De derde man

Herinneringen aan een Koptisch Paasfeest


Bertus Aafjes 1


• Toen onlangs Bertus Aafjes 2 in een Rotterdamse boekhandel een lezing hield en zijn vrouw daar haar merkwaardige gouaches en tekeningen tentoonstelde, hebben wij de auteur van zovele verrukkelijke verzen (Het randuur van de dood, Een voetreis naar Rome etc.) en prachtige reisbeschrijvingen (Morgen bloeien de abrikozen) gevraagd, een verhaal voor deze courant te willen schrijven. Bertus Aafjes herinnerde zich ’n Koptisch Paasfeest dat hij bijwoonde in de jaren dat hij in Egypte woonde en de thans 35 jaar 3 oude dichter, die zijn te Rome begonnen archaeologische studiën tijdens dat verblijf in Egypte voortzette, toont zich ook in dit verhaal weer een meester in het scheppen van een geheel eigen, romantische en toch reële sfeer.

De vier tekeningen zijn van de hand van mevrouw Aafjes die, hoewel zij sedert haar schooljaren eigenlijk zelden meer getekend had en geen bijzondere opleiding voor tekenen heeft genoten, in Egypte aandrift tot tekenen en schilderen kreeg en sedertdien werk heeft gemaakt dat in brede kring de aandacht heeft getrokken.

IN het Naburige Oosten is het Paasfeest een veel belangrijker feest dan bij ons. De Verrijzenis van Jezus wordt er op uitzinnige wijze gevierd. Wanneer in de kerkliturgie het „Hij is verrezen!” weerklinkt, vallen de gelovigen elkaar kussend en wenend om de hals. En dagenlang hoort men in steden als Cairo, Alexandrië, Jeruzalem en Athene het knallende geluid van ontploffende voetzoekers. Pasen is, in het Naburige Oosten, wat Kerstmis voor ons Westerlingen is. Met één voorbehoud. Zo ingetogen als wij Kerstmis plegen te vieren zo uitbundig vieren Kopten, Abessyniërs, Syriërs, Libanezen en Grieken het Paasfeest. In 1948 maakte ik voor het eerst een Paasfeest mee onder de Kopten. Het was een onvergetelijke gebeurtenis. Maar misschien weet gij niet eens wat Kopten zijn. Laat ik dus bij het begin beginnen.

IN 1948 woonde ik in een wit huis aan de rand van de woestijn als gast van Sheik Aly Abdel Rassoel. Sheik Aly was eens in zijn leven naar Mekka gepelgrimeerd, daarom was hij een figuur waarnaar de bewoners van de naburige dorpen met eerbied en ontzag opkeken. Hij was een woestijnarabier, een trots en eerzuchtig man, een man uit een boek van Karl May, en even ijdel. Hij deed, zo op het oog, niet veel meer dan zich aan het volk vertonen op zijn Arabische paard. Vele keren per dag zag men hem voorbij flitsen op zijn zwarte hengst, als een zwarte bliksem, tegen de rode bergwand. Zijn witte hoofddoek wapperde achter hem aan als een witte vlag, zijn karabijn dobberde heen en weer boven zijn gekromde gestalte. Hij deed niets en toch was hij rijk. Er mocht kilometers ver n.l. niets beslist worden zonder de toestemming van Sheik Aly en die toestemming kostte geld. Het witte huis van de Sheik stond op de merkwaardigste plek die de wereld de mens te bieden heeft. Het stond voor het Koningsdal waar de beroemde graven van de Egyptische pharao’s in de rotsen uitgehouwen zijn. Voor het Koninginnendal waar de vrouwen van de pharao’s en hun dochters begraven liggen. Voor de onafzienbare wand waarin de graven der edelen zijn aangebracht met hun onsterfelijke wandschilderingen die de bezoeker nog heden ten dage verrukken. Links en rechts van het huis van de Sheik lagen wereldberoemde Egyptische tempels, daar duizenden jaren voordien opgericht. Juist toen ik bij de Sheik te gast was werden er naast zijn duivenhuis twee pharao-kolossen opgegraven die de afmetingen bezaten van moderne warenhuizen. Als men er overheen kroop om ze te bezien — wat ik nog wel eens deed — bevond ik mij ongeveer in dezelfde positie ten opzichte van hen als een vlieg die over mijn gezicht of hand kroop ten opzichte van mij. Achter het huis van Sheik Aly bevond zich, in geel woestijnzand en rode rotswanden, ongeveer de helft van de gehele Egyptische kunst, kan men wel zeggen. En in dit domein was Sheik Aly de machtige man. Moest een archeoloog wat opgraven dan moest hij zijn werklieden betrekken bij de Sheik, die dit alles organiseerde op de bliksem van zijn zwarte hengst waarop hij aan de voet van de bergwand heen en weer flitste. Kwamen er inspecteurs van de Archeologische dienst dan werden zij gehuisvest in de ruime witte woning van de Sheik. Door het toeval had ik met een dezer inspecteurs kennis gemaakt. En deze had gezorgd dat ook ik in het huis van de krijgshaftige Sheik werd opgenomen, samen met mijn vrouw.

ER waren vier Egyptische inspecteurs in het huis van de Sheik geherbergd, vier jonge lieden tussen de achttien en de dertig, die bijzonder weinig van de Egyptische kunst wisten, en die blijkbaar moesten toezien of alles er nog wel stond, wat geen al te zware opgave was, aangezien alles zo indrukwekkend en groot was dat het zich onmogelijk uit de voeten kon maken. Mijn vrouw en ik raakten snel bevriend met deze jonge mensen, wij tafelden samen met hen, bezochten gezamenlijk de primitieve volksfeesten en wat misschien het belangrijkste was — ik vergezelde hen op hun moeilijke inspectietochten en bezocht in een half jaar tijds alle graven die zich in die streek bevonden. Vele ervan, waren in feite onbereikbaar, zij verkeerden in een dergelijke toestand dat een bezoek niet zonder levensgevaar was, er waren er die men slechts op de buik kruipende door nauwe schachten van tientallen meters bereiken kon, er waren er bij die officieel niet bestonden — naar mijn vier vrienden sleepten mij naar de wonderlijkste en ook soms prachtigste graven die door geen archeoloog ooit gezien waren. Ik maakte zorgvuldig aantekeningen van al deze bezoeken in een groot cahierboek — maar op zekere dag verloor ik het, ik kan er nu nog woedend om worden.

DDRIE van de inspecteurs waren Moslims, trouwe zonen van Allah. De vierde echter, Youssef geheten, was een Kopt. Een Christen dus. Dit feit was van bijzondere importantie. Want het veroorzaakte doorlopend een vreemde spanning onder onze vier vrienden. Maar gij weet misschien nog steeds niet wat een Kopt is.

DE zich snel verspreidende eerste Christenkerk zette reeds in de eerste eeuw vaste voet in het oude Egypteland. Het was een uiterst streng Christendom, dat daar op Egyptische bodem ontbloeide, een Christendom van meedogenloos vasten en van monniken die in de brandende zon op de top van zuilen gingen wonen of het hol gingen delen met een wild en verscheurend dier. De Egyptische Christenen in tegenstelling tot de rest van de toenmalige Christenwereld weigerden in Christus een menselijke natuur te erkennen. Zij aanvaardden alleen een goddelijke natuur. Dit leidde in 451 op het Concilie van Chalcedon tot breuk met Rome. Vanaf dat ogenblik trokken de Egyptische Christenen zich terug op zichzelf en vormden de wonderlijke gemeenschap van gelovigen die Kopten heet. Toen de grote Mohammedaanse storm over het Naburige Oosten ging, bukte iedereen behalve de Kopten. Zij kropen in holen in de grond en hun monniken trokken zich terug in de oude Egyptische graven in de bergwanden waar men nog heden ten dage — als een merkwaardig bewijs van hun bezoek — ziet hoe de betoverende vrouwenfiguurtjes van de wand werden gekrast. In moderner tijden echter — toen eerst Frankrijk en daarna Engeland beslag legden op Egypte — ging het hun plotseling beter. Voor de Christelijke bezetters was het Koptische hemd nader dan de Mohammedaanse rok en daarom bezorgden zij de Koptische minderheid, die tot dan toe in de verdrukking geleefd had, een onevenredig belangrijke positie in het staatsbestel. De Kopten kwamen in leidende functies en werden in Moslim-ogen handlangers van de bezetters. Naarmate de macht van het Westen taande, taande ook de Koptische macht. Erger nog: de Kopt werd een gewantrouwd Egyptenaar, een gehate minderheid. Iets daarvan was nog altijd aanwezig in de dagen dat ik in Egypte woonde. Iets daarvan was terdege merkbaar in het klaverblad van vier inspecteurs in het witte huis van Sheik Aly.
De drie Mosliminspecteurs — Ibrahim, Achmed en Aly — wantrouwden Youssef. Wanneer zij met de drie Moslims turkse koffie zaten te drinken onder de palmboom achter het huis van Sheik Aly en Youssef naderde, dan viel er vaak plotseling een stilte. In het begin begreep ik hier niets van. Maar toen ik op vertrouwelijker voet geraakte met de Moslims maakten zij mij deelgenoot van hun zorgen. Egypte was een politiestaat, deelden zij mij mee. Op iedere drie man in Cairo was de derde een geheime agent, betaald door Faroek 4 om subversieve elementen aan te brengen. Een subversief element nu was iedereen die het niet met de gang van zaken eens was. En onze drie vrienden waren het niet met de gang van zaken eens. Daarvan gaven zij gewoonlijk zonder enige schroom blijk, wanneer zij gedrieën bijeen waren. Maar nooit kwam er een onvertogen woord over hun lippen als Youssef in de nabijheid was. Want zij verdachten er Youssef van dat hij de derde man was.

NU had Youssef iets ondefinieerbaars, iets van een kreeft die ieder ogenblik op zijn hoede was en bereid terug te krabbelen. Maar dit aarzelende en niet rechtuit door zee gaande hadden de meeste Kopten, naar ik had opgemerkt. Typische eigenschap van een minderheid. Ik was er dan ook langzamerhand toe gekomen om Youssef te wantrouwen zoals mijn Moslimvrienden het deden. Toch was de houding van de drie inspecteurs tegenover Youssef in ’t geheel niet onvriendelijk. Zij spraken alleen maar over geheel andere zaken dan waarover zij plachten te spreken, wanneer Youssef niet in hun buurt was. Was hij er niet, dan haakten zij naar de omwenteling. Was hij er wel dan was er geen beter vorst op aarde dan Faroek van Egypte.

IK vergat nog te vertellen dat de vier inspecteurs schilderden. Omdat zij schilderden waren zij aangesteld als inspecteurs, want zij moesten een nauwlettend oog houden op de ontelbare prachtige wandschilderingen in de graven. De drie Moslims schilderden, naar zij dachten, zeer modern. Zij maakten impressionistische landschappen. Youssef schilderde zeer conventioneel en academisch. Vaak schilderden de vier vrienden tezamen. Zij hadden mijn vrouw, die in Egypte begonnen was te schilderen, opgenomen in hun schildersclub en gaven haar vele wijze raadgevingen. Youssef noemde mij bij een eigenaardige naam. Hij had op zekere dag op mijn kamer mijn verzenbundel „Het Koningsgraf” zien liggen. Op de titelpagina stond „Honderd en een sonnetten” en Youssef, menende dat Honderd en een mijn schrijversnaam was, noemde mij sindsdien „Mister Honderd en een”.
„Mister Honderd en een”, zei hij op zekere morgen. Ik weet hoe u zich voor ons Kopten interesseert. Wilt u met uw vrouw en mij Pasen vieren in een Koptische kerk? En als u het goed vindt nodig ik ook de drie Moslims”.

ZO gebeurde het dat wij te middernacht van Pasen ons gezamenlijk in een kleine lemen kerk bevonden aan de rand van de Sahara. De kerk was tegen een Koptisch klooster aangebouwd, er stonden geen stoelen of banken in het gebouw, men zat er op rieten matten. De dienst had niets van wat wij onder een kerkdienst verstaan, het was veeleer een uitgelaten feest. Ik herinner mij nog hoe de pope een ikoon van de verrezen Heiland door de menigte droeg en hoe ieder deze ikoon kuste alsof het de Heiland zelve was en hoe sommigen het gezicht van Christus met hun tranen besproeiden. Naarmate de kerkdienst vorderde en het symbolische moment van de Verrijzenis naderde werd de stemming uitgelatener. De dienstdoende popen sloegen de speelse Koptische misdienaartjes die reeds met voetzoekers in de hand zaten om de oren, zodat er een de inhoud van een brandend wierookvat over een mat liet rollen en er bijna een paniek ontstond. Toen Christus eindelijk verrezen was, was er geen houden meer aan, iedereen kuste iedereen, de meeste gelovigen lieten hun tranen vrijelijk de loop en in de nacht buiten en in de kerk ontplofte allerwege het vuurwerk. Na de dienst werden wij op een gigantische maaltijd genodigd want de Kopten hadden wekenlang gevast en waren uitgehongerd. Wij echter hadden niet gevast en keerden, na wat koffie, door de nacht naar huis, Youssef bij de zijnen achterlatend.
„Toch is hij niet te vertrouwen” zei Ibrahim, die door de nacht met mij huiswaarts liep. „Maar waarom eigenlijk niet?” vroeg ik Ibrahim.
„Hij is een reactionnair” antwoordde Ibrahim. „Dat ziet u toch aan zijn schilderwerk. Dat is volkomen reactionnair.

IK zou Youssef, Ibrahim, Achmed en Aly misschien reeds lang vergeten zijn als ik niet op een goede dag in Nederland een merkwaardig poststuk ontvangen had. Het was een drukwerk en het bevatte een uitnodiging om een expositie te bezoeken in Parijs. De kunstenaar die exposeerde, las ik, was niemand minder dan Youssef. Het toeval wilde dat ik net op weg was naar Parijs, dat is vanuit Hoensbroek overigens niet zoveel verder dan naar Amsterdam.
Reeds de tweede dag zocht ik Youssef op op zijn atelier dat op de uitnoging nauwkeurig vermeld stond.
„Mister Honderd en een” riep hij met een kreet van verrassing en viel mij, op Egyptische wijze, om de hals.
Ik geraakte in de puurste verbazing toen ik bemerkte dat de schilderstukken aan de wand bijna geheel futuristisch waren. Youssef zelf leek mij ook een geheel ander mens geworden. Hij had zijn terughoudendheid volkomen verloren. Toen hij een kop Turkse koffie voor mij gezet had en ik naast hem op de sofa zat, zei ik plotseling: „Weet je Youssef dat onze drie vrienden je voor een geheime agent versleten? Dat ze bang van je waren?”
„Ja”, zei Youssef en zijn amandelvormige ogen trokken samen tot dunne spleten. „Dat weet ik. Maar wat u niet weet... er w a s een geheime agent onder ons.
Ibrahim was een geheime agent. Hij werd gearresteerd enkele dagen na de val van Faroek.”
Ik staarde verbaasd voor mij uit. Mijn ogen ontmoetten het schilderij op de ezel. Ik zag een gele plek, een soort zon. En daaronder kleine zwarte driehoeken die zich telkens op een punt schenen op te richten.
„Dit is Christus”, zei Youssef ziende dat ik naar het doek keek en op de gele vlek wijzend. En dit is de geknechte massa die zich opricht, ziet u wel?” Ik zag het.
„Maar waarom schilderde je zo geheel anders in het huis van Sheik Aly,” vroeg ik verwonderd. „Daar schilderde je zo conventioneel als maar mogelijk was.” Misschien verbeeldde ik het mij, maar even keek Youssef voorzichtig om naar de deur.
„Ik kon niet anders,” zei Youssef toen. „Ik was bang voor Ibrahim. Er zijn mensen opgehangen voor minder Mister Honderd en een. Er zijn mensen opgehangen die honger hadden alleen omdat zij durfden zeggen: ik heb honger.”


[1]In: Algemeen Dagblad, 9 april 1955.
[2]Bertus Aafjes (voluit: Lambertus Jacobus Johannes Aafjes, * 12 mei 1914, † 22 april 1993) was een Nederlands schrijver en dichter. Bekende werken van hem zijn o.a. „Een laars vol rozen, reisverslag”, „Omne animal”, „Elf sonnetten op Friesland”, „Verzen en vrouwen”, „Kleine catechismus der poëzie”, „In het Atrium der Vestalinnen, fragmenten”, „Een voetreis naar Rome”, „Het koningsgraf. Honderd en een sonnetten”, „Egyptische brieven”, „De lyrische schoolmeester, gedicht”, „De reis van Sinte Brandaan, herdicht door Bertus Aafjes”, „Vorstin onder de landschappen. Een reis door het Heilige Land”, „Maak de dag tot een feest”, „Morgen bloeien de abrikozen, roman”, „Logboek voor ‘Dolle Dinsdag’”, „Capriccio Italiano. Een reisboek over Italië”, „De vrolijke vaderlandse geschiedenis. Deel I. Van de Batavieren tot de Gouden Eeuw”, „De vrolijke vaderlandse geschiedenis. Deel II. Van de Gouden Eeuw tot nu”, „Het Troje van het Carboon”, „Goden en eilanden, een reisboek over Griekenland”, „Dag van gramschap in Pompeji”, „In de schone Helena, reisverslag”, „Odysseus in Italië, reisverslag”, „Dooltocht van een Griekse held, reisverslag”, „Die te Amsterdam vaak zei: Jeruzalem”, „Limburg, dierbaar oord”, „Homeros’ Odyssee en Dooltocht van een Griekse held, reisverslag”, „De wereld is een wonder, reisverhalen uit twaalf landen”, „De val van Icarus”, „Griekse kusten, reisverhalen” en „De eeuwige stad. Rome in verhalen en herinneringen”. Desondanks noemde de Amsterdamse dichter Hennie J. Schol deze getalenteerde dichter „een prul”
[3]Een eenvoudige rekensom leert ons dat Bertus Aafjes 40 jaar was toen dit artikel verscheen. Dus óf het getal „35” is fout óf het woord „thans”.
[4]Faroek I (Arabisch: فاروق الأول, Fārūq al-auwal, * 11 februari 1920, † 18 maart 1965, koning van Egypte van 1936 tot 1952, toen hij werd afgezet door een coup onder leiding van kolonel Gamal Abdel Nasser en generaal Mohammed Naguib.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website