De voorgeschiedenis van de oudste Amerikanen

De romantiek der Indianen vervangen door historische feiten


Interessante vondsten brachten tal van gegevens


anoniem 1


Nog altijd vormen de verhalen over Indianen een belangrijk deel van de lectuur van onze jeugd. En wie van de ouderen denkt niet meer met vreugde terug aan de boeken van een Karl May of een Fennymoore Cooper 2 en wie beleeft niet opnieuw de spannende momenten waarin Winnetou, gewapend met een tomahawk, uitgedost in zijn vederen krijgscostuum, heel voorzichtig de plaats van z’n vijanden besluipt?
Maar de tijd van de romantiek ligt achter ons en slechts sporadisch verschijnt de Indiaan nog in het wereldnieuws. Dat wil zeker niet zeggen dat er geen kwesties rondom de Indiaan bestaan. Al worden deze vandaag de dag dan niet met de tomahawk beslist, toch zijn zij even belangrijk en geven aanleiding tot lange beschouwingen in de Amerikaanse berichtgevingen. Maar laat ons eens zien wat er zoal over deze Indianen of zoals ze abusievelijk wel worden genoemd Roodhuiden, te vertellen valt.


Inderdaad wordt de naam Roodhuid geheel ten onrechte aan dit subras gegeven. De helden van de Indianenromans worden o.a. gekenmerkt door een licht bruinachtige, soms geelachtige huid. De naam „Roodhuid” danken zij dan ook niet aan hun uiterlijk, dat hoogstens bij de jongelieden een blozend aangezicht te zien geeft, maar aan het feit dat de eerste in Europa „geshowde” Indiaan in oorlogsuitrusting op de Wereldtentoonstelling te Parijs aan het publiek vertoond werd.
Daar nu bij de oorlogsuitrusting een rood geschilderde huid behoort, dachten de tentoonstellingsbezoekers dat dit de ware huidskleur was, zodat spoedig de naam „roodhuid” voor dit subras geboren was. Inderdaad is hier sprake van een subras, een ondergroepering van een hoofdras. De ethnologen, de wetenschapsmensen die zich bezig houden met de bestudering van de natuurvolken, hebben namelijk bepaald, dat de Indianen afstammelingen zijn van het Gele ras, waartoe o.a. ook Chinezen en Japanners behoren.

HEEL LANG GELEDEN

Het moet ongeveer 20.000 jaar voor het begin van onze jaartelling zijn geweest dat de eerste „Amerikaanse” (Indiaan) mensen over de landbrug tussen Amerika en Azië, ter plaatse waar tegenwoordig de Beringstraat is, Noord-Amerika binnentrokken.
Van deze eerste mensen, die in het geheel niet op de ons bekende Indianen leken, is overigens weinig bekend, hoewel de laatste jaren iets meer licht geworpen wordt op de duistere periode in de geschiedenis van deze bevolking tussen het tijdstip waarop zij Amerika binnentrokken en de ontdekking door de Spanjaarden van Amerika en zijn bevolking.
In de laatste jaren zijn namelijk „gehele hoofdstukken van de alleroudste geschiedenis van Noord-Amerika”, die duizenden jaren omvatten, gered kunnen worden. De gebieden, de westelijke en zuidelijke staten waar deze bevolking zich opgehouden moet hebben, worden n.l. in het kader van het grote Amerikaanse programma tot ontsluiting van de waterhulpbronnen „bezaaid” met stuwdammen en waterreservoirs.
Niet minder dan 200 stuwdammen en waterreservoirs zijn geprojecteerd en enkele daarvan reeds in aanbouw. Grote gebieden komen daardoor onder water te staan. Streken waar in de bodem vele bladzijden van de geschiedenis van de oudste bevolking verspreid liggen.
Op Amerikaanse wijze is dit onderzoekingswerk in die 200 gebieden aangevat. Niet minder dan 4200 vindplaatsen werden blootgelegd.
Zeer veel Indiaans materiaal zoals pijlpunten, fragmenten van vaatwerk, vuurstenen, messen, kralen, stenen om mais te malen en nog ander materiaal kwamen voor de dag, dat licht wierp op het leven en streven van de eerste bewoners van Amerika.

GEEN NOMADEN

De eerste belangwekkende resultaten van de archeologen bevestigen voorts eigenaardig genoeg een reeds geruime tijd geleden door verschillende ethnologen opgeworpen stelling, dat de Indianen, die een hoge trap van beschaving bereikt hebben, in de aan vang geen echte Nomaden zijn geweest.
Typisch en volkomen in overeenstemming met hetgeen de eerste Spaanse berichtgevers mee deelden, werden tot op heden geen wielen of resten van paarden gevonden. Materiaal of bezittingen die vervoerd moesten worden, werden op een zeer bijzonder vervoermiddel dat er uit zag als een A, de z.g. „travois”, geladen. Daar het paard niet bekend was, werd de hond, het enige huisdier, voor dit vreemdsoortige voertuig gespannen.
Vanzelfsprekend konden de Indianen zich, voordat het paard ingevoerd werd, niet over grote afstanden verplaatsen en zich dus niet ver verwijderen van hun nederzettingen, waar zij enige landbouw uitoefenden. Pas toen het paard en de geweren binnen het bereik van de Indianen kwamen, veranderde het economisch beeld van deze typische bevolking, waarvan het bestaan nu om de bisonjacht ging draaien.
Het zijn deze paardrijdende Indianen, die wij als Cheyenne-, Comanche-, Sioux-, Crow- en Zwartvoet-Indianen hebben leren kennen in de vaak adembenemende Indianenromans.
Deze prairie-Indianen hebben als onderkomen o.a. de „tipi”: een kegelvormige tent oorspronkelijk uit bisonhuiden samengesteld. Het waren de vrouwen, die de algehele zorg, (het opstellen, etc.) voor de tipi hadden, waarin het gehele gezinsleven zich afspeelde.
Opgemerkt dient te worden dat niet alle prairie-Indianen de „tipi” als woonplaats kenden; er waren vele stammen, zoals de Hidatsa’s die reeds een vaste woonplaats hadden. Zij vonden hun onderkomen in vernuftig gebouwde aardwoningen.

DE ZONNEDANS

Behalve de vele organisaties, die men bij de verschillende Indianen-stammen kan onderscheiden, zoals het tabakscollege bij de Kraai-Indianen zijn nog talrijke ceremonieën over de wereld bekend geworden.
Vooral de vruchtbaarheidsrite, die als zonnedans een wereldfaam heeft verworven, heeft vaak tot de verbeelding van de Europeaan gesproken.
Deze dans wordt ingeleid door een verhaal, waarin verteld wordt over de hongersnood in de stam, waarbij een man er op uittrekt met een metgezellin. Op deze tocht ontmoeten zij een god, die hun deze ceremonie, de zonnedans, leert. Als beiden tenslotte bij de stam terugkeren, voeren zij de dans uit, waarbij aan het einde een bison op de plaats van bijeenkomst verschijnt. Dit betekent dan tevens het einde van de hongersnood.
Volgens deskundige ethnologen moet de dans, die nu door de gehele gemeenschap wordt uitgevoerd tegenwoordig als symbool van wedergeboorte en wederbezieling worden beschouwd, waar bij de gehele gemeenschap en vele naburige stammen zich kunnen uitleven.
Talrijke ceremonieën voltooien dit grondpatroon tot een bonte rij van handelingen, waarbij overmatig veel gedramatiseerd wordt.
Ceremonieën als deze zonnedans bestaan er vele bij de verschillende Indianen, maar evenals dit met diverse geheime genootschappen het geval is, vindt men bij lang niet alle Indianengroepen dezelfde ceremonieën en geheime genootschappen.
Verklaringen hieromtrent, die werkelijk steek houden, heeft men tot op heden niet gevonden, hoewel er reeds lange tijd naar gespeurd wordt.

Veel zou er nog te vertellen zijn van hetgeen in het verleden bij de Indianen gebeurde. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de Indianen thans practisch uitgestorven zijn.
Er zijn zo ongeveer 200 stammen over, waarvan enkele helaas ondanks alles ten dode gedoemd zijn. Deze overblijvende Indianenstammen zijn ondergebracht in reservaten. Deze afgeschermde gebieden, zoals het Navajo-reservaat dat een grootte heeft als Belgie en Nederland tezamen, bieden een dergelijke ruimte dat de Indianen nog een behoorlijke bestaansmogelijkheid hebben, al verliezen zij daarbij langzamerhand hun meest kenmerkende eigenschappen.



[1]In: Nieuwe Tilburgsche Courant, 1 december 1955.
[2]James Fenimore Cooper (* 15 september 1789 , † 14 september 1851) was een Amerikaans schrijver, die vooral bekendheid verwierf met zijn zeeverhalen en historische verhalen, de vijfdelige Leatherstocking Tales: „The Deerslayer. The First War Path”, „The Last of the Mohicans. A Narrative of 1757”, „The Pathfinder. The Inland Sea”, „The Pioneers. The Sources of the Susquehanna; A Descriptive Tale” en „The Prairie. A Tale”, met Natty Bumppo (bijgenaamd „Leatherstocking” en „Hawkeye”) in de hoofdrol; het tweede boek uit deze reeks, „The Last of the Mohicans” wordt door vriend en vijand beschouwd als zijn meesterwerk.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website