Lilliput

H. W.-N. 1


Er zal wel niets aan te doen zijn: deze vacantie wordt onze tuin een prairie en ons huis een wigwam. Ik ben het Indiaanse tijdperk zelf nog niet te boven, ik weet nog te goed hoe geboeid ik de Geheimen van Witte en andere bisons placht te doorgronden. Als ik mijn voormalige lievelingslectuur opsla verbaas ik me wel een beetje over de stijlbloempjes, waar ik vroeger grif overheen las, en ik geef ze mijn zoon dan ook nog maar niet in handen. Maar als hij me op hese toon gelast, langs de rhododendrons het bleekgezicht bij de regenpijp te besluipen, ben ik nog helemaal in vorm. Geen heerlijker held dan Winnetou! En nu is hij nog actueler geworden dan voorheen, want één der Oma’s is met een Indianenpak aan komen zetten. Het is niet te zeggen hoé mooi dat is, met overal rood en overal bont, en zilveren koeienkoppen en hoefijzers! Het is niet te zeggen, hoe zeer mijn zoon in dat pak tot een ander mens wordt ... ja, en het is ook niet te zeggen, hoe moeilijk dat pak het leven van zijn zusje maakt. Bij zó iets prachtigs kan ze niet rustig wachten tot het haar broer te klein zal zijn. Ze aait de koeienkoppen, ze past het jasje aan, en als niemand het ziet moet ze er héél eventjes om huilen. Zodat haar moeder ... ach, wat zou ú nou doen? Ik verknip een oud rood trainingspakje, ik naar er kralen op en koperen knopen en stroken vilt, en geef toe dat het costuum een Jan Klaassen beter zou sieren dan een Indiaan. Maar dat geeft niet. Mijn dochter is er de volgende morgen het opperhoofd te rijk mee, ze wil niets anders meer dragen, en nu sluipen ze samen langs de rhododendrons. Mag ik nu als een brave en ietwat zelfvoldane moeder op mijn lauweren gaan rusten? Ik zit nog niet of mijn jongste komt aangewaggeld, tranen van verontwaardiging op de wangen. „Ik ook!”, brult ze. „Ik ook Pindiaan zijn!” Ik zeg iets onvriendelijks aan het adres van Karl May en zijn Indianenromantiek. Waar haal ik een derde pak vandaan ? Ten einde raad bind ik de jongste mijn eigen eerbiedwaardige schort voor, achterstevoren, bij wijze van sleep, en bevorder haar daarmee tot Pindianenkoningin. Of ze daar genoegen mee neemt? Méér dan dat, zeg ik u. Geen vijf minuten later staan de twee anderen bij me, bezig zich van hun Indianenpakken te ontdoen. De Indianenpakken kunnen hun gestólen worden. De kleinste, dié heeft pas geboft. Want zo’n schort, mamma’s schort, zo maar achterstevoren, mens, dat is toch zeker verreweg het leukste van alles!


[1]In: De Maasbode. Dagblad voor Nederland, 23 juli 1955.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website