Old Shatterhand leeft nog

Frank Berger 1




Karl May, de schrijver en de fantast.

De oude man stond plotseling voor een leeg leven. Kennissen, die zich gisteren nog vereerd hadden gevoeld, wanneer zij een paar woorden met hem mochten wisselen, liepen vandaag in een grote boog om hem heen. Een familie, die hem voor het avondeten had uitgenodigd, stuurde een der kinderen naar hem toe met een briefje, waarin hij las, dat men „wegens onvoorziene omstandigheden” de uitnodiging moest intrekken. Zelfs de eigenaar van het kleine Griekse huisje, dat hij bewoonde, kwam hem zonder voorafgaande waarschuwing de huur opzeggen. Alles was afgelopen – zijn leven scheen voorgoed te zijn vernietigd.
Lange tijd zat de kleine, enigszins corpulente man met het puntbaardje in zijn kamer, met nietsziende ogen starend over een krant, die hij voor zich hield en waarin hij zo juist had zitten lezen. Het blad was hem uit Duitsland toegestuurd. „Een van de artikelen zal je zeker interesseren,” had een van zijn vroegere vrienden hem met het nodige sarcasme geschreven. Hij hoefde er niet lang naar te zoeken; het was met dikke blauwe strepen omrand en de vriendelijke afzender had er bovendien nog twee vette pijlen bij geplaatst. De inhoud ervan zat in zijn geheugen gegrift als een martelend besef van mislukking.
Hij haalde het notitieboekje, dat hij de laatste tijd weinig had gebruikt, uit zijn zak, doopte de penhouder in de inkt en maakte in een pijnlijk-keurig handschrift de volgende aantekening:
„Leros, Griekenland, 13 Juni 1900 2. Ik ben aan het einde van mijn krachten gekomen. Ik had zo gehoopt met het verleden en de zonden van mijn jeugd te hebben afgerekend, maar het noodlot is machtiger dan ik. Men heeft mij herkend, men weet alles van mij. Ik ben een gebroken man.” En vervolgens, als wilde hij afscheid nemen van een leven, dat hem uit het armelijk wevershuisje met een elegante zwaai in het paleis van de rijkdom had getild, schreef hij er nog iets bij. Het was, alsof hij met deze dagboeknotitie een testament bekrachtigde, iets beslissends en onherroepelijks deed. In verrassend grote en energieke letters besloot hij zijn hartekreet met „Karl May”.

In Berlijn had men het hele trieste geval haarfijn uitgezocht. „Er bestaat helemaal geen Old Shatterhand,” had de krant triomfantelijk geschreven, „noch een Kara Ben Nemsi of een Hadschi Halef Omar. De meeste van zijn boeken heeft de „schrijver van Reisverhalen” Karl May in de gevangenis bij elkaar gefantaseerd en de landen, waarvan hij vertelt, heeft hij nooit gezien. Karl May is een bedrieger en het wordt hoog tijd om deze volksmisleider het schrijven te verbieden.”
Artikelen met een dergelijke strekking werden eerst in een, dan in vijf en tenslotte in alle Duitse kranten opgenomen. De „kwestie Karl May”, een opzienbarende literaire lastercampagne uit de jaren rond 1900, was begonnen.
Het gelijk was voor een groot deel bij de kranten. Karl May was inderdaad nooit in Amerika, Afrika of het Midden-Oosten geweest. Al zijn romanfiguren waren in zijn verbeelding ontstaan, al zijn verhalen had hij verzonnen.
Ook in een ander opzicht hadden de kranten niet overdreven: Karl May was meermalen tot gevangenisstraffen veroordeeld wegens diefstal en oplichting, hij was een oneervol ontslagen leraar, hij had gelogen en vervalsingen gepleegd en kon dus weinig tegen deze beschuldigingen inbrengen.
Dat hij desondanks geen „volksmisleider” mocht worden genoemd, dat hij niettemin het recht had de mensen in zijn boeken het goede te laten doen en het edele te laten verdedigen, staat boven elke twijfel verheven, als men zijn levensgeschiedenis kent. Hij was een man, die een verbeten gevecht tegen zichzelf heeft geleverd, tot hij op hoge leeftijd stierf.

Levendige jongensfantasie

Karl May werd geboren in het armoedige textielstadje Ernstthal in het Ertsgebergte. Zijn ouderlijk huis was naargeestig, klein en kaal, zoals alle huizen van de plaats. Twaalf kinderen 3 zagen er het levenslicht, negen van hen stierven in de eerste jaren na hun geboorte. Zijn vader was een dronkaard en nietsnut, zijn moeder verdiende met wassen en uit werken te gaan de schrale kost voor het gezin. In die grauwe en lichtloze omgeving droomde de jongen van een vrolijker en betere toekomst. Hij verslond alle avonturenboeken, die hij maar te pakken kon krijgen, en zij waren hem een gevaarlijke wegwijzer. Het waren verzinsels, grotendeels zelfs slechte verzinsels, maar voor de jonge Karl May werden zij een nieuwe vorm van de werkelijkheid.
Uit deze vermenging van schone schijn en sombere werkelijkheid groeide een groot gevaar. Bezeten door de wens de wereld van zijn dromen te veroveren, deed hij zijn eerste schreden in de realiteit van alledag en struikelde. Op de kweekschool en later als hulponderwijzer in het Saksische industriegebied pleegde hij verscheidene diefstallen en moest deze met zes weken gevangenisstraf boeten. Vrijgekomen stal hij verder: bontmantels, biljartballen en paarden. Hij gaf zich uit voor arts, officier en baron, maakte zich overal waar hij kwam aan bedriegerijen schuldig en belandde uiteindelijk weer in de gevangenis 4.
Vier jaar bracht hij in de strafinrichting Waldheim door, vier jaar lang had hij de gelegenheid achter de muren van zijn kerker de werkelijkheid te vergelijken met het verwrongen beeld, dat hij ervan had gemaakt. In de beslotenheid van zijn cel vond hij eindelijk de zin van het leven.
Niemand weet, wat er toen in Karl May is omgegaan. Geen artikel over hem rept over de zware zielestrijd, die hij heeft gevoerd, maar één ding staat vast: de Karl May, voor wie na beëindiging van zijn straftijd de deuren van de gevangenis werden geopend, was een heel ander mens geworden: een ernstige, in zichzelf gekeerde man, die het vaste besluit had genomen niet meer in zijn oude fouten te vervallen.
Het middel, dat hem daarbij zou helpen, was het woord. In de gevangenis had hij zich op schrijven toegelegd en na zijn ontslag uit Waldheim werden zijn eerste verhalen in kleine familiebladen opgenomen. Langzaam, heel geleidelijk, ontwikkelde zich bij hem de grondgedachte voor de boeken, die hem zoveel succes zouden brengen: hij zou avonturenromans als zelf beleefde verhalen schrijven. Aanvankelijk aarzelde hij tussen Zuid-Afrika, Amerika, Indië en China als toneel van zijn wederwaardigheden, maar tenslotte besloot hij tot het Wilde Westen en het Midden-Oosten. In lange en eentonige gevangenisdagen had hij deze streken „verkend”.
Zijn oude wensdromen, zijn verlangen naar macht, eer en rijkdom gingen opnieuw leven in Old Shatterhand en Kara Ben Nemsi, de onverslaanbare helden. In deze figuren kon hij zich doen gelden. Hij schiep Winnetou, Old Firehand, Sander en meer van dergelijke personaliën, die heden ten dage nog een magische werking op jong en misschien ook oud uitoefenen. En hij had succes. De weverszoon schreef een groot aantal boeken en de oplagen en verdiensten stegen in de millioenen.
Niemand vroeg meer: wie is toch eigenlijk die Karl May? Weinigen kenden zijn verleden en die enkelen zwegen. De grote massa zag in hem een genie en een held; Karl May stond op het hoogtepunt van zijn roem.

Verstrikt in eigen verbeelding?

Toch was hij nog niet helemaal tevreden, toch knaagde er nog iets aan zijn trots, omdat hij nog nooit de streken, waarin zijn romans speelden, had gezien. En hieruit spruit de tweede beschuldiging tegen Karl May voort: die van een bedrieger te zijn. „Mijn boeken berusten op waarheid,” verklaarde hij tegen iedereen, die het maar wilde horen. „Het met zilver beslagen geweer, de berendoder, het paard van Winnetou en diens geliefde zuster hebben werkelijk bestaan.”
Het is tot nu toe nog niemand gelukt geheel tot het raadsel Karl May door te dringen. Was het zijn onstuimige geldingsdrang, die hem tot deze en dergelijke fantasieën dreef? Hoe het zij, Karl May heeft een hoge prijs voor deze onwaarheden moeten betalen. Deze bestond uit een reeks van krantenartikelen, waarin hem onbarmhartig het masker werd afgerukt.
Nu, ruim een halve eeuw na deze tweede fatale periode uit zijn leven, zien wij de grote held uit het Wilde Westen als een merkwaardige persoonlijkheid. Hij had ernstige fouten begaan, maar zijn zonden geboet. Verstrikt in zijn eigen ongeëvenaarde verbeeldingskracht had hij voor waar uitgegeven wat hij zelf had verzonnen. Toen hij, na het schrijven van zijn vele boeken, eindelijk ook een glimp kon opvangen van het geheimzinnige Nabije Oosten, was deze ervaring niet in staat hem met zijn lot te verzoenen. Hij sleepte zijn laatste levensjaren ziek en ontmoedigd voort en sloot in 1912 voorgoed de ogen.
Was hij tevens een groot schrijver? Nee, dat zeker niet, maar het is een schrijnende onbillijkheid hem nog tot aan de overzijde van het graf te vervolgen, omdat hij de jeugd slechte lectuur zou hebben voorgezet. „Hij heeft tot rassenhaat en bloedvergieten opgewekt,” kreet een recensent in een der grote Duitse dagbladen. Och kom, laten we de zaak toch nuchter blijven bekijken. Zijn boeken zijn juist typische voorbeelden van verhalen, waarin het goede over het kwade triomfeert. Er wordt in gevochten, tussen Indianen en blanken, maar de figuren staan altijd menselijk tegenover elkaar. Herleest men Karl May’s romans op rijpere leeftijd, dan constateert men heus wel, dat zij zich niet op een hoog literair peil bewegen, maar de jeugd staat tegenover deze maatstaf gelukkig kritiekloos. Het is zeer de vraag of ze nog zoveel worden gelezen als vijfentwintig jaar geleden. Ze zijn voor een belangrijk deel verdrongen door de detective- en de wetenschappelijke avonturenroman, maar dat is een logisch gevolg van veranderde omstandigheden. Jeugdbedervend zijn ze onzes inziens zeker niet. Wij kennen wel boeken, die een heel wat slechtere invloed op de jeugd gehad hebben dan „De schat uit het Zilvermeer” of „De dood van Winnetou!”



Hij liet zich trots fotograferen als stoere held uit het Wilde Westen.



  [1]In: Panorama, 26 februari 1955.
  [2]Op 13 juni 1900 bevond Karl May samen met zijn vrouw Emma en het bevriende echtpaar Plöhn in Beiroet, in zalige onwetendheid van de tornado die zich tijdens zijn afwezigheid boven zijn hoofd aan het ontwikkelen was. Ter verdediging van dhr. Berger kunnen we aanvoeren dat Karl Mays reisdagboek in 1955 nog niet gepubliceerd was.
  [3]In werkelijkheid veertien kinderen, van wie er inderdaad negen als baby overleden; ook Karl Mays autobiografie „Mein Leben und Streben” was in 1955 nog niet in het Nederlands vertaald.
  [4]Berger slaat voor het gemak maar even over dat Karl May eerst drie-en-een-half jaar in Schloss Osterstein in Zwickau doorbracht (14 juni 1865 tot 2 november 1868) en pas daarna, na wat nieuwe diefstallen en bedriegerijen, plus een spectaculaire ontsnapping in Kuhschnappel, vier jaar in Zuchthaus Waldheim (3 mei 1870 tot 2 mei 1874). Maar ook hier geldt: veel van wat wij tegenwoordig over Karl Mays leven weten, wist men in 1955 nog niet.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website