De Pueblo-Indianen willen niet geëmancipeerd worden

Nieuw-Mexico een betoverend land

Hans Bronkhorst 1



Een der lemen „flatgebouwen” van Taos in de zogenaamde adobe-architectuur


Op uitnodiging van de Amerikaanse regering heeft een onzer medewerkers, Hans Bronkhorst, een reis door de Verenigde Staten gemaakt. Per vliegtuig werd de overtocht naar New York gemaakt. Behalve aan New York, Washington en Norfolk, Virginia, werden bezoeken gebracht aan ver afgelegen steden als Kansas City, Missouri en Santa Fé, Nieuw Mexico. Hiernaast het eerste reisverhaal.

Toen onze twee-motorige Martin Skyliner zou gaan landen op het vliegveld van Santa Fé, de hoofdstad van Nieuw Mexico, kon ik mijn ogen niet geloven. Links en rechts zag ik uit de raampjes van het vliegtuig slechts een eindeloze onbewoonde rood-bruine zandvlakte, met hier en daar wat struiken en grote cactussen. Wat moesten we hier midden in de woestijn gaan beginnen? Waarom had men ons van Kansas City een reis van 1200 km. laten maken, over de staten Missouri, Kansas, Oklahoma en Texas, als we tenslotte in deze wildernis in het Zuidelijk gebied van de Rocky Mountains zouden belanden? Het was een reis van vijf uur geweest, met drie tussenlandingen: we hadden dus een boemelvliegtuig gehad. Iedereen verlangde naar het einde.
Achter de primitieve gebouwtjes op het vliegveld stond dat typisch Amerikaanse voertuig de gele schoolbus gereed, om ons naar de stad te brengen. Het nummerbord droeg een veelbelovend opschrift: „New Mexico — Land Of Enchantment”. Aanvankelijk lazen we deze woorden wat sceptisch, maar drie dagen later, toen we tot onze grote spijt weer verder moesten, was het unanieme oordeel, dat deze staat inderdaad „een betoverend land” genoemd kon worden.


De oudste flatgebouwen ter wereld

Terwijl de bus over de mulle weg trok en we hier en daar merkwaardige lemen huizen zagen, gebouwd in de zogenaamde adobe-techniek werd ons en ander over New Mexico wn Santa Fé verteld. Eerst 42 jaar geleden werd de staat tot de Unie toegelaten en het is dan ook op één na het jongste lid van de V.S. Het gebied, dat aanvankelijk uitsluitend door Indianen bewoond werd, heeft lange tijd tot Mexico behoord.” Nog altijd treft men er drie cultuurvormen aan: een Indiaanse, een Spaans-Mexicaanse en een Anglo-Amerikaanse. Spaans is de tweede officiële taal en New Mexico ademt een typisch Latijns-Amerikaanse sfeer, met Noord-Amerikaanse en Indiaanse inslag. In de hele staat, op drie na de grootste van het land, wonen maar een half millioen mensen, en in de hoofdstad niet meer dan dertig duizend. Die hoofdstad draagt een welluidende naam, maar de oorspronkelijke, waarvan de huidige een afkorting is, was nog veel fraaier: Toen de plaats drie eeuwen geleden gesticht werd, door de gouverneur van Nieuw Spanje, onder het bewind van Karel de Tweede, doopte men de nieuwe nederzetting: La Villa Real de la Santa Fé de San Francisco de Asis.

Een dag zwerven door Santa Fé bracht ons tot de overtuiging dat het niet alleen een mooie maar ook een gezellige stad is — en dat laatste kan van de andere Amerikaanse steden die we bezocht hebben niet gezegd worden. Het levenstempo is er minder jachtig dan in het Noorden, al is ook hier de auto het meest populaire middel van vervoer. Voorts voelt men — zolang men de dollarprijzen niet in guldens omzet — niet zo’n grote kloof tussen de Oude en de Nieuwe Wereld als elders in de V.S., omdat men zoveel mensen ontmoet van wie de wieg in Europa heeft gestaan. Het is een gezond oord, gelegen op een hoogte van meer dan tweeduizend meter en het is er bijna het hele jaar warm. Op schilders en schrijvers oefent Santa Fé grote aantrekkingskracht uit, zo hebben we kunnen constateren en de met grote eruditie en talent verzorgde kunstrubriek in het plaatselijk blad „The New Mexican” geniet wijde belangstelling.


De Plaza, in het hart van de stad, is al sinds honderden jaren het centrum. Een eeuw geleden was dit al het eindpunt van de vermaarde Santa Fé Trail, de weg waarlangs de 19e eeuwse kooplieden uit Missouri hun waren naar het Zuid-Westen brachten. (De zelfde tocht die wij drie duizend meter boven de aarde maakten, met een prachtig uitzicht op de rivier de Arkansas, was voor deze avonturiers in hun huifkarren minder geriefelijk en zelfs gevaarlijk, omdat ze herhaaldelijk door Indianen overvallen werden). Die Plaza is in de loop van de tijd niet veel veranderd en ook het voormalige paleis van de gouverneur — nu een museum — is in de oude staat bewaard gebleven. Onder de galerij voor dit gebouw zitten Indiaanse vrouwen gehurkt achter hun waren: aardewerk, vloerkleedjes, mocassins en halssnoeren.
Men heeft ons ook vol trots de „Christo Rey Church”, een naam die de tweetaligheid illustreert, laten zien. De pastoor, die beter Spaans dan Engels sprak, toonde ons een achttiende eeuwse in steen uitgehouwen polychrome reredos 2 en hij wees ons op de twee meter dikke geel-rose kerkmuren van dit grootste adobe-bouwsel in de V.S. Vervolgens hebben we de uit architectonisch oogpunt veel minder interessante kathedraal bezichtigd. Dit gebouw heeft voor de talloze lezers van Willa Cather’s 3 „Death Comes for the Archbishop” 4 echter een bijzondere betekenis, want de hoofdpersoon van deze wereldberoemde historische roman, Mgr. Lamy 5, heeft tachtig jaar geleden de kathedraal tot stand gebracht. (Hij is in deze kerk begraven, en zijn standbeeld staat op het voorplein).

Langs de Rio Grande

Er zou nog veel meer te vertellen zijn van Santa Fé, maar een andere plaats in New Mexico, Taos, verdient onze heel bijzondere aandacht. Taos ligt ruim honderd kilometer ten Noorden van Santa Fé, en met een bus zijn we er in ongeveer twee uur naar toe gereden. Onderweg passeert men verscheidene pueblos, het Spaanse woord voor stadje, waarmee men hier de Indiaanse nederzettingen aanduidt. Nadat we een half uurtje onderweg geweest waren wees men ons een plaatsje aan dat aan de linkerzijde van de weg op enige kilometers afstand ontwaard kon worden. Het was Los Alamos, het atoomcentrum, waar Dr. Oppenheimer 6 indertijd de eerste atoomproeven leidde; ook nu wordt er nog steeds geëxperimenteerd en men laat er geen bezoekers toe. Eveneens in Westelijke richting doemde even later het Jemez-gebergte op, terwijl aan de Oostzijde de vierduizend meter hoge Truchas Piek boven de Sangre de Cristo Mountains te bewonderen viel. Vervolgens voerde onze route door het dal van de machtige Rio Grande. Diep in het ravijn stroomde de rivier met razende snelheid voort op haar lange weg, langs de grens van Texas, naar de Golf van Mexico. Eindelijk arriveerden we in Taos. De pueblo die we hier gingen zien is een van de vermaardste van de hele V.S. Het is een architectonisch unicum: Plotseling ziet men tegen de achtergrond van Mount Wheeler twee geweldige gele adobe gebouwen, gescheiden door een kreek. Het zün „de oudste flatgebouwen ter wereld”. De collectieve woningen, die bijna duizend jaar oud zijn, hebben vier étages. Oorspronkelük waren er geen deuren of ramen in, maar waren zij slechts toegankelijk door openingen in het dak. Nu is dat anders, maar nog altijd is het aantal vensters gering. Via ladders worden de bovenverdiepingen bereikt.

De Pueblo Indianen van Taos zijn niet erg op bezoekers gesteld, maar wij bevonden ons in een gelukkige uitzonderingspositie, en we werden zelfs als hooggeëerde gasten ontvangen. Dat hadden we te danken aan de bemiddeling van onze gids op deze tocht, de heer Charles E. Minton, secretaris van de „New Mexico Association on Indian Affairs”, een vereniging die zich beijvert voor de lotsverbetering der Indianen. De Indiaanse gouverneur van de pueblo — die geen Engels sprak, maar zich via de luitenant-gouverneur tot ons wendde — heette ons gezelschap welkom en stond ons onmiddellijk toe foto's te maken, hetgeen een nazonder voorrecht is. (In dit verband vertelde onze gids dat onlangs een groep Duitse bezoekers zonder voorafgaand verlof foto’s hadden gemaakt, waarop de Indianen hen de camera’s hadden afgenomen om er de films uit te halen, die ze vervolgens vernietigden). De „war leader”, die zich inmiddels ook vertoond had, kondigde toen aan dat er enige krijgsdansen voor ons zouden worden uitgevoerd. Het drietal notabelen dat ons begroette was gehuld in fel gekleurde dekens die zij op vernuftige wijze omsloegen. De bejaarde gouverneur met zijn rimpelige, getaande donkerbruine gelaat, waarvan de uitdrukking voor ons ondoorgrondelijk was, verborg zijn hoofd in een groen-wit gestreepte doek. Hij droeg effen gele mocassins. De klanken die hij uitte waren natuurlijk voor ons volkomen onbegrijpelijk, en later heeft men ons bovendien verteld dat in Taos een Indiaanse taal gesproken wordt die nooit op schrift gesteld is en die uitzonderlijk moeilijk moet zijn.


Geen verandering in status

Inmiddels waren er enige jongemannen in oorlogstenue ten tonele verschenen: zij droegen een hoofdtooi van kleurig veren, voorts groene, gele en blauwe jasjes en rond hun benen leren banden met koperen belletjes. Begeleid door het rhythmisch geroffel op een tom tom, het rinkelen van hun eigen beenbekleding, zingend en kreten uitstotend, voerden zij, met grote overgave en hartstocht, hun dans uit. Ook enkele knapen deden er aan mee. Maar het belangrijkste evenement van deze dag was de bewogen toespraak — in gebroken Engels — van de luitenant-gouverneur zelf, die een vurig beroep op ons deed de noden van de Amerikaanse Indianen wereldkundig te maken, opdat men „in Washington” meer begrip zou gaan tonen voor de situatie. Deze Indianen wantrouwen de hangende nieuwe wetsbepalingen, die ogenschijnlijk hun emancipatie beogen, maar die in feite hun ondergang kunnen bewerken. De recente ongunstige ontwikkeling is vorig jaar begonnen met de in werking treding van Openbare Wet 280, die de aloude directe relatie tussen de Indianen en de federale regering in gevaar bracht. Sindsdien zijn er een reeks nieuwe wetsontwerpen ontstaan, die de Indiaanse leiders terecht tot ongerustheid stemmen. Vooral de Pueblo Indianen van Taos willen geen verandering in de huidige status. Er is sprake van nieuwe bepalingen die Indianen het recht zou geven hun aandeel op te eisen van het gemeenschappelijk grondbezit van de pueblo. Vele nieuwe grondbezitters zouden dan ongetwijfeld hun land verkopen aan „Amerikanen”, zodat de Indiaanse gemeenschap dan spoedig uiteen zou vallen. Idealistische Amerikanen, als onze begeleider de jurist Minton, stellen alles in het werk om de Indianen te beschermen tegen de activiteiten van gewetenloze zakenlieden en politici. Er moet nog heel wat gebeuren. Als in de pueblo Taos een Indiaan ernstig ziek wordt moet men hem helemaal naar een ziekenhuis in Santa Fé vervoeren; in een dichterbij gelegen ziekenhuis kan hij zonder betaling niet terecht. Anderzijds is er ook het een en ander bereikt: In verscheidene steden bestaan goede scholen voor Indiaanse kinderen; in Santa Fé is bijvoorbeeld een middelbare kostschool waar Indiaanse kunstnijverheid onderwezen wordt.

In Taos heeft men ons de woningen ook van binnen laten zien. Men vindt er geen electrisch licht en geen waterleiding. Kortom het interieur is hoogst primitief. De mensen leven er o.m. van rijst, schapenvlees en pruimen. Zij bedreven landbouw en veeteelt, maar men vindt in Taos ook talrijke talentvolle pottenbakkers, die vaatwerk vervaardigen voorzien van aloude Indiaanse motieven. De bevolking is overwegend katholiek.


De oudste rechten

In Europa denken de meeste mensen bij het woord Indianen aan de boeken van Karl May of Aimard 7. De belangstelling voor dit onderwerp is geëindigd toen de kinderjaren voorbij waren. Maar dat er In de V.S. nog altijd 400.000 Indianen leven — meer dan toen het land nog geheel aan de Indianen toebehoorde — zal voor velen een verrassing zün. De ontwikkeling van die Indianen is een moeizaam proces, dat met de uiterste behoedzaamheid gestimuleerd moet worden. De opneming van deie mensen in de moderne Amerikaanse samenleving kan slechts heel geleidelijk aan geschieden. (In de Tweede Wereldoorlog hebben Indiaanse jongens voor het eerst gediend). Het Indiaanse probleem is wel niet een van de voornaamste binnenlandse kwesties, waarmee men in Amerika worstelt, maar het is toch een zaak die grote aandacht verdient. Tenslotte hebben de Indianen, als de oorspronkelijke bewoners van het land, de oudste rechten.


Indianen van de pueblo Taos in Nieuw-Mexico, gereed voor de krijgsdans.








  [1]

In: Amigoe di Curaçao : weekblad voor de Curaçaosche eilanden, 23 juni 1954.
Hetzelfde artikel was ook al op 12 juni 1954 verschenen in de Nieuwe Haarlemsche Courant.
Johannes („Hans”) Theodorus Bronkhorst (* 28 mei 1922, † 23 december 2007) was een Nederlands redacteur, journalist, schrijver en vertaler. Vanaf 1948 was hij chef redactie buitenland bij het dagblad De Tijd; toen dit in 1974 ophield te bestaan als dagblad, ging het verder als weekblad; Bronkhorst zou nog tien jaar in dienst blijven van dit weekblad. Zijn artikelen verschenen vaak in licentie bij andere dag- en weekbladen, zoals hier in Amigoe di Curaçao. Daarnaast schreef hij boeken als »Vincent van Gogh«, »Vincent van Gogh: zijn leven, zijn werk«, »Frankrijks Vijfde Republiek«, »Koningin Victoria« en »Lloyd George«.

  [2]

Een reredos is een groot altaarstuk, een scherm of een decoratie die in een kerk achter het altaar geplaatst wordt. Een reredos bevat vaak religieuze afbeeldingen.

  [3]

Willa Sibert Cather (* 7 december 1873, † 24 april 1947) was een Amerikaanse schrijfster. Ze beschreef onder meer de Great Plains in verschillende van haar romans, zoals »O Pioneers!«, »The Song of the Lark« en »My Ántonia«, de zogeheten „Prairie-Trilogy”. Andere bekende romans van haar zijn »Alexander’s Bridge«, »A Lost Lady«, »The Professor’s House«, »My Mortal Enemy«, »Death Comes for the Archbishop«, »Shadows on the Rock«, »Lucy Gayheart« en »Sapphira and the Slave Girl«.

  [4]

De roman »Death Comes for the Archbishop« van de Amerikaanse auteur Willa Cather werd gepubliceerd in 1927. Het volgt het leven van de katholieke bisschop Jean Marie Latour en zijn vriend Joseph Vaillant, terwijl ze een diocees in het negentiende-eeuwse New Mexico vestigen en omgaan met historische gebeurtenissen, complexe relaties en spirituele ontwikkelingen. De roman is gebaseerd op het leven van Jean-Baptiste Lamy (* 11 oktober 1814, † 13 februari 1888), de eerste katholieke bisschop van Santa Fe, en vertelt gedeeltelijk over de bouw van de Basiliek van St. Franciscus van Assisi in Santa Fe. Het verhaal wordt aangedreven door de gevolgen van de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog, die leidt tot de verovering van het Zuidwesten door de Verenigde Staten.

  [5]

Jean-Baptiste Lamy (in de Verenigde Staten ook bekend als John Baptist Lamy; * 11 oktober 1814, † 13 februari 1888) was een Frans missionaris in de Verenigde Staten. Hij was de eerste bisschop en aartsbisschop van Santa Fe in New Mexico; hij bouwde de Basiliek van St. Franciscus van Assisi in Santa Fe, terwijl om hem heen de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog woedde. Hij is níét de hoofdpersoon van »Death Comes for the Archbishop«, maar toch ook weer wel, tenminste een beetje: de figuur van Jean Marie Latour, de hoofdpersoon van de roman, is losjes gebaseerd op Jean-Baptiste Lamy.

  [6]

Julius Robert Oppenheimer Ph.D. (* 22 april 1904, † 18 februari 1967) was een Joods-Amerikaanse natuurkundige, die vooral vooral bekendheid verwierf als wetenschappelijk directeur van het Manhattanproject, het project waarin tijdens de Tweede Wereldoorlog de eerste kernwapens werden ontwikkeld. Hij wordt daarom ook wel de „vader van de atoombom” genoemd.

  [7]

Gustave Aimard (pseudoniem van Olivier Aimard; * 13 september 1818, † 20 juni 1883) was een Franse reiziger in Noord- Amerika, Spanje en Turkije en schrijver van avonturenromans. Beroemd zijn zijn »Les Trappeurs de l’Arkansas«, »Le Chercheur de pistes«, »La Fièvre d’Or«, »Les Chasseurs d’Abeilles«, »Le Cœur de pierre«, »L’Araucan«, »Les scalpeurs blancs«, »Par mer et par terre« en, samen met Jules Berlioz d’Auriac (* 9 juli 1820 , † 16 september 1913) geschreven, »Jim, l’Indien«.







Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website