WINNETOU’S DOOD

Heeft U dit indertijd ook gelezen?

anoniem 1


„VOORWAARTS Winnetou!” riep ik. „Alles is anders verloren!” De mannen die boven het touw vasthielden, bemerkten wat er gebeurde en lieten het touw nog sneller naar beneden glijden. Een halve minuut later hadden wij den bodem bereikt, maar tegelijkertijd knalden eenige schoten. Winnetou viel neer.
Ik bleef van schrik roerloos staan.
„Winnetou, mijn vriend,” riep ik, „heeft een kogel u getroffen? „Winnetou zal sterven”, antwoordde hij.
„Winnetou sterft!” riep ik Walker toe, „slaat die kerels neer!” Ik gaf mij geen tijd mes of revolver te grijpen. Met opgeheven vuist stortte ik mij op de vijf Indianen, die uit de spleet te voorschijn kwamen. De voorste van hen was het opperhoofd.
„Ko-itse, vaar naar den duivel!” riep ik woest.
Een vuistslag trof hem aan den slaap en als een blok viel hij neer. De naast hem staande wilde had reeds den tomahawk naar mij opgeheven, maar bij het schijnsel der vlammen zag hij mijn gezicht en van schrik liet hij de bijl zinken.
„Ka-ut-skamasti – Old Shatterhand!” riep hij luid.
„Ja, hier is Old Shatterhand – schurk!” riep ik terwijl ik hem neervelde. Ik was buiten mezelf van woede.
„Ka-ut-skamasti!!” riepen de Indianen aarzelend.
„Old Shatterhand!” riep ook Walker. „Zijt gij dat, Charles? O, nu begrijp ik alles! Nu hebben wij gewonnen.”
Ik kreeg een messteek in den schouder, maar voelde het niet. Twee der wilden vielen door de schoten van Fred, den derde sloeg ik neer. Intusschen waren verscheidenen van onze kameraden neergedaald, ik kon den verderen strijd aan hen overlaten, en snelde nu naar Winnetou.
Terwijl ik bij hem neerknielde, vroeg ik: „Waar is mijn broeder getroffen geworden?”
„Ntsage tche – hier in de borst” antwoordde hij zacht, de linkerhand op de rechterzijde van de borst leggend waaruit het bloed stroomde.
Ik sneed met mijn mes de santilho-deken, die hij om het lijf droeg, stuk. Ja, de kogel was hem in de rechterlong gedrongen, ik had groote moeite mij voor hem goed te houden.
„Er is nog hoop, mijn broeder,” troostte ik hem.
„Mijn vriend legge mijn hoofd op zijn knie, opdat ik den strijd kan volgen,” verzocht hij.
IK voldeed aan zijn wensch en nu kon hij zien, hoe iedere Indiaan die de spleet wilde verlaten, door de onzen werd neergeschoten. Nu werden de gevangenen van hun banden bevrijd en onder luide uitroepen van dankbaarheid en vreugde kwamen zij naar ons toe. Ik lette niet op hen, ik zag alleen den stervenden vriend, wiens wonde ophield te bloeden. Ik vreesde, dat hij heenging aan een inwendige bloeding.

NATUURLIJK hebt u, ’t zij man, ’t zij vrouw, vroeger Karl May gelezen: dikke pillen vol dialogen, waarin eigenlijk weinig werd gezegd en waarin Old-Shatterhand voortdurend en overvloedig zijn „Deutschtum” beleed, maar dat viel je als kind niet op. De kleine Adolf toen hij een gróte Adolf was geworden, wél: Karl May behoorde tot Hitlers (beperkte) leesstof.
Maar die Karl May, alhoewel hij Duitsland vrijwel nooit had verlaten en stellig nooit Amerika en de prairies had gezien, ja, zelfs jaren had doorgebracht in Duitse gevange-nissen, wist toch een avontuurlijke wind te laten waaien over de wildernissen en de woestijnen (Kara-Ben-Nemsi, de Held van het Avondland). Zijn Winnetou was ’n ethische Indiaan. Toegegeven, helemaal niet zo een van de martelpaal en rats, die scalp er af en klets, een oorvijg voor zijn squaw, een Indiaan van de Morele Herbewapening – maar toch geen gek ideaal-ik voor jongens, die in onze jeugd dan ook bij voorkeur de rol van Winnetou voor zich opeisten, indien er Indiaantje werd gespeeld.
Hebt u óók geweend indertijd toen die Winnetou stierf in „Winnetou’s Dood”? Dat gebeurde op de pagina’s 305-308, in de vierde druk, naar het 60ste duizental der Duitse uitgave (bij H. J. W. Becht
1, Amsterdam).

„Heeft mijn broeder nog een wensch” vroeg ik hem.
Hij had de oogen gesloten en antwoordde niet, ik hield zijn hoofd in mijn armen en bleef roerloos zitten.
De oude Hillmann en zijn medesettlers grepen naar de om hen heen liggende wapens en drongen in de spleet. Ook hierop lette ik niet, want mijn blik hing aan de gebronsde gelaatstrekken en de gesloten oogleden van den Apache.
„Zij zijn allen uitgedoofd!” meldde mij Walker.
„Ook deze geest zal uitdoven antwoordde iIk „wat beteekenen al die anderen tegen dezen eene”
Nog steeds lag Winnetou onbeweeglijk maar eindelijk sloeg hij nog even de oogen op.
„Heeft mijn lieve broeder nog een wensch?” herhaalde ik.
Hij knikte en zeide zacht:
„Mijn broeder Shar-lih voere de mannen naar de Gros-Ventre-bergen Aan de Metsur-rivier liggen steenen, zooais zij zoeken Zij hebben het verdiend!”
„Nog iets anders, Winnetou?”
„Mijn broeder vergete den Apache niet! Hij bidde voor hem tot den grooten goeden Manitou! Kunnen deze gevangenen met hun gewonde ledematen nog klimmen?”
„Ja,” antwoordde ik, hoewel ik zag, dat de handen en voeten der settlers door de knellende banden waren opgezwollen.
„Winnetou verzoekt hun het lied van de koningin des hemels voor hem te zingen.”
De settlers hoorden deze woorden. Zonder eerst mijn verzoek af te wachten, wenkte de oude Hillmann en zwijgend klommen de mannen op een voortuitspringende rotspunt boven Winnetou’s hoofd. De stervende volgde hen met de oogen en legde toen zijn hand in de mijne. Toen klonk het zacht:

          Er will das Licht des Tages scheiden
          Nun bricht die stille Nacht herein,
          Ach, könnte doch des Herzens Leiden
          So wie der Tag vergangen sein!
          Ich leg’ mein Flehen dir zu Füszen,
          O trag’s empor zu Gottes Thron.
          Und lasz Madonna, lasz dich grüszen
          Mit des Gebetes frommen Ton
          Ave, ave Maria!


Toen het tweede couplet begon, zag Winnetou met een zachten glimlach omhoog naar de sterren en fluisterde:
„Shar-lih, niet waar, nu komen de woorden van sterven?”
Ik knikte weenend.

          Es will das Licht des Tages scheiden,
          Nun bricht des Todes Nacht herein.
          Die Seele will die Schwingen breiten
          Es musz, es musz gestorben sein.
          Madonna, ach, in deinen Händen
          Leg’ ich mein letztes, heiszes Flehn.
          Erbitte mir ein gläubig Ende,
          Und dann ein selig Auferstehn!
          Ave, ave Maria!


TOEN de laatste toon was weggestorven, wilde hij spreken – het ging niet meer. Ik bracht mijn oor aan zijn mond en met inspanning van al zijn krachten fluisterde hij nog:
„Shar-lih, ik geloof aan den Heiland. Winnetou is een Christen Vaarwel!”
Er ging een krampachtig beven door zijn lichaam, een groote bloedgolf stroomde uit zijn mond; het opperhoofd der Apachen drukte nogmaals mijn handen, toen rekte hij zijn ledematen, zijn vingers lieten de mijne los – hij was dood! Wat zal ik verder nog vertellen? De diepste smart heeft geen woorden!
Wij hadden den dood meermalen onder de oogen gezien; het wilde Westen gebiedt, elk oogenblik voorbereid te zijn op een plotseling einde, maar toen de beste, de trouwste vriend, dien ik ooit had bezeten, nu als lijk voor mij lag, was het mij of mijn hart zou breken en ik bevond mij in een toestand die zich niet laat beschrijven Welk een edel mensch was heengegaan! Wat moest het volk verliezen, welks beste zoon hij geweest was!


[1]In: Het Rotterdamsch Parool 28 oktober 1954.
[2]Herman Johan Wilhelm Becht (* 25 maart 1862 , † 26 februari 1922) was aanvankelijk handelsreiziger voor Van Holkema & Warendorf, maar al in 1892 vestigde hij zijn eigen uitgeverij in Amsterdam. In het logo van de uitgeverij stonden de initialen H.J.W.B. voor de zinsnede „Hebt In Werken Bevrediging”. In 1986 werd de uitgeverij overgenomen door Johannes Hendricus Gottmer (* 1902 , † 1974: Gottmer Uitgevers Groep) in Haarlem; de boeken van Becht verschijnen echter nog steeds onder hun eigen naam.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website