DE WAARHEID OVER HET WILDE WESTEN

Cowboys rijden nog steeds op hun paard over de prairies


Fris-van-de-heup-schietende jongens zijn ’t nooit geweest

anoniem 1


Omdat wij omtrent onze vijftien jaren een held waren in het diepst van onze gedachten doch ook weer niet zo, dat wij dit onweerlegbaar durfden te bewijzen vluchtten wij steevast in het boek. Wij zijn Old Shatterhand geweest in de kracht van zijn leven en de edele Winnetou. Wij hebben als mannen onze tranen bedwongen toen Intsjoe Tsjoena te paard in zijn graf werd gewrongen en de korte berendoder lag ons nader aan het hart dan de nieuwe kroontjespen van de leraar. Wij willen maar zeggen, dat de prairie voor ons geen geheimen meer had, of ze nu te dorren lag onder de midzomerzon of wanneer de sneeuw aarzelend rondom het kampvuur smolt en de wigwam huiverde inde vlagen van de Oostenwind. Ze was óns domein met haar nobele Indianen en de trouwelozen, met de „greenshorns” vol goede bedoelingen en het schoelje dat paarden roofden en runderen stal – toppunt van edelmoedigheid –met een mild vermaan werd heengezonden.

Het Wilde Westen, zoals wij dat omtrent de eerste lange broek hebben geconsumeerd, is wel degelijk waar geweest, zonder „love” en met alleen maar heel veel moed, avontuur en ontbering. Het Westen was wild en in een oorspronkelijk geheel andere zin dan die flinke revolverjongens van het witte doek willen doen geloven.
De eerste blanke kolonisten, die in de zestiende en zeventiende eeuw de grondslag legden voor de tegenwoordige Verenigde Staten, zochten niet verder dan waar ze het goed vonden. En omdat ze allemaal van Europa uit aan de Amerikaanse Oostkust belandden ontstonden daar ook de eerste dichtbevolkte streken, waar de grond in cultuur werd gebracht en de eerste steden, waar handel en nijverheid wat comfort schiepen, en een nieuw beschavingstype ontstond. Wat daarbuiten lag, meer naar het Westen, onontgonnen en nauwelijks door blanken bewoond was nog ongecultiveerd, „wild”. Dat is heel lang zo gebleven en feitelijk was het honderd jaar geleden nog zo.

Het conflict

Tussen de Missisippi en de kustvlakten van de Grote Oceaan lag een groot gebied met eindeloze woestijnen en prairievlakten. Dat was het gebied van de zwervende Indianenstammen, van de Sioux, de Comanches en de Apachen, die door de blanke mannen reeds lang waren beroofd van hun beste jachtvelden en hun heil hadden gezocht diep in het binnenland, bezield van een dodelijke haat. Het was ook de toevlucht van de spitsboeven, ongure lieden, die in de bewoonde wereld van Amerika een of ander misdrijf hadden begaan en zich in de wildernis veilig buiten de reikwijdte van de gerechtigheid wisten. En verder zwierven er avonturiers, de goudzoekers, lieden van vaak bedenkelijk allooi die op een gelukkig toeval hoopten, een wonderlijke vondst, die hen in één slag rijk zou maken.
Al dit ongeregelde mensenslag werd gelijkelijk in het nauw gedreven door een langzaam opdringende normale samenleving. In Missouri, Nebraska, Kansas en Arkansas begon het. En telkens waren het dezelfden, die de voorhoede vormden. De „trappers” het eerst: woudlopers met „korte berendoders” gelijk Old Shatterhand, die het wild zorgvuldig doodden om der wille van de kostbare pels, ruige lieden meest, maar een eerzaam beroep. En daarna een merkwaardig soort boeren. Nog niet van die gezeten lieden met een forse hofstede, maar veefokkers met massale kudden en geen ander onderkomen dan een primitieve blokhut, die men zonder heimwee verliet als het vee ander weidegebied nodig had.
En dit conflict: De botsing tussen haatdragende Indianen, misdadige desperado’s en gelukzoekers enerzijds en de opdringende ordelijke samenleving anderzijds met haar trappers en cowboys in de voorhoede, dit thema heeft Karl May zijn vertelstof en ons menig uur met van spanning gloeiende oren bezorgd.

Geen „love”

Het Wilde Westen was wel degelijk waar, zoals we het in die goede dagen hebben ervaren. Niet zoals Roy Rogers 2 en Lex Barker 3 en Maureen O’Sullivan 4 het ons tegenwoordig in heftige kleuren opdissen. Al was het alleen maar niet omdat het Wilde Westen geen ruimte liet voor „love”, er waren eenvoudig geen vrouwen te bekennen, waar om te vechten viel. En zo is het heden ten dage nog, nu het Wilde Westen allang tam geworden is. De Indianen sukkelen niet meer met een wraakzuchtig gemoedsleven over de eindeloze prairievlakten, maar zitten keurig netjes bijeen in „nationale parken” waar ze op folkloristische wijze hun wigwams 5 beschilderen en heel ordelijk bevriende staatslieden tot erehoofd van hun stam uitroepen gelijk de universiteit een eredoctoraat verleent. Geen sprake meer van krijgsbijlen en van vredespijpen. Alleen maar bij wijze van toeristische attentie, ongeveer zoals men U te Volendam een paar rasechte klompen slijt. De desperado’s zijn legendarische schimmen geworden. Zó curieus, dat een vlijtig geschiedvorser op het ogenblik bezig is een stokoude sheriff verhalen uit zijn jonge jaren te laten vertellen voor de microfoon van een tape-recorder om althans iets van het wilde verleden voor het nageslacht te kunnen bewaren.

Dit is het cowboyleven ten voeten uit: Het stoere paard op de achtergrond en tedere zorg voor het kalf, dat zijn moeder kwijt is. De moederloze kalveren, die men „dogies” noemt, worden naar de ranch gebracht en krijgen daar een speciale verzorging tot ze zo zelfstandig zijn, dat ze weer bij de kudden worden gevoegd.


Cowboy bleef zichzelf

Alleen met de cowboys is niet veel veranderd, in aanmerking genomen, dat ze nimmer die fris-van-de-heup schietende jongens zijn geweest met een paardehoofdstel aan de muur, een strook scherpe patronen om de gordel en een formidabele Colt onder elke oksel als strategische reserve. Eenvoudige jongens zijn het die er voor zorgen dat de Amerikanen elke dag een stukje vlees op hun bord vinden.
Bij tijd en wijle geven ze nog wel eens een „rodeo” te zien: oorspronkelijk een stukje typisch cowboy-vakwerk. waarbij wilde paarden dusdanig werden afgereden, dat ze zich tenslotte gehoorzaam in het gareel schikten. Maar tegenwoordig is de rodeo gedegradeerd tot een imponerend shownummertje, een soort sport waarbij de mannen van de prairie een verbluffend staaltje acrobatiek weggeven. Het is een van de schaarse kansen om hun „lef” te demonstreren. Nee, de boys zijn niet afkerig van show. Als er feest is in de dichtstbijzijnde stad doffen ze zich op als ’n Zondagsrijder op zijn Harley: met kakelbonte hemden en dassen, met ontzaglijke lawaaihoeden en kostbaar bewerkte hoge leren laarzen. Dat is hun manier om compensatie te zoeken voor een vuil en hard bestaan temidden van koeien en kalveren, rondtrekkend over immense afstanden, totdat de dieren rijp zijn voor de slacht.

Er zijn nog altijd duizenden cowboys in de Verenigde Staten, die hoog te paard over de ruggen van de kudden uitzien naar een verre einder. Het zijn lenige, lange en ferme knapen, gesneden uit hetzelfde harde hout als honderd jaar geleden de pioniers. Ze leven bij het vee omdat ze er niet van houden hun uren te slijten tussen de muren van een fabriek of in een benauwd kantoor. Hun corpus is gewend aan de steenachtige harde grond, waarop ze een paar uur slaap aan de nacht ontroven, en hun magen staan naar stevige, eenvoudige boerenkost.
Een doodenkele sjouwt er een geweer mee en dan alleen nog in streken waar het gevaar bestaat, dat het vee door roofdieren wordt aangevallen. Maar de meesten zijn ongewapend. Revolvers worden alleen maar gedragen door de manschappen van de politie en de vervaarlijke „zevenschot” bestaat alleen maar op het witte doek.
ledere cowboy heeft zo’n duizend stuks vee onder zijn hoede en daarmee gaat hij zijn gebied in een jaar ongeveer drie keer rond. Zijn collega’s treft hij op een centrale plaats waar allen zo nu en dan verzeilen als er jong vee van merken moet worden voorzien, of als er wat aan de dieren moet worden gedokterd.


[1]In: Twentsche Courant.
Hetzelfde artikel met dezelfde titel en in dezelfde bewoordingen was al op 5 maart 1955 ook in Ons Noorden en het Overijsels Dagblad verschenen, maar in die twee kranten stonden twee foto’s, hier maar eentje.
[2]Roy Rogers (artiestennaam van Leonard Franklin Slye, * 5 november 1911, 6 juli 1998), bijgenaamd „King of the Cowboys”, was een Amerikaans countryzanger, acteur, televisiepresentator en rodeo-artiest. Bekende films waarin hij acteerde, zijn o.a. „Billy the Kid Returns”, „The Arizona Kid”, „Jeepers Creepers”, „Days of Jesse James”, „Young Buffalo Bill”, „The Carson City Kid”, „Young Bill Hickok”, „Robin Hood of the Pecos”, „Jesse James at Bay”, „Romance on the Range”, „King of the Cowboys”, „Song of Texas”, „The Yellow Rose of Texas”, „Song of Nevada”, „The Man from Oklahoma”, „Don’t Fence Me In”, „Heldorado”, „Pals of the Golden West” en „Alias Jesse James”.
[3]Lex Barker (voluit: Alexander Crichlow Barker Jr., * 8 mei 1919 , † 11 mei 1973) was een Amerikaans acteur, die in vijf films furore maakte als Tarzan; in Europa was zijn eerste grote rol die van Robert – de verloofde van de vrouwelijke hoofdrolspeelster Sylvia (Anita Ekberg) – in de klassieker „La dolce vita” van Federico Fellini, alvorens hij optrad in maar liefst twaalf van de zeventien grote Karl-May-verfilmingen in de jaren ’60: als Old Shatterhand in „Der Schatz im Silbersee” (1962), „Winnetou, 1. Teil” (1963), „Old Shatterhand” (1964), „Winnetou, 2. Teil” (1964), „Winnetou, 3. Teil” (1965), „Winnetou und das Halbblut Apanatschi” (1966) en „Winnetou und Shatterhand im Tal der Toten” (1968); als Kara Ben Nemsi in „Der Schut” (1964), „Durchs wilde Kurdistan” (1965) en „Im Reiche des silbernen Löwen” (1965); als Dr. Sternau in „Der Schatz der Azteken” (1965) en „Die Pyramide des Sonnengottes” (1965).
Wie had in 1955 kunnen bevroeden dat Lex Barker nog geen zeven jaar na het verschijnen van dit artikel op het witte doek zou schitteren als de bekendste westman aller tijden?
[4]Maureen O’Sullivan (voluit: Maureen Paula O’Sullivan, * 17 mei 1911, † 23 juni 1998) was een Iers-Amerikaans actrice, die de rol van „Jane” speelde in een aantal Tarzan-films met Johnny Weissmuller (eigenlijk Peter Johann Weißmüller, * 2 juni 1904 , † 20 januari 1984), zoals „Tarzan the Ape Man”, „Tarzan and His Mate”, „Tarzan escapes”, „Tarzan finds a Son!”, „Tarzan’s Secret Treasure” en „Tarzan’s New York Adventure”, maar ook in klassiekers als „David Copperfield”, „Cardinal Richelieu”, „Anna Karenina”, „A Day at the Races”, „Pride and Prejudice” en „Peggy Sue got Married”.
[5]Een wigwam (verbastering van het Algonkin-woord wiigwaas of wiigiwaam, hetgeen „berkenbast” betekent) is een koepelvormige of kegelvormige „hut”, bedekt met rietmatten of boombast, meestal met berkenbast. Ze werden van oudsher in het oosten van de Verenigde Staten en Canada gebruikt; ze zijn koepelvormig, bieden plaats aan één familie en doen denken aan een hut van hoogstens 2 à 3 meter. De koepelvorm ontstaat door een frame van buigzame stokken te maken, een niet-verplaatsbare constructie.
De naam tipi komt uit het Lakota en is een kegelvormige tent die, in tegenstelling tot een wigwam, niet met boomschors maar met dierenhuiden of canvas is bedekt, snel kan worden afgebroken en opgezet en makkelijk te paard te vervoeren is. Dit type indianentent werd van oudsher door de nomadische prairie-indianen op de Great Plains gebruikt. Het frame bestaat uit rechte stokken van ceder- of vurenhout, de bedekking uit canvas of dierenhuiden, net als de binnenvoering en de deur. Bovenin zat een rookgat dat met lijnen open en dicht kon worden gemaakt.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website