeschiedenis van 1902/1903 weer wordt opgerakeld.
May die er zon tien jaar geleden nog mee in kon stemmen dat zijn werken als tegengif voor de sociaal-democratie geschikt waren, moet zich nu constant Genosse (kameraad) laten noemen, een gebeurtenis die hij in zijn eindeloze catalogus van Lebius wandaden als geraffineerde boosheid nr. 213 kenschetst.
Nu blijft hem niets anders over dan een aanklacht tegen Emma Pollmer in te dienen maar nog voor hier een uitspraak gevallen is, komt het op 19 mei 1909 na een persstrijd tussen de door May geinformeerde Metallarbeiterzeitung en de Bund voor het Schöffengericht Berlin-Schöneberg 235 tot een proces tegen Lebius. Resultaat: rechter en advocaten hebben geen overzicht en dringen aan op een vergelijk. De partijen beloven in de toekomst de vrede te bewaren.
136
Hiervan komt echter niet veel terecht: Lebius heeft Emmas belangenbehartiging op zich genomen, op 8 juni 1909 nodigt hij haar uit tot verpanding van haar sieraden omdat dat naar buiten toe een betere indruk maakt.. Hij wendt zich zelfs tot uitgever Pustet van de Hausschatz waarvoor May nog steeds bezig is met zijn Mir von Dschinnistan met een verzoek om steun.
De lezers van dat blad waren intussen begonnen te morren over het langdradige, moeilijk te begrijpen niet echt katholieke verhaal, dat tenslotte wordt afgebroken: May kan gaan.
Op 8 december 1909 gaat hij naar Augsburg om over Sitara, het land van de mensheidsziel (een Oriëntaals sprookje) een voordracht te houden. De Schiessgrabensaal is barstens vol 236, een mannenkoor is aanwezig. De lezing is een groot succes, in de pro May-pers wordt er uitvoerig over bericht.
Om hem heen is het stiller geworden, op 27 juni 1909 is Wilhelmine Beibler, de moeder van Klara, gestorven die sedert 1904 ook in Villa Shatterhand woonde: een naar het hogere strevende ziel, echter sehr arbeitsam und praktisch. Als zij dacht heel stil en zacht onder zijn kamer te kunnen opruimen dan hoorde hij zeker het kleinste gerucht en kon niet verder schrijven.
Ook bezoekers dringen nauwelijk nog tot de Meester door: Ik ben niet zo dwaas voor mijzelf te verbergen dat men mij als een uitgestotene beschouwt, uitgestoten uit kerk, maatschappij en literatuur.
De tweede fase van de vernietigingsveldtocht Lebius-May begint in de herfst 1909. May ziet Lebius als de beul die erop uit is het programma van Pauline Münchmeyer, die ook nog steeds met hem procedeert, uit te voeren en hem in alle kranten van Duitsland kapot te maken.
Op 22 november 1909 schrijft Lebius aan zangeres Selma vom Scheidt 237, een vriendin van Emma en een vereerster van May o.a. dat hij May voor een geboren misdadiger houdt. Deze klaagt op 17 december in Berlijn-Charlottenburg en op 23 en 24 december liggen voor de rechtbank twee stukken waarvan de inhoud overeenkomt met het op 19 december versehenen Bund-artikel Achter de coulissen! dat wemelt van de meest infame laster. Lebius had zich naar Hohenstein-Ernstthal begeven en de gezamenlijke dorpsroddel bij eengedragen die de mythe daar om May gesponnen had: Van inbraken zou hij hebben geleefd, het tuchthuis was dan de hogeschool van de misdaad voor hem geweest, na de vrijlating zou hij met Louis Napoleon Krüger 238 een roversbende hebben gesticht, dagelijks overvallen op marktvrouwen hebben uitgevoerd, enz.
Nog voor het tot het beslissende proces gekomen is, hebben deze aantijgingen reeds hun weg door de dankbare pers van binnen- en buitenland gevonden: Auteur van vrome boeken - een bandiet en wat May ook onderneemt om de kranten tot gerechtigheid te bewegen en tot het afwachten van de uitslag van het proces, voor de publiciteit is het geval May, het schandaal-May beslist.
Het proces-Charlottenburg op 12 april 1910 is de zwartste slag van Mays latere jaren. Voorzitter is Ambtsgerichtsrat Wessel 239, een oude brombeer. Lebius die vijf advocaten aan de zaak-May liet werken, laat zich in rechte vertegenwoordigen door Paul Bredereck 240, een heer die twee jaar later zelf voor de justitie naar Brazilië vlucht. May is alleen, er van overtuigd dat het geboren misdadiger op zich al voldoende is om tot een veroordeling te komen. Het gerecht echter billijkt de uitspraken van Lebius: Wahrung berechtigter Interessen en spreekt hem vrij.
137
Mays gezondheid wordt door deze slag ernstig geschokt. 0p 27 april 1910 verschijnt de laatste voortzetting van de Mir in de Augsburger Postzeitung, het boek vindt een einde dat geen slot is.
Een grijsaard is May omstreeks dit laatste jaar geworden: Geest en ziel zijn sterk gebleven ... Maar mijn lichaam, vroeger zo onverwoestbaar schijnend ... wil ineenstorten.
Met de Pater der Benedictijnen Ansgar Pöllmann (1871-1933) 241 die zich beijvert hem met de zweep uit de tempel der Duitse kunst te slaan heeft hij in het voorjaar 1910 nog afgerekend. Pöllmann noemde hem voor eeuwig - schoolvoorbeeld van een literaire dief. De door Lebius geïnspireerde brochure van Karl Wilker 242: Karl May - een volksopvoeder? - augustus 1910 laat hij zwijgend over zich heen gaan.
138
In november 1910 verschijnt de 335-bladzijden tellende brochure De getuigen Karl May en Klara May - Bijdrage tot de geschiedenis van de misdaad van onze tijd een bijeenraapsel van talrijke gerechtsakten en artikelen over het geval May, effektvol tendentieus verkort, ook vervalst en van commentaar voorzien. Weliswaar bereikt May op 2 december een verbod van dit boekwerk maar de duizenden verkochte exemplaren hadden inmiddels hun werking reeds gedaan. Voor de maatschappij geldt May zo uitsluitend en algemeen als geboren misdadiger dat na een dubbele roofmoord in Leipzig de politie aldaar bij wijze van voorzorg in Dresden informeert of de beruchte May misschien als dader in aanmerking komt. Kerstmis 1910 wordt hij getroffen door een zware longontsteking die eerst na maanden overwonnen is. Hoe lang zal dat nog doorgaan? Het schaadt mij niets! Ik houd het uit! Hij slaapt echter geen nacht meer.
139
WIDMUNG
Ich fragte zu den Sternen ob dort in jenen Fernen die Liebe mein gedacht. Da kam ein Strahl hernieder, drang leuchtend in mein Herz und trug all meine Lieder zu dir, Gott, himmelwärts. Ich fragte zu den Sternen wohl auf in stiller Nacht, warum in jene Fernen er sie emporgebracht. Da kam die Antwort nieder: ,Denk nicht an irdschen Ruhm; ich lieh dir diese Lieder, sie sind mein Eigentum! Ich fragte zu den Sternen wohl auf in stiller Nacht: ,Gilt dort in jenen Fernen auch mir die Himmelspracht? Da klang es tröstend wieder: ,Du gingst von hier einst aus und kehrst, wie deine Lieder, zurück ins Vaterhaus! |
140
blutig und grausam zugehen soll, wie Sie selber zugeben müssen! |
|
141
RAGENDE BERGE
Ich sehe Berge ragen Es soll mein Fuß mich tragen hinauf ins Höhenland. Bald find ich, wie ich glaube, mich dort zur Ruhe ein, und von dem Wanderstaube werd ich gereinigt sein. Ih sehe Berge ragen empor zum geistgen Ziel. Es türmen sich die Fragen, doch - wozu frag ich viel? Es wird ja doch beim Steigen, halt ich zuweilen an, sich ganz von selber zeigen, wie weit ich schauen kann. Ich sehe Berge ragen hinauf in lichte Höhn, nun will ich ruhig wagen den letzten Weg zu gehn. Dort find ich offne Türen; mein Engel tritt heraus und wird mich weiter führen bis in mein Vaterhaus. L49 |
Lichte Höhen, groene band 49 waarin de meeste gedichten zijn opgenomen. |
142
Overname met toestemming van Olms Presse uit de grote Karl May Bildband.
|
Karl May, der Räuberhauptmann. Vor dem Charlottenburger Schöffengericht hat es fürchterlich getagt. Was schon seit Jahren gemunkelt und noch vor einer Woche bestritten wurde, liegt offen vor den Augen der staunenden Mitwelt. Ja, Karl May, der Verfasser sittlich-religiöser Reiseromane, ist ein schwerer Junge. Nach einer frühen Entgleisung, die ihm eine kurze Gefängnisstrafe eintrug, und einem kurzen Debut als Einbrecher, das ihn zum ersten Male ins Zuchthaus brachte, etablierte er sich in den Wäldern des sächsischen Erzgebirges als richtiger Räuberhauptmann. Gemeinsam mit einem Genossen, der vom Militär desertiert was, hauste er in einer Höhle, tief versteckt, plünderte Marktweiber, foppte Gerndarmen und erschreckte die ängstliche Menschlichkeit, indem er etwa auf einem Tisch im Dorfkrug die grausamen Worte hinterließ: Hier haben May und Krügel gesessen und eine Bemme mit Wurst gegessen. Als man ihn wieder am Schlaffittchen gepackt und auf ein paar Jahre ins Zuchthaus gesteckt hatte, vollzog zich in ihm ein Umschwung. Statt zu Dolch und Dietrich griff er zu Tinte, Feder und Papier. Erst packte er die Menschen bei ihrer schlechten Seite, der Unsittlichkeit, und fabrizierte schlüpfrige Verbrecherromane. Das trug nichts ein — ein Beweis, daß die Welt noch lange nicht so schlecht ist, wie man sie immer macht. Darauf packte er sie an der guten Seite, der braven Dummheit, und förderte Reiseromane ans Licht, die von Edelmut und christlichem Sinne förmlich triefen. Das lohnte. Die Katholiken insbesondere fanden hier ihren Dichter, einen poetisch umfassenden Genius, aber ohne Makel der Gesinnung. Dem tüchtigen Spekulanten rann der goldene Strom in die Hosentaschen, daß sie schwollen. Aeltere Prinzessinnen krönten sein Haupt mit Lorbeer, hohe Herren zogen ihn an ihre Tafel. Er bewohnte eine fürstliche Villa, die von Raritäten und Kostbarkeiten strotzt. Jeder Tag überschwemmte ihn mit Huldigungen in Briefen und Päckchen; Rosenkränze aus Jerusalem und nahrhafte Würste, Liesbeserklärungen und Kunstwerrke flogen ihm ins Haus. Greise und Unmündigen sangen sein Lob.
|
Der Reiseschriftsteller Karl May als Kläger. Der Schöpfer so vieler phantastischer und dickbändiger Abenteurerromane, K a r l M a y in Dresden ist jetzt selber zum Objekt einer grotesken Abenteurergeschichte geworden, aus der sich ein Prozeß entwickelt hat. Dieser Prozeß beschäftigte heute vormittag das Schöffengricht C h a r l o t t e n b u r g. Kläger war K a r l M a y, Privatbeklagter der Sekretär der sogenannten gelben Gewerk-schaften R. L e b i u s. Den Vorsitz in der Verhandlung führte Amtgerichtsrat W e s s e l; als Verteidiger des Angeklagten fungierte Rechtsanwalt Paul B r e d e r e c k. Gegenstand der Privatklage was ein Brief des Angeklagten an die Opernsängerin Fräulein v. S c h e i d t in Weimar, in dem der Angeklagte von dem Privatkläger als einem geborenen Verbrecher spricht.
|
143
144
Fragment uit een rubriek van de bekende Nico Scheepmaker 245 waarbij weer min of meer wordt gesuggereerd dat de boeken van May tot de kinderboeken zouden behoren, terwijl tevens Fred Cutter (Old Wabble), die de ene domheid na de andere begaat, als slim wordt voorgesteld.
145
146
147
Hoofdstuk 15. Opwaarts naar het rijk der edele mensen (1910-1912)
In januari 1911 nog schrijft May aan de Union Pacific Railroad Company om literatuur over het Yellowstone-Park: in een groot boek zouden de lange schetsen, vooroefeningen en voorbereidingen voor later bijeen worden gebracht.
Gelukt mij dit later dan is alles waardoor ik mij erop voorbereid gerechtvaardigd hoe of wat men daar nu over denkt en schrijft ....
In de herfst van 1910, terwijl een menigte mij opgedrongen processen als dreigende revolvers op mij gericht zijn,, wordt het laatste boek afgesloten: Mein Leben und Streben, een zeer pakkend geschreven autobiografie en zeker niet moeilijk geschreven zoals dat met andere boeken die in de tijd zo vanaf 1900 tot stand kwamen toch wel in zekere zin het geval is. Deze autobiografie bevat toch weer echt dat spanningselement dat in die latere werken zo zeer kwam te ontbreken. Hij is, in tegenstelling met wat Wollschläger ons wil doen geloven wel degelijk voorzien van een duidelijk slot.
Ik zit dagelijks in de biechtstoel, zo ervoer May het schrijven van dit boekwerk waarover hij opmerkte: Ik spreek hier niet voor dit, maar voor dat leven waaraan ik geloof en waarnaar ik vurig verlang. Doordat ik hier biecht verleen ik mezelf de gestalte en het wezen zoals ik eens na de dood zal bestaan.
Of hij zoals hij zei werkelijk ervan overtuigd was na de doorstane kwellingen van de processen nog een levensavond tot zijn negentigste voor zich te hebben is twijfelachtig: zijn gezondheid is omstreeks deze tijd zeer slecht.
Na lange ziekte gaat hij met Klara in mei/juni 1911 voor een kuur naar St. Joachimsthal. Op de terugreis in augustus brengt hij korte tijd door aan het Bodenmeer U kunt het aan mijn handschrift zien dat mijn lijden nog lang niet ten einde is .... Fehsenfeld is naar Lindau gekomen en het is geen prettige ontmoeting; May wil van hem af en onderhandelt al met een nieuwe uitgeverij (Grethlein en Co. 246 in Leipzig), want al lang is de teuersten Freund en vielliebsten Bruder tot een geehrter Herr Fehsenfeld geworden.
In de herst gaat het met Mays gezondheid weer slechter en op 3 december 1911 schrijft Klara aan Henriette Schrott 247 van haar vermoedens: Al mijn geliefde doden kwamen na elkaar tot mij in de droom en probeerden me te troosten in mijn grote verdriet. Maar al te goed weet ik wat zulke voortekenen betekenen. Ik zal mijn liefste moeten afstaan, men heeft hem vermoord. Zijn arme lichaam zal de druk niet meer kunnen uithouden.
Hard wordt inmiddels gewerkt aan de voorbereidingen voor een revisie van het Charlottenburger-vonnis.
Het laatste werk van May is een verhandeling van 147 bladzijden, gedateerd 3 december 1911.
Evenals het eerste kortere stuk van midden juni 1910 gaat het ook naar de pers, doch deze heeft daaraan geen behoefte mer: wat aan de zaak May interessant en sensationeel was is voorbij.
Op 18 december 1911, met het Kerstfeest voor de deur, staat May in Berlijn-Moabit voor de laatste maal tegenover Lebius met zijn advocaat Bredereck248 .
Deze maal heeft hij betere rechtsbijstand: de Dresdener advocaat Netcke 249 en Justizrat Sello 250 uit Berlijn, beiden goed geprepareerd.
148
Ook de rechter Landgerichtsdirektor Ehrecke 251 heeft begrip van waarover hij hier te beslissen heeft.
Aan het einde staan noch domheid, noch routine gerechtigheid in de weg. Een hele dag duurt de behandeling. Nog eenmaal draagt Bredereck zijn verhaal voor; het voorstel van de rechter tot een vergelijk wordt door Lebius afgewezen. Rechter Wessel 252 van het proces-Charlottenburg wordt als getuige opgeroepen en herinnert zich slecht ofwel helemaal niet. Dan verschijnen Selma vom Scheidt 253, Emma Pollmer (die op grond van de Getuigen-brochure haar jaarrente verloren heeft) en de ondertussen voor de vierde maalweduwe geworden Frau Achilles 254.
Wat uitvoerig nog eenmaal urenlang ter sprake komt is voor May niet zonder pijnlijke momenten maar het gaat voorbij. s Avonds wordt het oordeel uitgesproken: revisie van het vonnis Charlottenburg.
Lebius krijgt wegens zware belediging een geldboete van 100 Mark (subsidiair 20 dagen gevangenisstraf) en moet de proceskosten betalen.
Het morele aspect stond natuurlijk in Moabit niet ter discussie, zoveel hebben wet en moraal nu ook weer niet met elkaar van doen. De uitkomst is ondanks dat niet te onderschatten: ofschoon slechts een klein deel van de pers er notitie van neemt betekent het Mays uiteindelijke overwinning op de boosaardigste van zijn vijanden.
De scheiding van goed en kwaad, nu is zij voltrokken.
25 Februari 1912 is zijn zeventigste verjaardag en rustig zit hij in de geur van bloemen die mij de liefde van mijn lezers zendt.
Onder de berichten die hem op deze dag een beter uitzicht op de toekomst geven is een bijzonder: het Oostenrijkse Academisch verbond voor literatuur en muziek nodigt hem uit in Wenen en Innsbruck een voordracht te houden. Daar wordt hem de mogelijkheid geboden ter bekroning van zijn levenswerk zijn hart eens uit te storten naar men hem schrijft.
Op 20 maart komt hij in Wenen aan: maart, de tijd van de wolken, het weer is slecht en hij heeft zijn laatste ziekte nog niet overwonnen.
|
  Liefde Ik zie natuur alles is puur   gloeit   broeit gevende liefde liefde geven   groeien naar iets hogers   iets beters |
| Marnix Antheunissen 255 |
149
150
151
In het Krantz 256 zoekt de Oostenrijkse vredesstrijdster Bertha von Suttner 257 hem op; op haar wens zal hij uit haar nieuwste boek Der Menschheit Hochgedanken citeren. Ook journalisten komen om een interview; dat men van zijn plannen en gedachten kennis wil nemen is voor hem al bijna een belevenis.
De avond van de voordracht wordt een onvermoede demonstratie. Ofschoon de Duitse keizer 258, de Koning van Saksen 259 en de vorst van Monaco 260 in Wenen vertoeven is de grote Sophiazaal op 22 maart 1912 barstens vol.
Drieduizend toehoorders 261 zijn aanwezig om de voordracht met het thema Empor ins Reich der Edelmenschen! te volgen: een gemengd publiek, oud en jong, hoge of eenvoudige betrekking. Vooraan zit Bertha von Suttner, meer achterin de zaal zou Adolf Hitler L50gezeten hebben.
May betreedt het podium opgewonden en lijkbleek en als hij begint is de menigte eerst teleurgesteld. Wat men verwacht had te kunnen horen blijft uit. Wat men hoort zijn verzen en een geloofsbekentenis:
Hij sprak veel van sterven en van de andere wereld, van goddelijke en eeuwige dingen ....
De tekst van de voor de vuist weg gesproken rede is niet behouden gebleven en de notities van het lange concept geven slechts een zwakke indruk van de rede en de uitwerking daarvan.
Na de aanvankelijke bevreemding komen de toehoorders in zijn ban; aan het eind van de voordracht waarin van Eeuwige vrede sprake is breekt een gejubel uit. Stormachtige ovaties vallen hem ten deel.
Een vol kwartier nog staat hij op straat in de menigte die hem niet wil laten gaan: een demonstratie van persoonlijke verering, een protest
tegen de beledigingscampagne die tegen hem was gevoerd en waaruit hij volledig gerehabiliteerd te voorschijn was gekomen.
May keert ziek en koortsig van de reis terug. Hij verlaat het huis niet, is na een week weer een stuk opgeknapt. Op 30 maart zit hij met Klara samen, spreekt van vele nieuwe plannen voor de nieuwe tijd die met de voordracht voor hem aangebroken is: een drama wilde hij schrijven dat zijn eigen leven zou schilderen en eerst lang na zijn overlijden in de publiciteit zou komen.
Gesprekken in zichzelf met zijn figuren. Hij is moe en zal vroeger naar bed gaan. Drie rustdagen dat zijn drie zaligheden.
Klara moet voor Pasen kamers in Bad Salzbrunn 262bespreken.
Drama: altijd dezelfde aardse kwelling, dezelfde ellende! Niemand verheft zich! Ze weten niet dat niemand sterft. Zeg het hun!
Er is nog veel te zeggen: Sieg! Großer Sieg! Rosen. 263 (Overwinning! Grote overwinning! Rozen.) zo luiden zijn laatste woorden.
Op zaterdag 30 maart 1912 s avonds om 8 uur sterft Karl Friedrich May.
Op geleende schoenen. |
152
153
EINSICHT
Bau nicht ein allzu festes Haus man trägt dich doch dereinst hinaus und legt als tot dich zu den Toten. Du wohnst hier nur im Wanderzelt; die Heimat fordert all dein Sinnen, und suchst du deine w a h r e Welt, so richte deinen Blick nach innen. Dein w a h r e s Heim, es ist nur dort jenseits des Erdenlands zu schauen, und jede Tat und jedes Wort trägt dazu bei, daran zu bauen. Trau nicht dem angenehmen Weg, den Tausende durchs Leben wandern! Weich ab, erklimm den steilen Steg, und laß sie lächeln, all die andern! Sieh auf die Toren nicht zurück und achte nicht auf ihre Stimmen; denn wisse wohl: dein w a h r e s Glück liegt hoch und läßt sich nur erklimmen! |
154
Tot 1974 264. Fotos G. H. Braakhekke-Barchem (bij Ruurlo) |
155
|
FRAGE
Hast du gelebt? Oh, wolle Antwort geben: Wie weit bist du zum Urquell vorgedrungen, dem deine Seele, dem dein Sein entsprungen, dem deine ganze Strebenskraft gebührt?MBR> Hast du geglaubt? Oh, wolle mir doch sagen, wie viele wohl von deinen Erdentagen den wahren, echten Sonnenschein gekannt! Der Glaube gibt Unendlichkeit des Schauens im klaren, warmen Lichte des Vertrauens und zeigt dir strahlend hell das Ursprungsland. |
156
157
158
HEIMWEH
Es gehen tausend Sterne mit ihnen eilt so gerne mein Denkend und mein Sinn. Wohl tausend Lüfte wehen lind über das Gesträuch; sie alle, alle gehen jetzt hin nach Haus zu euch. Nur ich allein muß bleiben, darf nicht mit ihnen fort, kann euch nur Grüße schreiben vom heimatfernen Ort. Und leg ich mich zur Ruhe so sehnsuchtsmüde hier, so wißt, daß ich es tue, mit euch vereint in mir. |
159
160
161
in gelegenheids-vertaling |
162
| Swebenbrunnen 8 c * 2000 Hamburg 72 | Tel. (040) 643 3307 * | Hamburger Sparkasse Hamburg | Kto. 1232/122059 BLZ 200 505 50 |
| BERICHT DER GESCHÄFTSSTELLE Anlage zu den Mitteilungen Nr. 39 | Hamburg, im März 1979 |
|
Die Kröpcke-Uhr, das bekannte und beliebte hanno- versche Wahrzeichen im Herzen der Stadt. |
163
| Leipzig, de 20/4 1869 |
Mijn goede ouders. Ik heb hen eerst gisteren getroffen, vandaag zijn wij in Leipzig, tot zaterdag in Amsterdam en dan in 9-10 dagen in Pittsburg. Moeilijkheden met passen zoals die bij ons in Duitsland aan de orde van de dag zijn heb ik ook niet te vrezen 267 daar op de pas van Mr. Burton de eenvoudige opmerking staat: Reist met zoon en kameraad en zo kan ik direct meereizen zonder eerst papieren te moeten halen. Jullie zullen het met mijn stap, die mij een goed vooruitzicht biedt op wat meer geluk, dan ik tot nu gehad heb, eens zijn. Daarenboven kan het helemaal niets schaden als ik Saksen, waar mijn verleden in elk geval enigermate bedreigend kan worden, enige tijd verlaat. Zo moest ik bijvoorbeeld in een restaurant alhier partout gearresteerd worden omdat onlangs iemand precies zo was gegaan als ik en ook precies op mij leek zijn consumptie niet had betaald. Ging het slechts om een groter vergrijp dan werd ik op grond van deze onheilspellende gelijkenis gearresteerd en was mijn verblijf in Zwichau nog reden temeer geweest mij voor de dader te houden en streng te behandelen. Ik reis af; men zal mijn verleden vergeven en vergeten en als een herboren mens met een betere toekomst kom ik weer. U krijgt deze brief niet via de post, maar door een zakenvriend van mij, die u zal opzoeken om enkele manuscripten af te halen, die hij te gelde zal maken. Hij is de oude colporteur Müller waarvan we vroeger veel gelezen hebben. Geef hem alles wat ik thuis heb; ik vertrouw hem. En nu, leeft wel, groet mijn zusters van me en verwacht spoedig een nieuwe brief van |
| uw dankbare Karl. |
164
Amersfoortse Courant d.d. 19 december 1978
De boeken van May zijn in de DDR (Oost-Duitsland) uit de gratie.
H.- Ernsthal en Radebeul liggen beide in de DDR.
|
In de tuin van Villa Shatterhand 1911 |
Foto Verlag A. Graff - |
165
|
Der muntere Onkel, |
Afscheidsgedicht juni 1897 na het bezoek in de villa Seyler in Deidesheim
166
| Radebeul, d. 12./8. 97 |
Mijn innig geliefde Winnetou 268!Eindelijk, eindelijk kom ik er toe je enige regels te zenden. Het is werkelijk nauwelijk uit te houden welk een last werk mij drukt! 6.000 Bladzijden Silberner Löwe, I band 269 Christfest 270, I band Hadschi Halef 271 enz. enz. Dagelijks ca. 60 brieven; alleen al het lezen daarvan, dikwijls 8 bladzijden lang en onleesbaar! Dan de bezoeken gedurende de grote vakantie! Ik mocht wel uit mijn huid kruipen; helaas echter heeft die niet zon groot gat dat ik er gemakkelijk uit kan! Je ziet, ik bedien me in mijn nood slechts nog van uitroeptekens!!! Toen we 272 jullie verlaten hadden was het ons als hadden we ons eigen huis verlaten. Van toen af verging het mij nog veel erger dan daarvoor. In Stuttgart en Innsbruck lieten de lezers mij geen minuut met rust. Het ergste echter was het dan in München, gewoonweg ongelofelijk! De eerste avond ontdekte een boekhandelaar aldaar me in het hotel en liet zonder dat ik het wist in de kranten zetten dat May er was. De volgende middag had ik reeds meer dan 600 brieven en kaarten met bezoekaanmeldingen. Van namiddags 2 tot s avonds 1 uur tegen de 900 visites, de volgende dag meer dan 600, de volgende meer dan 800; dan deserteerde ik. Terwijl ik honderden lezers (hoge officieren, graven, baronnen met hun squaws en arbeiders) in de zaal had moest ik elke tien minuten op het balkon treden om me te tonen aan de beneden staande menigte en deze groeten. Geloof me, zo ongelofelijk als het is; maar het werd ook door de kranten gebracht: de kleinere Gymnasiasten [het heeft May altijd dwarsgezeten dat hij i.p.v. naar het gymnasium naar de pedagogische academie - Lehrerseminar - werd verwezen om financiële redenen. Op tal van plaatsen speelt in documenten en werk het gymnasium een rol, b.v. in Weihnacht] stonden zo dicht voor het hotel dat de tram er niet doorkon en er niets anders opzat dan ze met de waterslang uiteen te spuiten. De kranten melden dat zelfs de Prins-regent 273 in München nooit zulk een opzien gebaard had als May. Half dood ben ik thuis gekomen en direct met drukkende arbeid overladen. Ja, ik kan nog uit mijn ogen zien, maar ademen nauwelijks. Het doet ons oneindig leed dat jullie niet kunnen komen. Wij hadden ons daar zo innig op verheugd. Kan het dan niet alsnog? Onze reis te beginnen is mij nu nog niet mogelijk; eerst heet het: werken. Een werkelijk heerlijke ontspanning zou een uitstapje met jullie naar het mooie Saksische Zwitserland 274 zijn geweest. Groet de lieve, goede Agnes van ons, evenals de lieftallige kinderschare met de dappere organiste, ook de Heer geestelijke Rath, de Heer kapelaan en de Heer burgemeester, die ik ook schrijven zal zodra ik kan. Jouw echter, mijn beste Emil, drukt in trouwe gedachtenis de vriendschapshand. |
|
Je oude Charley. |
167
| Radebeul, d. 9./5. 97 |
Beste Vriend |
|
Uw oude May. |
168
Gedicht voor de vijf dochters van Emil Seyler
Dr. Karl May, Radebeul-Dresden, Villa ›Shatterhand‹ |
Meine lieben Orgelpfeifen |
Onkel Karl. |
169
| Radebeul, 29. September 1905 |
Mijn beste vriend! |
170
Ze is de reine, kuise, pronkloze naastenliefde waarop men zich nooit kan beroemen en nooit van mag spreken. Maar ook als dat niet zo zou zijn, maar als via deze weg werkelijk hulp zou zijn te verwachten dan zou ik toch van deze hulp afzien. Ja, het is waar, ik ben van alle kanten aangevallen omdat men mij en mijn boeken nu nog niet begrijpt dan wel niet begrijpen wil. Juist zij die ze helemaal niet lezen zijn de hatelijksten. Maar ik draag beide in mij, de moed en ook de kracht al deze hatelijkheid te weerstaan tot de tijd komt waarin men mij en wat ik schrijf moet begrijpen. Wat ik nastreef is goed en waar ik voor vecht is mijn onvervreemdbaar recht. Mijn eer moet daaruit bestaan dat ik mij door geen schande laat neerwerpen en mijn proces wil ik slechts daardoor winnen dat de rechters mij het zuiver zakelijk recht toewijzen zonder zich door een of andere lof of een of ander naar beneden halen te laten beïnvloeden. Juist ik heb alle aanleiding de grootste onpartijdigheid te eisen, opdat tussen mij en mijn vijanden de juiste grens getrokken wordt. En daar is slechts de vraag aan welke kant het recht en aan welke kant het onrecht ligt, niet echter of ik een milddadig mens ben of niet. Helaas moet ik je met deze lange brief lastig vallen omdat mijn goede Klärchens briefje voor jou bestemd is geweest. Zij leest deze brief voor hij aan jou verstuurd wordt: dat ben ik haar schuldig, en ik voeg tot slot nog het volgende toe: Wij beiden jij en ik hebben ons gedurende de proces-voering van iedere soort van laagheid onthouden. Dwingt ons ondanks alles tenslotte de tegenstander nog omlaag, nu wel, dan dalen we tot hem af om hem daar beneden te zeggen wat wij hierboven niet zeggen konden. Dan delft hij het snelste het onderspit. Dus, ik ben zelfs, om voor mijn recht te strijden, tot een zekere manier van gebrek aan omgangsvormen bereid, doch mijn innerlijke wereld waarin ik mij oneindig gelukkig voel, en wat ik daar denk en doe, offer en geef die hoop ik mij ook verder vrij te houden. Het allerminste moet het proces mij deze wereld bevlekken! |
|
Met hartelijke groet, Je oude May |
171
|
Op latere leef- tijd werd May ook vegetariër. |
Nun, da ich aber hier in dieser guten Stube die verlorengegangenen Lebenskräfte wiederfinde und auch fast wieder folgerecht denken kann, verspreche ich dir bei diesen
Schinken und Würsten, die die erlaubten, die wahren Genüsse des Lebens darstellen, daß ich mich niemals wieder verlocken lassen werde, auf meine Menschenwürde, und sei es auch nur für eine Stunde, zu verzichten. Nie wieder soll der Tabak meine Lippen berühren, und jedes Getränk, das Alkohol enthält, sei mir fortan nur als Arznei erlaubt. Ich habe mein Versprechen bei diesen ehrlichen Schinken und hochachtbaren Würsten abgelegt; du bist mein Zeuge und sollst mich vor jedermann für einen ehrlosen Menschen erklären, wenn du mich jemals wieder rauchend oder gar berauscht zu sehen bekommst. Hier, meine rechte Hand darauf! Ich nahm die mir dargereichte Hand, schüttelte sie herzlich und sagte: Es freut mich, daß du die Lehre, die du erhalten hast, beherzigen willst. Die Virginias wachsen nicht für Knaben, sondern nur für erwachsene Männer auf den Tabakbäumen Österreichs. Du nennst mich, deinen Busenfreund, einen Knaben?! Ja. Und denkst wohl, du selber wärst ein Mann? Gewiß! Etwa nur darum, weil die Zigarren dich nicht so elend gemacht haben wie mich? Ja, denn es war eine höchst männliche Selbstbeherrschung von mir, daß ich dieses Kraut des Teufels mäßig genossen habe, während du gerade wie ein Kölner Funke geräuchert und gestopfholzt hast. 276 |
172
Aanbevelende woorden der Duitse bisschoppen m.b.t. Karl Mays Reisavonturen.
Empfehlende Worte |
Se. Exzellenz, Herr Georg Cardinal Kopp, Fürstbischof von Breslau schreibt:
Die Reiseerzählungen von Karl May bedürfen angesichts der begeisterten Aufnahme, welche dieselben in den weitesten Kreisen der Bevölkerung gefunden haben, keiner besonderen Empfehlung. Diese Erzählungen gewähren nicht allein eine fesselnde und spannende Unterhaltung, sondern bieten auch eine reiche Quelle an Belehrung über geographische, ethnographische und kulturelle Verhältnisse, was wohl oft nicht genug gewürdigt wird.
Se. bischöfliche Gnaden, Herr Ich sehe mich daher bei diesem höchst interessanten und spannend geschrie- |
nen Werke, daß auch jüngere Leute unverletzen Fußes durchwandern können, darauf beschränkt, dasselbe durch mein Pastoralblatt mit einigen anerkennenden Worten empfehlen zu lassen .....
Im Pastoralblatt des Bistums Eichstätt vom 20. Septbr. 1894 werden die Werke, wie folgt, empfohlen:
Die verderbliche Romanlitteratur der neueren Zeit hat das Verlangen nach Werken hervorgerufen, welche auf echt christlicher Grundlage beruhen. Es sind deshalb auch in den letzten Decennien sehr viele gute Jugendschriften erschienen, und zu den besten dieser Art zählen die Reiseerlebnisse des bereits überall bekannten und beliebten katholischen Schriftstellers Karl May. Der Verfasser liefert uns Reisebeschreibungenaus vielen Ländern Amerikas, Asiens und Afrikas; keine trockenen Schilderungen von Land und Leuten,
|
172a
sondern so spannende und interessante Erzählungen, daß es dem Leser jedesmal schwer ist, das Buch zu schließen, so oft äußere Umstände ihn dazu zwingen. Karl May führt uns durch Erzählung seiner vielen Abenteuer unmittelbar hinein in das Leben und Treiben, in die Kämpfe und Spiele der einzelnen Völkerstämme dieser Erdteile und bietet so dem Leser ein konkretes Bild von den Sitten und Gebräuchen, von dem Charakter und den Anschauungen dieser Völker — Die Sprache ist formvollendet und kann deshalb der Jugend zum Muster dienen; der Inhalt überaus reich an herrlichen Gedanken und mit solchem Takt gewählt, daß man jeden Band unbedenklich der heranwachsenden Jugend in die Hand geben kann. — Für Instituts- und Jugend-Bibliotheken wird das Werk eine besondere Zierde sein, und kann es daher auch allen, die sich die Anschaffung von Werken für die Jugend angelegen sein lassen, aufs wärmste empfohlen werden.
Im Auftrage St. Excellenz des hochwürdigen Herrn
daß Se. Excellenz von den Publikationen mit Interesse Kenntnis genommen habe .... Es wird zu Sr. Excellenz besonderer Befriedigung gereichen, wenn durch viele dies Bücher bei dem, einen ernsten Lektüre entwöhnten Publikum, die vielfach unsittliche, verführerische und sentimentale Litteratur ersetzt oder wenigstens zurückgedrängt würde ....
Se. bischöfliche Gnaden, Herr Leo Redner, Bischof von Culm, schreibt: Die Reiseerzählungen von Karl May, welche mit Recht in den katholischen Leserkreisen so viele Freunde gefunden haben ....
| Se. bischöfliche Gnaden, Herr Dr. Carl Klein, Bischof von Limburg, schreibt:Gerne werde ich wie bisher, so auch fernerhin dieselben als eine durchaus empfehlenswerte Lektüre anrühmen und mich freuen, wenn ich dadurch zu deren Verbreitung etwas sollte beitragen können &c. ....
Se. bischöfliche Gnaden, Herr Ich habe schon früher viel Rühmliches von dieser Lektüre gehört und mich persönlich davon überzeugt, daß dieselbe ebenso spannend als belehrend ist. Ich wünsche der Verlagsbuchhandlung Glück zu diesem Unternehmen, welches dem Lese-Bedürfnis unserer Zeit entspricht, ohne nach irgend einer Hinsicht zu schaden ...
Im Auftrage Sr. bischöflichen Gnaden, des Herrn Wenn dieselben dem guten Rufe entsprechen, der ihnen vorausgeht, so freuen sich Se. bischöfliche Gnaden für Konvikte und ähnliche Anstalten unserer Diözese eine passende Lektüre gefunden zu haben ....:
Se. bischöfliche Gnaden, Herr .... Da die hier gebotene Lektüre ebenso sehr sittlich rein und unterhaltend, als auch lehrreich ist und zur Erweiterung des geistigen Gesichtskreises beiträgt, werd ich auch keinen Anstand nehmen, diese Bücher bei geeigneter Gelegenheit zu empfehlen .... |
172b
Se. bischöfliche Gnaden, Herr Dr. Michael v. Kampf, Bischof von Passau, schreibt:Die Lektüre der Bücher ist stets unterhaltend und spannend; sie bietet aber auch vielfache Belehrung über geographische und ethnographische Ver- | hältnisse. Was aber die Hauptsache ist, die Bücher sind frei von allem, was konfessionel oder sittlich anstößig wäre, sie geben vielmehr vielfach sittlich gute Anregungen, so daß man selbst jungen Leuten dieselben in die Hände geben darf und denselben in der That damit Freude bereitet .... |
Mit Rücksicht auf vorstehende Worte empfiehlt die unterzeichnete Verlagsbuchhandlung die gesammelten Werke von Dr. Karl May allen katholischen Familien, Vereinen, Jugenbibliotheken auf das angelegentlichste. Die schöne Ausstattung und der prachtvolle Einband machen die Bücher besonders geeignet, als ebenso wertvolle wie freudig aufgenommene Geschenke auf den Weihnachtstisch gelegt zu werden.Zu beziehen durch alle Buchhandlungen, sowie direkt vom Verleger |
Freiburg (Baden). |
Friedrich Ernst Fehsenfeld. |
173
Voorpagina van het tijdschrift Für alle Welt, geïllustreerd huisblad. Uitgever: Göltz en Rühling 277 (voorheen Franz Neugebauer 278) te Stuttgart. Mays werkzaamheid voor deze uitgeverij strekte zich uit van november/december 1878 tot april 1882 en nam een aanzienlijke omvang aan.
Zijn bijdragen aan het voorheen All-Deutschland geheten blad geschiedden o.m. onder de pseudoniemen: Karl Hohenthal (afgeleid van Hohenstein-Ernstthal,
geboorteplaats van Karl May, Emma Pollmer (zijn eerste vrouw) en Prinz Muhamel Latréaumont.
De vierde jaargang 1880 (eind augustus 1879 tot midden augustus 1880) van Für alle Welt begint met de Originalroman van Karl May: Scepter und Hammer en bevat verdere bijdragen, enkele wederom onder de naam Karl Hohenthal.
Aan de hulpvaardigheid van twee leden van de Duitse literaire club Karl May Gesellschaft, enkele jaren geleden opgericht, is het te danken dat deze haar leden de herdruk van het origineel van even genoemde roman zo mede van Die Juweleninsel in de oorspronkelijke vorm van de tijdschriftendruk kan voorleggen. (De heren Frey en Nest.)
ZUM SCHLUSS
Leb wohl, mein Lied! Es soll dich stets begleiten um Liebe, nichts als Liebe zu verbreiten, wo man dir freundlich ein Willkommen sagt. Es wechseln in der Sterblichkeit die Zeiten, der Glaube aber bleibt unwandelbar und wird einst siegreich über alles schreiten, was ihn verhöhnte, weil es sterblich war. Doch sollst du nicht das S c h w e r t des Glaubens schwingen, nein, nur des Glaubens S c h i l d ist dir erlaubt. Du darfst in F r i e d e n s w o r t e n nur erklingen, weil nur der Friede an den Frieden glaubt. Der Mensch muß s e l b e r sich zunächst bezwingen und darum stets zum Kampf gewappnet sein! Doch will er dann die Feinde niederringen, so kann er das d u r c h L i e b e ganz allein! |
174
Scepter und Hammer.
| (Nachdruck verboten |
Erſtes Kapitel. Die Zigeunerin. Auf der breiten Chaussee, welche durch das Dorf nach der Reſidenz führte, schritt ein junger Mann dahin. Er mochte kaum mehr als zweiundzwanzig Jahre zählen, obgleich über seinem ganzen Wesen der Ausdruck des Charaktervollen, des innerlich und äußerlich Vollendeten lag. Seine hohe, kräftige Gestalt, die elegante Sicherheit seiner Bewegungen, die männlich schönen Züge seines von der Röthe der Gesundheit überhauchten Angesichtes konnten gewiß nur einen angenehmen Eindruck hervorbringen, und selbst das kleine, wohlgepflegte Bärtchen, welches seine vollen Lippen beschattete und in jedem anderen Antlitze stutzerhaft erschienen wäre, schien hier zur Gesammtwirkung unbedingt nothwendig zu sein. Er trug einen feinen, gewiß von einem besseren Tailleur gefertigten Promenadenanzug, und der goldene Zwicker, welcher den Blick seines Auges verschärfte, hatte seinen Sitz sicher nicht durch die schädliche Mode erhalten, durch das Tragen von Augengläsern ein vornehmes |
![]() Anna Elzer. | oder gelehrtes gewinnen. |
175
No. 5.
Der Scheerenschleifer. |
In Dankerode war Jahrmarkt. Dies konnte nun allerdings kein großartiges Ereigniß genannt werden, aber daß zum Dankeroder Jahrmarkt einmal ein so ausgezeichnetes Wetter war, das hatte man seit vielen Lustren nicht erlebt. Daher wanderte auch Alles, was nicht mit Gewalt zu Hause festgehalten wurde, dem Dorfe zu. Dankerode war keine Stadt, nicht einmal ein Marktflecken. Es hatte also auch gar keine Gerechtsame zur Abhaltung eines Jahrmarktes. Aber es war nun einmal herkömmlich, daß am fünfzehnten Juli Jeder, der etwas zu verkaufen hatte oder etwas kaufen wollte, Jeder, der sich entschlossen hatte, in Dienst zu gehen oder der einen Dienstboten brauchte, überhaupt Jeder, der ein Geschäft irgend welcher Art abzumachen hatte, nach Dankerode lief, um dort seine Angelegenheit unter freiem Himmel in Ordnung zu bringen. Da stand denn sehr oft Bude an Bude und Regenschirm an Regenschirm; denn wer am fünfzehnten Juli nach Dankerode ging, der wußte, daß er naß wurde, von außen bis auf die Haut, und von innen durch allerhand Viere und sonstige Flüssigkeiten bis unter die Haut und noch tiefer. Daß es nun heut nicht wie aus Tragkörben goß, war ein Wunder aller Wunder. Nicht einmal ein Gewitter stand am Himmel, der so hell und rein, so unschuldig aussah, als ob er alle Jahre den Dankerodern ein so freundliches liebenswürdige Gesicht gemacht hätte. Sogar der Himmel hat kein Schamgefühl mehr! Aber das Anfeuchten war man in Dankerode einmal gewohnt. Ging es nicht von außen, so geschah es doppelt und dreifach von innen, wegen der ungeheuren Hitze, wie man sich entschuldigte. In keiner Bude aber wurde so viel getrunken, wie in derjenigen der ehrsamen Wittib Veronika Salzmeierin. Das war aber auch eine Frau, bei der man unwillkürlich mit der Zunge schnalzen mußte, gerade so, als wenn man ein Stück saftigen Rehrücken vorgesetzt bekommt. So propre und sauber, so nett und adrett, so appetitlich und zum Anbeißen gab es in der ganzen Grafschaft Mansfeld sicherlich kein zweites Weibsen, und dabei hatte sie ein Mäulchen, so fleißig wie ein zwölfgängiges Mühlwerk, und ein paar Augen, die es jedem anthaten, der noch ein Herz im Leibe trug. Heut hatte sie es besonders auf einen Tisch abgesehen, der da hinten in der Herrenecke stand. Da saßen nämlich sieben oder acht Gäste, von denen Jeder wenigstens drei Flaschen, nämlich drei leere Flaschen, vor sich stehen hatte. Und dabei hatten die Leute so etwas an sich, so etwas Ausgezeichnetes, so etwas Vornehmes, so etwas Salzmeierinanziehendes, daß die gute Veronika kein Auge von der Gruppe verwandte und alle drei Minuten herbeigetrippelt kam, um zu fragen, ob vielleicht noch eine Flasche befohlen werde. Und jetzt kam gar ein Mann herein, der hatte eine Haltung, einen Schritt, ein Auge, einen Zwickelbart, hurrjeh, dem sah es die Wirthin sofort an, daß er noch viel ausgezeichneter und anziehender sein müsse als die Andern. Die erhoben sich auch sofort von ihren Sitzen und machten Gesichter, als ob er sie alle ungefährdet verschlingen dürfe. Er aber gab nur einen ganz kleinen Wink, so setzten sie sich augenblicklich wieder nieder, und er nahm bei ihnen Platz. Sie kam wie eine Bachstelze herbei gewippt und geschnippt, wischte sich mit der schneeweißen Schürze den Mund ab, schlug in jungfräulicher Verschämtheit die Augen nieder und frug nach den Befehlen des gnädigen Herrn Bergamtmannes. Denn in der Grafschaft Mansfeld war damals der Bergamtmann die angesehenste Persönlichkeit, und weil dieser Herr gar so nobel aussah, mußte er 279 |
176
| 74 | No. 5 |
Hm, ja; Sie hat ein sehr gutes Gedächtniß. Sage Sie einmal, könnte Sie wohl einen Bergamtmann gut leiden? Diese Worte gingen ihr so tief in das liebesbedürftige und doch verwittwete Herz und seine Finger knippen sie so zärtlich in die gerötheten Wangen, daß sie einen so tiefen Knix machte, daß ihre Knie beinahe die Erde berührten. Ja! Donnerwetter, das paßt; denn ich habe noch keine Bergamtmännin. Wenn kann man Sie denn einmal besuchen, Sie kleine Hexe Sie? Zu jeder Zeit, gnädiger Herr! Schön! Ich gebe Ihr mein Wort, daß ich zu keiner Anderen gehe, wenn ich mir meine Amtmännin hole. Aber vergeßt es nur nicht, gnädiger Herr! lispelte sie leise. Nein. Sie hat mein Wort und damit basta! Bringe Sie mir auch so eine Flasche, aber kein Katzenwasser, verstanden! Sie schnellte hinter den Schenktisch und suchte eine von den wenigen Flaschen hervor, die sie für ganz besondere Ehrengäste reservirt hatte. Da kostete eine zwanzig Silbergroschen, aber sie nahm sich vor, ihm nur zwölf abzuverlangen. Das erste Glas goß sie ihm selbst ein und nippte leise davon. Zur Gesundheit, gestrenger Herr! Danke, Schatz! Er trank das Glas aus, schenkte sich voll und leerte nochmals; dann streckte er die Beine von sich und wollte eben ein Gespräch beginnen, als er daran verhindert wurde und sich augenblicklich in eine horchende Stellung aufrichtete. Draußen vor der Bude hielt nämlich ein Schleifer mit seinem Karren. Er hatte sehr viel zu thun; aber nicht nur seine Kunden standen bei ihm, sondern auch eine ganze Menge andere Leute. Er war seit einigen Tagen in der Gegend bekannt, und man wußte, daß er gar schöne Schleiferlieder zu singen verstehe. Er pflegte sie zum Takte seines Rades vorzutragen und die Pausen mit dem Geräusche auszufüllen, welches durch die Berührung der Messer und Scheeren mit dem Schleifsteine hervorgebracht wird. Er hatte heut bereits viel gearbeitet, aber noch nicht gesungen. Darum wurde er so dringend um ein Lied gebeten, daß er endlich nachgeben mußte. Er begann: Der Schleifer ist allzeit ein Mann, Den man nicht gut entbehren kann, Weils Vieles gibt, wie Ihr ja wißt, Was abgestumpft und schartig ist, Und man sich da nur nutzlos quält, Wo Schärfe, Schnitt und Rundung fehlt. Der Schleifer findet weit und breit Gar manche Ungeschliffenheit, Und wo er nicht selbst helfen kann, Da packen andre Kräfte an. Das Schicksal faßt ja manchen Tropf Mit eisenfestem Griff, Setzt ihm den widerspenstgen Kopf Zurecht und gibt ihm Schliff! Der Klang dieser Stimme war es, welcher den zwickelbärtigen Herrn Bergamtmann am Sprechen verhindert hatte. Er hörte die Strophe zu Ende und meinte dann: Nicht übel, das Lied, hm; sollte länger sein, nicht, Hauptmann? Derjenige, an den die Worte gerichtet waren, beeilte sich beizustimmen: Gewiß, Durchlaucht! Doch, da kommt ja bereits eine zweite Strophe! Wirklich erklang es bereits nach dieser kurzen Pause draußen weiter: Der Meister und die Meisterin, Die haben oft gar eignen Sinn, Der Lehrling ist ein Aschenbrod, Hat wenig Freud und sehr viel Noth, Arbeitet wie ein Droschkenpferd Und gilt doch keinen Heller werth. Der Sündenbock für alle Welt, Auf halbe Ration gestellt, Zu spät ins Bett, zu früh heraus, Das halte doch der Teufel aus! Und klagt und schimpft und jammert er, So kommt der Meister Pfiff, Nimmt Elle oder Knieriem her Und applizirt ihm Schliff! Der Bergamtmann strich schmunzelnd seinen schwarzen Schnurrwichs. | Ja, die Elle oder der Knieriem sammt dem Lade- und dem Haselstocke sind die besten Erzieher, die es gibt. Die Elle macht fromm, der Knieriem sanft, der Ladestock gehorsam und der Haselstock geduldig! Meint Er nicht, Hauptmann? Versteht sich, Excellenz. Ein strenges Wort hat mehr Wirkung, als eine freundliche Predigt von sechs Stunden Dauer. Bei einer solchen Gesinnung ist es schade, daß Er nicht anstatt Hauptmann Feldprediger geworden ist. Aber horcht, er singt weiter! Der Schleifer fing die dritte Strophe an. Sie lautete: Bei einem wohlbekannten Haus Fliegt Geld hinein, Papier heraus. Man sagt, daß es ein Bankhaus sei, Doch ists die höhre Schleiferei; Denn man dreht drinnen dem Hans Tapp Die schwer ersparten Groschen ab. Da plötzlich wird die gute Bank An hoffnungsloser Schwindsucht krank; Der Prinzipal kniff gerne ex, Doch faßt ihn Polyp multiplex. Jetzt brummt er in der Einsamkeit, Und kaut an seinem Kniff, Und für das Schleifen frührer Zeit, Bekommt er selbst nun Schliff! Wenn dieser Kerl sich seine Lieder selbst macht, so ist er ein ganz verdammter Himmelhund! meinte der Fürst. Das schnappt und klappt ja Alles ganz vortrefflich! Und das mit der höheren Schleiferei ist ganz richtig; nur will ich ihm nicht rathen einen Namen zu nennen, sonst wird er noch höher geschliffen. Aber wahrhaftig, der Mann bringt noch mehr. Hört! Draußen erklang die Fortsetzung des Liedes: Im Schulhaus geht für Jedermann Das offizielle Schleifen an. Und was die liebe Frau Mama Bisher am Zuckerkind versah, Wird hier barmherzig und geschickt Mit Stock und Ruthe ausgeflickt. Das niederträchtige A-B-C Schmeckt unbedingt nach Aloë, Und wer das Einmaleins verdaut, Der stirbt auch nicht an Sauerkraut. In diese Art Philosophie Fährt man mit raschem Griff, Legt sie gemüthlich übers Knie Und applizirt ihr Schliff. Bravo, Bravo! Immer übers Knie mit den Rangen, und gehörig aufgewichst. Mir sollte die Anneliese nicht wagen, die Buben und Mädels zu verderben! Warum hat man jetzt so gottlose subordnungswidrige Bengels unter den Rekruten, Hauptmann? Nun? Es liegt an der Erziehung; die Eltern sind schuld! Und darum verdienen sie mehr Prügel, als die Jungens. Es ist jetzt eine traurige Zeit, eine Zeit, in welcher eigentlich Hoch und Niedrig, Jung und Alt ganz gehörig durchgeprügelt werden müßte; denn ich sage Euch, Ihr Herren, daß — — — Er war dabei auf eines seiner Lieblingsthemata gekommen, über welches er stundenlang zu reden vermocht hätte, wenn er nicht von dem Schleifer gestört worden wäre: Wohnt einmal Einer in der Stadt, Der gar zu lange Finger hat; Bei Tage bleibt er stets zu Haus, Geht nur im Dunkelmunkel aus, Ist aller Straßenlampen Feind Und liebt den Mond, wenn er nicht scheint. So wandert heimlich er fürbaß, Denkt bald an Dieses, bald an Das, Bis er, Kreuzhimmelelement, Ein fremdes Portmonnaie umrennt. Doch leider wird der Schelm ertappt Bei dem verbotnen Griff; Ein Gänsedarm hat zugeschnappt Und sorgt für bessern Schliff. Hm, brummte jetzt der Fürst. Da fällt mir ja etwas ein, Ihr Herren. Habe da einen Wisch von Oberst Ravenau, der beim Schwedenkönige sitzt, erhalten, worin ich benachrichtigt werde, daß ein Wachtmeister, ein gewisser — — Teufel, wie heißt doch der Bengel gleich? Major, Er hat das Schreiben ja gelesen! |
177
| No. 5 | 75 |
Wachtmeister Roller, antwortete der Aufgeforderte. Roller, ja; also daß ein gewisser Wachtmeister Roller in der Gegend zwischen Merseburg, Halberstadt und da herum sein — — — Donnerwetter, da geht es wieder los; das muß man sich gefallen lassen. Hört! Ich kenne ein Amphibium, Heißt Redakteur und ist nicht dumm. Im Tintenfasse schwimmt das Thier, Frißt Federn, Schreib- und Druckpapier, Hat eine Zunge, spitz und scharf, Und quakt, was man nicht quaken darf. Drum bringt den Herrn Amphibius Das Quacken öfters in Verdruß, Wobei es hier und da gelingt, Daß man ihn auf das Trockne bringt. Denn tritt er in der Setzerei Etwas zu stark aufs Schiff, So stürzt ein Paragraph herbei Und sorgt für bessern Schliff. Fertig? Also nun kann ich fortfahren. Der Oberst Ravenau schreibt mir, daß sich da ein Wachtmeister Roller herumtreibe, bald als Brillmann, bald als Bänkelsänger oder Scheerenschleifer, bald als sonst etwas. Was das für einen Zweck hat, kann sich Jeder denken, und ich möchte mir den Kerl da draußen denn doch einmal in Augenschein nehmen. Was meint Er, Major? Ein gewöhnlicher Schleifer hat diese Verse nicht gemacht, so viel ist sicher, Durchlaucht. Sie stammen nicht blos von einem witzigen, sondern auch von einem gewandten und erfahrenen Kopfe — — ah, noch eine Strophe! Herr Müller und Frau Müller sind Zuweilen sehr konträr gesinnt. Er liebt den Skat; sie haßt das Spiel, Er schweigt gern und sie plappert viel, Er ist ein Feind von Tand und Putz, Und sie hälts mit dem Federstutz. Der Frau gebührt natürlich Recht; Sie ist das schönere Geschlecht. So war es schon zu Adams Zeit, So bleibt es auch in Ewigkeit. Und fehlt dazu dem Grobian Der richtige Begriff, Schafft sie sich einen Hausfreund an Und sorgt für bessern Schliff! Ein schallender Beifall war der Lohn für den Vortrag dieses Liedes. Auch in der Bude stimmte man ein, und nur die Offiziere verhielten sich zurückhaltend. Auf einen Wink des Fürsten erhob sich der Jüngste von ihnen und trat hinaus vor die Bude zu dem Schleifer. Hat Er einen Augenblick Zeit? Der Gefragte sah ihn forschend an. Warum? Da drinnen am hintersten Tische sitzen einige Männer, die Ihn gern sehen möchten, weil Er so schöne Lieder singen kann. Werde gleich kommen! Seine Haltung und seine Ausdrucksweise verriethen dem Auge des Kenners allerdings eine nicht vollständig zu verbergende militärische Schulung. Er schliff das Messer, welches er in der Hand hielt, vollends fertig und trat dann in die Bude, wo er der Wirthin begegnete. Wer sind die Leute da hinten? frug er sie. Sie kannte ihn jedenfalls schon und nickte ihm aufmunternd zu. Sehr vornehme Leute, da wird es ein Gläschen Guten geben. Der Eine, der mit dem schwarzen Zwickelbarte, ist der Herr Bergamtmann, der erst eine halbe Stunde hier ist und bereits die dritte Flasche hat. Bergamtmann? Sehe nicht viel Vornehmes daran, antwortete er. Sie warf ihm ob dieser Rede einen sehr vernichtenden Blick zu, er aber beachtete denselben gar nicht und schritt nach dem ihm bezeichneten Tische. Leopold wandte sich ihm zu. Er ist der Schleifer von da draußen? Ja. Woher hat Er seine Lieder? Die mache ich mir selber. Und die Melodie dazu? Auch. Kreuzelement, da ist Er ja ein ganz verdammt gescheidter Kerl! Ist auch nicht zu verwundern! | Wie so? Habe viel Schule genossen. Sollte studieren. Kam aber nicht bis an das Gehirn, sondern nur bis an das große Maul! Oho! War bereits bald fertig, da wurde das Geld alle, und ich mußte aufhören. Aber dichten und musiziren kann ich dennoch wie sonst Einer. Heda, Wirthin! Die ehrbare und lobesame Wittwe Veronika Salzmeierin kam herbeigeschnippt. Was gebieten der gestrenge Herr Bergamtmann? Eine Flasche für Den da, aber hinaus an den Karren! Sie knixte erst, und dann schnippte sie eiligst davon. Danke, Herr Amtmann! meinte der Schleifer. Wo ist Er denn eigentlich zu Hause? In Treptow. So so! Hat Er Seinen Schein bei sich? Ja. Zeige Er ihn einmal heraus! Der Schleifer brachte seine Legitimation aus dem Wammse und gab sie dem Fürsten. Dieser buchstabirte sie zusammen. Seine Miene verrieth einige Bedenklichkeit. Dieser Ausweis ist doch nicht in Treptow, sondern in Merseburg ausgestellt worden! Die ursprüngliche Legitimation ist mir verloren gegangen, und da hat man mir an ihre Stelle diese hier gegeben. Ach so! Aber der Verlust der ersteren müßte doch hier bemerkt sein! Das verstehe ich nicht. Vielleicht ist diese Bemerkung vergessen worden. Möglich. Doch kann er dadurch in Verlegenheiten verwickelt werden. Er hätte vielleicht noch etwas hinzugefügt, aber es hatte sich ein Mann herbeigedrängt, der dem Schleifer die Hand auf die Achsel legte. Nicht wahr, Er ist der Schleifer? Ja. Hier ist der Brief, den Er zu besorgen hat. Bezahlt ist Er wohl bereits? Ja. Werde ihn gut besorgen. Der Mann entfernte sich und Leopold frug nun weiter: Hat Er Seine Lieder nur im Kopfe oder auch auf Papier geschrieben? Was ich selber dichte, brauche ich doch nicht etwa niederzuschreiben! Wohin wird Er von hier aus gehen? Vielleicht nach Querfurt; da ist in ein paar Tagen auch Jahrmarkt. (Fortsetzung folgt.) Aus fernen Jugendtagen.
Mann, bist Du denn nun endlich fertig mit tafeln? bracht sie jetzt los, und der Pastor fühlte sich durch diesen ehelichen Wink auch wirklich veranlaßt, den silbernen Zahnstocher einen Augenblick walten zu lassen, dann faltete er die Hände, sprach das Dankgebet und nun schritten wir hinaus auf den Vorsaal, der mit Riesenölbildern, alle Jagdhunde edelster Race darstellend, die in der Geschichte des Waidwerkes des Hauses eine hervorragende Rolle gespielt hatten, dekoriert war. Jeder von ihnen hatte seinen Stammbaum, seinen Namen und war sicherlich mit ganz besonderen Jagdhundstugenden ausgestattet gewesen, die der jagdliebende Pastor im Vorbeigehen der Ehegattin umständlich auseinandersetzen wollte. |
178
179
180
Sei uns gegrüßt! Wir, deine Erdentaten du bist die Ernte deiner eignen Saaten und steigst mit uns nun zu dir selbst empor. |
181
AUF DEM FRIEDHOF
Komm her, komm her, du fremder Wandersmann; Hör mich, ja auch um deinetwillen, an, und glaube, was ich dir zu sagen habe! Ein jeder Mensch, der nach dem Himmel strebt, soll hier ein liebes, gutes Wörtlein sagen; es wird zur Seele, die dort oben lebt, auf Händen des Gebets emporgetragen. Dort nimmt sie es mit Freuden in Empfang und lächelt dankbar auf den Spender nieder, und dieses Lächeln strahlt ihm lebenslang das, was er gab, mit tausend Zinsen wieder. |
182
183
184
Mijn vriend
je treurt omdat men je niet kent en niet begrijpt
en in je eenzaamheid, is, diep, verzet geboren
je hebt geworsteld, en geroepen, en geschreid
maar niemand kon je horen
je hebt alleen gestaan, temidden van zovelen
en je geheim, hoe menselijk ook, kon je met niemand delen
je strijd, zo groot, zo wreed, mocht niet voor het oog ontbranden
en je vond slechts je eenge troost, in het vouwen van je handen
mijn vriend, ik ken je peilloos leed, je drang naar mens en liefde
en hoe men je gevoelens wreed, maar niet begrijpend, griefde
ik ken het gebed, waarin je vraagt: O God waarom dit kruis
het wordt te zwaar, neem het me af, of neem mein Uw huis
mijn vriend, mijn broeder, eenzaam mens
wees dapper in het strijden
want menig man die leed als jij werd groter door zijn lijden
je God, de enigst ware vriend
vindt, wat hij schiep, geen schande
en, zo je nergens troost ontmoet mijn vriend,
vouw dan je handen!
| Gedicht van P. Wiesenekker |
ABSCHIED
Ich gehe fort, und dennoch geh ich nicht. Ob auch der Mund das Wort des Abschieds spricht, das Herz weiß doch, daß ich nicht von dir geh. Treibt das Geschick mich in die Welt hinaus, es scheint nur so; ich bleib bei dir zu Haus. Wohl mag der Gram mein Gehn ein Scheiden nennen, die Ferne kann nie Sohn und Mutter trennen. Ich gehe fort, und dennoch geh ich nicht. Ade, ihr Lieben — und doch nicht ade! Trägt mich der Tod jetzt auf zum ewgen Licht, wißt, daß ich dennoch immer bei euch steh. Von Gott zu eurem Schutz herabgesandt, schwebt über euch treu meines Dankes Hand. Es stirbt der Körper nur, und von dem Toten wird das Gebet für euch zum Himmelsboten. |
185
In 1969 werd in West-Duitsland de literaire vereniging Karl May Gesellschaft opgericht.
Zij stelt zich ten doel de herinnering aan de schrijver levend te houden door o.a. te komen met zogenaamde originele uitgaven van diens geschriften en wel zonder winstoogmerk. Elk jaar wordt een jaarboek uitgegeven, waarin bijdragen worden weergegeven van bekende Duitse persoonlijkheden. Voorts is er, eveneens ieder jaar 281, een zogeheten Tagung, een bijeenkomst gedurende een week-end van de leden waarop dan o. a. het woord wordt gevoerd door de zakelijke leider, de heer Alfred Schneider 282. Zetel der vereniging is Hamburg. Voorzitter is Prof. Dr. C. Roxin 283.
In 1963 werd door de heren Heyink 284 en De Rooy 285 opgericht De KIVA, Contactblad voor Indianen en Karl May vrienden in Nederland. Dr. De Rooy trad reeds spoedig uit. Als zijn opvolger inzake K.M.-aangelegenheden trad op de heer Drs. Van Bommel 286 die onlangs is overleden. Ook deze vereniging kent zijn jaarlijkse bijeenkomsten, meestal te Utrecht. In tegenstelling tot zijn Duitse tegenhanger staan hier de Indianen centraal en vindt Karl May daarin niet meer de plaats welke hij in mijn ogen zou verdienen. De hoofdredacteur van de KIVA, de heer J. Heyink, voert een Volkenkundige boekhandel.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Het betreft hier een in eigen beheer uitgebracht typoscript - in de vorm van een syllabus - van E. v. Linden, een pseudoniem van Wouter Tj. Klaren uit Amsterdam. Op de niet genummerde pagina 1 is een begeleidend schrijven van E. v. Linden geplakt:
- Dat de heer Klaren E. v. Linden als pseudoniem koos, heeft hij niet van een vreemde: Karl May zelf schreef onder het pseudoniem Ernst von Linden tussen 1876 en 1882 een vijftal korte verhalen. - In de syllabus zijn de door hem gebruikte fotos door het kopiëren nogal slecht afgedrukt; waar mogelijk heb ik hier een beter kwaliteit fotos gebruikt. - In de syllabus heeft de heer von (of van?) Linden aardig wat gekopieerde gedichten en romanfragmenten van Karl May opgenomen; om v. Lindens eigen tekst duidelijk te onderscheiden van Mays teksten heb ik deze laatste in Fraktur gezet: dat mooie, gebroken lettertype dat vanaf de uitvinding van de boekdrukkunst eeuwenlang de meest gebruikte drukletter bleef, maar het werd in de meeste landen geleidelijk aan vervangen door Antiqua-lettertypes, behalve in Duitsland. Maar zelfs daar ging men steeds meer over op het gebruik van Antiqua-lettertypes, omdat er nauwelijk tot geen schrijfmachines bestonden met Fraktur; voor zetmachines werden echter nog wel Fraktur-letters gebruikt. De oude boeken van Karl May waren bijvoorbeeld in Fraktur gezet, maar ook »Mein Kampf« van de omhooggevallen Oostenrijkste schilder. En uitgerekend die laatste was het, die het gebruik van Fraktur in 1941 plotseling verbood; als officiële reden daarvoor gaf hij op, dat het lettertype door Joden was uitgevonden. Tja. Waarschijnlijk was de achterliggende reden dat het gebruik van Antiqua-letters internationale propagandaverspreiding mogelijk maakte. Hoe dan ook: de meeste computers zijn niet standaard voorzien van Fraktur-letters, maar om het verschil te zien kan men hier Berliner downloaden en verplaatsen naar de directory Fonts in Windows. - De heer von (of: van?) Linden gebruikt voetnoten, aangegeven d.m.v. sterretjes; op deze website heb ik die als [L1] etc. genummerd; ook ik heb noten op mijn zang en die heb ik - als eindnoten - [1] etc. genummerd. |
Op 1 augustus 1897 schreef Emma May een brief aan haar vriendin Agnes Seyler in Deidesheim, bij wiens gezin zij en Karl kort tevoren op bezoek waren geweest: zie ook de voetnoten [21] en [22]. Karl May legde dit gedichtje bij de brief van zijn vrouw; het gedicht werd tijdens zijn leven niet gepubliceerd. |
Een eerder, in 1976 verschenen boek van E. v. Linden. |
»En de jaren gingen voorbij ... - De geschiedenis van dokter Sutherland« is de Nederlandse vertaling van »The Arches of the Years«, de autobiografie van de Schotse arts Halliday Gibson Sutherland (* 24 juni 1882, l 9 april 1960) uit 1933; de Nederlandse vertaling is van J.E. Gorter-Keyser en verscheen een jaar later bij Zuid-Hollandsche Uitgevers-maatschappij uit Den Haag. |
Guus Luijters (ook: Luyters, * 3 november 1943, 3 januari 2025) was een Nederlands schrijver en journalist. Veel van zijn uitgaven hadden de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp, zoals »In Memoriam« (2012), »Kinderkroniek 1940-1945: brieven, getuigenissen en dagboeken uit de Shoah« en »Verdwenen stad« (2023). |
Berry Zand Scholten (* 1937, 25 mei 2026) was een Nederlands verslaggever, die werkzaam was bij o.a. Het Vrije Volk, Haarlems Dagblad, De Telegraaf en Instituut voor Perswetenschappen aan de UVA. |
Drs. van Bommel ( tussen 1976 en 1979) was een medewerker van het tijdschrift De KIVA in de tijd dat dit nog de ondertitel contactblad voor Indianen- en Karl May-vrienden in Nederland droeg. |
Simon Carmiggelt (voluit: Simon Johannes Carmiggelt, * 7 oktober 1913 , 30 november 1987) was een Nederlands journalist, schrijver en dichter. Onder het pseudoniem Kronkel publiceerde hij bijna veertig jaar vrijwel dagelijks een cursiefje in dagblad Het Parool, waarin hij gewone zaken op verrassende wijze omschreef, met oog voor humor in het verschil tussen ideaal en werkelijkheid. Vanaf 1939 was hij getrouwd met Tiny de Goey. In De Steeg (Gld.) staat een standbeeld van het echtpaar, zittend op een bankje; dat beeld – gemaakt door Wim Kuijl (* 1946 , 1 september 2014) – werd in 2012 gestolen, maar een jaar later teruggevonden, gerestaureerd en teruggeplaatst. |
Roland Schmid (* 15 mei 1930 , 4 januari 1990) was een van de vier zoons van Dr. Euchar Albrecht Schmid (* 29 augustus 1884 , 15 juli 1951), die in 1912 de Karl-May-Verlag had opgericht. Samen met zijn broers Joachim (* 29. Juni 1922 , 10 januari 2003) en Lothar (* 10 mei 1928 , 18 mei 2013) leidde Roland Schmid de uitgeverij van 1951 tot 1990; Joachim overigens maar tot 1993). De vierde broer, Wolfgang (* 1 april 1924 , 30 januari 1945), is in de oorlog gesneuveld. Sinds 2007 is Lothars zoon Bernhard Schmid (* 1962) de enige directeur van de uitgeverij. |
Dr. Eberhard Mertens (* 28 juli 1933, 9 september 2015) was van 1968 tot 1972 cheflector en van 1972 tot zijn pensioen directeur van Olms Presse in Hildesheim en New York. |
Hans Wollschläger (* 17 maart 1935, 19 mei 2007) was een Duits schrijver, vertaler, historicus, uitgever, muziekwetenschapper, organist en Karl-May-onderzoeker. In 1965 publiceerde hij de eerste complete biografie van Karl May (»Karl May in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten« (latere drukken onder de titel »Karl May. Grundriß eines gebrochenen Lebens«). In 1971 werd hij plaatsvervangend voorzitter van de Karl-May-Gesellschaft en mede-uitgever van de »Jahrbücher der Karl-May-Gesellschaft«, waarin hij zelf ook volop bijdragen over het leven en werk van Karl May schreef. Ook was hij als uitgever betrokken bij de publicatie van de Historisch-Kritische Ausgabe. |
Dr. F. C. de Rooy (voluit: dr. Ferdinand Carel de Rooy, * 9 juni 1919 , 4 maart 1998) was in het dagelijks leven leraar Frans te Zwolle, later Rijswijk/Z.H. en in zijn vrije tijd dé Karl May-kenner van Nederland. Van zijn hand is o.a. het boekje »Old Shatterhand - Kara Ben-Nemsi - ook voor U! De boodschap van Karl May, de idealist uit het Avondland« (Tilburg: Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis, 1955) en hij redigeerde en gaf in de jaren 1962-1967 de 50 bekende Karl May-pockets bij Uitgeverij Het Spectrum uit. Het vijftigste deel, »Karl May en zijn wereld« is niet (helemaal) geschreven door Dr. F. C. de Rooy: de bundel bestaat uit teksten van Karl May, voornamelijk uit zijn autobiografie, »Mein Leben und Streben«, die worden toegelicht door De Rooy. |
Met Karl May Vereniging bedoelt de heer v. Linden natuurlijk steevast de Duitse Karl-May-Gesellschaft, die inderdaad in 1969 werd opgericht. De verwarring begint pas in 2006 als in Nederland een vereniging wordt opgericht die letterlijk May May Vereniging heeft, maar dat kon V. Linden in 1979 natuurlijk nog niet weten! |
Erich Mühsam (* 6 april 1878, 10 juli 1934) was een Duits schrijver van Joodse afkomst. Hij was een van de leiders van de Beierse radenrepubliek in 1919 en werd tijdens de Weimar-Republiek een beeldbepalende anarchist en activist tegen het nationaalsocialisme. Van zijn werken zijn te noemen: Die Eigenen, Die Homosexualität. Ein Beitrag zur Sittengeschichte unserer Zeit, Billys Erdengang. Eine Elephantengeschichte für artige Kinder, Die Hochstapler. Lustspiel in vier Aufzügen, Im Nachthemd durchs Leben. Ein süddeutsches Weihebühnen-Festspiel, Die Freivermählten. Polemisches Schauspiel in drei Aufzügen, Dem Andenken Gustav Landauers, Brennende Erde. Verse eines Kämpfers, Judas. Arbeiter-Drama in fünf Akten, Staatsräson, ein Denkmal für Sacco und Vanzetti, Von Eisner bis Leviné. Die Entstehung der Bayerischen Räterepublik. Persönlicher Rechenschaftsbericht über die Revolutionsereignisse in München vom 7. Nov. 1918 bis zum 13. April 1919 en Unpolitische Erinnerungen. |
Heinrich Gotthold Münchmeyer (* 29 juni 1836 , 6 april 1892) was uitgever en colportageboekhandelaar in Dresden. |
Joseph Kürschner (* 20 september 1853 , 29 juli 1902) was een Duits schrijver en lexicograaf. |
Johann Wilhelm Spemann (* 24 december 1844, 29 juni 1910) was een uitgever in Stuttgart. In 1881 vertrouwde Spemann Jöseph Kürschner de redactie van het tijdschrift Vom Fels zum Meer toe. Ook het jaarboek Das Neue Universum en het jongenstijdschrift Der Gute Kamerad (vanaf 1887) stammen uit de uitgeverij van Spemann. In 1889 werd de Union Deutsche Verlagsgesellschaft opgericht en de uitgeverij van Spemann ging daarin op, maar na enkele onenigheden riep hij rond 1900 zijn eigen Spemann-uitgeverij weer in het leven. |
In de lente van 1896 bezocht Alois Schießer (* 6 maart 1866, 20 januari 1945), student en verwoed amateurfotograaf, Villa Shatterhand en maakte een tijd lang in totaal 101 fotos van Karl May die als reclamefotos gebruikt werden. Hij verkocht de negatiefplaten aan een vriend, Adolf Nunwarz (* 1868, 1931) uit Linz, professioneel fotograaf die verder de vermenigvuldiging en distributie van de fotos verzorgde en daar steenrijk mee werd: er was overeenkomend dat Nunwarz alleen de fotos met de originele handtekening van Karl May mocht verkopen, maar hij verkocht stiekem ook fotos zonder handtekening. Karl May war hier zeer ontstemd over en het contract betreffende de verspreiding van de fotos werd verscheurd. Na afloop van zijn Oriëntreis wilde Karl hoegenaamd niets meer weten van zijn vroegere identificatie met Old Shatterhand en Kara Ben Nemsi; op 8 en 9 oktober verbleef Karl May in Linz en het eind van het liedje was dat Karl May en Adolf Nunwarz in de vroege ochtend van 9 oktober de loden negatiefplaten met veel gevoel voor dramatiek in de Donau gooiden. De amateurfotograaf Alois Schießer was toen allang directeur van de Oostenrijkse Rijksaccountantsdienst en hoofd van het Rijksbureau voor Stenografie in Linz geworden. |
Rudolf Lebius (* 4 januari 1868, 4 april 1946) was een Duitse journalist van het dubieuze soort, uitgever, vakbondsleider en antisemitisch politicus; nadat zijn pogingen om Karl May af te persen mislukt waren, werd hij diens vuigste tegenstander. Over Karl May schreef hij in november 1910 »Die Zeugen Karl May und Klara May. Ein Beitrag zur Kriminalgeschichte unserer Zeit«; voor de bewijzen in dat boek had hij talloze mensen omgekocht, onder druk gezet en hun woorden verdraaid. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat dit boek op 3 december 1910 verboden werd, al had het zijn vernietigende werk al gedaan, want Lebius had het boek al aan diverse rechtbanken in Duitsland gestuurd. |
Dit Chinese paviljoen bevond zich in de tuin van Villa Shatterhand op een kunstmatig aangelegd heuveltje; het werd in 1896 gebouwd door de bouwfirma Ziller in Radebeul, die ook de villa had gebouwd en in 1902 ook het graf van de families Plöhn en May op de begraafplaats Serkowitz-Ost zou bouwen. In 1974 werd het Chinese paviljoen, dat intussen bouwvallig was geworden, afgebroken: Villa Shatterhand werd in de laatste decennia van de DDR-tijd als kleuterschool gebruikt en de communistische autoriteiten hadden geen enkele interesse in het in stand houden van overbodige tierelantijntjes, zoals het Chinese paviljoen. Al sinds de val van de Muur bestaan er plannen om het paviljoen te herbouwen, maar het is tot nu toe (2026) bij plannen gebleven. |
Dit ongedateerde gedicht schreef Karl May in 1897 aan de familie Seyler om deze te bedanken voor een opgestuurde kaas; het gedicht werd gedurende Karl Mays leven niet gepubliceerd. |
Met Organistin (organiste) wordt in de gelijkenis de gouvernante van de Seyler-kinderen, Maria Giantini, bedoeld. |
Ook dit lange gedicht van 16 oktober 1896 is gericht aan de familie Seyler; hierin licht hij de bijnaam orgelpijpen voor Seylers dochters - van oud naar jong: Tony, Gerta, Magda, Else en Hedwig - toe. Opvallend is dat hij Gerta hier Gertrud en Hedwig (of Hadewig) Hadwig noemt. De oudste dochter, Tony, noemt hij niet bij naam, want die woonde toentertijd al in Aschaffenburg en dat is volgens het gedicht te ver om haar te kunnen horen (wat geografisch gezien natuurlijk onzin bovenop onzin is: de afstand Radebeul - Deidesheim bedraagt via de huidige Autobahnen 561 km, terwijl Radebeul en Aschaffenburg slechts 452 km van elkaar verwijderd zijn). |
Met Frau Aeoline wordt de moeder van het gezin, Agnes Seyler, bedoeld; de aeoline was sinds ongeveer 1820 een open 8 orgelregister met een zeer smalle toonladder; in veel romantische orgels is dit het meest delicate strijkregister. |
Met 16 füßge Prinzipal wordt de vader van het gezin, Emil Seyler, bedoeld; hij vervult in de gelijkenis de rol van orgeltrapper (ook calcant genoemd): de persoon die de schepbalg - een blaasbalg zoals die van een smid - met de voet of met de hand bedient; wie dit goed doet, moet over zeer snel bewegende voeten beschikken, zodat het voor de toeschouwer haast lijkt alsof hij over meer dan twee (in de typische May-hyperbool hier zelfs zestien) voeten beschikt. In »Ardistan und Dschinnistan II« vervult Halef de rol van orgeltrapper. |
May spelt in dit gedicht Hardt, maar dat moet natuurlijk Haardt zijn: de Haardt of het Haardtgebergte is een ongeveer 30 km lange, 2 tot 5 km brede en tot 673,64 boven N.A.P. hoge bergrug aan de oostelijke rand van het Pfälzer Wald. Deidesheim ligt aan de voet van deze bergrug. |
Het gedicht ontstond niet, zoals de heer v. Linden in 1979 nog dacht, in het tuchthuis van Waldheim, waar Karl May zijn straf uitzat van 3 mei 1870 tot 2 mei 1874, maar in de gevangenis Schloss Osterstein bij Zwickau, waar Karl May van 14 juni 1865 tot 2 november 1868 gedetineerd was; het gedicht - dat »Weihnachtsabend« heette - werd teruggevonden, samen met de tekst »Offene Briefe eines Gefangenen«. |
Een dergelijke spectaculaire ontsnapping, waarbij de verdachte zijn ijzeren boeien verbreekt, klinkt goed in een indianenboek van ... kom, hoe heet hij ook weer? Maar zoiets gebeurt in het echte leven natuurlijk niet. Waarschijnlijk heet de begeleidende assessor, genaamd Posselt, zijn eigen stommiteit goed willen praten. Door deze assessor werd Karl May op 26 juli 1869 uit zijn cel in Mittweida, waar hij in voorarrest zat, gehaald voor identificatie door een zekere Johann Gottlieb Schreyer in Bräunsdorf, van wie Karl May een paard had gestolen. Posselt heeft van zijn bazen duidelijke instructies gekregen om geen gebruik te maken van het station Hohenstein (dat een heel stuk dichter bij Bräunsdorf ligt), omdat Karl de situatie ter plaatse natuurlijk door en door kent. Maar men beseft niet dat May het dicht bij zijn geboortestad gelegen Kuhschnappel natuurlijk óók op z’n duimpje kent. Van St. Egidien loopt het tweetal naar Kuhschnappel; rechts van de weg loopt de Kuhschnappelbach, die, zoals May heel goed weet, niet diep is, maar wel hoge oevers heeft. Op de plek waar het Rüßdorfer Wald de weg tot op een meter of 10 à 15 nadert en waar de oevers niet al te ver van elkaar liggen, geeft May te kennen dat hij even een plasje moet plegen. Posselt maakt waarschijnlijk Mays boeien even los zodat May zijn jongeheer te voorschijn kan toveren en wendt zedig zijn blik af. Eer Posselt in de gaten krijgt dat Mays urinelozing wel érg lang duurt, is deze al in het bos verdwenen. Beschaamd achtervolgt Posselt hem, maar ondanks de hulp die hij krijg van een Kuhschnappelaar, kan hij de jeugdige delinquent niet meer vinden in het dichte bos, dat zich van hier uitstrekt tot aan het Hainholz bij Hohenstein. |
Merk op dat Karl May tussen 23 juli 1864 - de datum van het opsporingsbericht uit het Königl. Sächsisches Gendarmerieblatt (p. 29 van deze syllabus) - en 31 juli 1869 - de datum van het opsporingsbericht uit de Leipziger Zeitung (p. 30) - maar liefst 3 à 4 duim is gegroeid. Een duim (Duits: Zoll) was in Saksen 2,36 cm, dus 3 à 4 van die dingen betekent een groei van ca. 7 à 9½ centimeter! |
In het Duitse origineel staat Bisam-naturell; dat kun je niet zomaar met bizam-naturel vertalen; het betekent zoveel als ongeverfd of onbewerkt bisambont. |
Tuche is de oude Duitse Dativ enkelvoud, dus bedoeld wordt de stofnaam: de bontjas is bedekt met groen Russisch doek. |
Een Seitentasche is geen zijden zak, maar een zijzak. |
Elffellig is - ook in het Nederlands - een historische term uit de Nederlandse textiel- en papiergeschiedenis die verwijst naar een specifiek soort fijn, dun en soepel materiaal. Oorspronkelijk verwees het naar zeer dun perkament of zeemleder, gemaakt van de huid (het vel) van jonge dieren. Het werd gebruikt voor luxe boekbanden of handschoenen; in deze context betekent elffellig gesteppt dus met zacht materiaal gewatteerd, niet gestikt. |
huj. in Antiqua is de afkorting van het Latijnse huius (in verband met het ontbreken van de letter j in het Latijnse alfabet door sommige mensen ook wel geschreven als hujus: de Latijnse genitivus die van deze betekent, in dit geval: van deze maand. |
Thlr. is de afkorting voor Thaler oftewel daalder. Gecorrigeerd voor inflatie en historische koopkrachtvertegenwoordiging, zou de economische waarde van honderd Thaler van toen nu vergelijkbaar zijn met circa € 2000,- tot € 2500,-. |
h. m. in Antiqua is de afkorting van het Latijnse huius mensis (of desnoods hujus mensis: de Latijnse genitivus die van deze maand betekent. |
In het Duits staat er Stadtpol.-Beh., volledig:Stadtpolizei-Behörden, dus: politie-autoriteiten van de stad Chemnitz. |
Johann Friedrich Gottlob Erler (* 17 januari 1820, 23 juli 1898) was een pelswarenhandelaar in Leipzig (Brühl, hoek Nikolaistraße), die op 20 maart 1865 het slachtoffer werd van een geraffineerde bontdiefstal door Karl May. |
Op 29 maart 1869 (Paasmaandag) nam Karl May, die zichzelf politieluitenant von Wolframsdorf noemde, tien zogenaamde valse Thaler en een hoegenaamd gestolen horloge in beslag bij koopman Carl Reimann, die in Wiederau - een plaatsje in de buurt van Mittweida - ook Gasthof zum Hirsch runde. De hoogte van de buit was 18 Thaler |
Ephraim Oskar Taube (* 10 juni 1829, 9 april 1888) was in 1869 officier van justitie in Mittweida en als zodanig belast met de opsporing en arrestatie van Karl May; op 3 juli 1870 onderwierp hij Karl May in het Bezirksgericht (districtsrechtbank) Mittweida aan een verhoor. |
Het gaat om zeilmaker Karl Friedrich August Krause (* 1828, 1896) in Ponitz. Karl May verscheen op 10 april 1869 bij deze Krause met de bewering dat hij een lid van de geheime politie was en belast met het zoeken naar vals geld. En ja hoor, van het geld dat Krause in zijn kas had, bleken maar liefst 30 Thaler vals te zijn. De overrompelde zeilmaker laat zich echter niet van zijn stuk brengen en eist een officiële ondervraging. Daarop neemt May de man mee naar Crimmitschau en wil onderweg onopvallend verdwijnen, maar de wantrouwend geworden zeilmaker achtervolgt hem niettemin. |
Meer dan wat hier staat - gendarme uit Mülsen St. Jacob - weet ik ook niet over deze man, niet eens zijn voornaam. |
Christian Anton Wappler (* 1816, 1879) was wever en bakker in Mülsen St. Jacob, in de buurt bij Zwickau; hij was getrouwd en had drie zonen. Op 15 juni 1869 verscheen Karl May bij hem en gaf zich uit als expediënt - een boekhouder die niet alleen verantwoordelijk is voor kas- en boekhoudzaken, maar ook voor het bijhouden van lijsten en overzichten en ook voor het beheer van dossiers - van de jurist Dr. Wilhelm Michael Schaffrath in Dresden. Deze Schaffrath heeft werkelijk bestaan, dus het noemen van deze bekende naam nam elke vorm van wantrouwen weg; May overhandigde de bakker een vervalste oorkonde over een erfenis die hij van een Amerikaans familielid zou krijgen. Om de benodigde personalia te controleren moest Wappler meteen met zijn drie zonen naar Glauchau gaan. Zo gezegd, zo gedaan, maar het viertal had zijn kont nog niet gekeerd of Karl May verklaart aan de achtergebleven bakkersvrouw dat het verhaal over de erfenis een smoes was om de mannen weg te lokken, want men vermoedde dat er vals geld in het huis van de bakker aanwezig was; hij gaf te kennen dat hij geheim agent was en ook hier vond hij prompt 28 hoegenaamd valse Thaler, die hij in beslag nam en daarmee verder vluchtte. |
In werkelijkheid slechts 28 Thaler. |
De redactie van het Königl. Sächs. Gendarmerieblatt. |
Schwarzenberg: meer dan wat hier staat - gendarme 1e klas - weet ik ook niet over deze man, niet eens zijn voornaam of de plaats waar hij werkzaam was. |
Prasser: meer dan wat hier staat - gendarme 1e klas - weet ik ook niet over deze man, niet eens zijn voornaam of de plaats waar hij werkzaam was. |
Ernst: meer dan wat hier staat - gendarme - weet ik ook niet over deze man, niet eens zijn voornaam. |
Grundig: Meer dan wat hier staat - gendarme Gruppenführer - weet ik ook niet over deze man, niet eens zijn voornaam. |
Christian Gottlob Schreyer: meer dan wat hier staat - hoteleigenaar - weet ik ook niet over deze man, maar wel zijn voornamen. |
Bedoeld wordt het boek »Der große Karl May Bildband. Dokumente und Bilder. Herausgegeben von G. Klußmeier und H. Plaul«, zoals de complete titel luidt; op de titelpagina wordt ook nog de ondertitel »Biographie in Dokumenten und Bildern« gebruikt. Hildesheim New York, Olms Presse, 1978. |
Voor Hans Wollschläger zie noot 11. Zijn boek »Karl May in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten« verscheen in 1965 bij Rowohlt (Haumburg en Reinbek bei Hamburg) werd in een herziene uitgave herdrukt als »Karl May. Grundriß eines gebrochenen Lebens« (in 1976 bij Diogenes Verlag in Zürich: de tweede druk; deze tweede druk werd in 1990 ook ongewijzigd opgenomen in Klaus Hoffmann (ed.) - »Karl May – Grundriß eines gebrochenen Lebens – Interpretation zu Persönlichkeit und Werk – Kritik«, verschenen in Dresden bij VEB Verlag der Kunst. Een derde, wederom iets gewijzigde druk verscheen in 2004 bij Wallstein Verlag in Göttingen; in 2010 en 2020 beleefde deze derde druk nieuwe - ongewijzigde - oplagen. |
Bedoeld wordt Rudolf Lebius: zie noot 19. |
Een basilisk is een gevleugeld fabeldier, samengesteld uit een hanenkop met een kroontje en het achterlijf van een slang, eindigend in een klauw; hij verbrandt alles waar hij naar kijkt, zelfs stenen splijten door zijn blik. De enige manier waarop hij gedood kan worden, is door hem een spiegel voor te houden, waardoor zijn alles verwoestende blik op hemzelf teruggeworpen wordt. Dat heeft dus het karakter van een afgedwongen zelfmoord. De schrijver Thomas Mann (* 6 juni 1875, 12 augustus 1955) omschreef de blik van Hitler ooit als een basiliskenblik; de omschrijving van het fabeldier doet de vraag rijzen waarom nooit eens iemand Hitler een spiegel voor zijn basiliskenkop heeft gehouden. Harry Mulisch (* 29 juli 1927, 30 oktober 2010) reactie in »Siegfried« (p. 97) op de omschrijving van Thomas Mann was: Maar een basilisk is nog steeds iets positiefs, dat weerspiegeld kan worden, terwijl Hitler de pure negativiteit was. |
In »Mein Leben und Streben« (p. 8) heeft Karl May het over im niedrigsten, tiefsten Ardistan, dus: laagste, diepste Ardistan; het zal er vast ook smerig zijn, maar dat staat nou eenmaal niet in de Duitse tekst. |
Kartoffelsuppe of Erdäpfelsuppe wordt in sommige delen van Duitsland en Oostenrijk nog steeds gegeten, niet omdat het armeluiskost is, maar omdat ze het lekker vinden. In »Mein Leben und Streben« (p. 39) vertelt Karl echter dat de kinderen May bij hun buurman, de eigenaar van Gasthof zur Stadt Glauchau, gingen bedelen om aardappelschillen en dat hun moeder daaruit een dunne soep maakte: hij spreekt zelfs van Hungersuppe. Nog vele malen armoediger dan v. Linden het hier beschrijft. |
Dit nou een van die beweringen (»Old Surehand I«, p. 411 in de Fehsenfeld-uitgave van 1894) waarvan je zegt: Dat moet een overdrijving zijn, zeker als je bedenkt dat Karl May twee maanden na zijn zesde verjaardag al naar de lagere school ging. |
Christian Friedrich Weißpflog: zie noot 28. |
In zijn artikelserie »Karl May und seine Gegner«, die op 27, 28 en 29 september in het Dortmunder tijdschrift Tremonia verscheen (met als auteursnaam Richard Plöhn: Karl May was net begonnen aan zijn Oriëntreis van 1899/1900, toen Fedor Mamroth (* 21 februari 1851, 25 juni 1907), de feuilletonredacteur van de Frankfurter Zeitung in een serie van vijf artikelen in die krant onverwachts de aanval op Karl May opende: »Artikel zu May« (4 juni 1899), »Karl Mays Reisen« (7 juni 1899), »Der Freund der Haddedihn« (9 juni 1899), »Karl May im Urtheil der Zeitgenossen« (17 jun 1899) en »Bei den bayerischen Haddedihn« (1 juli 1899). Vanuit Jeruzalem en vanaf Sumatra stuurde Karl May zijn driedelige reactie naar Richard Plöhn in Radebeul, die deze kopij onder zijn eigen naam doorstuurde aan Johannes Dederle (* 19 mei 1850, 3 september 1913), hoofdredacteur van de Tremonia en verdediger van Karl May). |
Gerhart Hauptmann (eigenlijk: Gerhard Johann Robert Hauptmann, * 15 november 1862, 6 juni 1946) was een Duits toneelschrijver. Bekende werken van hem zijn »Bahnwärter Thiel«, »Vor Sonnenaufgang«, het hier genoemde »Die Weber«, »Florian Geyer«, »Fuhrmann Henschel« en een viertal bewerkingen van klassieke tragedies. Hij ontving voor zijn complete werk in 1912 de Nobelprijs voor de Literatuur. |
»Mein Leben und Streben«, p. 9. |
Dat was in 1979 de stand van zaken in het onderzoek naar Karl Mays leven. Inmiddels is echter bekend geworden dat de familie May in 1845 verhuisde naar Markt 183 (tegenwoordig: Neumarkt 16; in de Karl May-literatuur het zogeheten Knobloch-Haus genoemd). Pas in 1860 of iets later verhuisden zij naar het huis aan de Markt 185 (tegenwoordig: Neumarkt 18; in de Karl May-literatuur het zogeheten Selbmann-Haus genoemd). Met enkele onderbrekingen woonde Karl May hier tot 1880, toen hij met Emma Pollmer trouwde. Karl Heinrich Selbmann (* 11 juni 1832, 25 januari 1902) was ook een wever; nadat zijn eerste vrouw Caroline Thiele (* 1835, 1871) was overleden, trouwde hij - tegen haar zin - met Karoline Wilhelmine May (* 9 juni 1849, 1 december 1945), een zus van Karl; uit zijn eerste huwelijk bracht hij vier kinderen mee en met Karoline kreeg hij er ook nog eens vijf (van wie er eentje slechts vijf jaar oud werd). |
Birkener Hans is de naam die Karl May in zijn autobiografie »Mein Leben und Streben« gaf aan de berkenroede waarmee zijn vader hem en zijn zussen in zijn jeugd sloeg; Heinrich August May bewaarde der birkene Hans achter de kachel en om deze berkenroede extra elastisch, buigzaam en pijnlijk te maken, weekte de vader hem voor de lijfstraf dikwijls eerst in een grote kookpot met water. Het strafinstrument staat symbool voor de traumatische, vreugdeloze jeugd, de zware kindermishandeling en de strenge gewelddadige manier van opvoeding die Karl May destijds moest ondergaan; en vader May was heus niet de enige in het Ertsgebergte die zich aan dergelijke corrigerende kindermishandelingen schuldig maakte. De wevers leefden, net als hun kinderen, ook voortdurend in een stresssituatie, zoals Karl May dat beschrijft in zijn »Der verlorne Sohn« en Gerhart Hauptmann in diens »Die Weber«. Karl Mays toevoeging dan kreeg men het touw of de Hans zo lang tot vader niet meer kon ... duidt echter niet alleen op een stressituatie, maar ook op een ernstige psychische stoornis: als je je eigen kinderen dusdanig slaat tot je zelf niet meer kunt, is er iets ernstigs mis. Tegenwoordig zouden kinderen van een dergelijke handtastelijke vader door jeugdzorginstanties waarschijnlijk stante pede uit huis geplaatst worden, want dit is echt niuet meer normaal. |
»Mein Leben und Streben«, pp. 10-11. |
Ook hier moeten we een kanttekening maken: Karl May bezocht acht jaar lang de Volksschule/I> (lagere school); elke klas duurde twee jaar, waarbij het schooljaar van Pasen tot Pasen liep. Klas 4 en 3 kregen les in de Elementarschule aan de Marktstraße 1, dus Karl hoefde niet ver te lopen, want hij woonde inmiddels met zijn ouders en zussen op de Markt. De volgende vier jaar (klas 2 en 1) kreeg hij les in het schoolgebouw aan de toenamlige Herrenstraße, die tegenwoordig Hermannstraße heet; ook dat onderwijs heette formeel Rektoratsschule, maar werd ook wel Knabenschule genoemd, want het onderwijs was in die tijd natuurlijk streng gescheiden naar geslacht. Dat schoolgebouw werd rond 1900 afgebroken en vervangen door een prachtig nieuw gebouw, dat later de naam Pestalozzischule zou krijgen; helaas staat het gebouw tegenwoordig (anno 2026) leeg. |
Wenselijk misschien, maar zeker geen must: de familie May was, net als meer dan 90% van de bevolking van Hohenstein, Ernstthal en later Hohenstein-Ernstthal protestant, hoewel er sinds 1999 ook een katholieke kerk in Hohenstein-Ernstthal bestaat: de St. Pius X. |
Van (of von?) Linden is vergeten te vermelden uit welk boek dit fragment komt. In de Fehsenfeld-uitgave (1894) van »Old Surehand III« treffen wij het fragment aan op pp. 358-360. Nou is het zoeken in en citeren uit de »Old Surehand«-trilogie meteen het lastigste werkje uit de Gesammelte Reiseerzählungen resp. Gesammelte Werke: zoals het woord trilogie al aangeeft, bestond »Old Surehand« bij Fehsenfeld oorspronkelijk uit drie delen (de delen 14, 15 en 19 uit de serie Gesammelte Reiseerzählungen), maar de Karl-May-Verlag heeft de boel aardig omgegooid: uit »Old Surehand II« (GR 15) is »Kapitän Kaiman« (GW 19; de verhalen die in het etablissement van Mother Thick verteld werden, zijn in dat deel gebundeld en uit de trilogie gehaald) geworden en uit »Old Surehand III« (GR 19 bij Fehsenfeld) is dan »Old Surehand II« geworden (GW 15; oorspronkelijk dus het slotdeel van de trilogie. In het Duits - zowel bij Fehsenfeld als de Karl-May-Verlag is daar in nummering de »Mahdi«-trilogie tussen gekomen (GR en GW 16 t/m 18). |
De huidige Hermannstraße heette toentertijd nog Herrenstraße. De heer E. v. Linden schrijft naar de stand van zaken in het onderzoek naar het leven van Karl May anno 1979, zoals we al eerder opmerkten; dat onderzoek stond toen nog in zijn kinderschoenen. Er is de laatste halve eeuw een hoop kennis opgedaan; zo moest een aantal straten na de fusie van Hohenstein en Ernstthal op 1 januari 1898 hernoemd worden. |
In het »Repetorium Carl May« (vermoedelijk ontstaan in 1868 tijdens zijn tweede detentie in Schloss Osterstein in Zwickau) staat als titel genoemd: »Meine erste Liebe. (A. P. 7ten Januar)«. Waarschijnlijk een liefdesgedicht of -lied aan Anna Juliane Rosalie Preßler (* 17 januari 1842, 28 augustus 1886), Karl Mays eerste grote liefde. Het gedicht of lied zelf is niet overgeleverd. De titel zorgt wellicht voor verwarring, want Anna Preßler was jarig op 17 januari, maar dat zal wel een schrijffout van Karl May zijn. |
Uit »Mein Leben und Streben«, maar dan wel een wat andere versie dan de standaard-uitgaven van Fehsenfeld, de Karl-May-Verlag, de reprint met aantekeningen van Hainer Plaul en de Historisch-kritische Ausgabe: sommige woorden zijn veranderd, een heel stuk is overgeslagen. Het - onjuiste - zinnetje Es war Anfang der Weihnachtswoche ... (de kaarsendiefstal vond niet in de week voor Kerstmis, maar half november plaats) is in de versie die v. Linden heeft gebruikt en gekopieerd veranderd in Es war kurz vor Weihnachten 1859 ... |
Ook nu weer: dat dacht men anno 1979, maar latere onderzoekingen hebben uitgewezen dat 7 een schrijffout was; Meinhold woonde op nr. 17. |
De kerstvakantie viel in die tijd steevast van 23 december t/m 1 januari. Het klinkt voor mensen uit onze tijd heel bizar, dat er op maandag 23 december 1861 nog gewoon les was en dat de kerstvakantie dus op dinsdag begon. De lessen liepen die dag door tot 4 uur s middags. De docenten waren in die tijd verplicht het lokaal na afloop van de lessen nog op te ruimen, dus het zal tegen half vijf zijn geweest dat Karl May het schoolgebouw kon verlaten; op 9 augustus 2026 hebben de Karl May-kenners Harder en Schenk gecontroleerd hoe lang het lopen is van het schoolgebouw naar het onderkomen van boekhouder Julius Hermann Scheunpflug (* 10 juli 1820, ?) en Karl May: drie kwartier. Daarbij nog eens drie kwartier van dat onderkomen naar het station. Karl May zou er zelfs nog iets langer over hebben gedaan in de winterse omstandigheden van 23 december 1861. Daarenboven moest hij rekening houden met de vertrektijd van de laatste trein naar Hohenstein (zoals het latere station Hohenstein-Ernstthal toen heette). Volkomen begrijpelijk dat Karl May geen zin had om terug naar zijn kamer te gaan om dat horloge terug te hangen, vooral ook omdat Scheunpflug het niet nodig had. |
Het verhaal over die arrestatie in Hotel Drei Schwanen berust enkel en alleen op een verklaring van Hieronymus Richard Krügel (* 1852, 1912), die door Rudolf Lebius (zie noot 19) werd uitgedaagd om al dan niet ware anekdotes over Karl May - die samen met Richards broer Louis Napoleon Krügel (* 29 februari 1848, 1900) roverhoofdman zou hebben gespeeld in de omgeving van Ernstthal - op te rakelen. Lebius had roddelende Richard wijsgemaakt dat het ging om een humoristische kalender, maar op 19 december 1909 verscheen het artikel Hinter die Kulissen anoniem in het tijdschrift Der Bund. Richard Krügel was geboren in 1852, dus in december 1861 was hij net negen jaar oud. In dit geval is het waarschijnlijker om Karl Mays eigen versie van het gebeurde te geloven: gearresteerd op de Kerstmarkt in Hohenstein; dat moet dan op 24 december zijn geweest, want op 25 december hebben mensen doorgaans wel wat anders te doen dan het bezoeken van een Kerstmarkt. |
Niet alleen het beroemde zakhorloge, maar ook een pijpenkop en een sigarenmondstukje. |
De stad Chemnitz (met de bijnaam Saksisch Manchester, omdat hier ooit de Duitse industrialisatie was begonnen) heette van 10 mei 1953 tot 1 juni 1990 op last van de DDR-autoriteiten inderdaad anders: naar aanleiding van het 70e sterfjaar van Karl Marx werd de stad ombenoemd naar Karl-Marx-Stadt, hoewel deze oervader van het socialisme en communisme nooit van zn leven in Chemnitz is geweest: vanwege zijn opruiende politieke ideeën werd hij in 1849 verbannen uit Duitsland. Karl-May-Stadt zou inderdaad een logischer naam zijn, omdat onze schrijver wel degelijk in Chemnitz is geweest en uit de buurt kwam, maar aan dergelijke sentimentele ideeën hadden de communisten natuurlijk geen enkele boodschap. In 1990, toen het land voorgoed (?) van de communisten was bevrijd, werd de burgers wél om hun mening gevraagd: tot 22 maart 1990 mochten zij kiezen en op 23 maart bleek dat maar liefst 76% van hen voor de oude naam Chemnitz had gekozen, hetgeen op 1 juni 1990 werd gehonoreerd. |
Op p. 46 stelde E. v. Linden nog, dat Karl Mays vader analfabeet was; laten we het dan maar houden op: Hij laat schrijven. |
Deze verklaring is niet gegeven door Selma vom Scheidt (* 26 september 1874, 19 februari 1959), een operazangeres die pas na de scheiding van de Mays bevriend raakte met Emma, die toentertijd net als vom Scheidt in Weimar woonde, maar van Auguste Emma Louise Dietrich, geb. Hofmann (* 12 augustus 1852, 29 maart 1938), die vanaf 1887 in de Sedanstraße 28IV in Dresden, niet zo ver van Karl en Emmas toenmalige adres, woonde; zij werd al snel bevriend met Emma. May noemt haar in zijn latere autobiografische geschriften neerbuigend (en fout) Turnlehrerin Dittrich; Emma noemde haar Liesel. Dietrich legde haar verklaring voor de rechtbank af op 7 december 1909. |
De huidige Freistaat Sachsen - in de DDR-tijd en dus ook in 1979, toen E. v. Linden dit boek schreef, opgeheven en onverdeeld in drie Bezirke: Dresden, Leipzig en Karl-Marx-Stadt - ligt geheel en al op het grondgebied van de (toenmalige) DDR. Dat geldt ook voor Sachsen-Anhalt, maar niet voor Niedersachsen: dat laatste - min of meer een voortzetting van het oude Koninkrijk Hannover - lag en ligt op het grondgebied van de Bundesrepublik. |
Dat de gevangenisstraf voor een misdaad die eind 1861 was gepleegd, pas van 8 september t/m 20 oktober werd uitgevoerd, ligt ten eerste aan het feit dat Karl May en zijn vader beroep hadden aangetekend en ten tweede aan het feit dat deze Robert Kohl (* 14 december 1813, 31 december 1881) begin 1862 ernstig ziek werd. Kohl was superintendent van de eforie (kerkelijk ambts- of toezichtsdisctrict) en pastoor van de St. Nicolai-kerk. |
De liedtitel »Immer forsch resolut« wordt door Max Finke genoemd op p. 57 van Karl May und die Musik (»Karl-May-Jahrbuch 1925« pp. 39-63: p. 57), maar verder weten we niets. |
Het Rosental is een mooi park in het noordwesten van Leipzig. |
Officiële titel: »Die fürchterlichste Nacht«. Hainer Plaul dateert het gedicht op de late jaren in het tuchthuis Waldheim (1873/74), anderen vermoeden dat het wel eens in de herfst van 1863 geschreven zou kunnen zijn. |
Vervolg van p. 61. |
Christian Gottlob Schreyer: zie noot 50; nog steeds weet ik niets over deze man, behalve dat hij hoteleigenaar in Bräunsdorf was. |
Paardenbit. |
Friedrich Wilhelm Voigt (* 13 februari 1849, 3 januari 1922) was een Oost-Pruisische schoenmaker en kruimeldief die faam verwierf als Hauptmann von Köpenick: in een bij diverse uitdragerijen gekocht en samengesteld uniform wist hij twee gardepatrouilles plus het personeel van het raadhuis van Köpenick om de tuin te leiden om zich zo meester te maken van 4002 mark. |
Carl Zuckmayer (* 27 december 1896, 18 januari 1977) was een Duitse schrijver. Zijn bekendste toneelstukken zijn Der fröhliche Weinberg, Schinderhannes, Der Hauptmann von Köpenick en Des Teufels General. Verder is zijn autobiografie Als wars ein Stück von mir beroemd geworden, maar hij schreef ook de scripts van o.a. de Duitse film Der blaue Engel en de Nederlandse film Boefje. Zijn in 1926 geboren dochter droeg de doopnamen Maria Winnetou. |
Christian Anton Wappler: zie noot 43. |
Oskar Taube: zie noot 40. |
Zie noot 28. |
Het huidige Valkeřice in Ústecký kraj (d.w.z. Regio Ústí nad Labem (Außig an der Elbe)). |
De gendarmerie Tetschen - het huidige Děčín - had een foto meegestuurd bij de Steckbrief, zoals de heer v. Linden die noemt (waarom eigenlijk niet gewoon opsporingsbevel?). De foto die dhr. v. Linden op p. 64 heeft geplaatst (Karl May als redacteur) is de oudst bewaarde foto van Karl May, maar de foto, genomen in de cel in Tetschen was dus nog vijf jaar ouder. Klara May heeft na Karls dood echter aan de autoriteiten in Saksen (en Bohemen?) gevraagd om deze foto te vernietigen en zo geschiedde. Helaas, maar we moeten wel begrijpen dat Karl er volgens de beschrijving van het opsporingsbevel uit Tetschen niet erg florisaant en appetijtelijk uitzag. |
Dhr. v. Linden heeft deze voetnoot per ongeluk onderaan op p. 66 gezet; ik heb gemeend er goed aan te doen, de noot in deze gedigitaliseerde versie onderaan op p. 65 te zetten, waar hij thuishoort. |
Karl Hugo Haase (* 1827, 1873) was Karl Mays pro deo-advocaat bij het proces in Mittweida in 1870. Zijn pleidooi was niet bepaald een succes - of dat nou kwamdoor onkunde of door desinteresse is niet meer na te gaan -, net zo min als het beroep dat hij een dag na het oordeel aantekende. Daarin schreef hij o.a.: [...] Ik acht de in eerste instantie aan de verdachte [Karl May] opgelegde straf te zwaar, enkel omdat het erop lijkt dat de verdachte niet zozeer door boosaardigheid en kwaadaardigheid tot zijn misdaden is gedreven, maar eerder door grenzeloze roekeloosheid en het aangeboren talent om mensen te bedriegen en daarvan te profiteren. De hele persoonlijkheid van de verdachte gaf tijdens de zitting de indruk van een komische figuur die uit pure uitbundigheid in de beklaagdenbank leek te zitten. En zelfs in de dossiers worden de meeste van zijn misdaden qua uitvoering eerder omschreven als roekeloze grappen dan als kwaadaardige misdaden, hoewel ik erken dat de verdachte een schadelijk individu is [...] Hiermee denk ik de weinige verzachtende omstandigheden te hebben uiteengezet die in het voordeel van de verdachte spreken [...]. |
Heinrich Gotthold Münchmeyer: zie noot 15. |
Carl Julius Otto Freitag (* 9 september 1839, 26 april 1899) was een redacteur en schrijver uit Dresden. Vanaf 1873 is Freitag in dienst van Münchmeyer, voor wie hij de tijdschriften Der Beobachter an der Elbe en Der Nachtwächter an der Elbe (dat laatste blad was geen lang leven beschoren) uitgeeft en volgens latere herinneringen van Karl May ook verantwoordelijk voor het schrijven (nou ja, meer voor het plagiëren van een Berlijns voorbeeld) van »Der Venustempel« In 1875 komt het tot een breuk met Münchmeyer; hij gaat vervolgens voor uitgever Constantin Weineck werken en geeft het blad Neue Sonntags-Post uit. Bij de tweede jaargang deelt hij de functie van hoofdredacteur met Eduard Moritz Lilie (* 24 januari 1835, 11 augustus 1904), die in 1890/91 een buurman en kegelvriend van Karl May was: het wereldje is klein. Al tijdens die tweede jaargang begon Freitag een nieuwe uitgeverij, waarin hij acht jaargangen van de Deutscher Herold uitgaf, tot de uitgeverij in 1883 failliet werd verklaard. Freitag begon drie jaar later, in 1886, alweer aan een nieuw tijdschrijft, Der Reichsbote; in die tijd schreef hij ook enkele romans en novellen. |
Friedrich Julius Frenzel (* 1833, 1912) was brigadier bij de politie van Ernstthal; hij meldt op 12 maart 1875 dat Karl May onder politietoezicht staat en dat hij vermoedt dat deze naast zijn redacteurswerkzaamheden ook zijn vroegere misdadige loopbaan gedeeltelijk wwer op zou kunnen pakken. Drie dagen later wordt Karl May daarop door de Dresdner politie de stad uitgewezen, omdat het met oog op zijn voorstraffen bedenkelijk is om hem verblijf in de hoofdstad toe te staan. May is gedwongen terug te gaan naar Hohenstein, waar hij waarschijnlijk een kamer huurt op de Markt (nu: Altmarkt). |
Het Duitse woord wacker betekent moedig, dapper. |
Emma Lina Pollmer, Karl Mays latere eerste vrouw, werd geboren op 22 november 1856; haar moeder, de ongehuwde Emma Ernestine Pollmer, sterft op 4 december 1856 in het kraambed. De jonge Emma groeit op bij haar opa Christian Gotthilf Pollmer (* 6 juni 1807, 26 mei 1880), barbier en chirurg in Hohenstein, en oma Christiane Wilhelmine Ernestine Pollmer-Stegner (* 17 april 1804, 14 augustus 1865), die - zoals opas en omas plegen te doen - hun kleindochter enorm verwennen. |
Emma Lina Pollmer gold als een van de mooiste vrouwen van Saksen; zelfs in 2009, bijna honderd jaar na haar overlijden, wordt ze door Anna Eunike Röhrig nog als zodanig beschouwd in het boek »Wahre Geschichten um Sachsens schöne Frauen«. |
Peter Rosegger (die zijn achternaam vóór 1870 ook wel spelde als Roßegger of Rossegger, * 31 juli 1843, 26 juni 1918) was een Oostenrijks dichter en auteur. Bekende werken van hem zijn de romans »Die Schriften des Waldschulmeisters«, »Heidepeters Gabriel«, »Der Gottsucher«, »Jakob der Letzte«, »Peter Mayr. Der Wirt an der Mahr«, »Das ewige Licht«, »Erdsegen«, »Weltgift«, »I.N.R.I.«, »Die Försterbuben«, »Martin der Mann« en »Die beiden Hänse« en de dichtbundels »Zither und Hackbrett«, »Mein Lied« en »Steirischer Waffensegen«. |
Robert Hamerling (gedoopt als Rupert Johann Hammerling, * 24 maart 1830, 13 juli 1889) was een Oostenrijks dichter en schrijver. Zijn bekendste werken zijn de epen »Ahasverus in Rom«, »Der König von Sion« en »Homunculus«, de roman »Aspasia«, het gedicht »Amor und Psyche« en zijn autobiografie »Stationen meiner Lebenspilgerschaft«. |
Ernst Oswald was een gendarme te Oelsnitz, die al snel achter Mays ware identiteit komt; op basis van niet geheel correcte verklaringen van de Ernstthaler politieagenten Christian Friedrich Dost (* 1828, 1902) en Friedrich Julius Frenzel (* 1833, 1912) werd May door Oswald ten onrechte omschreven als een sociaaldemocraat: Hij is een sociaaldemocraat in hart en nieren en zou momenteel schrijver zijn voor de sociaaldemocratische kranten. Het is ook belangrijk op te merken dat de beste informatie over Mays strafblad kan worden verstrekt door politieagent Dost in Ernstthal, aangezien de heer May naar verluidt al verschillende straffen heeft uitgezeten, waaronder zeven tot acht jaar gevangenisstraf. Aangezien de heer May ook voor dit gedrag vervolgd kan worden, is het terecht om het bovenstaande te melden, zoals hij in een bericht aan de officier van justie in Chemnitz schrijft. Die laatste stuurt het bericht van Oswald door aan de rechtbank van Stollberg/Erz. |
Albert von Sachsen (voluit: Friedrich August Albert Anton Ferdinand Joseph Karl Maria Baptist Nepomuk Wilhelm Xaver Georg Fidelis, * 23 april 1828, 19 juni 1902) uit het Huis Wettin was van 1873 tot 1902 koning van Saksen. Gedurende zijn heerschappij ontwikkelde het Koninkrijk Saksen zich tot een parlementairec democratie |
? |
Het burgerlijk huwelijk wordt gesloten in het stadhuis van Ernstthal (Neumarkt 9), Karls woonplaats; het kerkelijk huwelijk vindt plaats in de St. Christophori-kerk in Hohenstein, Emmas woonplaats. In deze kerk zijn ook Karls ouders ooit getrouwd. |
Deze woorden worden gesproken door Lady Milford in »Kabale und Liebe« (1784) van Mays lievelingsdichter Friedrich Schiller (voluit: Johann Christoph Friedrich Schiller, * 10 november 1759, 9 mei 1805; sinds 1802 von Schiller), een Duitse arts, historicus, dramaturg, dichter en filosoof. Bekende werken van hem zijn (o.a.) »Die Räuber«, »Die Verschwörung des Fiesco zu Genua«, »Kabale und Liebe«, »An die Freude«, »Don Karlos«, »Die Götter Griechenlandes«, »Geschichte des Abfalls der vereinigten Niederlande von der spanischen Regierung«, »Geschichte des Dreißigjährigen Kriegs«, »Hektors Abschied«, »Die Kraniche des Ibykus«, »Der Ring des Polykrates«, »Die Bürgschaft«, »Das Lied von der Glocke«, »Wallenstein-Trilogie« (=»Wallensteins Lager«, »Die Piccolomini« en »Wallensteins Tod«), »Maria Stuart«, »Die Jungfrau von Orléans«, »Die Braut von Messina« en »Wilhelm Tell«. |
Hohenstein en Ernstthal werden pas op 1 januari 1898 samengevoegd, dus zo ver is het nu (in 1880) nog niet. Daarom is het beter om te spreken van de gevangenis van Ernstthal, gelegen op de hoek van de Lungwitzer Straße 39 en de - ironisch genoeg - Karl-May-Straße, die toen natuurlijk nog niet zo heette. |
Meer dan wat hier staat - scharensliep in Hohenstein - weet ik ook niet over deze man. |
Meer dan wat hier staat - econoom te Lungwitz - weet ik ook niet over deze man. |
Albert Einstein (* 14 maart 1879, 18 april 1955) was een Duits, later Zwitsers en nog later Amerikaans theoretisch natuurkundige van Joodse afkomst. In 1921 ontving hij voor zijn verdiensten voor de theoretische natuurkunde, en met name voor zijn ontdekking van de wet van het foto-elektrisch effect de Nobelprijs voor de Natuurkunde. |
Albert Schweitzer (* 14 januari 1875, 4 september 1965) was een Duits medicus, luthers theoloog, filosoof en schrijver; hij ontving in 1952 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn in woord en daad uitgedragen dogma Eerbied voor al het leven. |
Dat Hitler aanwezig was bij Mays rede »Empor ins Reich der Edelmenschen!« is een al meer dan honderd jaar oude legende, waarvan de waarheid met geen geweld meer te achterhalen is; vooral de anecdote over de geleende schoenen draagt bij tot de legendevorming. |
Friedrich Pustet (* 25 februari 1798, 6 maart 1882) was een Duitse uitgever en oprichter van de gelijknamige uitgeverij, die inmiddels Friedrich Pustet GmbH & Co. KG heet en al zes generaties lang door leden van de familie Pustet wordt bestuurd. Naast een uitgeverij bezit de firma ook een grafisch bedrijf en elf boekwinkels, waarvan alleen al vier in Regensburg, waar de firma ook statutair gevestigd is. Tussen 1874 en 1953 gaf de uitgeverij een van grootste Duitse katholieke tijdschriften, Deutscher Hausschatz (tot 1910: Deutscher Hausschatz in Wort und Bild), waarin Karl May tussen 1878 en 1909 met enige regelmaat publiceerde, uit. |
Venanz Müller (eigenlijk: Venantius Müller, * 22 maart 1831, 18 juni 1904), was een May toegenegen redacteur bij de Deutscher Hausschatz van Uitgeverij Pustet in Regensburg. |
Zie Karl May: »Frau Pollmer - eine psychologische Studie«, pp. 851-852. |
Blz. 88 is het paginanummer in G. Klußmeier und H. Plaul: »Der große Karl May Bildband. Dokumente und Bilder«, waar deze foto te vinden is. |
Louise Dietrich : zie noot 76. |
Anna Marie (Maria) Jäger, geb. Münchmeyer (* 2 april 1861, 3 september 1908), die sinds 1 december 1883 getrouwd was met Rudolf Hermann Jäger (* 15 april 1853, 21 juli 1900), de boekhouder van de Münchmeyer-Verlag. |
Louise Johanna Maria Achilles, verw. Häußler, verw. Langenberg, verw. Hübner, geb. Schmidt (* 28 oktober 1861, vermoedelijk 1943) was een vriendin van Emma May, geb. Pollmer. Haar eerste echtgenoot, de bouwer Hermann Wolfgang Hübner (* 1833, 1892) uit Kötzschenbroda (Grenzstraße 40 (tegenwoordig Heinrich-Zille-Straße 39, Radebeul) gaf haar vanwege haar buitenissige voortplantingsdrift de bijnaam Karnickel, ook wel Kaninchen, die Karl May en anderen overnamen, maar dan uitsluitend negatief bedoeld. |
De Hofewiese (Gänsefuß 55, Dresden) kun je maar beter niet vertalen, want Weide van Hof slaat nergens op. Op deze plek liet kamerheer en opperstalmeester Camillo Graf Marcolini-Ferretti (* 2 april 1739, 10 juli 1814) een woon- en stalgebouw neerzetten. In 1828 kwam het gebouw en het omliggende terrein, aan de noordkant van de Dresdner Heide, dichter bij Langebrück dan bij Dresden, aan de Saksische koning die een voogd aanstelde om het gebouwencomplex te besturen. In 1877 kreeg dit complex een drankvergunning en groeide het uit een geliefde pleisterplaats voor wandelaars op de heide, zoals de families May en Münchmeyer. In 1935 werd het café- en restaurant gedeelte uitgebreid en na een nieuwe grondige verbouwing tussen 2000 en 2016 kan men de Hofewiese weer bezoeken. |
? |
Uit Karl May: »Frau Pollmer - eine psychologische Studie«, p. 852. Een berucht citaat vanwege de laatste bijzin, die door dhr. E. v. Linden wijselijk is weggelaten: Schauspieler, Sänger, lustige Künstler, allerlei fahrendes Volk sollte bei mir verkehren. Da wollte sie herrschen; da wollte sie als Königin gelten; da wollte sie geliebt sein und wieder lieben, gleichviel ob männlich oder weiblich, denn sie fand sich in beiden Satteln zurecht. |
? |
Richard Plöhn (voluit: Richard Alexander Plöhn, * 22 juni 1853, 14 februari 1901) was fabrikant van verbandstoffen in Radebeul en een vriend van Karl May. Zijn weduwe, Klara Plöhn-Beibler, zou in 1903 Karl Mays tweede echtgenote worden; als dank voor het feit dat Richard Plöhn het grootste deel van het gezamenlijk grafmonument te Radebeul had betaald, liet zij Plöhns stoffelijke resten in 1942 uit het graf verwijderen en in Tolkewitz cremeren, omdat hij volgens de Neurenberger rassenwetten een halfjood was ... |
Seyler: zie noot 21 e.v. |
Uit Karl May: »Frau Pollmer - eine psychologische Studie«, p. 868 |
Ibidem. |
Heinrich Keiter (* 17 juni 1853, 30 augustus 1898) was een Duitse, katholieke journalist, publicist en schrijver; vanaf 1888 was hij hoofdredacteur bij Pustets Deutscher Hausschatz. Hij was niet zo enthousiast over Mays werk en reduceerde Mays bijdragen aan de Deutscher Hausschatz aanzienlijk, wat het tijdschrift abonnees kostte. Van 1894 tot 1896 publiceerde de Hausschatz Mays driedelige roman »Satan und Ischariot«. Keiter kortte het manuscript eigenhandig en eigenmachtig in; het uit het manuscript verwijderde deel zou pas in 1927 in een door Franz Kandolf bewerkte versie gepubliceerd worden in »Professor Vitzliputzli» (Gesammelte Werke, Band 47: de verhalen Professor Vitzliputzli en Wenn sich zwei Herzen scheiden) en in hun min of meer originele versie pas in 1997 in »Old Shatterhand in der Heimat« (Gesammelte Werke, Band 80«, het titelverhaal). De handelwijze van Keiter hadden een aanmerkelijke verkoeling in de relatie tussen Karl May en de Pustet-Verlag tot gevolg. Karl Pustet (* 1839, 1910), een neef van de oprichter van de uitgeverij, Friedrich Pustet (zie noot 113) reisde persoonlijk naar Radebeul, maar zelfs dit kon May niet vermurwen; pas een bezoek van Keiter zelf in Radebeul had meer succes. |
Bernhard Hermann Cardauns (* 8 augustus 1847, 14 juni 1925) was een Duitse katholieke historicus, journalist en schrijver, die zijn romans publiceerde onder het pseudoniem Heinrich Kerner. Van 1876 tot 1907 was hij hoofdredacteur van de Kölnische Volkszeitung die onder zijn leiding het leidende blad van de Zentrumspartei in het Rijnland werd. Later werd hij een uitgesproken tegenstander van Karl May. |
Therese Keiter, geb. Kellner (* 20 juni 1859, 5 april 1925) was Heinrich Keiters (zie noot 128) echtgenote en een indertijd bekend schrijfster, die onder het pseudoniem M. Herbert (genoemd naar een oom die na emigratie naar de Verenigde Staten als kolonel Julius Herbert in de US Army diende) publiceerde. Haar eerste bijdtrage aan de Deutscher Hausschatz was in september 1880: haar enige bijdrage in het tijdperk Venanz Müller (zie noot 114). Toen haar man hoofdredacteur was, volgden er meer bijdragen van haar hand. Mogelijk heeft zij ook de hand gehad in het inkorten van Karl Mays »Satan und Ischariot«, want de aantekeningen en verwijderingen in het In der Heimath-hoofdstuk zijn waarschijnlijk niet het handschrift van haar man. Klara May schreef in 1926 in een brief aan Dr. Euchar Albrecht Schmid (* 29 augustus 1884, 15 juli 1951), oprichter en eerste directeur van de Karl-May-Verlag, dat zij er zeker van was dat de inkorting van de roman op zn minst indirect aan Therese toe te schrijven was. |
Karl May, »Mein Leben und Streben«, p. 235. |
Een katholieke uitgeverij in het Zwitserse Einsiedeln. |
Johann Wilhelm Spemann: zie noot 17. |
Friedrich Ernst Fehsenfeld (* 16 december 1853, 16 september 1933) was een uitgever te Freiburg im Breisgau; hij gaf vanaf 1892 Karl Mays Gesammelte Reise-Erzählungen uit en was mede-oprichter van de Karl-May-Verlag. |
? |
Band is een germanisme; in het Nederlands hebben wij het over een deel (uit een serie). |
Karl May: »Winnetou I«, p. 37. |
Dieses Zitat stammt nicht aus »Winnetou I«, sondern aus Karl May: »In den Cordilleren«, p. 581. |
Karl May: »Old Surehand I«, p. 408. |
De fotograaf is níét Adolf Nunwarz zelf, maar een zekere Alois Schießer (zie noot 18), die de negatiefplaten aan Nunwarz verkoopt. |
Karl May: »Old Surehand III«, p. 342. Zie echter ook noot 66. |
Bedoeld wordt Sophie von Stieber, een lerares te Atzgersdorf bij Wenen en een fan van Karl May. Op een bewaard gebleven kaartje d.d. 21 maart 1899 aan haar noemde Karl May voor het eerst – voor zover we weten – Winnetous geboortejaar (1840) en zijn sterfdatum (2 september 1874), dus niet 1871, zoals E. v. Linden hier foutief aangeeft. |
Deze gravin is (mij) onbekend. Slavonië is het noordoostelijk deel van het huidige Kroatië.
|
Ferdinand Carl Ludwig Pfefferkorn (* 5 augustus 1841, 8 maart 1916) was een schoolvriendje van Karl May, die in 1855 met zijn vader, diens tweede vrouw en zes broers en zussen naar de Vernigde Staten was geëmigreerd, maar drie jaar later terugkwam naar Duitsland. In 1863 trouwde de inmiddels als barbier in Oberlungwitz werkende Pfefferkorn met Isa Amalie Schultze. Nogmaals drie jaar later emigreerde hij opnieuw, ditmaal definitief. Hij scheidde van Ida en woonde met zijn nieuwe echtgenote, Therese Johanna Pfefferkorn (* 1845, 1919) in Lawrence/MA, waar hij zijn oude beroep van barbier weer opnmam, maar daarnaast vermoedelijk ook als homeopaat werkzaam was. Volgens het adresboek noemde hij zich vanaf 1883 physician (arts) met als titel M. D. (medicinae doctor, Doctor of Medicine); of deze titel echt was, is niet bekend,maar we weten wel dat hij vanaf dat moment ook chirurgische ingrepen uitvoerde. In het najaar van 1895 bezochten hij en zijn tweede vrouw Karl en Emma May in Villa Agnes in Radebeul; bij aldaar gehouden de spiritische seances waren ook Richard en Klara Plöhn aanwezig. |
Anna Rothe, geb. Johl (* 8 september 1850, 1907) was een bekend spiritistisch medium met de bijnaam Saksisch Bloemenmedium. |
Karl May: »Old Surehand III«, p. 151. Zie echter ook noot 66. |
De titel van Gesammelte Werke, Band 25 is niet »Im Jenseits«, maar »Am Jenseits«. Het boek blijft niet onvoltooid (anders had het nooit in 1899 kunnen verschijnen), maar het verhaal zelf is niet af; Karl May had zijn lezers nog een tweede deel beloofd, dat de ietwat verwarrende titel »Im Jenseits« had moeten krijgen. Deze belofte is hij nooit nagekomen. De Münchener kapelaan Franz Kandolf (* 6 november 1886, 19 juni 1949), Karl May-onderzoeker en medewerker van de Karl-May-Verlag, schreef in 1923 dat vervolgdeel, dat als Gesammelte Werke, Band 50 werd uitgegeven onder de titel »In Mekka«. |
? |
Lucie von Schönburg-Waldenburg, geb. zu Sayn-Wittgenstein-Berleburg (* 18 maart 1859, 24 september 1903) was de echtgenote/weduwe van Erbprinz Otto Karl Viktor von Schönburg-Waldenburg, een kleinzoon van Otto Viktor von Schönburg-Waldenburg. Laatstgenoemde had Karl May geïnspireerd tot het »Otto Victor-Fragment« uit 1874 of 1875. Lucie deed een poging om Karl May op 27 april 1895 - onaangekondigd - te bezoeken in Villa Agnes, maar trof hem niet thuis aan. Ze nodigde Karl May daarop uit voor een diner op Schloss Waldenburg, dat in mei 1895 plaatsvond; twee jaar later bezocht hij haar nogmaals. |
? |
De hoge uitnodiging (d.w.z. door een lid van de keizerlijk-koninklijke familie: zie noot 152) gold niet voor de volle vijf weken, maar voor één onderhoud; dat de Mays vijf weken in Wenen bleven, kwam omdat Karl May ziek werd. |
Maria Theresia van Bragança (* 24 augustus 1855, 12 februari 1944) was de derde echtgenote van troonopvolger Karel Lodewijk van Oostenrijk (* 30 juli 1833, 19 mei 1896), een jongere broer van Frans Josef I. (* 18 augustus 1830, 21 november 1916). Op het moment van Karl Mays audiëntie was zij dus niet de echtgenote van de Oostenrijkse troonopvolger, maar diens weduwe. Uit Karel Lodewijks tweede huwelijk werd Frans Ferdinand (* 18 december 1863, 28 juni 1914) geboren, die vanaf 1896 dus de nieuwe, zoveelste troonopvolger was, maar die in 1914 in Sarajevo bruut werd vermoord door een Servische terrorist, hetgeen de aanleiding vormde voor de Eerste Wereldoorlog, de val van het Oostenrijk-Hongaarse Keizer- en Koninkrijk, de val van het Duitse Keizerrijk, het Russische Tsarenrijk en het Ottomaanse Sultanaat en alles wat daarna kwam. |
Hotel Trefler lag tot zijn verwoesting in de Tweede Wereldoorlog in de Sonnenstraße 21-28 in München. |
James Fenimore Cooper (* 15 september 1789, 14 september 1851) was een Amerikaans schrijver, die vooral bekendheid verwierf met zijn zeeverhalen en historische verhalen, de vijfdelige Leatherstocking Tales: The Deerslayer. The First War Path, The Last of the Mohicans. A Narrative of 1757, The Pathfinder. The Inland Sea, The Pioneers. The Sources of the Susquehanna; A Descriptive Tale en The Prairie. A Tale, met Natty Bumppo (bijgenaamd Leatherstocking en Hawkeye) in de hoofdrol; het tweede boek uit deze reeks, The Last of the Mohicans wordt door vriend en vijand beschouwd als zijn meesterwerk. |
Karl May: »Old Surehand I«, pp. 575-576. |
Karl May: »Und Friede auf Erden«, pp. 14-15. |
Emma heet op dat moment nog gewoon Emma May. |
Ida Pauline Münchmeyer (* 14 juni 1840, 17 mei 1928) was de vrouw/weduwe van Heinrich Gotthold Münchmeyer. Zij hadden vier dochters: Anna Marie (Maria) Jäger, geb. Münchmeyer (* 12 april 1861 , 3 september 1908), Anna (Alma) Veronika Heubner, geb. Münchmeyer (* 10 oktober 1862 , 2 april 1952), Ida Pauline Schiller, geb. Münchmeyer (* 23 juli 1864 , 12 augustus 1917) en Elsa Flora Böhler, geb. Münchmeyer (* 30 augustus 1873 , 23 oktober 1961). |
Johannes Adalbert Fischer (* 3 december 1855, 7 april 1907) had met het overnemen van de Verlag H. G. Münchmeyer maar één doel, nl. het opnieuw uitgeven van Karl Mays colportageromans, nu met enkele toegevoegde passages. |
Behalve »Die Liebe des Ulanen«, zoals v. Linden op p. 81 uiteen heeft gezet. |
Jules Verne (* 8 februari 1828, 24 maart 1905) was een Frans auteur van avontuurlijke reisbeschrijvingen met nieuwe technieken, naar vele delen van de aarde en naar onbekende gebieden zoals de diepzee, het binnenste van de aarde en de maan. Hij wordt vaak gezien als de vader van de sciencefiction. Tot zijn bekendste romans behoren Voyage au centre de la terre, De la terre à la lune, Vingt mille lieues sous les mers, Autour de la lune, Le tour du monde en quatre-vingts jours en Michel Strogoff. |
Paulus (Grieks Παῦλος, Hebreeuws: שאול התרסי, Šaul HaTarsi, Saul van Tarsus, * ± 3, na 60) was een leider in het vroege christendom en speelde een centrale rol in de vroege (intellectuele) ontwikkeling en verspreiding van het christendom in de gebieden rondom de Middellandse Zee, in het bijzonder in Klein-Azië en Griekenland. Paulus is vooral bekend als apostel onder de niet-Joden, zoals beschreven in het Bijbelboek »Handelingen van de apostelen« en de dertien brieven in het Nieuwe Testament die op zijn naam staan. In de wetenschappelijke literatuur is het auteurschap van zeven van deze brieven onbetwist: Romeinen, 1 en 2 Korintiërs, Galaten, 1 Tessalonicenzen, Filippenzen en Filemon. Deze zeven brieven vormen de oudste delen van het Nieuwe Testament. Op Paulus brieven werden later vele belangrijke theologische leerstukken gebaseerd. Geen auteur in het Nieuwe Testament heeft meer invloed gehad op het christelijke denken en de christelijke theologie als een religie van Gods verbond met alle mensen dan Paulus; mede door Paulus verspreiding van zijn evangelie van het verbond voor allen, kon de oorspronkelijke beweging transformeren tot de wereldreligie die zij nu is. |
Hermann Cardauns: zie noot 129. |
Fedor Mamroth: zie noot 58. |
Tremonia: zie noot 58. |
Joseph Kürschner: zie noot 16. |
De Bokseropstand was een opstand van een Chinese nationalistische beweging (Yìhétuán, Vuisten der Gerechtigheid en Eensgezindheid, vandaar de westerse benaming Boksers), gericht tegen de invloed van de westerse imperialistische mogendheden (18 oktober 1899 - 7 september 1901) en hun invloed op het vlak van handel, politiek, religie en technologie. De westerse mogendheden verenigden zich in een Achtlandenalliantie, bestaande uit het Duitse Keizerrijk, Frankrijk, Italië, het Japanse Keizerrijk, het Keizerrijk Rusland, Oostenrijk-Hongarije, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten; zij kregen hulp van het Nieuwe Leger: Chinese anti-Bokser-troepen. |
Karl May: »Und Friede auf Erden«, p. 491. |
Hans Conrad Seyfert (* 1869, ?) was Officier van Justitie in Dresden. De advocaat de Münchmeyer-partij, Oskar Hermann Gerlach (* 20 juli 1870, 27 september 1939), had er persoonlijk door een trucje voor gezorgd dat Seyfert - met wie hij sinds zijn schooldagen bevriend was (!) - dat deze man als OvJ op het proces May ./. Münchmeyer werd gezet. |
Johann August Wilhelm Walther (* vermoedelijk 1 augustus 1827, 7 februari 1900) werkte - met de onodige onderbrekingen - sinds 1863 bij Verlag H. G. Münchmeyer en wordt door Karl May als Münchmeyers factotum aangeduid. Zo bracht hij Karl May op 3 april 1887 een volmacht en een contract waarin Karl May zich zou verplichten om wekelijks vijf afleveringen van »Deutsche Herzen - Deutsche Helden« en »Der Weg zum Glück« te schrijven; bovendien moest hij alle rechten van de colportageromans aan de Münchmeyer-Verlag afstaan. Hierbij zou Walther ook te kennen hebben gegeven dat het aantal van 20.000 verkochte exemplaren nog niet bereikt zou zijn. May tekende het contract niet. In hoeverre Walther voor de tekstuele veranderingen in de colportageromans verantwoordelijk is, kan vandaag de dag niet meer met zekerheid aangegeven worden. Volgens Karl May-kenner Ralf Harder is de figuur Robin Walker in »Deutsche Herzen - Deutsche Helden« een afspiegeling van August Walther en hij meent dat Karl May hiermee op een mogelijke affaire tussen Emma May (in de roman: Miranda) en Walther zinspeelt. |
Friedrich Rudolf Bernstein (* 25 juli 1858, 9 november 1932) was advocaat te Dresden met als specialisatie bouwrecht. Op aandringen van Klara Plöhn-Beibler, Karl Mays latere tweede vrouw, die bevriend was met Bernsteins vrouw Emmy, koos May Bernstein nogal verrassend als advocaat in het auteursrechtenproces tegen Verlag H. G. Münchmeyer. Er ontstond zelfs een hechte vriendschap tussen de families May (inmiddels met de tweede mevrouw May) en Bernstein, tot Karl May erachter kwam dat zijn goede vriend Rudi het proces nodeloos bleef rekken om zo des te meer te verdienen. Officieel heette het advocatenkantoor Bernstein, Klotz und Langenhan; partners waren Ernst Hugo Klotz (zie noot 172) en Johannes (Hans) Clemens Langenhan (zie noot 173). |
Ernst Hugo Klotz (* 2 februari 1858 , 20 juli 1908) was een partner van advocaat Rudolf Bernstein (zie noot 171). |
Johannes (Hans) Clemens Langenhan (* 17 januari 1873 , ?) was ook een partner van advocaat Rudolf Bernstein. Langenhan was van deze drie degene die het minst met May en diens processen te maken had, maar hij was wel de enige van de drie die zijn herinneringen aan May – onnauwkeurig en vol fouten – in 1944 op papier zette. |
Het Landgericht is in Duitsland het derde niveau binnen de gewone rechtspraak, te vergelijken met onze arrondissementsrechtbank. Boven het Landgericht staat het Oberlandesgericht (te vergelijken met onze provinciale rechtbank), eronder het Amtsgericht (te vergelijken met ons kantongerecht). |
Een Dawal Ihana is een beledigingsproces (»Im Reiche des silbernen Löwen IV«, pp. 189 sqq. De Pedehr, de sjeik van de Dsjamikoen, is een weerspiegeling van Karl Mays uitgever Friedrich Ernst Fehsenfeld (zie noot 134); de geestelijke sjeik van de Dsjamikoen, de Ustad, is de belichaming van het Goede. |
De plaatsnaam Salzburg is te wijten aan een drukfout in »Karl-May-Jahrbuch 1918« (foto tussen pp. 304 en 305). |
Maria Schrott (* 23 januari 1853, 12 mei 1934) was de eigenares van Hotel Penegal op de Mendelpas. Met haar man Alois (* 8 december 1838, 28 maart 1902) had zij vier kinderen: Henriette, Walther, Othmar en Marianne. Na de dood van haar man leidde zij het hotel verder tot haar zoon Walther de leiding overnam. In Hotel Penegal hadden Karl May en zijn maîtresse Klara Beibler Emma May in 1902 achtergelaten; Karl May werd door Maria Schrott over Emmas doen en laten op de hoogte gehouden; ook de twee dochters Henriette (* 24 juni 1877, 10 februari 1962) en Marianne hielden Emma nauwgezet in de gaten. In 1910 werd het drietal Maria, Henriette en Walther Schrott in Bozen (Italiaans: Bolzano) als getuigen verhoord. |
Geruchten over mogelijke buitenechtelijke kinderen van Karl May zijn talrijk; de meeste daarvan ontstonden pas na zijn dood, maar elk bewijs ontbreekt. We zetten de voornaamste mogelijkheden even op een rijtje:
|
Barbier John Malok uit Chicago verstrekte tegen betaling doctorsbullen van de niet-bestaande Universitas Germana-Americana. |
Omslag van Sascha Schneider (voluit: Rudolph Karl Alexander Schneider, * 21 september 1870, 18 augustus 1927), een Duits hoogleraar, beeldhouwer en schilder, die vooral als illustrator van Karl Mays Reise-Erzählungen bekend werd. |
Anders dan in Nederland is het in Duitsland gebruikelijk dat vrouwen na een scheiding de naam van hun man behouden. Een van de voorwaarden voor het blijven ontvangen van die 3.000 mark, was dat zij voor de rest van haar leven zou afzien van de naam May. |
Arno Otto Schmidt (* 18 januari 1914, 3 juni 1979) was na de Tweede Wereldoorlog een van de belangrijkste schrijvers in het Duitse taalgebied. Na meer dan tien artikelen over Karl May, zoals Vom neuen Großmystiker (Karl May), Abu Kital. Vom neuen Großmystiker, Old Shatterhand und die Seinen. Eine Darstellung von Leben und Werk Karl Mays, schreef Arno Schmidt in 1963 »Sitara und der Weg dorthin. Eine Studie über Wesen, Werk & Wirkung Karl Mays«: het boek dat E. v. Linden hier bedoelt. |
Heinz Stolte (* 22 maart 1914, 2 maart 1992, literatuurwetenschapper en een van de eerste Karl May-onderzoekers, die in 1936 als eerste promoveerde op Karl May) und Gerhard Klußmeier (* 14 mei 1939, Karl May-onderzoeker, journalist en jazz-historicus): »Arno Schmidt & Karl May. Eine notwendige Klarstellung«, p. 13. Als je weet dat in dat boekje het woord die in aber just die eine Untugend cursief is gedrukt, wordt de zin iets duidelijker. |
Adriaan Harrie Venema (* 27 mei 1941, 31 oktober 1993) was een Nederlandse journalist, publicist, romancier en kunsthandelaar, die in Nederland vooral beroemd werd door zijn vijfdelige, baanbrekende boek »Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie« (1988-1992). Hij schreef o.a. ook het hier genoemde »Homoseksualiteit in de Nederlandse literatuur« (1972). |
Dr. Franz Xaver Weigl (* 21 november 1878, 1952) was schoolbestuurder in Amberg en een met Karl May bevriende pedagoog. Samen met zijn broer Josef Weigl richtte hij de Karl-May-Club in München op en later gaf hij de Pädagogische Zeitfragen uit. Vanaf 1900 correspondeerde hij intenstief met Karl May en hij bezocht hem ook een paar keer in Radebeul. |
Hij bedoelt: het eerste deel van de standaard-uitgave. De speciale Sascha-Schneider-Ausgabe bevatte alle 33 reisverhalen. |
Bedoeld wordt Marie Elise Silling (* 22 december 1845, 12 juni 1936) was een Duits schrijfster en medewerkster van de Dresdner Anzeiger. Ze was inderdaad geboren in Stettin, maar woonde al sinds 1888 in Dresden. Haar artikel over »Und Friede auf Erden«, getiteld Noch einmal Karl May, verscheen op 30 oktober 1904 en lokte talloze ingezonden brieven uit. |
Heinrich Christian Wilhelm Busch (* 15 april 1832, 9 januari 1908) was een Duitse dichter, cartoonist en tekenaar. Zijn bekendste creaties zijn »Max und Moritz« (1865) en »Die fromme Helene« (1872). |
Paul Schumann (* 12 augustus 1855, 24 september 1927) was een journalist en tussen 1901 en 1923 verantwoordelijk leider van het feuilleton en chefredacteur voor Kunst en Wetenschappen van de Duits-nationalistische Dresdner Anzeiger. |
Julius Eduard Maximilian (Max) Dittrich (* 10 juni 1844, 10 mei 1917) was een schrijver en redacteur van verscheidene kranten. Hij werkte na jarenlang in militaire dienst te hebben gezeten als medewerker van verscheidene ondernemingen, tot hij wegens oplichting en diefstal tot anderhalf jaar werkhuis veroordeeld werd; hij zat zijn straf uit van 13 juli 1866 en 13 januari 1868 in Schloss Osterstein bij Zwickau en leerde daar vermoedelijk Karl May kennen. Het tweetal ontmoette elkaar vermoedelijk weer bij toen ze in de jaren 80 allebei in dienst waren van Verlag H. G. Münchmeyer. Daarna verwatert het contact, maar in 1902 werd Dittrich in de privéklinkiek Waldpark-Sanatorium in Dresden-Blasewitz door dr. Hänel geopereerd en behandeld; Karl May bezocht hem daar en daarna verbleef Dittrich een paar weken in Villa Shatterhand om te herstellen. Hij stelde zich ter beschikking als getuige in het proces tegen Münchmeyer/Fischer. Van deze Dittrich ervaart Karl May o.a. dat een zekere Paul Ernst Richard Staberow (* 13 januari 1855, 8 september 1926) in opdracht van Münchmeyer verantwoordelijk was voor de veranderingen in zijn colportageromans. Toen de aanvallen tegen May in de pers begonnen, engageerde Dittrich zich voor May: zo schreef hij »Karl May und seine Schriften. Eine literarisch-psychologische Studie für Mayfreunde und Mayfeinde« (1904). Rudolf Lebius was bereid om tegen ruime betaling zijner bemoeiingen dit geschrift uit te geven, hetgeen May afwees, waarna Lebius zijn felste tegenstander werd. In 1903 was al onder Dittrichs naam een recensie van Karl Mays »Erzgebirgische Dorfgeschichten« verschenen in het tijdschrift Ueber Berg und Tal, die vermoedelijk door May zelf geschreven was. In 1907 werd Dittrich ten slotte in de districtsinstelling Saalhausen bij Dresden opgenomen, waar hij in november 1908 verhoord werd. In 1917 stierf hij in deze instelling. |
Zie p. 109 van dit boek. |
Ernst Klotz: zie noot 172. |
Rudolf Bernstein: zie noot 171. |
Jawel: op 21 juni 2005 werd het toneelstuk voor het eerst (en mogelijk ook voor het laatst?) compleet opgevoerd door een groep examenkandidaten van de Graf-Heinrich-Realschule plus in Hachenberg (Westerwald), naar een idee van leraar, dichter en dramaturg Peter Wayand (* 2 april 1972), die ook de regie voor zijn rekening nam. Dit kon in 1979 natuurlijk nog niemand vermoeden, ook dhr. v. Linden niet. |
Bedoeld wordt Marie Therese Henriette Dorothea (* 2 juli 1849, 3 februari 1919) was aartshertogin van Oostenrijk-Este, prinses van Modena en door haar huwelijk met Ludwig III. (* 7 januari 1845, 18 oktober 1921) prinses en van 1913 tot 1919 koningin van Beieren. Karl May correspondeerde met haar dochters Wiltrud Marie Alix (* 10 november 1884, 28 maart 1975) en Helmtrud Marie Amalia (* 22 maart 1886, 22 juni 1977) en bezocht deze zelfs op 26 maart 1898 en 10 december 1909 in het Wittelsbacher Palais in München. De brief waarom het hier gaat, dateert van 26 september 1906 en Karl May spreekt haar aan als Prinzessin Ludwig: niemand scheen deze bijnaam van de prinses in die tijd raar te vinden. De brief is na te lezen in »Jahrbuch der Karl-May-Gesellschaft 1983« op pp. 84-91 |
Bertha von Suttner (voluit: Bertha Sophia Felicita Freifrau von Suttner, geborene Gräfin Kinsky von Wchinitz und Tettau, * 9 juni 1843, 21 juni 1914) was een Oostenrijkse pacifiste en schrijfster. Zij was in 1905 de eerste vrouw die de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, vooral vanwege haar in 1899 gepubliceerde roman Die Waffen nieder!. Zij overleed exact één week vóór de terroristische aanslag op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand (* 18 december 1863, 28 juni 1914), die de aanleiding zou worden tot een van de ernstigste oorlogen aller tijden. |
Melle Johannes Oldeboerrigter (* 27 mei 1908, 24 mei 1976) was een Nederlands kunstschilder, aquarellist, tekenaar, lithograaf, etser, boekbandontwerper, collagist en textielkunstenaar, die zijn werk alleen met zijn voornaam signeerde. Het betreffende artikel uit Het Parool is afgedrukt in E. v. Linden m.m.v. Dr. C. J. Schuurman: »Karl May«, p. 25. |
Sappho (Σαπφώ / Ψάπφω, * ± 630, ± 570) was een lyrische dichteres uit het oude Griekenland. Haar poëzie is ambigu wat betreft haar seksuele geaardheid, aangezien ze zowel over heteroseksuele als homoseksuele verhoudingen schreef. |
Karl May: »Weihnacht!«, p. 30. |
Dorothy Bussy, geb. Strachey (* 24 juli 1865, 1 mei 1960) was een Engels romanschrijfster en vertaler, die vooral bekend is door haar young adult-roman »Olivia«, die ze in 1949 in het Frans en onder het pseudoniem Olivia publiceerde. Het verhaal speelt zich af in de tweede helft van de negentiende eeuw op een school voor etiquette en vorming in Frankrijk; een van de jonge Engelse kostschoolmeisjes wordt verliefd op een van haar Franse leraressen, Mlle. Julie; de lerares in kwestie vertoont verdacht veel overeenkomsten met de roemruchte Marie Souvestre (* 28 april 1830, 30 maart 1905), een lerares die probeerde onafhankelijke geesten in jonge meisjes te ontwikkelen. Zij richtte een school in Frankrijk op, maar verliet deze later, samen met een van haar leraressen, om in Londen de Allenswood Academy te stichten. Na verschijning veroorzaakte de roman opschudding. |
Karl May: »Weihnacht!«, pp. 275, 276, 277, 279 en 280. |
Heinz Stolte und Gerhard Klußmeier: »Arno Schmidt & Karl May. Eine notwendige Klarstellung« (vgl. noot 183), p. 13. |
Leopold Gheri (* 1 juli 1866, 20 december 1952) was een Oostenrijkse reis- en avonturenschrijver; redacteur van het tijdschrift Der Kunstfreund in Innsbruck. |
Oskar Gerlach: zie noot 169. |
Mevrouw E. Barchewitz was de eigenares van Pension Belvedere in Salzbrunn, het huidige Szczawno-Zdró, waar Karl en Klara May van 22 mei t/m 4 juli 1907 verbleven om Karl bij te laten komen van zijn zenuwinzinking(en) als gevolg van de aanhoudende processen. Haar drie dochters, Eva, Frida en Gertrud Barchewitz ondersteunden hun moeder bij het verzorgen van hun gasten. |
Hans Conrad Seyfert: zie noot 169. |
Dr. Kurt Theodor Larraß (* 17 juni 1874, 31 december 1949) was een Dresdner jurist, aanvankelijk assessor en later onderzoeksrechter. Hij was een vriend van Seyfert (zie noot 169), die door een smerig trucje van Oskar Gerlach (zie diezelfde noot 169), de advocaat van Pauline Münchmeyer, als Officier van Justitie op deze zaak was gezet. Seyfert op zijn beurt haalde zijn vriend Larraß erbij als onderzoeksrechter. |
De al eerder genoemde reis naar de top van de Schneekoppe op 4 en 5 juli 1907 (zie noot 176). |
Peter Rosegger: zie noot 100. |
Op 7 april 1907 (Adalbert Fischer, zie noot. 159) resp. 16 oktoeber 1907 (zijn vrouw, Auguste Sophie Elisabet Fischer geb. Sachse). |
Julius Arthur Schubert (* 8 juni 1874, 1 december 1956) was door zijn huwelijk op 15 april 1905 met Charlotte Louise Emmy Fischer (* 30 augustus 1883, † ?) schoonzoon en - na de dood van Adalbert en Elisabet Fischer - erfgenaam en algemeen directeur van Verlag H. G. Münchmeyer. |
Landgericht: zie noot 174. |
Johann Christian Hermann Spindler (* 25 januari 1852, 7 februari 1900) was een Dresdner schrijver van romans, novellen en gedichten, die lang geleden voor Verlag H. G. Münchmeyer werkte; zijn weduwe, Marie Johanna Spindler, geb. Bickelmann (* 13 mei 1855, 1918), was een belangrijke getuige in het Münchmeyer-proces. Op 10 april 1904 schrijft zij een brief aan Karl May, waarin zij uiteenzet dat haar man haar steeds vertelde met welk enthousiasme Heinrich Gotthold Münchmeyer over zijn Dr. May sprak: hij hield hem mijn man als voorbeeld voor en vroeg hem om net zoals Dr. May te schrijven. Münchmeyer zelf had het echtpaar Spindler hoogstpersoonlijk verzekerd dat »Waldröschen« liep als een trein en dat het een goudmijn was. Verder verklaarde zij in die brief dat Münchmeyer zelf veranderingen in de manuscripten aanbracht. Wegens belediging klaagde Münchmeyers weduwe Pauline mevrouw Spindler aan, maar tot een proces is het nooit gekomen. Op 10 juli 1904 stuurde mevrouw Spindler een brief aan Mays advocaat Rudolf Bernstein met bewijzen over Mays verblijf in Dresden tot 1884, hetgeen door Pauline Münchmeyer betwist werd. |
Carl Willi Ball (* 10 december 1873, 18 maart 1955) was orkestleider en een lezer die bevriend was met Karl May. Hij was sinds 1897 getrouwd met Hedwig Rosalie Alwine Ball, geb. Thusneck. Op de Internationale Hygiëne-tentoonstelling in Dresden van 1911 trad hij met zijn orkest op van 3 t/m 7 juli. Een van die concerten werd bezocht door Karl en Klara May, vermoedelijk op zondag 6 august 1911; aansluitend brachten Ball en zijn vrouw een bezoekje aan Villa Shatterhand, waarbij de hier afgebeelde foto is ontstaan. Carl Ball componeerde voor Karl »Harfenklänge zu Karl Mays arabischer Fantasia: Babel und Bibel«, komponiert v. C. Ball, Kgl. Musikmeister«. De compositie was al op 23 oktober 1911 gereed, maar Ball stuurde zijn werk pas op 16 december aan Klara May die het op 24 december als kerstcadeau aan Karl overhandigde. |
Johannes Paul Peter Rentschka (* 18 januari 1870, 8 juni 1956) was kapelaan aan de katholischen Hofkirche in Dresden van 1896 tot 1901 en van 1907 tot 1911. Hij schreef een drietal negatieve artikelen over Karl May (Karl Mays Selbstenthüllung, op 5, 6 en 8 december 1908 in de Berlijnse krant Germania), die vooral tegen Mays »Und Friede auf Erden« gericht waren. In de jaren 20 van de vorige eeuw werkte hij in opdracht van de Karl-May-Verlag mee aan het bewerken van die roman. |
Ik heb geen flauw idee wie Piepie was en evenmin welk van beide gedichten v. Linden bedoelt. Piepie zou de naam van een vogel kunnen zijn; in dat geval gaat het waarschijnlijk om het tweede gedicht op deze pagina. |
Pater Ansgar Pöllmann (geboren als Theodor Pöllmann, * 21 september 1871, 20 juni 1933) was een Benedictijner monnik in het klooster Beuron en om een of andere reden een felle tegenstander van Karl May; in zijn zevendelige artikelserie Ein Abenteurer und sein Werk in het tijdschrift Über den Wassern sprak hij de wens uit, Karl May aus dem Tempel der deutschen Kunst hinauspeitschen te willen. Na ingrijpen van de aartsabt van Beuron, Ildefons Schober (geboren als Friedrich Schober, * 23 februari 1849, 28 februari 1918), hielden Pöllmanns aanvallen op Karl May als bij toverslag op. |
Van Mrs. E. C. Hendrickson weet ik niet veel meer dan wat hier staat: Een medepassagier van Karl en Klara May op de Grosser Kurfürst, wonende in Chicago/IL; de Karl-May-Chronik, Band IV, p. 425, weet te melden dat haar voornaam Emma is en dat ze een 74-jarige weduwe is. |
Ralph Winfred Tower Ph. D. (* 1870, 1926) was de directeur van het American Museum of Natural History in New York/NY, 200 Central Park West, dat sinds 1869 bestaat; niet te verwarren met het National Museum of Natural History in Washington/DC, National Mall, dat sinds 1910 bestaat. |
Henry Wadsworth Longfellow (* 27 februari 1807, 24 maart 1882) was een Amerikaans pedagoog, schrijver en dichter. Zijn bekendste gedicht is »The Song of Hiawatha«, dat gebaseerd is op het leven van Manaboozhoo (Nanabush), een legendarische Ojibwe-cultuurheld, en niet op dat van Hayę́hwàtha (Engels: Hiawatha), de leider van de League of Five Nations van de Haudenosaunee, een inheems volk in Noord-Amerika, in het noordoosten van wat nu de Verenigde Staten zijn. |
»Mit Karl May durch Amerika« verscheen in 1931 in een oplage van 3000 exemplaren bij de Karl-May-Verlag. Het boek doet verslag van haar reis naar Noord-Amerika die zij in 1930 met haar vriendin Lucia Lieberknecht had ondernomen; het gaat echter niet alleen om deze reis: zij nam ook allerlei (voor het merendeel verzonnen) herinneringen aan de reis die zijn in 1908 met Karl had gemaakt. In een zeldzaam moment van zelfreflectie verzucht zij op p. 25 van dat boek: ... es ging mir schließlich wie ihm selber: ich wusste Wirklichkeit und Phantasie nicht mehr genügend zu trennen. |
Otto en Rosalia Roseli Thümmel was een uit Radebeul afkomstig echtpaar, dat na emigratie naar de Verenigde Staten bij de Quakergroep van de Shakers in Mount Lebanon bij Albany woonde. Karl en Klara gingen gedurende hun Amerikareis bij deze groep op bezoek; later bleven beide echtparen elkaar brieven schrijven. |
Sa-go-ye-wat-ha (Hij houdt hen wakker, door de Engelsen Red Jacket genoemd, * ± 1757 , 20 januari 1830) was een opperhoofd van de Onödowága (=Seneca), een naam die Bewoners van de Grote Heuvel betekent. Zijn Engelse naam dankt hij aan het feit dat hij gedurende de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog aan Engelse zijde vocht in een rood Brits uniform. |
Harriet Beecher Stowe (* 14 juni 1811, 1 juli 1896) was een Amerikaanse abolitioniste en schrijfster die met haar roman Uncle Toms Cabin; or, Life among the Lowly uit 1852 de heersende opvattingen over slavernij beïnvloedde. Haar andere boeken hadden beduidend minder succes. De Nederlandse vertaling droeg tot 1982 de titel De negerhut van Oom Tom (Fries De Negerhutte fan Omke Tom), maar daarna moest dat De hut van Oom Tom (Fries: De hutte fan Omke Tom) worden. |
August Ernst Walter Bahn (* 6 oktober 1873, 1952) was advocaat en partner van de kanselarij Walter Bahn en Willy Beyer in Berlijn, Rathenowerstraße 8I. Bahn had May al vanaf april 1908 bijgestaan, toen deze een verbod op de zogeheten Kahl-brochure eiste: onder de auteursnaam Friedrich Wilhelm Kahl (* 10 mei 1887, 19 maart 1963) verscheen op 1 april 1908 de brochure »Karl May, ein Verderber der deutschen Jugend«; de auteur was vermoedelijk Rudolf Lebius zelf, van wie ook een kopie van het artikel »Atavistische und Jugendliteratur« uit het jaar 1906 opgenomen was. Verdere verspreiding van deze negatieve brochure werd op 25 april verboden, maar terwijl Karl en Klara May in Amerika verbleven had Lebius het bij de Officier van Justitie voor elkaar gekregen dat er een opsporingsbevel tegen Karl May uitging. Daarop telegrafeert May op 16 oktober aan Bahn. Op 23 december 1908 informeert Walter Bahn de inmiddels weer in Duitsland teruggekeerde Karl May, dat de uitgever van de brochure, Friedrich Bechly, bereid was tot een schikking. Na wat strubbelingen omtrent de betaling van de proceskosten kwam die schikking er uiteindelijk op aandringen van rechter Willi Schenk. |
Bertram is een verder onbekende advocaat, aan wie Karl May vanuit Lawrence/MS een ansichtkaart - en dus geen telegram - stuurde. |
De Deutscher Herold en de Anzeiger und Post; beide artikelen verschijnen op 24 november. Veel inwoners van Lawrence, belangrijke standplaats voor textielindustrie, waren Duitsers, onder wie een aantal uit Hohenstein en Ernstthal: die hadden tenminste ervaring met textiel. |
Dat dachten de Karl May-onderzoekers in 1979 inderdaad, maar inmiddels is vast komen te staan dat het een tikkeltje anders zat. |
In werkelijkheid heette het blad Die Wahrheit en werd uitgeven door Wilhelm Bruhn (* 18 januari 1869, 20 oktober 1951), die namens de antisemitische en nationalistische partij DNVP (Deutschnationale Volkspartei) in de Rijksdag zat en de Staatsbürger-Zeitung en het Berlijnse weekblad Die Wahrheit uitgaf. |
Lebiuss artikel was onder de titel Atavistische und Jugend-Literatur op 30 juni 1906 in Die Wahrheit verschenen. |
Vorwärts was socialistische krant, opgericht in 1876 en uitgegeven door de SPD (Sozialdemokratische Partei Deutschlands). Hij verscheen een keer week, maar vanaf 2015 verscheen het nog maar zes keer per jaar en vanaf maart 2026 verschijnt er geen gedrukt exemplaar meer. |
Carl Wermuth (* 1878, 1951) was een sociaaldemocratisch journalist in Berlijn; van 1906 tot 1914 was hij redacteur van Vorwärts. Toen dit blad in zijn editie van 26 juli 1907 aangaf dat Rudolf Lebius zich in een van zijn artikelen niet als man van eer getoond, werd Wermuth door Lebius aangeklaagd. Wermuth probeerde daarop bewijsmateriaal te vinden voor Lebius oneervolle karakter te verzamelen en wendde zich tot Karl May. Hoewel deze geen gehoor gaf aan Wermuths verzoek, werd hij toch als getuige genoemd. In eerste instantie werd Vorwärts tot een boete van 100 Mark veroordeeld, maar het tijdschrift ging in beroep en noemde Karl May wederom als getuige van Lebiuss oneervolle karakter. Daarop schreef May na herhaald aandringen van Wermuth het artikel Lebius, der Ehrenmann, waarop Lebius begon Mays geloofwaardigheid te ondergraven, hetgeen tot een nieuwe reeks aanklachten leidde. |
Friedrich Wilhelm Kahl: zie noot 225. |
Verlagsbuchhandlung GmbH Hermann Walther in Berlijn was de verantwoordelijk uitgever van de brochure van Kahl. |
Het Schöffengericht (letterlijk: Rechtbank van lekenrechters) staat in Duitsland tussen de strafrechter bij het Amtsgericht (zie noot 174) en de strafkamer bij het Landgericht. Het houdt zich bezig met alle mogelijke misdaden waarbij een straf van twee tot vier jaar verwacht wordt en waarbij geen ontoerekeningsvatbaarheid in het spel is. |
Een van de aanwezigen is de jonge Bertolt Brecht (eigenlijk: Eugen Berthold Friedrich Brecht, * 10 februari 1898, 14 augustus 1956), een Duits dramaturg, librettist en lyricus. Zijn bekendste werk is de Dreigroschenoper (op muziek gezet door Kurt Weill), maar ook Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny, Die heilige Johanna der Schlachthöfe, Die Horatier und die Kuriatier, Furcht und Elend des Dritten Reiches, Leben des Galileis, Mutter Courage und ihre Kinder, Der gute Mensch von Sezuan, Der aufhaltsame Aufstieg des Arturo Ui en Der kaukasische Kreidekreis zijn beroemd gebleven. |
Selma vom Scheidt: zie noot 76. |
Louis Napoleon Krügel: zie noot 72. |
Gerhard Ehregott Wessel (* 17 maart 1865, 2 oktober 1913) was districtsrechtbankraadslid in Berlijn; hij leidde de rechtszaak May ./. Lebius op 12 april 1909. |
Dr. Paul Bredereck (* 22 januari 1877, 13 april 1932) was een van de advocaten van Rudolf Lebius. In 1912 werd een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd en werd hij uit zijn ambt ontslagen vanwege het verdonkeremanen van trustfondsen, maar hij vluchtte naar Brazilië. Na het begin van de Eerste Wereldoorlog keerde hij terug naar Duitsland en werd onder een valse naam soldaat en later zelfs officier. In 1916 werd hij ontmaskerd, maar hij kreeg slechts een gevangenisstraf van één dag en mocht gewoon officier blijven. Na de revolutie van 1918 was hij betrokken bij de oprichten van verscheidene reactionaire groperingen, zoals het Alldeutscher Verband en het Nationaler Verband deutscher Offiziere; bij de Kapp-Putsch in maart 1920 speelde hij een korte, maar belangrijke rol als spreker (perschef) van de zelfbenoemde rijksregering. Door de amnestiewet van 4 augustus 1920 ontkwam hij andermaal aan vervolging. |
Pater Ansgar Pöllmann: zie noot 217. |
Karl Hermann Wilker (* 6 november 1885, 23 mei 1980) was een Duitse hervormingspedagoog. In de brochure »Karl May - ein Volkserzieher?« neemt hij vanuit een anti-Katholiek standpunt stelling tegen Karl May en May-gezinde pedagogen zoals Dr. Franz Weigl (zie noot 186) en Dr. phil. Eduard Julius Adolf Droop (* 6 september 1882, 26 december 1938), een Duits schrijver en May-vriend. De brochure is sterk door Lebius beïnvloed. |
Fritz Barthel (* 3 augustus 1881, 19 april 1960) was een journalist, redacteur, schrijver en bewerker van de teksten van Karl May voor de Karl-May-Verlag. Hij schreef in 1955 »Letzte Abenteuer um Karl May«, een roman over Karl Mays laatste jaren, dat verscheen bij de Ustad-Verlag, een imprint van de Karl-May-Verlag. |
Een Pitaval is een collectie causes célèbres, genoemd naar de Franse advocaat François Gayot de Pitaval (* 24 juli 1673, 2 januari 1743), die tussen 1734 en 1743 verscheidene boeken vol causes célèbres et intéressantes publiceerde, aanvankelijk alleen bedoeld voor advocaten, maar al spoedig ook gelezen door andere mensen. In Frankrijk, Duitsland en Tsjechië begonnen ook anderen Pitavals te schrijven, zoals Anselm von Feuerbach (Paul Johann Anselm Feuerbach, vanaf 1808 Ritter von Feuerbach (* 14 november 1775, 29 mei 1833) en Egon Erwin Kisch (* 29 april 1885, 31 maart 1948). |
Nico Scheepmaker (* 13 november 1930, 5 april 1990) was een Nederlands (sport)journalist, dichter en columnist. |
Deze uitgeverij was in 1899 opgericht door de boekhandelaren Konrad Grethlein en Wilhelm von Crayen. Vanaf 1903 Karl Julius Curt Hauschild (*1873, ?) directeur van de uitgeverij, die in 1911 geïnteresseerd was om de Verlag Friedrich Ernst Fehsenfeld dan wel de Karl May-uitgaven van die uitgeverij over te nemen. Hij stelde zelfs een deskundigenrapport op over de situatie van uitgeverij Fehsenfeld, dat voor het eerst volledig werd gepubliceerd in 2008 op paginas 300 tot en met 313 van het boekdeel »Briefwechsel mit Friedrich Ernst Fehsenfeld II« (Gesammelte Werke, Band 92). |
Henriette Schrott: zie noot 177. |
Paul Bredereck: zie noot 240. |
Franz Heinrich Rudolf Netcke (* 21 mei 1871, 23 februari 1947) was advocaat, verbonden aan het Land- und Amstgericht Dresden en volgde in 1908 advocaat Rudolf Bernstein als advocaat van Karl May. Hij was getrouwd met Marie Louise Beatrix Freiin von Falkenstein (* 1864, 1911), die gedurende het proces tegen Pauline Münchmeyer op 17 mei 1911 stierf, waardoor Netcke verlof aanvroeg. Na Karl Mays dood stond hj Klara May met raad en daad bij. |
Erich Emil Ludwig Eduard Sello (* 29 februari 1852, 9 december 1912) was Raad van Justitie, advocaat en schrijver in Berlijn. Sello trad op als verdedigingsadvocaat in talrijke spraakmakende processen tijdens het late keizerrijk en was een van Duitslands meest gerenommeerde strafrechtadvocaten: hij verwierf zijn uitstekende reputatie met name door zijn succesvolle verdediging in het proces rond de brandstichting in de synagoge van Neustettin in 1883/84. In 1900 verdedigde hij de Berlijnse bankier August Sternberg (* 28 mei 1852, Oktober 1932), die beschuldigd werd van seksuele misdrijven tegen minderjarigen. Van 1907 tot 1909 vertegenwoordigde Sello de Berlijnse stadscommandant, Augustus Friedrich Karl Detlev Graf Kuno von Moltke (* 13 december 1847, 19 maart 1923) in een lasterzaak tegen de krantenuitgever Maximilian Harden (* 20 oktober 1861, 30 oktober 1927), nota bene een vriend van Sello. Harden had de Duitse diplomaat Philipp Friedrich Karl Alexander Botho Graf zu Eulenburg, vanaf 1867 Freiherr von und zu Hertefeld, vanaf 1900 Fürst zu Eulenburg und Hertefeld en Graf von Sandels (* 12 februar 1847, 17 september 1921) en de Berlijnse politiechef Bernhard Ludwig Ernst Freiherr von Richthofen (* 8 juni 1836, 6 juni 1895) beschuldigd van homoseksuele neigingen en had geklaagd over de verderfelijke invloed van deze hofkliek op de Duitse keizer. In 1910 verdedigde Sello met succes de nymfomane Herta Antonie Schönebeck, de vrouw van majoor Gustav von Schönebeck van Allenstein, die haar minnaar, kapitein Hugo von Göben, tot de moord op haar eigen echtgenoot had gedreven. Dankzij de bemiddeling van Maximilian Harden nam Sello in 1911 de verdediging van Karl May op zich in het hoger beroep tegen het vonnis van Charlottenburg in de smaadzaak tegen Rudolf Lebius. Hoe vaak advocaat en cliënt elkaar voorafgaand aan het proces hebben ontmoet, is onduidelijk. Een ontmoeting op 9 december 1911 in Sellos kantoor in Berlijn lijkt echter zeker. Het proces vond plaats op 18 december 1911. |
Theodor Karl August Ehrecke (*14 januari 1867, ?) was directeur van het Landgericht in Berlijn-Moabit. Op 18 december 1911 was hij voorzitter van het hoger beroep van Karl May tegen Rudolf Lebius. Van hem stamt de beroemde uitspraak: Ein Verbrechen wären doch solche phantastischen Dinge bei einem Dichter nicht, und ich halte Herrn May für einen Dichter! |
Gerhard Ehregott Wessel (* 17 maart 1865, 2 oktober 1913) was raadslid van de districtsrechtbank in Berlijn; hij was de rechter bij de lasterzaak van Karl May tegen Rudolf Lebius op 12 april 1909 in Charlottenburg. |
Selma vom Scheidt: zie noot 76. |
Louise Achilles: zie noot 119. |
Zowel de dichter als het gedicht is mij onbekend. |
Hotel Krantz is een hotel in Wenen (Neuer Markt 5), dat tegenwoordig Hotel Ambassador heet. Van 20 t/m 24 maart 1912 verbleven Karl en Klara May op kamer 50 van dit hotel. |
Bertha von Suttner: zie noot 196. |
Bedoeld wordt Wilhelm II. (voluit: Friedrich Wilhelm Viktor Albert von Preußen, * 27 januari 1859, 4 juni 1941), de laatste koning van Pruisen en keizer van het Duitse Rijk van 15 juni 1888 tot 9 november 1918. Van vaderszijde was hij de kleinzoon van Wilhelm I. (voluit: Wilhelm Friedrich Ludwig, * 22 maart 1797, 9 maart 1888; koning van Pruisen van 18 oktober 1861 tot 9 maart 1888 en keizer van het Duitse Rijk van 18 januari 1871 tot 9 maart 1888), van moederszijde van koning Victoria (voluit: Alexandrina Victoria van Hannover, * 24 mei 1819, 22 januari 1901, koningin van het Verenigd Koninkrijk van 1837 tot 1901 en keizerin van India van 1877 tot 1901). |
Bedoeld wordt Friedrich August III. (voluit: Friedrich August Johann Ludwig Karl Gustav Gregor Philipp von Sachsen, * 25 mei 1865, 18 februari 1932) van het huis Wettin, albertijnse lijn, van 1904 tot 13 november 1918 de laatste koning van Saksen. |
Bedoeld wordt Albert I van Monaco (voluit: Albert Honoré Charles Grimaldi, * 13 november 1848, 26 juni 1922), van 1889 tot 1922 vorst van Monaco. |
Dit aantal berust op een overdrijving van Klara May, die door de kranten gretig werd overgenomen; in werkelijkheid zal het aantal toehoorders rond de 2000 hebben bedragen. |
Zie noot 176. |
Volgens Klara May, die als enige bij het overlijden van Karl May in Villa Shatterhand aanwezig was, waren zijn laatste woorden: Sieg, großer Sieg! Ich sehe alles Rosenrot! (Overwinning, grote overwinning! Ik zie alles rood als rozen!). |
De openluchtspelen in Ruurlo met voorstellingen naar de verhalen van Karl May vonden plaats in 1962, 1965, 1968 en 1971, omdat Staatsbosbeheer het Rijkenbargse Bos nabij Ruurlo opeiste. Andere plekken op de spelen op te voeren waren er niet, dus de openluchtspelen stierven een roemloze dood. |
Jhr. mr. Jan Willem de Beaufort (* 13 juli 1913, 28 juni 2001) was burgemeester van Ruurlo van 1953 tot 1978. |
De mooie stad Pittsburgh/PA heette van 1891 tot 1911 officieel Pittsburg, hoewel het stadsbestuur vast bleef houden aan de spelling Pittsburgh. Na een volksraadpleging werd de naam van de stad in 1911 weer veranderd in Pittsburgh. De stad kreeg in 1758 haar naam van de Schotse generaal John Forbes (* 5 september 1707, 11 maart 1759), die haar noemde naar de Britse staatsman William Pitt, 1st Earl of Chatham (* 15 november 1708, 11 mei 1778, meestal Pitt the Elder genoemd om hem te onderscheiden van zijn zoon, die eveneens William Pitt heette, maar dan natuurlijk the Younger als bijnaam kreeg. Vader en zoon zijn allebei premier van het Verenigd Koninkrijk geweest). Omdat Forbes een Schot was, sprak hij de naam uit als pɪtsbərə, naar analogie van Edinburgh in zijn vaderland. |
Als dit verhaal al op waarheid zou berusten - maar met Karl May weet je het in deze fase van zijn leven maar nooit! - kreeg hij dus wél moeilijkheden vanwege het niet hebben van een pas. Hij noemt in deze brief nl. de staden Leipzig, Frankfurt en Amsterdam, maar hij zou in latere versies van het verhaal in Bremen die moeilijkheden met die pas hebben gekregen: dat maakt het geheel er niet geloofwaardiger op. |
Bedoeld wordt natuurlijk niet de echte Winnetou - die was immers al op 2 september 1874 gestorven -, maar Emil Seyler (zie noot 21 e.v.), zoals uit de laatste twee alineas blijkt. |
Over de vertaling band: zie noot 136. |
Het deel heet in het Duits »Weihnacht!«; elders laat v. Linden deze boektitel staan, maar hier noemt hij het ineens »Christfest«. |
Zoals hier aangegeven had Karl May al een deel met de titel »Hadschi Halef« in gedachten, maar het is er nooit van gekomen, waarschijnlijk vanwege Mays grote Oriëntreis in 1899/1900, waarna hij overging tot het schrjven van symbolische werken. |
Karl en Emma May. |
Bedoeld wordt Luitpold (voluit: Karl Joseph Wilhelm von Bayern, * 12 maart 1821, 12 december 1912) was van 13 t/m 16 juni 1886 prinsregent van het Koninkrijk Beieren voor zijn neef Ludwig II. (die alle lezers van Mays »Der Weg zum Glück« zo goed kennen) en daarna tot 1912 prinsregent voor diens als geestesziek gediagnosticeerde broer Otto I. Zijn regentschap betekende een grote culturele bloeitijd voor München, maar voor Beieren betekende het steeds meer verwaarlozing van Beierse interessen ten faveure van die van het Duitse Keizerrijk. |
Het gebied ten zuidoosten van Dresden, dat officieel Elbsandsteingebirge heet; van oudsher werd het Saksische gedeelte van het gebied Meißner Hochland genoemd, maar twee Zwitserse kunstenaars, die verbonden waren aan de Dresdner Kunstakademie, werden door de vreemde vorm van het gebergte herinnerd aan hun vaderland, de Zwitserse Jura en muntten daarop de naam Sächsische Schweiz (Saksisch Zwitserland). Karl May en zijn tweede echtgenote - maar waarschijnlijk ook al met zijn eerste echtgenote, zoals uit deze brief blijkt - maakten regelmatig uitstapjes naar het gebied, bijvoorbeeld in het najaar van 1903 met het echtpaar Bernstein (dat Karl May alles liet betalen!). Het Tsjechische deel van het gebied wordt Böhmische Schweiz (Boheems Zwitserland) genoemd en vormt samen met het Duitse deel tegenwoordig een nationaal park. Het nationale park wordt - terecht - druk bezocht: de Seylertjes hebben echt iets gemist! |
Blijkbaar een reclame, waar niemand op zit te wachten. |
Karl May: »Weihnacht!«, pp. 73-74. |
De drukkerij-eigenaren Johann Georg Ludwig Rühling (* 1839, 1897) en Ernst Eduard Göltz (* 1840, 1879) richtten op 1 november 1874 Verlagshandlung Göltz & Rühling op. Op 14 november kochten zij Verlag Franz Neugebauer, bij wie Karl May »Scepter und Hammer« en »Die Juweleninsel schreef in de tijdschriften All-Deutschland! en Für alle Welt!. |
Franz Neugebauer (* 1848, 1898) richtte op 15 februari 187 een uitgeverij op in Stuttgart, gespecialiseerd in kinder- en jeugdliteratuur. All-Deutschland! was een entertainment magazine, net als de voor het buitenland bestemde paralelle uitgave Für alle Welt. In totaal verschenen er vijf jaargangen (van 1877 tot 1882). Op 14 november 1878 werd de uitgeverij door Neugebeur verkocht aan Verlag Göltz und Rühling (zie noot 277). Op 15 augustus 1880 werd de uitgeverij verkocht aan de Neurenbergse Hofbuchhandlung Heinrich Schräg, die haar op 2 mei 1887 doorverkocht aan Robert Bardtenschlager, waarna de naam Verlag Franz Neugebauer geheel verdween. |
Dhr. v. Linden (en/of Frey en Nest) hebben een paar regels overgeslagen. De eerste kolom van deze aflevering stond in Für alle Welt! op pagina 72; deze is in haar geheel afgedrukt door v. Linden op p. 175 van deze syllabus; op p. 73 van Für alle Welt! stond echter nog een handvol regels. Voor de volledigheid volgen deze hier:
|
Gustav Selmar Werner (* 12 december 1864, 19 augustus 1953) was een beeldhouwer en een vriend van Karl May, wiens atelier in de Blasewitzer Straße 9 in Dresden lag. Na enig aarzelen - Klara Plöhn dacht eerder aan Max Klinger (* 18 februari 1857, 4 juli 1920) - viel de keuze voor het figuratieve reliëf van het graf op Selmar Werner, die in die tijd nog zelden opdrachten kreeg voor grote projecten. Hij voltooide het in 1903. Uiterlijk in 1908 had hij de buste van Karl May in sneeuwwit marmer gemaakt; de bronzen buste van Winnetou daarentegen werd waarschijnlijk pas in 1925 vervaardigd. Een bekend werk van het is het Schiller-Monument op de Albertplatz in Dresden. Een van zijn laatste werken was de sierlijke Madonna, gemaakt in 1952 voor het graf van Euchar Albrecht Schmid (* 29 augustus 1884, 15 juli 1951), directeur van de Karl-May-Verlag; voorheen in Bad Liebenstein, is het nu te zien in Bamberg. |
Nee, eens in de twee jaar: Kassel, 1971; Regensburg, 1973; Gelsenkirchen, 1975; Freiburg i.Br., 1977 en Hannover, 1979 (voor de uitnodiging zie p. 162 van deze syllabus). En na verschijning van deze syllabus ging die tweejaarlijkse cyclus door (m.u.v. van 2021 in verband met corona): West-Berlijn, 1981; Regensburg, 1983; Königswinter, 1985; Wenen, 1987; Augsburg, 1989; Wiesbaden, 1991; Dresden en Radebeul, 1993; Bad Segeberg, 1995; Erlangen, 1997; Hohenstein-Ernstthal, 1999; Luzern, 2001; Plauen, 2003; Essen, 2005; Berlijn, 2007; Marburg, 2009; Wolfenbüttel, 2011; Radebeul, 2013; Bamberg, 2015; Bad Kösen, 2017; Mainz, 2019; München, 2022; Dortmund, 2023; Rostock, 2025 en Frankfurt am Main, 2029. |
Alfred Schneider (* 23 september 1905, 5 juli 1987) was in 1963 mede-oprichter van de Arbeitsgemeinschaft Karl-May-Biographie en van 1969 tot 1983 directeur van de Karl-May-Gesellschaft. |
Claus Roxin (* 15 mei 1931, 18 februari 2025) was een Duitse rechtskundige en van 1971 tot 1999 voorzitter van de Karl-May-Gesellschaft en vervolgens tot aan zijn dood erevoorzitter daarvan. Hij gold als een van de invloedrijkste dogmatici van het strafrecht en stond in Duitsland, maar ook internationaal in hoog aanzien; in totaal hebben 28 universiteiten wereldwijd hem een eredoctoraat verleend. |
Jacobus Heyink (ook gespeld als Heijink) (* 1906, juli 1997) was een boekhandelaar te Rotterdam en later in Bennebroek; oprichter van De Kiva, een tijdschrift voor iedereen die geïnteresseerd was in indiaanse culturen. |
Dr. F. C. de Rooy: zie noot 12. |
Drs. L. van Bommel was in de jaren 70 redactielid en medewerker van De Kiva. Dit was het bekende Nederlandse contactblad voor Indianen- en Karl May-vrienden. Binnen dat tijdschrift verzorgde hij onder andere een vaste Karl May-vragenrubriek en schreef hij boekrecensies en artikelen over Karl May en de geschiedenis van de inheemse bevolking van Noord-Amerika. |
Dit was de stand van zaken gedurende de jaren 1968 t/m 1985. Tegenwoordig (2026) bestaat de serie uit 98 delen, nadat er nr. 74, »Der verlorene Sohn« (1985); 75, »Sklaven der Schande« (1993); 76, »Der Eremit« (1994); 77, »Die Kinder des Herzogs« (1995); 78, »Das Rätsel von Miramare« (1996); 79, »Old Shatterhand in der Heimat« (1997); 80, »Auf der See gefangen« (1998); 82, »In fernen Zonen« (1999); 81, »Abdahn Effendi« (2000); 83, »Am Marterpfahl« (2001); 84, »Der Bowie-Pater« (2003); 85, »Von Ehefrauen und Ehrenmännern« (2004); 86, »Meine dankbaren Leser« (2005); 87, »Das Buch der Liebe« (2006); 91, »Briefwechsel mit Friedrich Ernst Fehsenfeld I« (2007); 92, »Briefwechsel mit Friedrich Ernst Fehsenfeld II« (2008); 88, »Deadly dust« (2008); 93, »Briefwechsel mit Sascha Schneider« (2009); 89, »Im fernen Westen« (2011); 94, »Briefwechsel mit Joseph Kürschner« (2013); 90, »Verschwörung in Wien« (2014); 95, »Briefwechsel mit seinen Kindern I« (2020); 96, »Briefwechsel mit seinen Kindern II« (2020); 97, »Briefwechsel mit seinen Verlegern I« (2025) en 98, »Briefwechsel mit seinen Verlegern II« (2026). Voor 2027 is deel 99, »Briefwechsel mit seinen Verlegern III« aangekondigd. Bovendien zijn er vanaf 1997 enige tientallen Sonder- en Großbände aan de serie toegevoegd. |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.
Terug naar de Karl May-startpagina.
Terug naar de Apriana-startpagina.
|