F I L M :

De „western” omgekeerd

v. G. 1


De verdwijnende prairie: de buffalo is nog maar enkel in reservaten in zijn natuurlijke staat te zien.


Elementaire deugd der film op een te weinig betreden gebied

(Van onze filmmedewerker)


ER is waarschijnlijk geen populairder genre film in de wereld dan de „western”, zoals de Amerikanen het noemen. Films met een overbekend milieu en met hoofdfiguren die, hoewel ze volstrekt typisch-Amerikaans zijn, zo volmaakt aansluiten bij de voorstelling die iedereen zich van allerlei legendarische helden heeft gemaakt, dat zij internationaal zijn aanvaard. Romantiek, die gezuiverd is van de verouderde ridderlijkheid uit vorige periodes en die nuchter en zakelijk, materieel en onbarmhartig als haar grondslagen zijn, voor een modern publiek volkomen aanvaardbare en begrijpelijke emoties aanslaat. Maar tegelijkertijd een degelijk stuk realiteit, hoewel niet alle toeschouwers zich dat onmiddellijk realiseren.

DE definitie van het „wilde westen” is gecompliceerd. Het is een atmosfeer die voor een belangrijk deel door historische factoren wordt bepaald: de ontwikkeling van een volk, dat nog geen volk was, de wording van van een staat uit een verzameling zelfzuchtige immigranten, de schepping van een samenleving in leeg land. Maar dat is niet het enige. Het wilde westen zoals Aimard 2, Cooper 3, Karl May en vele anderen het met afwisselende verdienste hebben beschreven en zoals een onafzienbare reeks van films het sinds de oertijd van de filmerij heeft pogen te verwezenlijken, is ook gebonden aan een zeer nauw omschreven aantal geografische factoren. De prairie.

Die prairie heeft er voor gezorgd dat veel van die wilde verhalen niet verstrikt zijn geraakt in valse romantiek. Andere raakten dat toch, maar behielden wanneer het echte wild-west films waren toch iets van de onmiskenbare bekoring, die elke film heeft die geheel in de open lucht wordt opgenomen. Zelfs de gekste verhalen houden iets echts, iets overtulgends wanneer ze in een volkomen reële atmosfeer worden opgenomen. Die zuiver dwaasheden, reduceert onechtheid tot wat ze werkelijk is, verlevendigt de handeling, ook al is ze gewrongen, en laat altijd een concreet element over dat ter bevrediging dient van ’s mensen meest elementaire en meest wezenlijkt verlangen: zien. En niet het zien van abstracties — dat verveelt op den duur — maar het zien van de werkelijkheid. Het zien van de wereld, waarin hij leeft en waarvan hij in z’n dagelijkse leven maar zo’n klein stukje.
Het is geen toeval dat in bibliotheken de afdeling reisbeschrijvingen de meeste lezers trekt. Het is ook niet zomaar een traditie dat in de bioscopen de journaals gehandhaafd worden, ook al is hun actualiteit twijfelachtig als radio en pers alles al verteld hebben. Wij willen zien, ook al is het al oud. Het zien is beslissend. Daarom gebruiken wij tenslotte schriftelijke — visuele — bewijsstukken.
En er zijn nog altijd filmers die dit verlangen niet begrijpen en die hun toeschouwers pogen te boeien met praat-drama’s, die op het toneel thuis horen en niet beantwoorden aan de primaire eis van een film. Een publiek kan veel langer geboeid worden met het product van een camera, die domweg midden op straat ergens in een stad is gezet, dan met een lange dialoog tussen twee artisten. In het eerste geval ziet het een stukje van de werkelijkheid die het zijn hele leven probeert te ervaren en te doorgronden. In het tweede geval een abstractie.

THE VANISHING PRAIRIE

De prairie met zijn wijde landschappen en wisselenle wolkenpatroon, met zijn rotsige begrenzingen, zijn weelde langs de boorden van het water is ongemerkt een van de zeer reële dingen in het populairste filmgenre. Maar ze dringt zich nooit op de voorgrond al bepaalt zij vaak de stemming. Zij is in sommige opzichten bezig een stuk geschiedenis te worden, net zo als de houten nederzettingen en de ongeregelde toestanden die de maatschappelijke begrenzing zijn van het wilde westen. De prairie is aan het verdwijnen. Ze begint te slinken tot natuurreservaten. In Zuid Dakota, Montana, Wyoming, Colorado en Washington zijn stukken grond geneutraliseerd om de laatste ongerepte resten te bewaren van een natuur die eens bijna vereenzelvigd werd met „Amerika” — ten onrechte, maar begrijpelijk.


De prairie heeft een aantal kleine bewoners, die nog nooit voor een film opgetreden zijn. Dit is de „prairie dog” die overigens weinig op een hond lijkt, maar niet minder karakteristiek is.

In deze reservaten zijn nog de dieren te vinden die de pionniersverhalen beschrijven: de buffalo, de grizzly beer, de prairie-honden, de vossen, ratelslangen en prairiewolven. Sommige zijn aan de rand van afsterven. De buffalo bijvoorbeeld en de grijze beer worden in een beperkt aantal angstvallig bewaakt. Ze zijn bijna ook historie geworden en dat heeft het idee doen ontstaan om een film te maken die als een soort cultuur-historisch document deze laatste resten van het prairieleven zou vast leggen.

Die film heet „The vanishing prairie”. Ze werd gemaakt door elf camera-mensen, die ieder voor zich een bepaald soort dier uit kozen om vast te leggen. Ze hebben daar maanden over gedaan. Bisons zijn niet zo gemakkelijk te benaderen en het is nog veel moeilijker om ze in hun natuurlijke staat met een camera te volgen en hun levensverrichtingen en gewoontes vast te leggen. Het zelfde gaat op voor ratelslangen of voor prairiehonden — die helemaal niet op honden lijken — voor dassen, coyotes, en allerlei andere gediertes, groot en klein.

Die elf camera-lieden zijn dus op avontuur uit gegaan. Ze hebben zich laten absorberen door de prairie, ze hebben zich erin gecamoufleerd en hebben er dagen en nachten met geraffineerde filmtoestellen liggen wachten tot de dieren voor hun tele- of microlenzen wilden komen en als dan toevallig het licht goed was hebben zij er opname van gemaakt.
Dit werk kan natuurlijk worden afgedaan met categorisch te constateren dat er dus weer een documentaire film is gemaakt. En documentaire films zijn films die we gaan zien als we er nu juist niet zoveel zin in hebben en eigenlijk liever een oorlog of meisjes met mooie benen hadden, maar die achteraf bezien toch altijd erg meevallen. Maar documentaire films, waarvoor nooit iemand een beter en aantrekkelijker naam heeft weten te vinden, zijn dan toch maar de weerslag van de meest elementaire drift die het filmpubliek beweegt om naar de „bios” te gaan. Een drift die bij de filmers, die in staat zijn om ze te maken, tot een hartstocht is uitgegroeid. De dwingende maar zuivere hartstocht van de waarneming.
Deze documentairisten zijn mensen die met ingehouden adem scherp toezien en luisteren, die heimelijk maar doelbewust doordringen in andere en karakteristieke sferen, zonder ze te verstoren, om ze in hun kenmerkendste uitingen te betrappen en te behouden. Hun werk, dat het meest overeenkomst vertoont met de monografie, is misschien hoogstens toegepaste kunst, niet kunst in die zin dat zij hun objecten gebruiken voor de expressie van eigen gedachten.

Maar in werkelijkheid is hun werk nauwelijks minder scheppend al is het schijnbaar alleen reproductief. Want hun opnames hebben alleen waarde wanneer hun bewuste selectie en toepasselijkheid en hun continuïteit tenslotte een synthese geven van het onderwerp. Het is helemaal niet moeilijk een camera ergens op te richten en een kiekje te maken. Het is wel moeilijk om een beeld of een serie bewegende beelden te leveren die een volledige karakteristiek geven van het onderwerp. Als dat gebeurd is, ervaart de toeschouwer onbewust de spanning die de filmer bevangen heeft toen hij aan het werk was. Eigenlijk ligt dat wel heel erg dicht bij het effect van een romantische film.

Alle nog nooit eerder gepubliceerde, foto’s bij dit artikel zijn verkregen door een bijzonder arrangement met de Walt Disney Productions, die de film „The Vanishing Praire” in 1955 uitbrengen.





  [1]

In: Het Nieuwsblad voor Sumatra, 24 juli 1954.
Wie er schuilgaat achter het initiaal „v. G.” is (mij) niet bekend.

  [2]

Gustave Aimard (pseudoniem van Olivier Aimard, * 13 september 1818, † 20 juni 1883) was een Franse reiziger in Noord- Amerika, Spanje en Turkije en schrijver van avonturenromans. Beroemd zijn zijn »Les Trappeurs de l’Arkansas«, »Le Chercheur de pistes«, »La Fièvre d’Or«, »Les Chasseurs d’Abeilles«, »Le Cœur de pierre«, »L’Araucan«, »Les scalpeurs blancs«, »Par mer et par terre« en, samen met Jules Berlioz d’Auriac (* 9 juli 1820 , † 16 september 1913) geschreven, »Jim, l’Indien«.

  [3]

James Fenimore Cooper (* 15 september 1789, † 14 september 1851) was een Amerikaans schrijver, die vooral bekendheid verwierf met zijn zeeverhalen en historische verhalen, de vijfdelige Leatherstocking Tales: »The Deerslayer. The First War Path«, »The Last of the Mohicans. A Narrative of 1757«, »The Pathfinder. The Inland Sea«, »The Pioneers. The Sources of the Susquehanna; A Descriptive Tale« en »The Prairie. A Tale«, met Natty Bumppo (bijgenaamd »Leatherstocking« en »Hawkeye«) in de hoofdrol; het tweede boek uit deze reeks, »The Last of the Mohicans« wordt door vriend en vijand beschouwd als zijn meesterwerk.







Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website