Kupferberg (Měděnec):



    Kupferberg – na de etnische zuiveringen van Sudetenduitsers in 1945 Měděnec gehten – ligt acht kilometer ten noordwesten van Klösterle an der Eger (Klášterec nad Ohří).
    Net ten noorden van het dorp ligt de 910 meter hoge berg Kupferhübel (Mědník). Aan de voet hiervan werd vanaf de tiende eeuw zilverhoudend kopererts gewonnen, maar de eerste vermelding van Kupferberg als nederzetting dateert uit 1449; een halve eeuw later kreeg de nederzetting het privilege van vrije zilverhandel, wat het begin markeerde van een periode van welvaart. In de zestiende eeuw werden vooral chalcopyriet en pyriet gedolven: deze delfstoffen werden verwerkt tot zwavelzuur en koper- en ijzervitriool. De lokale mijnen ⚒ werden in 1547 onder de mijnbouwjurisdictie van Sankt Joachimsthal (het huidige Jáchymov) geplaatst, maar in 1616 kon de stad zich vrijkopen en zichzelf voortaan een koninklijke vrije mijnstad noemen. In 1628 kwam de familie Schlick in het bezit van Kupferberg en voegde het toe aan de heerlijkheid Hauenstein (in het Tsjechisch Hauenštejn of Horní Hrad). De neergang van het stadje begon in 1640 toen het tijdens de Dertigjarig Oorlog (1618-1648) afbrandde. In 1807 werd er (voorlopig) gestopt met de mijnbouw, maar de vondst van grote hoeveelheden magnetiet leidde van 1968 tot 1992 tot hernieuwde mijnbouwactiviteiten. Sinds de opening van het station op de lijn Chemnitz – Komotau (Chomutov) in 1870 werd het toerisme een belangrijke bron van inkomsten.
    Op 31 december 2024 woonden er 150 zielen in het 12,79 km² grote dorp, voornamelijk forenzen.


Google
www op deze website