Wat lazen wij? Wat lezen uw kinderen!

Jef Notermans 1


Vijftig jaar geleden ontving ik de eerste leesles van de onvergetelijke broeder Albanus, de kleinste onderwijzer van W.-Europa, maar ’n pedagoog met een gouden hart. Hij was Amsterdammer van geboorte (18-6-1854) en gaf de geest op 13-1-1945. ’n Gezegende ouderdom. R.I.P.
Van hem leerde ik de klinkers en de medeklinkers, zowel van het bord als uit het boekje door A. Vincent, de vermaarde Broeder Cyprianus, zaliger gedachtenis.
In de tweede klas was ik de leeskunst in zoverre machtig, dat Broeder Everardus mij op 22-11-06 als aanmoediging ten geschenke gaf „Een Rode Roos. Abdu (1) Masich, de jeugdige martelaar van Singara door J. Spillmann S.J.”
Mijn moeder zaliger heeft een en ander in het fraaie boekske genoteerd. Ik gedenk haar met erkentelijkheid, omdat zij mijn leeslust steeds heeft aangemoedigd.
Van Br. Cornelius – nog in leven – ontving op 28 Juli 1907 „De gevangene bij de Arabieren en enige andere verhalen, de jeugd aangeboden door Em. Gisoo.
Aan de ommezijde van de titelpagina staan enige behartenswaardige woorden van Paus Pius IX:
„Ik beveel U de jeugd aan; geef haar een christelijke opvoeding; breng haar boeken onder de ogen, die de ondeugd leren verfoeien en de deugd beoefenen”.
Uit het jaar 1910 bevindt zich in mijn bibliotheek „Beloonde Ouderliefde”, een historisch verhaal omstreeks het jaar 1200. Voor de jeugd. Bewerkt naar het Duits, door L. van Arbel. Het is een caneau van Br. George, die een otium cum dignitate geniet.
Tot mijn spijt kan ik mij niet herinneren, welke indruk deze trits successievelijk gemaakt heeft. Ik heb nog andere boeken gekregen, o.a. „Heldenmoed”, doch die zijn vermoedelijk verdwenen. Het waren beloningen voor trouw kerk- en schoolbezoek, nauwkeurig geregistreerd en door veelvuldige prentenkaarten onder de aandacht van vader en moeder gebracht. In de zesde klas stond ’n levensgrote kast (ik zie en ruik ’m nog!) met ruim 300 boeken. Br. Pacificus (hij leeft nog!) had in calligrafische letters een lijst aangelegd, die ik na ’n jaar of twee doorgewerkt had. Op een aantal uitzonderingen na. Dat betrof de z.g. heiligenboeken, waarvan de zoetelijkheid aan sacharine deed denken of aan te sterk gesuikerd water. De meeste aandacht trokken de romantische werken, zowel de strijd om de Koh-I-Noor als de verhalen van Gustave Aimard en Karl May, Old Spatterhand en Winnetou daar ging ik mee naar bed en daar stond ik mee op. Maar niet alleen met dezen. Clandestien las ik detectives, als de Wilsons, Lord Lister, Nick Carter, maar vooral Buffalo Bill. Dat gebeurde vaak ’s avonds, als mijn ouders sliepen, bij kaarslicht of anderszins.
Met totaal andere ogen bekeek ik deze lectuur, toen ik in de jaren 1942 tot eind November krijgsgevangene was van de Japanners en deze boeken reminicenties wakker riepen.
Op kostschool hadden we ’n miserabele bibliotheek; nog iets treuriger dan die van een H.B.S., waaraan ik verbonden ben. Gevolg: we zochten elders aanvulling en niet van de beste kwaliteit. Het staat me scherp voor de geest, hoe Het gevloekte Kind van Honoré Balzac en meer suspecte romans rouleerden. Iemand van een hogere klas werd op ’n keer betrapt, doch wist in een worsteling met de directeur het corpus delicti, minus een bedenkelijke omslag, te ontsnappen en het stuk van overtuiging aan de zwarte beek, de Geleen, prijs te geven.
Tijdens de vacanties maakte ik gebruik van katholieke boekerijen, waarin rijp en groen broederlijk naast elkaar stonden en waarvan de pseudo-bibliothecarissen doorgaans niet bevroedden, wat ze ons in de hand stopten.
Het is beschamend om het te bekennen, maar vóór mijn negentiende jaar had ik slechts sporadisch letterkundige producten onder het oog gehad. Voor een aanzienlijk deel wijt ik dit aan onze taalleraar, die de bijnaam van „de taaie” had, met welke qualificatie genoegzaam is aangeduid hoezeer wij een hekel aan het onderwijs in de moedertaal hadden.
Circa 1920 werd ik vaste klant van de Stadsbibliotheek. Een andere horizon ging op. Nog meer was dat het geval, toen ik in die tijd de grote bezieler, dr H.W.E. Moller op mijn levvenspad ontmoette. Zonder overdrijving mag ik zeggen, dat hij mij in het rijk der schoonheid heeft binnen geleid. Circa vijf jaar heb ik genoten van deze eminente docent, die voor altijd een stempel op mijn geest en karakter heeft gezet. Zowel door zijn geanimeerde colleges (hij is niet enkel oprichter van de R.K. Leergangen, doch ook privaat-docent van de Amsterdamse Universiteit) als door zijn maandblad „Roeping” heeft hij tallozen wegwijs gemaakt in de lusthoven der litteratuur, kritisch kiezend en keurend. Hij heeft ons bijgebracht, hoe wij én de werken van Aischylos, Sofokles, Euripides, Aristofanes, als Romeinse en andere Westeuropese leterkundigen uit de oudheid en latere eeuwen analystisch moesten benaderen.
De liefde tot Vondel, Guido Gezelle, Henriëtte Roland Holst, Van der Schalk en zovele anderen, ik dank ze aan hem, de welsprekende gevoelige interpretator.
Het zou een tekort aan erkentelijkheid indien ik hierbij vergat te herdenken mijn professoren dr. Jules Persijn, dr. Arthur Boon en dr. Paul Sobry, die tot een beter leven zijn ingegaan. Dankbaar blijf ik geleerden als dr. Jos. Endepols en prof. dr. Leo C. Michels, wier geest en geestigheid en milde humor ook moeilijke auteurs toegankelijk maakten.

~o~
Iets heb ik – haast vanzelfsprekend – van deze beaux-esprits bij mijn onderwijs overgenomen. Heel eenvoudig, doch daarom niet minder doelbewust en systematisch tracht ik de eerste klassers een jongens- en meisjesboek te laten analyseren. Bewust lezen! Daar wordt door ons naar gestreefd. Ze moeten aan het eind van het verhaal weten: wát ze onder ogen hebben gehad. De proef op de som? In een dik schrift staan de analyses, week in week uit genoteerd volgens vaste regels, zó dat ze dit binnen enige maanden spelenderwijs kennen. En, opklimmend in moeilijkheid, dit procédé toepassen tot in de eindexamenles toe.
Is er nog geen groot onderscheid in lectuur – wat betreft de eerste en tweede klas – in de derde begint de puber andere eisen te stellen. Er is iets in hem ontwaakt, geestelijk en lichamelijk, waardoor de discipel zich niet meer tevreden stelt met Indianenboeken. Daar maakt alleen de ex-cowboy, de overleden auteur Kees Meekel een gunstige uitzondering op.
Er is niet enkel een interesse voor de ontmoeting van de sexen in het alledaagse leven, maar ook onder de lamp van de litterator.
Het is zonder meer duidelijk, dat hier leiding en advies nodig is. Ik verwijs daarbij altijd allereerst naar vader en moeder. Zijn dezen door omstandigheden niet in staat noch in de gelegenheid raadgevingen te verstrekken, aangaande de moraliteit van het onderwerpelijke boek, dan komt de geestelijke leidsman, biechtvader of prefect aan de beurt. In derde instantie treden het Lectuur Repertorium en I.D.I.L. (Informatiedienst inzake lectuur) en tenslotte de ondergetekende naar voren.
In een klas zitten vogels van diverse pluimage. Wat de vijftienjarige in zo’n derde klas nog zwaar op de maag zou liggen, kan voor z’n zeventienjarige klasgenoot verteerbaar zijn. Dat is ’n kwestie van meerdere of mindere rijpheid.
In een vierde klas, en, nog sterker in een examenklas, is de ontwikkeling aesthetisch en moraliter zo gevorderd, dat velen met onderscheidend vermogen de waarde weten te taxeren. Dat is een groeiproces, bij de een sneller verlopend als bij ’n ander. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. (Zoveel worsten zoveel pinnen, voeg ik daar badinerend aan toe).

Wat I.D.I.L. met het romeinse cijfer IV aangeeft kan de doorsnee-dochter of zoon zonder brokken of schokken lezen. Permanent dring ik er bij de jongelui op aan: zelf tot een bescheiden verzameling te geraken. Twee pakjes sigaretten, of twee bioscoopjes staan in geldswaarde gelijk met een exemplaar uit de reeks van het Spectrum, de grote uitgeverij in Utrecht.
Een Katholieke schrijfster als doctor Marie Koenen, wier verhalen op sympathieke wijze ons Limburgse volk – en streek – behandelen, valt bij de meesten in de smaak, ondanks het feit, dat de atmosfeer enkele generaties van de hedendaagse verschilt.
’n Man als pater Jac. Schreurs schildert de mijnstreek en de kompels op uitstekende wijze in zijn Moeder Elisabeth, en de verbeten strijd tegen de industrialisatie in zijn Kroniek ener Parochie 2.
Godfried Bomans is in trek, zolang de lezer niet te veel achter mekaar van deze humorist tot zich neemt. Erik blijft trekken, evenals Pieter Bas, dat „lolliger” is.
Alhoewel niet geheel van langdradigheid vrij te pleiten, vindt ir. Edmond Nicolas als goedlachse Limburger een warm onthaal door „De Heer van Jericho”.
Vol lof zijn de jongens over „Bartje” van de ex-Drentse onderwijzer Anne de Vries, alsook over zijn „Hilde”, „Bartje zoekt het Geluk” en „Wij leven maar eens”. Ze voelen, dat hier een oprecht gelovig Christen het leven schildert, zoals hun dit door direct observeren bekend is.
Het feit, dat ik persoonlijk bevriend ben met schrijvers als o.m. Stijn Streuvels en Ernest Claes, beinvloed tot op zekere hoogte de keuze uit hun oeuvre. Nog altijd gaat de voorliefde van de jongelui uit naar „De Vlaschaard” (conflict --vader-en-zoon animeertè. „Het Kerstkind” en de eeuwige bengel „De Witte” (waarvan hun de tragiek: gebrek aan liefde in het gezin, niet ontgaat.
Voor ’n enkele is de figuur van Leontientje soms te zoet, maar het gros leest De Pastoor van den bloeyende Wyngaerdt gretig. Andere werken van Felix Timmermans zijn niet zo „en voque”.
„De Felle Novene” van Mathias Kemp vindt men wel belangwekkend, doch niet zo attractief als b.v. „Kinderen van ons Volk”, „De Schone Voleinding” van Antoon Coolen, die dichter bij ons staan.
Van Anton van Duinkerken apprecieert men „De Ravenzwarte” om zijn zielkundige ontleding.
Merkwaardig is de geestdrift, die vrij onverhoeds werd wakker geslagen door de plastische uitbeelding, tijdens een culturele middag, van schetsen uit de „Camera Obscura”. Velen hebben spontaan de vijfkwartjesuitgave aangeschaft.
Modicus ben ik tegen de strips. In de lagere klassen circuleren deze nog wel eens. Liefst zou ik ze stante pede in de kachel gooien, maar onze school heeft centrale verwarming.
’n Zeldzame keer is iemand komen aanzeilen met een boek dat II achter z’n titel had in bovenvermeld Lectuur-Repertorium. In zo’n geval schakel ik de prefect in, die dan een woord van hart tot hart met z’n delinquent spreekt.
De hogereklassers wisten, dat ik I.D.I.L-recensent ben en in die hoedanigheid een schriftelijke vergunning van mijn bisschop nodig heb.
Net zo min als een moeder haar kinders met Gilette-mesjes laat spelen, evenmin duldt onze Moeder de Heilige Kerk, dat haar kinderen in conflict komen met de „Index, Codex en Natuurwet” 3.
In dit verband heb ik eens de belachelijke mening van een persoon aan de kaak gesteld, die poneerde: „Ik ben getrouwd en mag dus álles lezen!”
~o~
Tenslotte kan ik ouders en opvoeders niet genoeg aanbevelen „Lectuur voor Kind en Jeugd” zo juist in het licht gegeven door Frater Martino Fritschy als nr. 169 in de Opvoedkundige Brochurenreeks (R.K. Jongensweeshuis, Tilburg) waarin zij een schat van gegevens o.m. over de geschiedenis, het wezen en de verspreiding van goede lectuur voor onze jongsten en jongeren, zullen aantreffen.


(1) De Kerk en het Boek door dr. Auxentius o.f.m. cap. en drs. Servatius, o.f.m. cap, met een inleiding van Mr. J. Rietmeyer, s.j. (Tilburg 1953).


[1]In: De Geulbode. R.K. Weekblad, 14 januari 1955.
[2]Kroniek eener parochie” werd in 1977 en 1978 onder de titel „Dagboek van een herdershond” door Willy van Hemert bewerkt tot een schitterende televisieserie.
[3]De „Index librorum prohibitorum” (Lijst van verboden boeken) of kortweg de Index was van 1559 tot 1966 een door de paus vastgestelde lijst van boeken die katholieken niet mochten lezen omdat ze door de Rooms-Katholieke Kerk verwerpelijk werden geacht. De laatst uitgegeven lijst uit 1948 omvatte ongeveer 4000 titels die geacht werden ofwel ketterij te bevatten, ofwel moreel verwerpelijk, ofwel te expliciet seksueel te zijn.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website