Wat bleef er over van Winnetou’s volk?

Na eeuwen van neergang, begint het thans voor de Indianen in de V. S weer te dagen

(anoniem) 1



We hebben ze allemaal gelezen, nee, verslonden, de boeken van Aimard 2, Cooper 3, Karl May en anderen over de Indianen. Speelden we als jongens niet het spel van roodhuiden en bleekgezichten, noemden we een vrouw niet een „squaw” en een huis niet een „wigwam”, rookten we in ons hol niet plechtig de vredespijp en dreigden we soms niet onze schoolvijanden te zullen scalperen? Zoals de boeken van Penning 4 ons een grote sympathie voor de Boeren bezorgd hebben, zo werd Winnetou voor ons de ideale gestalte, de edele mens en de rechtvaardige strijder. En zijn volk was dapperder, strijdvaardiger, avontuurlijker dan ieder ander volk ......

Helaas, deze romantische jongenswereld gaat voorbij. Later hoorden we, dat de Indianen door vuurwater, geweren en de ziekten der blanken waren aangetast en dat zij voor het merendeel uit achterlijke, domme en luie mensen bestonden. De Amerikanen hadden hen, precies als de bisons, naar de verste uithoeken van hun land verjaagd en in geïsoleerde gebieden wachtte hun alleen maar het lot van uitsterven. Winnetou was een droombeeld geweest, een fantasie-figuur, maar de werkelijkheid was anders.
Is dat waar? Sterven de Indianen uit, vormen zij een ziek volk, zijn zij cultuurloos, worden zij door de Amerikanen nog steeds achteruitgezet? Het zijn allemaal vragen, waar ten onzent maar betrekkelijk weinig en dan nog vaak onjuist over geschreven wordt. Op deze pagina wordt een poging gedaan de feiten recht te zetten en enkele belangrijke aspecten van het huidige leven der Indianen nader te belichten. Verschillende gesprekken met vooraanstaande Indianen leverden daartoe de stof, maar niet minder ook de gulle, brede en zeer sympathieke informatie die ons door ’t „Bureau of Indian Affairs'” verschaft werd, een instelling, waarmede de Amerikaanse regering eer kan inleggen.

Hoe staat het er thans voor?

Men schat, dat er in het gebied van de Verenigde Staten een klein millioen Indianen gewoond hebben toen Columbus 5 kwam. Sedert is dat cijfer al maar ingekrompen en de geschiedenis van dat verval is er een van wreedheid en felle tragiek. De 19e eeuw leek aan de Indianen — waarschijnlijk duizenden jaren geleden uit Azië over de Beringstraat en Alaska in Amerika binnengekomen en dus werkelijk de eerste rechthebbenden — de genadeslag te zullen geven. De ontmoeting met de bleekgezichten bleek welhaast dodelijk te zijn. Gelukkig is dat proces thans gestuit en neemt het getal der Indianen de laatste laren vrij aanzienlijk toe. Maar de grote variëteit der stammen is niet onaangetast gebleven en het is te verwachten, dat enkele kleinere stammen nog deze eeuw zullen verdwijnen.

De taalkwestie speelt daarbij ook een rol. Men heeft al meer dan honderd verschillende Indianentalen geteld en deze in vijftig taalfamilies ondergebracht. Sommige van deze talen zijn ingewikkeld en bezitten een grote woordenschat; de meeste zijn voor leden van andere stammen onverstaanbaar. Kans om schrijf- en cultuurtaal te worden heeft alleen de taal van de grootste stam, de Navajo’s 65.000 mensen, met ongeveer 24.000 kinderen tussen zes en achttien jaar daarbij inbegrepen. Duizenden van deze Navajo’s kunnen niet of slechts heel moeilijk Engels spreken Het is de onderwijzers gebleken, dat het leren van Engels ontzaglijk vergemakkelijk wordt, wanneer de Navajo’s eerst hun eigen taal leren lezen. Dus is de Indian Service dadelijk aan het werk getogen; zij heeft op bewonderenswaardige wijze leerboekjes laten samenstellen. Ook verschijnt er op rijkskosten een maandblad, dat half om half in het Navajo en het Engels geschreven is.
Mens- en volkenkundig zijn alle raadsels omtrent de Indianen nog niet opgelost. Kannibalen waren zij slechts bij uitzondering. Hun tekentaal maakte het onderling verkeer der stammen mogelijk. De huidskleur is donker, met alle nuances tussen koper en olijf. Hun sluike, zwarte haar roept herinneringen aan Eskimo’s en Samojeden op. De baardgroei is bij de mannen nauwelijks ontwikkeld. Volgens officiële gegevens is 60 procent van de tegenwoordige Indianen volbloed, volgens enkele Indianen zelf is dat cijfer nauwelijks 40 procent. Huwelijk tussen leden van verschillende stammen komen veel meer voor dan vroeger. Het scalperen van Karl May; het staat in verband met de magische eigenschappen die in de hoofdkruin zouden zetelen. De middelen van bestaan waren heel verschillend en de paarden kwamen eerst laat in gebruik. Sterke dranken waren vrijwel onbekend voordat de blanken kwamen. De medicijnman had in de stam een zeer belangrijke positie; zijn medische functie had steeds een religieuze achtergrond. De intelligentie der Indianen is anders gericht dan die der blanken, maar staat niet op lager peil.

Is er sprake van rasdiscriminatie?

Sinds 1924 zijn alle in de V.S. geboren Indianen als staatsburgers ingeschreven Dit houdt niet in, dat de Indianen ook overal mogen stemmen, al zijn er de laatste jaren heel wat barrières opgeruimd. In sommige zuidelijke staten worden de Indianen praktisch tot de „coloured people” gerekend, hetgeen betekent, dat hun het stemrecht in de prakijk wordt onthouden.
Geen Indiaan is aan zijn reservaat gebonden. Dat toch twee derde deel van de Indianen in de reservations woont, heeft zijn economische redenen: grondbezit, privileges zoals belastingvrijdom, opvoedingsmogelijkheden, dit alles is daar gemakkelijker te verkrijgen dan er buiten. In veel gevallen is de grond ook eigendom van de stam. De Verenigde Staten hebben veel verplichtingen op zich genomen, zulks als uitvloeisel van de verdragen, die ’t einde van verschillende oorlogen met de Indianen vaak vormden. Aangezien in sommige staten Indianen niet met niet-Indianen mogen trouwen en ook lang niet in alle restaurants en winkels „gewenst” zijn en hun kinderen daar ook niet op alle „public schools” worden toegelaten, zullen zij vaak liever in eigen milieu blijven. Soms is dit ook financieel voordeliger. Toen er in het Osage-reservation olie gevonden werd, heeft de regering heel wat schadevergoedingen wegens de exploitatie van de bronnen moeten betalen. De stam der Osagen kreeg in de verlopen halve eeuw zowat driehonderd millioen dollar daarvoor uitbetaald. De gezondheidstoestand heeft heel lang te wensen overgelaten. Vooral de t.b.c. maakt vele slachtoffers, maar in de laatste jaren heeft de Indian Service met het röntgenologisch onderzoek flink aangepakt. Een oogziekte als trachoma is ook vrij algemeen en de zuigelingen- en kindersterfte ligt nog altijd veel te hoog.

Er wordt veel gedaan

De schuld uit het verleden schuld — waarin de Nederlanders ook hun aandeel hebben — wordt door de Amerikaanse regering royaal afbetaald. Duizenden mensen zijn met de economische, opvoedkundige en medische zorg voor de Indianen belast. Meer dan 22 millioen ha grond is voor hen gereserveerd. Per jaar wordt er door het Congres ongeveer 50 millioen dollar voor de Indian Service gevoteerd. Een voortdurende bedeling staat daarbij niet op het programma: men wil de Indianen tot volledige onafhankelijkheid brengen.
Wat wij er van gezien hebben, geeft ons de overtuiging dat er in de laatste 75 jaar een geweldige keer ten goede inzake de behandeling der Indianen in de V.S. is opgetreden. Men moge zijn kritiek hebben, men moge sommige methoden anders wensen, het staat wel vast dat de Amerikanen dit probleem op een humane en democratische wijze willen oplossen.






Een nomadenvolk gaat naar school


De tijd, dat de Indianen voor het grootste deel analphabeet waren, behoort langzamerhand tot het verleden, althans wat de jongere generatie betreft. Op nog geen half millioen Indianen gaan er thans in de Verenigde Staten zo’n honderdduizend kinderen tussen zes en achttien jaar naar school. De Amerikaanse regering heeft een breed schoolstelsel voor deze kinderen opgezet, en men kan zeggen, dat voor hen praktisch alle mogelijkheden tot vakopleiding openstaan. Onder Indianen-kinderen worden dan verstaan zij, die ten minste voor een kwart Indiaans bloed in hun aderen hebben. Deze bloedmenging is trouwens zeer uiteenlopend; terwijl vrijwel alle kinderen van de scholen in het Zuidwesten volbloed zijn, telt men dezulken op de scholen in het gebied van de grote meren maar dertig procent. Het proces van „acculturatie” blijkt dus in het Noordoosten snel voort te schrijden.

Bestonden er vroeger vrijwel alleen scholen van zending en missie, thans maken deze maar tien procent van het totaal uit. Ruim een derde deel bestaat uit federale scholen en meer dan de helft zijn „public schools”, die dus door plaatselijke en regionale instanties beheerd worden. Uiteraard hebben heel wat scholen ook een internaat, vooral wanneer ze niet in de reservations liggen.
Ergens midden in de States ligt Fort Sill, vroeger een wachtpost tegen de Indianen, nu een artillerie-centrum, waar o.a. het atoomkanon zijn monstruoze kracht tentoonspreidt. De militairen zijn hier van ouds baas geweest, maar het waren de Quakers, de meest vredelievende mensen ter wereld die er omstreeks 1872 met een Indianenschool begonnen zijn.
Een keurig nieuw schoolgebouw, ’n grote gymnastiekzaal die tevens een prachtige aula is, rondom een groot veld een krans van aardige huisjes waarin de leerlingen met hun „huismoeder” zijn ondergebracht, dat alles is beschikbaar voor ongeveer 250 Indianenkinderen in de leeftijd van zes tot achttien. Het onderwijzend personeel telde dertien mensen; het „opperhoofd” was blank, maar er waren ook Indiaanse leerkrachten, mister Beaver bijv., die met trots vertelde dat hij tot de Dutch Reformed Church behoorde en die ons heel wat over z’n volk wist mee te delen. Rekent men al het huispersoneel er ook bij, dan blijken deze 250 jongeren door 44 ouderen onderwezen en verzorgd te worden. Voor Nederlanders, die aan zulke grote klassen gewoon zijn, om te watertanden!
Het leerplan van de school is uitgebreid en is vooral gericht op landbouwonderwijs voor de jongens en huishoudonderwijs voor de meisjes. Alles heel erg praktisch en aan het materiaal ontbrak vrijwel niets. De kinderen van de laagste klas, die ons een liedje moesten toezingen, waren kostelijk verlegen, de meisjes uit de hoogste naaiklas niet zonder afwijzende trots. Uit gesprekken bleek, dat de leerlingen het hier, hoe ver ze dan ook van huis waren, goed naar hun zin hadden. Er werd op de typische Amerikaanse manier heel wat aan persoonlijkheidsvorming gedaan en het club- en sportwezen werd natuurlijk druk gecultiveerd. Moeilijker was het iets te weten te komen over het godsdienstonderwijs en over de verzorging van de moedertaal. De grote verscheidenheid van en verschillen tussen de Indiaanse dialecten blijkt het laatste tegen te houden.
De eerste indruk is, dat zulk een kolonie wel erg duur moet zijn. Buiten de schoolgebouwen en de zes allergezelligste woonhuisjes voor de leerlingen zijn er nog slaapzalen, pakhuizen, schuren, een wasserij, een watertoren en natuurlijk woningen voor het personeel. Juist doordat de leerlingen niet in één groot kostschoolgebouw, maar in een echt huiselijke omgeving zijn ondergebracht, leren ze de sfeer en de discipline van ’t familieleven waarderen. Bovendien moeten ze allemaal mee voor de kost zorgen. De school probeert zoveel mogelijk „selfsupporting” te worden. De meisjes koken, wassen, naaien en houden de huizen schoon, de jongens doen het boerenwerk. Bij de school behoort maar eventjes 1200 ha land en meer dan het derde deel daarvan wordt voor de veestapel van 175 mest- en 48 melkkoeien, gebruikt, terwijl er ook nog 75 varkens worden gehouden. Het Kiowa Indian Hospita!, dat niet zo heel ver van de school af ligt, krijgt al zijn melk van de school.
De Zaterdag is voor een deel aan amusement gewijd. De ene week is er dan een film in de gymnastiekzaal, de volgende week worden de Indiaanse dansen beoefend. Er is ook een „Indian Club” aan de school, uit ongeveer 40 leden bestaande, die de erfenis der Indiaanse vaderen wil bestuderen en bewaren. Misschien echter bestaat de activiteit van deze club wel iets teveel uit het vertonen van volksdansen voor vreemde bezoekers; het kostte althans moeite iets van hun belangstelling voor geschiedenis, volkstaal en folklore te weten te komen.




De leerlingen van de „Indian Boarding School” in Fort Sill gaan gewoonlijk precies gelijk gekleed als alle andere Amerikaanse kinderen, maar bij bijzondere gelegenheden, bij volksdansen en schoolfeesten dragen ze steevast hun nationaal costuum.


Dus hetzelfde probleem, dat het jodendom verdeelt (Zionisme of assimilatie?) bestaat ook hier. Het sterke stamgevoel vermindert het besef van indiaanse eenheid; zoals een Schot in het gesprek al spoedig zijn „clan” noemt, zo is een Indiaan allereerst een Sioux, een Comanche of een Irokees. Dat de Amerikaanse regering begrijpelijkerwijze alles doet om de indianen tot goede staatsburgers van de V.S. te maken en — ten koste legt — bedaar heel wat aan tekent nog niet, dat zij een nationale Indiaanse beweging zou tegenhouden. Als deze er echter al is, is zij toch maar heel zwak.




Al reizend door Amerika





Indiaanse schilderkunst op hoog niveau



Wie in deze laatste maanden van het jaar het zeer indrukwekkende museum, de National Gallery of Art in Washington bezoekt, heeft daar gelegenheid een werkelijk unieke tentoonstelling van Indiaans teken- en schilderwerk te bewonderen. Toegegeven, het was niet voor het eerst, dat het publiek deze gelegenheid kreeg. Tien jaar geleden, toen verschillende jongemannen uit de stam der Navajo’s in het Amerikaanse leger werden opgenomen en er plotseling vele tekeningen van de daarbij in eigen kring gehouden inwijdingsplechtigheden verschenen, hadden de Amerikanen ook de kans gehad verbaasd van deze bijzondere artistieke prestatie te staan. Nu echter was de tentoonstelling veel breder en algemener opgezet: er waren zestig schilders vertegenwoordigd met niet minder dan 115 werken en zij kwamen uit verschillende stammen, zoals de Pueblo, Navajo, Apache, Sioux, Kiowa, Comanche, Cheyenne, Cherokee, Creek en Onandaga.



Kleurtekening van Gerald Nailor, een Indiaan uit de Navajo-stam, voostellende twee herten in de wildernis.

Hoezeer de Indianen toch nog uit een eigen cultuurgevoel leven, bleek op deze zeldzame en onvergetelijke tentoonstelling ten volle. Het was allemaal werk van recente datum, maar in ieder stuk ontdekte men de oeroude Indiaanse traditie, terwijl er tevens genoeg van artistieke persoonlijkheid was. Ook hier was slechts een keuze geboden; alleen de stammen van het Zuidwesten, van de prairies en van de Woudlopers waren hier immers vertegenwoordigd. Maar een nauwlettende beschouwer ontdekte overal overeenkomst met oeroude rotstekeningen, aardewerkbeschilderingen en weefmotieven. Het perspectief ontbrak vrijwel geheel en men zou het geheel als lijntekenwerk met een vrij beperkt kleurengamma kunnen kenschetsen, maar welk een gratie en fantasie, welk een tere fijnheid en ongeëvenaarde uitdrukking bleken binnen deze grenzen mogelijk te zijn!
Al heel spoedig ontdekte men de meest geliefde motieven. De jacht, het werk op het land en vlak bij huis, de ceremoniële dans, de voorstelling van bovennatuuriijke wezens, die door de namen Katcinas, Kossa en Koyemsi worden aangeduid. De eigen aard der stammen was sprekend, wanneer men er eens opmerkzaam op was gemaakt. De Navajo’s hebben een voorliefde voor wilde paarden, de Apaches houden van dynamische figuren, van duivel- en vuurdansers, terwijl de Woudlopers blijkbaar gaarne naar een decoratieve stijl zoeken en het in de stilering ver gebracht hebben. Toen we elders een expositie van Indiaanse volkskunst (houtbewerking en ceramiek) konden bezichtigen, viel in de symmetrische figuren en de veelal mythologische motieven dadelijk de overeenkomst op.
Of men bij dit schilderwerk echter van volkskunst mag spreken? De meeste van deze Indiaanse schilders hebben lang op een Amerikaanse school gegaan, velen hebben een speciale opleidingscursus gevolgd en slechts zeven of acht moesten hun weg geheel alleen vinden. Er zijn er, die tussen hun stamgenoten zijn blijven wonen, anderen hebben zich zover zulks mogelijk is in het drukke Amerikaanse leven ondergedompeld. Allemaal dragen ze in hun ziel echter mee de herinnering aan vervlogen tijden, de nostalgie die ook zovele Westerse artisten beheerst, maar die daar veel al geen enkel aangrijpingspunt meer heeft.

Deze Indiaanse schildersschool is nog van jonge datum. Omstreeks het einde van de eerste wereldoorlog komen namen als Awa Tsireh 6, Otis Polelonema 7 en Ma-Pe-Wi 8 op en ook een vrouw als Quah Ah 9 levert haar bijdrage. In 1920 werd het werk het eerst in New York vertoond en sedert is er een groeiende belangstelling en dat niet alleen in het wereldje van kunstkenners en kunsthistorici. Er verschijnen artikelen en boeken over Indiaanse schilderkunst en de musea beginnen collecties aan te leggen. Voor de zoveelste maal tonen de „bleekgezichten” zich geïmponeerd door het rhythme, de fantasie en de symboliek van wat zij gemeenlijk „de kunst der primitieven” plegen te noemen.




De verspreiding van de Indianen in de V.S.



Er wonen in de Verenigde Staten nog geen half millioen Indianen; het juiste cijfer in 1950 was 455.500, maar daar is Alaska dan bij inbegrepen. Verreweg de meesten wonen in de z.g. reservations; iets meer dan een vierde deel heeft het vrije, maar minder beschermde bestaan gekozen en leeft dientengevolge over het gehele land verspreid. Uiteraard zijn de Indianen lang niet over alle staten gelijk verdeeld; in het Noordoosten (New York, Pennsylvania, Maryland Ohio enz.) zal men ze slechts zeer sporadisch meer aantreffen. Waar de grote steden elkaar bijna de hand reiken en het gehele land een industrieel karakter krijgt, is voor de Indiaan geen plaats meer. Betrekkelijk veelvuldig komen ze daarentegen voor in de staten in het midden en Zuidwesten: Arizona (67.900), New-Mexico (43.500), Oklahoma (54.000) en South-Dakota (25.000). Een betrekkelijk onvruchtbare bodem over een uitgestrekt gebied heeft natuurlijk een vrij dunne bevolking en daardoor kon hier aan de Indianen een naar verhouding grote oppervlakte worden toegewezen.

Sedert 1492, toen door Columbus voor het eerst de blanken met de Indianen in aanraking werden gebracht 10 en sedert 1626, toen de Nederlanders het eiland Manhattan (nu New York) voor zestig gulden van de hier wonende volksgroep Irokezen, Mohawks, Oneida’s enz.) kochten, is de woonplaats van de verschillende stammen — er zijn er meer dan tweehonderd — natuurlijk niet gelijk gebleven. Het is ook zeer de vraag, of de bevolking van de tegenwoordige reservations zich op de duur niet in de omgeving zal „oplossen” vooral nu de discriminatie der Indianen veel minder ernstig dan vroeger is. Zoals men op bovenstaand kaartje ziet, is er nu nog wel enige zin en logica in de verspreiding der Indianen te ontdekken, maar hoe zal het er in het jaar 2000 uitzien? Vele Indianen zelf zijn over de toekomst van hun volk niet bijster optimistisch.





  [1]

In: Provinciale Drentsche en Asser courant, 14 januari 1954.
Het gaat hier eigenlijk om vier verschillende artikelen, allemaal over indianen. Ze besloegen samen precies één hele pagina in de krant.
Hetzelfde artikel, maar met een wat andere opmaak, was op 19 december 1953 ook in de Leeuwarder courant : hoofdkrant van Friesland in de „Sneon en snein”-rubriek verschenen.

  [2]

Gustave Aimard (pseudoniem van Olivier Aimard; * 13 september 1818, † 20 juni 1883) was een Franse reiziger in Noord- Amerika, Spanje en Turkije en schrijver van avonturenromans. Beroemd zijn zijn »Les Trappeurs de l’Arkansas«, »Le Chercheur de pistes«, »La Fièvre d’Or«, »Les Chasseurs d’Abeilles«, »Le Cœur de pierre«, »L’Araucan«, »Les scalpeurs blancs«, »Par mer et par terre« en, samen met Jules Berlioz d’Auriac (* 9 juli 1820 , † 16 september 1913) geschreven, »Jim, l’Indien«.

  [3]

James Fenimore Cooper (* 15 september 1789, † 14 september 1851) was een Amerikaans schrijver, die vooral bekendheid verwierf met zijn zeeverhalen en historische verhalen, de vijfdelige Leatherstocking Tales: »The Deerslayer. The First War Path«, »The Last of the Mohicans. A Narrative of 1757«, »The Pathfinder. The Inland Sea«, »The Pioneers. The Sources of the Susquehanna; A Descriptive Tale« en »The Prairie. A Tale«, met Natty Bumppo (bijgenaamd »Leatherstocking« en »Hawkeye«) in de hoofdrol; het tweede boek uit deze reeks, »The Last of the Mohicans« wordt door vriend en vijand beschouwd als zijn meesterwerk.

  [4]

Louwrens Penning (* 2 december 1854, † 12 januari 1927) was een Nederlands schrijver, die vooral bekendheid vergaarde met zijn boeken over de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika, zoals »De leeuw van Modderspruit«, »De held van Spionkop«, »De verkenner van Christiaan de Wet« en »De overwinnaar van Nooitgedacht«.

  [5]

Cristoforo Colombo (Nederlands: Christoffel Columbus, Spaans: Cristóbal Colón, Latijn: Christophorus Columbus, * 1451 , † 20 mei 1506) is de beroemdste ontdekkingsreiziger uit het tijdperk van de grote ontdekkingen. Hij maakte naam door zijn „ontdekking” van Amerika onder Spaanse vlag in 1492.

  [6]

Awa Tsireh oftewel Alfonso Roybal of ook Cattail Bird (* 1 februari 1898, † 30 maart 1955) was een schilder en kunstenaar uit de San Ildefonso Pueblo (in de buurt van Sante Fe, N.Mex.) en behoorde tot ze zogeheten „San Ildefonso Self-Taught Group”. Zijn werk is in verscheidene musea, waaronder het Smithsonian American Art Museum in Washington/DC, te zien.

  [7]

Lomadamocvia („Lente”) oftewel Otis Polelonema (* 1902, † 27 november 1981) was een schilder, illustrator, wever, componist van liederen en leraar uit de Hopi-stam, die de grootste tijd van zijn leven in Songòopavi (Navaho County/Arizona) woonde.

  [8]

Ma-Pe-Wi oftewel Velino Shije Herrera (* 22 oktober 1902, † 18 of 30 januari 1973), was een schilder van de Zia Pueblo.

  [9]

Quah Ah („Witte Kralen”), oftewel Tonita Peña, Tonita Vigil Peña of María Antonia Tonita Peña (* 10 mei 1893, † 9 september 1949) was een kunstenares van de Pueblo, met als specialisatie pen en inkt op papier, versierd met waterverf. Zij was een van de bekendste en invloedrijkste indiaanse kunstenaressen in de jaren ’20 en ’30; ze gaf ook les aan andere kunstenaars.

[10]

Het eerste contact tussen blanken en Indianen vond 500 jaar vóór Columbus (zie noot 5) plaats: Vikingen onder Leif Eriksson (* ± 970, † ± 1020) ontdekten Amerika al in 1002 of 1003 en stichtten er zelfs nederzettingen. Tot de jaren ’60 van de vorige eeuw was dat slechts een aanname op grond van oude IJslandse saga’s, maar in 1961 - zeven jaar na het verschijnen van dit artikel - werd door het Noorse archeologenechtpaar Helge Marcus Ingstad (* 30 september 1899, † 28 maart 1901) en Anne Stine Ingstad (* 11 februari 1918, † 6 november 1997) het archeologische bewijs gevonden in het noorden van het eiland Newfoundland: een Vikingnederzetting bij L’Anse aux Meadows, die ongeveer twintig jaar in gebruik was; dendrochronologische onderzoekingen wezen uit dat de nederzetting van minstens acht huizen in ieder geval in 1021 in gebruik was, terwijl koolstofdateringen de vindplaats ergens tussen 990 en 1050 plaatst. Deze contacten tussen Groenlandse Vikingen en wat zij „Skrælingar” noemden, verliepen niet vreedzaam en de Vikingen verdwenen weer relatief snel, zonder te beseffen dat de gebieden die zij Vinland („Wijnland”, vermoedelijk Newfoundland), Markland („Hout-” of „Bosland”, vermoedelijk Labrador) en Helluland („Land van Platte Stenen”, vermoedelijk Baffin Island) noemden, tot een „nieuw” werelddeel behoorden. Þorfinnur Karlsefni, een aangetrouwd familielid van Leif, leidde in 1009 een expeditie van 160 man naar Amerika; een jaar later schonk zijn vrouw Guðríður Þorbjarnardóttir hem daar een zoon, Snorri Þorfinnsson (* 1010, † ± 1090): het eerste Europese kind dat op Amerikaans grondgebied werd geboren.







Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website