Ter introductie

van Philip Raack



     Philip Raack is de eenige zoon van wijlen een schatrijk Indisch planter, die hem zijn geheele vermogen en een groot huis op de Koningsgracht te Amsterdam naliet - zoo werd Philip ons voorgesteld in het eerste nummer van „De drie-stuivers-roman”.
     Hoewel zijn vader hem graag dokter had zien worden, zwierf Philip bij voorkeur in café’s en havenbuurten, werd dikke vrienden met chauffeurs, kellners, zeelieden, politieagenten, die hij hielp waar bij kon, óók financieel, zij het dan anoniem. Hij wilde wat van de wereld zien en.... de cententellende, krentenwegende, gezapige burgers, wáár hij kon, een hak zetten.
     Sonja, een wees van goede familie, die als cabaretzangeres in een Rotterdamsch café was terechtgekomen en daar om haar uiterlijk groot succes oogstte, zette op slag Philip’s hart in vlam.
     Sinds enkele jaren zwierven zij door de wereld, een knap, maar merkwaardig paar, belust op avontuur. En in die paar jaren was er heel wat gebeurd. Als een tweetal wrekende goden waren zij er op uitgetrokken, hun hersens, hun vindingrijkheid en Philip’s geld gebruikend om te speuren naar dikgegeten renteniers, onscrupuleuze zakenlieden, verwijfde rijkeluiszoontjes, die nog geen roeispaan konden tillen, en juffertjes van goeden huize, die niets beters te doen wisten dan hun dienstmeisjes het leven zuur maken, en zij waren niet afkeerig van een detective-karweitje, dat hen al eenige keeren met de politie in aanraking had gebracht....



YVETTE UIT DE NACHTCLUB



     Philip Raack verveelde zich. Dat is iets, wat wel vaker voorkwam. Hij is een van de menschen, wier behoefte aan avonturen en wilde belevenissen nog grooter is dan hun behoefte aan sigaretten of geregelde maaltijden.
     Maaltijden worden door Philip Raack het eerst vergeten als hij in een of ander avontuur verwikkeld is. Meestal is het Sonja, die hem op gezette tijden aan zijn jas trekt om hem er aan te herinneren, dat het menschelijk lichaam, en ook een lichaam als dat van Philip, brandstof noodig heeft om door te draaien.
     Het was tien uur in den avond van een der prachtigste zomerdagen, die Amsterdam ooit had gekend. En Sonja had sinds drie dagen niet de minste aanleiding gevonden om zich bezorgd te maken over Philip’s maaltijden; integendeel, in die drie dagen was er zoo griezelig weinig gebeurd, dat Philip van louter verveling, en voor zoover dat vandaag den dag mogelijk is, aan het eten was geslagen. Maar ook dat gaat gauw vervelen. En om tien uur in den avond van den derden rustigen dag had Philip het peil bereikt, waarin hij twee vechtende honden met vreugde zou hebben begroet als een welkome oase in een schijnbaar eindelooze woestijn van eentonigheid.
     Om vijf minuten over tien stond hij resoluut op, hing een lichte regenjas over zijn arm, zette een slappen hoed op en koos een lichten wandelstok uit den bak onder den kapstok in de hall. Hij stond even stil voor den grooten spiegel om zijn hoed op de juiste wijze op het hoofd te drukken en hoorde de lichte voetstappen van Sonja achter zich.
     „Ga je weg?” vroeg zij.
     „Inderdaad,” antwoordde Philip, den rand van zijn hoed iets naar beneden buigend. „Als de berg niet tot Mohamed komt, moet Mohamed tot den berg gaan. Evenzoo, beminde Sonja: als het avontuur niet aan Philip Raack’s deur klopt, zal Philip Raack het moeten opzoeken.”
     Hij wendde zich van den spiegel af naar Sonja toe. Zij keek hem ietwat bezorgd in het gezicht. In zijn oogen glom een roekeloos licht; het licht, dat ze zoo goed kende.
     „Zul je....,” zei ze, en aarzelde. „Zul je voorzichtig zijn? Ik bedoel: zul je niet al te gek doen?”
     Philip zwaaide nonchalant met zijn wandelstok. „Ik zal niet voorzichtig zijn,” zei hij, „en uitermate gek doen. Ik ga de bloemen buiten zetten. Het wordt tijd, dat de bloemen buiten worden gezet. De arme dingen begonnen leelijk te verwelken. Ik zal evenwel trachten de brievenbus van dit huis vrij te houden van doodsberichten en overlijdensadvertenties. Wel te rusten.”
     Hij opende de voordeur, stapte op de gracht in de laatste stralen van de zomeravondzon, die vuurrood stond boven de daken van de huizen in de bocht, en sloot zacht de deur achter zich. Hij stond een oogenblik stil op de hardsteenen stoep van het groote huis, met in zich een vreemd gevoel van opwinding. Het was het bekende voorgevoel, dat hem zelden bedroog - de waarschuwing van het instinct, dat hem zeide, dat de dagen van verveling achter den rug waren en dat vreemde dingen stonden te gebeuren.
     Hij overwoog nog even: waarheen zou hij zijn schreden richten? Door de straten gaan flaneeren? Tot hij een van zijn vele bekenden tegenkwam? Op een caféterras gaan zitten?.... En toen schoot de oplossing hem door den geest: De nieuwe nachtclub! Natuurlijk!
     Enkele weken tevoren was er een nieuwe, geheime nachtclub geopend in een der oudste gedeelten van Amsterdam onder den weinigzeggenden, doch origineelen titel „De drie dansende haringen”. Hij had deze nachtclub nog niet bezocht, het was nieuw terrein, dat hij nog moest gaan ontginnen.
     Met een glans van verwachting in zijn grijze oogen stapte hij snel de treden van de stoep af, de straat op.

* * *

     Het was donker, toen Philip Raack zijn stok ophief en drie korte en drie lange kloppen gaf op een zware, met ijzer beslagen deur in een der oudste gedeelten van Amsterdam - het hem van vrienden bekende sein. De deur was de ingang van een heerenhuis, dat zich door niets van de huizen links en rechts ervan bijzonder onderscheidde. Zij waren alle oud, alle een weinig vervallen en hadden ook allemaal sousterrains met opgaande hardsteenen stoepen. Nadat hij geklopt had, hoorde hij een halve minuut lang niets. Toen ging een klein raampje in de deur open, een zaklantaarn scheen hem in het gezicht en verblindde hem gedurende drie seconden. Een stem mompelde: „Wel allemachtig, het is Philip Raack.”
     De deur zwaaide open en werd onmiddellijk weer achter Philip gesloten. De man, die de deur had geopend, een pootig uitziende kerel met haar, dat laag op zijn voorhoofd ingeplant was, en een borst als een biervat, nam zijn hoed, zijn jas en zijn wandelstok en verdween ermee. Philip wachtte in de gang, rammelde met de sleutels in zijn broekzak en nam zijn omgeving op.
     Het oude heerenhuis was van binnen geheel gerestaureerd. Er lag een dik tapijt op den gangvloer en langs den wand was tot schouderhoogte eiken betimmering aangebracht. Boven zijn hoofd hing een geweldige kristallen kroon, die een helder licht verspreidde.
     De man, die hem had binnengelaten, kwam terug en wenkte hem te volgen. Philip zag nu, dat zijn neus scheef stond, hetgeen het uitermate waarschijnlijk maakte, dat hij een aan lager wal geraakt bokser was, die hier als portier en algemeen uitsmijter fungeerde. Een deur aan het einde der gang werd geopend en Philip ging naar binnen.
     Er was een lange bar daar. Bijzonder druk was het niet. Het was nog vroeg in den avond; de meeste menschen gaan eerst naar een nachtclub toe, als alle andere vermaakgelegenheden zijn gesloten. De barkeeper knikte hem uiterst beleefd toe. Philip knikte terug. Hij had den vent eerder gezien, dat wist hij zeker, maar al had hij er zijn leven mee kunnen redden, hij had niet kunnen zeggen wáár en onder welke omstandigheden. Verder was er niemand, die hij kende, onder de menschen in het vertrek.
     Aan het einde van de ruimte echter was een dubbele deur, waarvoor een zwaar fluweelen gordijn hing. Daar moest de speelzaal zijn. Naast de deur zat een vrij ongunstig uitziend individu, ook al met haar, dat practisch tot zijn wenkbrauwen door groeide. Zijn stoel leunde achterover tegen den wand. Zijn voeten bungelden vijftien centimeter boven den grond en hij las met groote belangstelling de sportpagina van een Amsterdamsche krant. Toen Philip het fluweelen gordijn opzijschoof en de deur opende, staarde hij Philip aan met een gezicht, dat volkomen nietszeggend was.
     „Wel, wel,” mompelde Philip, terwijl bij de deur doorging, „het is een stelletje toffe jongens hier.”
     Hij sloot de deur achter zich en stond een oogenblik met eenige verbazing rond te kijken. Vóór hem lag een groote kamer met op den vloer een vast tapijt, dat zoo dik was, dat het alle geluid van voetstappen volkomen dempte. De wanden waren behangen met zware gordijnen, die evenmin geluid weerkaatsten. Er hing een ongewone stilte in het vertrek. Om een tafel in het midden zaten twaalf of dertien menschen en het eenige geluid in het vertrek was het gerikketik van een rouletteballetje. De rouletteschijf hield op met draaien.
     „Rood wint,” zei de croupier.
     Er volgde eenig zacht gemompel en het gekletter van fiches, toen sommige van de spelers hun winst opnamen en anderen nieuwe fiches naar voren schoven. Philip kocht voor vijf en twintig gulden aan fiches en zette er tien op rood. Het wiel draaide en zijn tien fiches waren er twintig geworden.
     De croupier aan het einde van de tafel was een klein mannetje met een uitgedroogd gezicht vol rimpels en oogen zoo hard als graniet. Hij keek Philip vragend aan.
     „Laat ze maar staan,” zei Philip en liet de twintig fiches op rood staan.
     Het balletje begon weer te rollen en toen de schijf voor de tweede maal stilstond, schoof de croupier veertig fiches naar Philip toe.
     „Weer laten staan?” zei hij.
     „Nee,” zei Philip, „ik heb zoo’n idee, dat nu zwart uit de bus komt. Zet ze alle veertig maar op zwart.”
     De veertig fiches gingen op zwart en een minuut later waren het er tachtig. Philip nam er zeventig af en liet ze in zijn zak glijden. Tien ervan liet hij staan op rood. Het duurde even voor alle menschen rond de tafel een inzet hadden gemaakt, en Philip gebruikte den overblijvenden tijd, om zijn medespelers op te nemen. Op dat oogenblik keerde een meisje, dat schuin voor hem aan de tafel zat, zich om. Philip’s adem stokte een oogenblik. Zij was zonder eenigen twijfel een van de mooiste meisjes, die hij ooit had gezien! Zij had helblond haar en groote bruine oogen. De combinatie van blond haar en bruine oogen is altijd iets, dat mannen den adem pleegt te benemen, maar in dit geval kwam daar nog het verbijsterende feit bij, dat zij niet ouder kon zijn dan negentien of twintig jaar.


Op dat oogenblik keerde een meisje, dat schuin voor hem zat, zich om....

     Zij had een avondjurk aan, die iemand een behoorlijken duit moest hebben gekost, en die haar schouders en een gedeelte van haar rug geheel vrijliet. Een avondjurk voor een door de wol geverfde vrouw van de wereld, maar het effect onder het jonge, onschuldige gezicht van dat meisje was, dat hij er haar deed uitzien als een klein meisje, dat zich als groot mensch had verkleed voor een verjaardagsfeestje. Zij viel volkomen uit den toon tusschen al die hardgekookte mannen en vrouwen om de roulettetafel.
     Philip Raack voelde zich alsof hij plotseling een Maartsch viooltje had ontdekt, op onverklaarbare wijze groeiend boven op een groote hoop oud roest. Enkele seconden lang keek zij hem in het gezicht, toen riep de croupier: „Rien ne va plus”. En zij bepaalde haar aandacht weer tot het kletterende witte balletje.
     Of het nu de bruine oogen waren of het mooie weer, of iets anders, was niet duidelijk. Philip kreeg ineens zin om iets roekeloos te doen. Hij nam vijf en twintig fiches, en zette ze bij de volgende ronde op het cijfer dertien. De schijf draaide rond, het balletje viel op dertien en Philip kreeg een stapel fiches toegeschoven, groot genoeg om een poppenhuis van te bouwen voor een dozijn kinderen.
     De andere spelers rond de tafel keken hem benijdend aan. Een zacht gefluister ging den kring rond. Blijkbaar had iemand van de aanwezigen hem herkend.
     Toen Philip zijn stapel fiches naar zich toe sleepte, keek het meisje met de bruine oogen opnieuw om. De blik in haar oogen was precies die, welken men zou verwachten van een jongetje van dertien jaar, dat voor het eerst iemand dertienduizend gulden cadeau ziet krijgen om dertien uur op de dertiende van de maand.
     De croupier, Philip met zijn oude oogen aanziend, vroeg: „Nog eens op dertien?”


De croupier vroeg: „Nog eens op dertien....?”

     Philip aarzelde even. Voor de derde maal wendde het meisje met de bruine oogen zich om, zich blijkbaar afvragend, wat deze wonderlijke winnaar wel doen zou. Philip zag haar in de oogen, bedwong een bijna onweerstaanbare lust om een oogje te knippen, wendde dan zijn blik naar den croupier en keek dezen man, die nog steeds wachtte, peinzend aan.
     „Zet maar weer eens op dertien,” zei hij, „ik heb zoo’n idee, dat het wéér goed afloopt.”
     Op dat oogenblik voelde hij een zachten druk op den mouw van zijn onberispelijke pak. Hij keek omlaag.... daar lag de slanke hand van het meisje met de bruine oogen op zijn arm!
     „U heeft zoo’n ongelooflijk geluk....,” zei zij zacht...., „mag ik met u sámen op dertien zetten?”
     „Maar natuurlijk,” zei Philip.
     De croupier wachtte, vol ongeduld. Het meisje met de bruine oogen rommelde in haar handtaschje, trok er twee biljetten van honderd gulden uit en zette die op dertien.
     Het wiel draaide zoemend rond, sneller dan ooit, als om verloren tijd in te halen. Langzamer en langzamer draaide het rad... zachter en zachter kletterde het balletje.
     „Dertien wint!”
     Rondom de tafel ontstond een wild geroezemoes van opgewonden stemmen. Men zag Philip Raack aan, of hij een duivelskunstenaar was.
     Philip zelf keek eenigszins perplex rond. Hij vond, dat zulk een stom geluk wel een beetje griezelig werd!
     De croupier schoof een enormen stapel fiches naar hem toe en een tweeden stapel fiches, in groen, blauw en rood, naar het meisje met de bruine oogen. Bij de fiches lagen de biljetten van honderd gulden, waarmee zij was begonnen.
     Zij veegde de fiches bijeen met beide handen en zag op naar Philip. „Wat nu?” schenen haar oogen te vragen.
     Philip keek op haar neer, een glimlach achter in zijn oogen. Hij schudde langzaam het hoofd.
     „Nu ophouden,” zei hij. „Een van de groote geheimen van alle gokspelen is, dat je weet, wanneer je moet ophouden. Hebben is hebben en krijgen is de kunst.”
     Zij knikte, en stond op van haar stoel. Haar plaats aan de roulettetafel werd onmiddellijk ingenomen door een dikke vrouw met een rood gezicht en worstvingers vol met walgelijk dure diamanten.
     Het meisje was zeker een hoofd kleiner dan Philip. Zij liep met kleine pasjes voor hem uit naar een groot eiken bureau bij den hoek, waarachter een man zat met een barsch gezicht en een geweldige zwarte sigaar in zijn hoofd. Op het bureau stond een zware stalen geldkist en achter het bureau in den muur was de deur van een in den wand gemetselde brandkast. Het meisje stortte haar twee handen vol fiches op het glanzende blad van het bureau uit.
     De norsche man liet de sigaar van het eene einde van zijn mond naar het andere einde wandelen, verdeelde met ongelooflijke snelheid de blauwe, groene en roode fiches in drie hoopjes, telde ze, nam een kwitantieboekje uit een la, rukte een vulpen te voorschijn en schreef een kwitantie voor een bedrag van vier cijfers. Hij vloeide de kwitantie af - alles met een volkomen onbewogen gezicht - en schoof het strookje papier over het bureaublad. Het meisje nam het op, bekeek wat erop stond met een schittering van vreugde in haar oogen, en stopte de kwitantie in haar kleine taschje.
     Philip zag over haar schouder heen dit alles met niet geringe verbazing aan. Als er één soort van plaatsen ter wereld is, waar alles à contant gebeurt, zijn het geheime speelholen. Het is vele malen makkelijker den ontvanger van de directe belastingen over te halen het nog een maandje aan te zien, dan de kas van een speelhol zoet te houden. Omgekeerd ook.... In heel zijn leven, bij alle ervaringen met speelbanken opgedaan, had Philip Raack nog nooit een speler gezien, die zijn fiches inruilde tegen een schuldbekentenis.... Het à contant systeem snijdt naar twee kanten: de kas verwacht contanten en betaalt alleen in contanten.
     Philip schoof den bundel bankbiljetten, dien hij ontving in ruil voor zijn veelkleurige fiches, in een zak van zijn broek en keerde zich om. Het meisje met de bruine oogen stond te wachten, drie passen achter hem. Toen hij zich omkeerde, kwam zij naar hem toe.
     „Ik wilde u bedanken,” zei ze. „Als u niet goed gevonden had, dat ik met u mee deed op nummer dertien, had ik nooit al dat geld gewonnen.”


.... dan had ik al dat geld niet gewonnen....

     „Maar dat is toch vanzelfsprekend,” zei Philip.
     Zij schudde haar hoofdje. „O, nee. Er zijn heel veel menschen, die absoluut niet hebben willen, dat een ander mee rijdt als ze geluk hebben. Bang dat die ander hun geluk bederft.”
     Philip lachte: „Mijn geluk is zoo geweldig, dat het best een stootje kan hebben. Ik ben onder een speciale gelukkige ster geboren....”
     Zijn gezicht werd plotseling ernstig. „Maar luister eens hier, klein meisje.... Jij hoorde thuis te zijn en door de kinderjuffrouw in bed te worden gestopt.... Wat doe je hier? Dit is verduiveld geen plaats waar kleine meisjes op eigen houtje heen gaan!”
     Haar warme bruine oogen werden plotseling kil en onvriendelijk. „Pardon?” zei ze ijzig. „Spreekt u tegen mij?”
     „Niemand anders,” antwoordde Philip. „Ik steek natuurlijk weer mijn neus in zaken, die mij niet aangaan.... Maar ik meen het. Ga naar huis. Deze tent is niet bepaald een tehuis van braafheid en vroomheid, ondanks de plechtige sfeer, die hier heerscht.”
     Zij keek hem enkele seconden lang onderzoekend aan en begon dan te lachen. „Wie ben jij toch?” zei ze.... „Ik wilde eerst kwaad worden, maar.... Ik ken je ergens van.”
     „Schrik niet,” zei Philip, „ik ben Philip Raack.”
     Zij haalde plotseling haar adem naar binnen en staarde hem ongeloovig aan. „Philip Raack?” zei ze.... „De befaamde Philip Raack?.... Gossie mijne.... Ik heb al zooveel verhalen over Philip Raack gehoord, dat hij langzamerhand voor mij een legende begon te worden.... net als Roodkapje en Lord Lister en Bullbrog Drummond.... en Klein Duimpje....”
     „En de booze Wolf,” zei Philip Raack. „Ik ben heusch een heel aardige vent als je me eenmaal kent. Ik kan voortreffelijk pannekoeken bakken en mijn omeletten worden wijd en zijd geroemd.”
     „Jij kunt Philip Raack niet zijn,” zei ze, haar hoofd schuddend. „Philip Raack’s zakken puilen uit van de revolvers en om zijn hals draagt hij een heelen zak met handgranaten.”
     „Dat is nog niets,” zei Philip. „Op mijn auto staat door de week een stuk veldgeschut en op Zondag een batterij luchtafweergeschut. Mijn tanden zijn puntig bijgevijld en onder mijn vest draag ik een hard stalen pantser. Voorts ontbijt ik op licht gebakken spijkers even gedoopt in consistentvet.”
     Zij wierp haar hoofdje in den nek en liet een vroolijken lach hooren.
     „Maar alle gekheid op een stokje,” zei Philip, „mag ik je iets aanbieden? Ik geloof, je bent oud genoeg voor een fleschje knal.”
     Zij wandelden samen, door de groote dubbele deuren, terug naar het eerste vertrek waar het inmiddels veel drukker was geworden. De krukjes aan de bar waren vol en enkele tafeltjes waren ook bezet.
     „Laat mij je een borrel aanbieden,” zei het meisje, „dat is niet meer dan billijk, want je hebt daar juist een aardige hoop geld voor mij verdiend.”
     Philip schudde het hoofd, terwijl hij zich in een laag leeren fauteuiltje liet glijden.
     „Het gaat volkomen mis met deze moderne generatie. In mijn tijd boden onschuldige jonge meisjes geen borrels aan aan jonge mannen zooals ik met twijfelachtige reputaties, en ze spartelden evenmin alleen rond in drankgelegenheden en speelholen. Weet je familie dat je hier bent? Hoe ben je eigenlijk uit de kinderkamer ontsnapt?”
     „Als je niet ophoudt met flauwe mopjes over de kinderkamer,” zei zij, met flitsende bruine oogen, „sta ik op en wandel ik weg. En hoe zou je dat vinden?”
     „Stil!” zei Philip Raack, „wees niet brutaal tegen me. Zeg eens... wie ben je?”
     „Ik,” zei ze, en koos een sigaret uit een gouden koker, „ik ben Yvette Wijzenbeek. De dochter van Maurice Wijzenbeek.”
     Een kellner bracht hun twee whisky-soda’s en ging weer weg, nadat hij den aschbak had geleegd. Al dien tijd zat Philip Raack zich af te vragen, waar bij den naam Maurice Wijzenbeek eerder had gehoord. En toen, plotseling, wist bij het. Maurice Wijzenbeek was een bekend financier geweest, die, een jaar tevoren, na een geruchtmakend faillissement, zelfmoord had gepleegd en zijn eenige dochter alleen achterliet. Zijn vrouw was al jaren tevoren bij een auto-ongeluk omgekomen. Philip keek haar met geheel andere oogen aan. Dus dit meisje was nu alleen op de wereld....
     Hij legde een bankbiljet op tafel, stond op en greep haar arm. „Kom mee,” zei hij, „wij gaan.”
     Zij wilde tegenstribbelen en zei: „Ja maar....” Maar er was iets in de zekerheid van zijn stem en de hardheid van zijn oogen, dat de woorden verder onuitgesproken liet. Zij stond op en liep gedwee naast hem naar de deur.
     Zij kwamen in de gang en Philip nam juist haar vestiaire-kaartje in ontvangst, toen hij voelde hoe iemand tusschen hem en het meisje in schoof. Philip keerde zich om en keek achter tegen een hoofd, dat dicht bezet was met zwarte korte krulletjes. Het hoofd stond op een korten dikken nek en het geheel benam hem het gezicht op Yvette. De man met de zwarte krulletjes stond met Yvette te praten.
     „Ik hoor dat u geluk hebt gehad, juffrouw Wijzenbeek,” zei hij. „Goeden avond, mijnheer de Beer,” zei Yvette. „Ja ik, eh.... Ik heb het te danken aan mijnheer Raack hier.... Hij....”
     De rest van haar woorden hoorde De Beer niet meer, want bij het hooren van den naam „Raack” keerde hij zich met een ruk om. Philip staarde in een van de meest onaangename gezichten, die hij ooit had aanschouwd. Een groote kromme neus was niet het ergste. Er zijn wel meer menschen met kromme neuzen. Schotten hebben ook kromme neuzen en kunnen zeer aardige kerels zijn. Wat Philip zulk een weerzin deed gevoelen, waren het vettige zwarte krulhaar, de dikke speknek, de dikke hanglippen en de pukkels, waarmee liet heele vettige gezicht was bezet.


.... bij het hooren van den naam „Raack” keerde hij zich om....

     De Beer staarde Raack een tijdlang aan. Er viel een diepe stilte, die door Yvette tenslotte werd verbroken.
     „Mijnheer Raack,” zei zij. „Dit is mijnheer De Beer. Hij is de eigenaar van deze nachtclub - in het geheim natuurlijk!”
     „Wel wel,” zei Philip, maar hij stak zijn hand niet uit.
     De Beer keerde zich om en zei, hard en duidelijk, tegen Yvette: „Lieve kind, zoolang je in mijn club bent, sta je onder mijn bescherming. En dat beteekent ook, dat ik je niet laat oppikken door individuen als die vent daar. Ga mee naar binnen.” Hij sloot vijf vette worstvingers om Yvette’s slanken blooten arm en wilde de bar weer inloopen. Maar Yvette stribbelde tegen.
     „Ik heb geen zin om naar binnen te gaan,” zei ze, en probeerde haar arm los te rukken. „Ik wil met mijnheer Raack mee.”
     Philip strekte een arm uit en pakte De Beer in het vetst van zijn nek. De menschen, die in den loop der jaren met den greep van Philip’s stalen vingers hadden kennis gemaakt, dachten er met ontzag en respect aan terug. De Beer gaf een schreeuw van pijn.
     „Hou je handen van een dame af, dik stuk metworst,” zei Philip, en liet hem los. Hij kon niet nalaten zijn handen af te vegen.
     De Beer keerde zich om, zijn gezicht vertrokken van woede. Toen hij sprak, spuwde hij van nijd. „Er uit,” zei hij.... „Er uit, als de bliksem!”
     Philip balanceerde op de toppen van zijn voeten en voelde in gedachten de knokkels van zijn vuist op het vette gezicht voor hem neerkomen.
     „Je spreekt niet tegen een van jouw collega’s, maar tegen Philip Raack!!” zei hij.
     Het volgende oogenblik voelde hij een stekende pijn in zijn achterhoofd. Het begon te suizen in zijn ooren. Zwarte ballen dansten voor zijn oogen.... Hij dacht enkele, lange seconden, dat hij bewusteloos zou worden.... Dan langzaam, week de misselijkheid uit zijn maag en zijn gezicht keerde terug. Zijn knieën konden zich tegen doorzakken weer verzetten. Hij keerde zich om. Tegen den muur, op twee meter afstand, stond de dikke pad, die hen had binnengelaten. Zijn eene hand speelde nog steeds met een eindje rubberslang, met zand gevuld. Aan zijn andere hand hing een revolver met knaldemper aan een koord.
     Philip vervloekte zijn stommiteit, geen afweermiddelen bij zich gestoken te hebben. Zijn adem kwam nog steeds snel en hijgend. Slechts zijn ijzersterk gestel was de reden, dat hij niet bewusteloos op den grond was gezakt.
     De Beer stond nog steeds vóór hem, een trek van triomf op zijn gezicht. „Ik zal je leeren mij te beleedigen,” siste hij.
     „Lafbek,” zei Philip, „zelf ben je te bang om iets te doen. Maar dit verzeker ik je, vetzak, dat zal je bezuren! Je eerste klap kwam van jouw man hier achter me.... maar de tweede en de verdere klappen komen van Philip Raack! En die zullen hard zijn, dat bezweer ik je!”
     Toen stapte Yvette naar hem toe en legde haar handje op zijn mouw. „Breng mij naar huis, Philip,” zei ze.
     De Beer stond nog steeds in het midden van de gang - woest, omdat Yvette hem liet staan - toen Philip en het meisje samen door de deur gingen, in den koelen en frisschen nacht.
     Philip ging met haar mee. In haar rustige flat schonk ze een kop koffie en, terwijl hij af en toe pijnlijk de buil op zijn achterhoofd wreef, hoorde hij, hoe de vork eigenlijk in den steel zat.
     „Zie je,” zei Yvette, „ik heb verplichtingen aan mijnheer De Beer.”
     „Wàt?” zei Philip, „verplichtingen aan dien schoft? Wat voor?”
     „Financieele,” zei Yvette. „Zie je.... een paar dagen geleden ben ik met een paar kennissen van me uit den tijd, dat mijn vader nog geld had, naar die nachtclub gegaan. We hadden nog al wat gedronken en ik was ook vrij vroolijk.... We zaten te pokeren en voor ik weer heelemaal bij mijn positieven was, had ik twaalfhonderd gulden verloren.”
     Philip floot zacht van verbazing. „En toen? En aan wie had je ze verloren?”
     „Aan een van de kennissen met wie ik uit was. Ik had niet meer bij me dan driehonderd gulden.... mijn maandelijksche toelage, die ik juist gekregen had. Maar toen kwam mijnheer de Beer naar voren, die al dien tijd had staan kijken, en bood mij aan dat geld voor mij te betalen, als ik hem voor dat bedrag een schuldbekentenis wilde geven.”
     „Bewaar me,” zei Philip, „en heb je dat gedaan?”
     „Natuurlijk,” antwoordde Yvette, hem verbaasd aankijkend met haar groote bruine oogen. „Was dat niet vrééselijk aardig van hem?”
     „O, zoo aardig!” zei Philip tusschen opeengeklemde tanden, „ongelooflijk aardig. En toen?”
     „Wel, hij zei, dat ik best eens ’s nachts terug kon komen in de club om te probeeren er wat van terug te winnen. En dat heb ik geprobeerd. Ik ben alleen nog maar dieper in de schuld geraakt. Tot vanavond. Vanavond heb ik een aardigen duit teruggewonnen. Maar nog lang niet alles.”
     Philip staarde haar peinzend aan... Hij vroeg zich af, hoe het mogelijk was, dat in een tijd als deze zóóveel onschuld in een groote stad kon rondloopen! De Beer een aardige man. Mijn hemel!.... Philip balde de vuisten onder tafel. Dus dat was, waarom zij van den kassier een kwitantie had gekregen in plaats van contant geld! Als zij tot over haar ooren in de schuld was geraakt.... dan zou op een goeden dag de rat De Beer de schroef gaan aandraaien.... langzaam aandraaien.... Dan zou de dag komen, dat de onschuldige Yvette op àndere manier dan met contanten haar schuld zou moeten betalen....
     „Is dat nu niet aardig van mijnheer De Beer?” vroeg Yvette weer.
     „Goede hemel!” was het eenige, dat Philip antwoordde. Vervolgens wischte hij met zijn zijden zakdoek over zijn voorhoofd.
     Hij wist waarachtig niet, wat hij zeggen moest.... Maar reeds werkte zijn brein aan verschillende dingen tegelijk. Dit meisje moest geholpen worden. Dat was niet zoo moeilijk. Hij, Philip Raack, had maar één chèque uit te schrijven op de Amsterdamsche Bank en het probleem was opgelost. Het was ten tweede noodzakelijk, dien De Beer goed en grondig betaald te zetten wat hij hem dien avond had aangedaan.
     Philip Raack was een beroemde figuur.... maar met gewone, menschelijke zwakheden, hoe sterk ook zijn biceps mochten zijn. Een van die zwakheden was een groote dosis trots en een intense wraakzucht tegenover een ieder, die hem op lage of gemeene wijze had genomen. Er waren menschen geweest, die hem ééns een loer hadden gedraaid en die jarenlang niets van Philip Raack merkten.... die spottend lachten om verhalen van Philip Raack’s macht.... Hadden zij iets gemerkt van die macht?.... Al dien tijd, al die jaren had Philip Raack gewacht.... Hun namen stonden genoteerd op de pagina in zijn geheugen, gewijd aan hen, die eens zouden boeten.... Hij sloeg pas toe als hij zeker wist, dat zijn slag met verpletterende hardheid zou vallen.
     Ook nu werd hij voor een groot deel bezig gehouden door het probleem, hoe hij dien smerigen kerel zou kunnen betaald zetten wat hij hem dien avond had geflikt. Wat duivel! Hij, de beroemde Philip Raack, had een klap moeten incasseeren voor de oogen van een mooi meisje.... tegenover een vetten bandiet!....
     „Blijf morgen thuis,” zei hij, „tot je van mij hoort. Stel je niet in verbinding met De Beer en ga onder geen voorwaarde naar hem toe. Gesnapt? Als hij opbelt geef je: niet thuis.... Je hoort morgen van mij. Begrepen?”
     Zij knikte en stond hem na te kijken, langen tijd, toen Philip haastig de Vondelstraat uitliep om nog vóór twaalf uur op de Koningsgracht te zijn. Twee uren waren verloopen, die hem uit de verveling in een nog onoverzienbaar „vuil zaakje” hadden gebracht!

* * *

     Toen Philip thuiskwam, was Sonja nergens te vinden. Die was blijkbaar op eigen houtje uitgegaan. Philip belde om Ben.
     „Ga zitten, neem een sigaret en vertel mij snel: wat weet je van een zekeren De Beer, die nu een nachtclub heeft, „De Drie Dansende Haringen” geheeten?”
     Ben ging zitten op den rand van de tafel, want tijdens dit soort conferenties waren Philip en hij plotseling kameraden in plaats van baas en ondergeschikte.... Daarvoor hadden zij teveel avonturen samen beleefd. Ben dacht langen tijd na en hief dan met een ruk het hoofd op.
     „Dat is waar. Nu herinner ik me: hij was een paar jaar geleden bij die bende van Schele Hendrik.... Hij was Schele Hendrik’s rechterhand en dat niet alleen, maar ook Schele Hendrik’s hersens.”
     „De vent, die Schele Hendrik’s bankdiefstallen uitdacht en in elkaar zette?”
     Ben knikte: „Precies, meneer Raack. Schele Hendrik en zijn jongens voerden ze uit volgens plannen van De Beer.... Er zat nog veel meer aan vast. U weet, dat er altijd een wedstrijd is geweest tusschen de bende van Schele Hendrik en die van Rooie Gerrit?”
     Philip knikte. „Rooie Gerrit is vier jaar geleden spoorloos verdwenen, niet?”
     Ben bevestigde dit en zette zijn woorden nadruk bij met zijn sigaret: „Het gekke is, de politie heeft steeds vermoed, dat de bende van Schele Hendrik dien Rooden Gerrit om zeep heeft geholpen, maar ze hebben nooit Rooie Gerrit’s lijk gevonden, dus kon er ook geen sprake zijn van een aanklacht wegens moord. Nietwaar?”
     Philip knikte weer: „Klopt. Geen kadaver.... geen moord. Logisch.”
     „Juist,” zei Ben. „Maar het is een publiek geheim, en de politie weet ook, dat de man, die het laatst samen met Rooie Gerrit is gezien, diezelfde De Beer was....”
     Philip Raack ging plotseling rechtop zitten. Een helder licht glansde in zijn oogen. „Dat is machtig interessant,” zei hij. „Zie je, Ben.... De Beer staat sinds vanavond op mijn zwarte lijst. Wat denk jij ervan?”
     Ben haalde de schouders op: „Iedereen, die onder de jongens hier in Amsterdam thuis is, weet, dat iedereen weet, dat De Beer Rooie Gerrit om zeep heeft geholpen en hem heeft laten verdwijnen. Maar niemand weet hoe en waar. En de politie weet natuurlijk heelemaal niets; iedereen houdt altijd stijf zijn kiezen op mekaar.”
     Philip knikte. De onderwereld liet tegenover de politie nooit iets los. Maar Philip Raack was iets heel anders.... Philip Raack kon in een kwartier over de toonbank van een klein kroegje méér te weten komen, omdat ze hem vertrouwden, dan de politie in zes maanden kon opduikelen....
     „Waar zit Schele Hendrik nu?” vroeg hij.
     „Voor zes jaar opgeborgen in de nor,” zei Ben, „voor dat krakie in de Rotterdamsche Bank.”
     „Dat is waar ook,” zei Philip, „en De Beer is wel zoo link geweest om buiten schot te blijven.”
     Ben haalde de schouders op: „Zulke lieden blijven altijd buiten schot en als de toffe jongens in de nor komen, gaan zij nachtclubs oprichten van hun deel van den poet.”
     „Werk aan den winkel!” zei Philip. „Ben, jij gaat er op uit, morgen. En om tien uur moet je mij vertellen wat je te weten bent gekomen over dien moord op Rooie Gerrit. Als ik De Beer kan laten hangen, zal hij hangen, al moest het me een ton kosten.”
     Ben grijnsde breed: „Daar zullen heel wat jongens blij om zijn, meneer Raack,” zei hij; „sinds die kerel zoo fijn buiten schot gebleven is en de rest de kastanjes uit het vuur heeft laten halen, moeten ze niets meer van hem hebben....
     Philip knikte: „Zie wat je te weten kunt komen, Ben. Tot morgen. Ik ga ook een paar menschen opbellen.”
     Ben verdween naar zijn kamer, en Philip belde een paar menschen uit hun bed, maar te oordeelen naar zijn gezicht, toen hij terugliep naar zijn fauteuil in de groote voorkamer, was hij weinig wijzer geworden. Hij stak een sigaret op, verzonk in gepeins over De Beer, Rooie Gerrit, Schele Hendrik en.... bruine oogen onder blond haar.... Na een half uur schopte hij zijn schoenen uit, hing zijn jas over een stoel en ging slapen....

* * *

     Hij werd wakker doordat Ben, die om half vijf door de achteruitgang het huis verlaten had, de voordeur dichtsloeg. De groote klok in de hall liet acht slagen hooren. Buiten scheen de zomerzon en de vogels kwetterden in de hooge oude boomen op de gracht.
     Ben zag er vermoeid en lichtelijk aangeschoten, maar gelukkig uit. Op Philip’s roepen ging hij de slaapkamer binnen.
     „Jij hebt al succes gehad!” zei Philip. „Ga zitten, of nee, ga mee naar de bibliotheek, rust uit en verzamel je gedachten. Ik zal koffie voor je halen.”
     Ben zonk tevreden in een fauteuil, terwijl Philip zich in de keuken weerde. De verhouding tusschen Philip en Ben was ideaal. Was er weinig te beleven, dan was Philip de meester en heer des huizes en liep Ben, even correct als de meest ideale butler, in en uit met glazen en kannen, de krant en de ochtendpost. Dan kreeg Philip zijn ontbijt op bed en werd er geklopt vóór Ben binnentrad.
     Maar zoo gauw als er avonturen in de lucht zweefden, deelden zij lief en leed samen. Zij verdeelden de nachtwaken en was Ben een nacht op het oorlogspad geweest, dan zorgde Philip voor het ontbijt; de ideale kameraadschap.
     „Ik brand van nieuwsgierigheid,” zei Philip, terugkomend.
     Ben schonk koffie in, roerde even peinzend en begon dan: „Om half zes had ik beet. In dat kroegje van Zwarte Harry.... weet u niet? Zwarte Harry nam me mee naar achteren en wou eigenlijk niet veel vertellen, maar eindelijk, nadat ik gezworen had, dat geen mensch zijn naam zelfs maar zou kunnen vermoeden, kwam er een verhaal los, dat we maar eens moesten gaan neuzen in het oude huis dat Schele Hendrik vroeger als zomerhuis gebruikte.”
     Philip fronste het voorhoofd in de damp. „Waar ligt dat ergens?”
     „Op de Veluwe bij Nunspeet. Een half in puin gevallen, baksteenen buitenhuis met een half verrotte waranda ervoor. Verlaten door de eigenaars, die de belasting niet konden opbrengen. Schele Hendrik zat er ’s zomers wel eens met een liefje van hem. Er staat in geen kilometer omtrek een ander huis....”
     „En wat is daar te vinden?” vroeg Philip.
     Ben haalde de schouders op: „Doet u nu niet zoo onnoozel, baas! U weet hoe de jongens zijn. Als ze je zeggen, dat je daar maar eens moet gaan neuzen, weet je wel hoe laat het is! Ze zeggen nooit meer dan héél hard noodig is. En Zwarte Harry heeft alle touwtjes in handen. Als er maar iets te weten valt, hoort hij het na verloop van tijd vanzelf. Ik verwed een jaar salaris, dat dit ouwe landhuis het een en ander heeft meegemaakt.... Gelooft u mij.... Ik ken de jongens! Gaat u daar maar kijken. Maar pas op! Met De Beer moet je geen gijntjes maken.”
     Philip grinnikte een wreeden grijns: „Ik hoop maar één ding: dat ik vriend De Beer daar alléén tegen kom. Pak een kop koffie!”

* * *

     Om negen uur zat Philip in een heet bad met de ramen wijd open en zong een woest lied, terwijl hij zijn rug wreef. Om half tien was hij gekleed voor een tocht naar de binnenlanden van de Veluwe. Om vijf over half tien had hij Yvette aan de telefoon en om kwart voor tien was hij op de fiets op weg naar het station. In een koffertje achterop verborg hij enkele zonderlinge gereedschappen, die heelemaal niet pasten bij zijn keurige sportkleeding: een zaag, twee beitels, een vijl, een schopje, een hamer en wat breekijzers.
     Het was klokslag tien uur, toen hij, met Yvette naast zich, in de allerbeste stemming het Centraal Station uitreed, op weg naar Schele Hendrik’s verlaten landhuis aan de Veluwe.
     De tocht erheen, met de fiets van Nunspeet af, was een genot en werd in recordtijd afgelegd. Zij aten wat in een hotel in Vierhouten. Daarna stond Philip op en plantte Yvette in een stoel op het terras. Hij had, met den vooruitzienden blik hem eigen, wat boeken meegebracht en hij kondigde aan, dat hij ongeveer een uur of twee weg zou blijven, maar dat hij daarna een verrassing voor haar hoopte te hebben.
     Zij keek hem een beetje zonderling aan, maar zij had zulk een onbegrensd vertrouwen in hem gekregen, dat zij zonder meer zich, onder een groote oranje parasol, in haar rieten stoel nestelde en begon te lezen.
     Philip reed langzaam den kronkelenden weg af tot hij bij een rijwielherstelplaats kwam, gevestigd in een vervallen boerderij. Er hing een blauw bord uit, het eenige waaraan te zien was, dat er rijwielen hersteld werden.
     „Hé!” riep Philip en belde. Na verloop van tijd kwam er een man in overall naar buiten slenteren. „Weet u hier een oud huis, dat „De Groene Inkijk” heet?”
     De man in overall verloor plotseling zijn slaperige manier van doen en zijn oogen namen Philip scherp op.
     „Tweede pad links.... Tusschen de boomen en het hek door eerste pad rechts,” zei de man. „Maar er woont geen mensch.”


„.... tweede pad links,” riep de rijwielhersteller...

     „Weet ik,” zei Philip en reed verder.
     Hij vroeg zich af, wat dien man van de rijwielstalling zoo plotseling kon hebben doen opschrikken, maar het kon hem betrekkelijk weinig schelen. Een halven dag later, toen hij aan die gebeurtenis terugdacht, begreep hij beter, hoe de vork in den steel had gezeten!
     Het tweede pad links en daarin het eerste pad rechts bracht hem voor een vervallen hek, slordig in elkaar gezet uit ruwe dennenstammen. Van een pad was nauwelijks meer sprake. Hij reed voort over een tapijt van gladde dennenaalden. Twee minuten rijden brachten hem voor een groen bemost, verveloos, oud, steenen huis.
     Het moest vroeger eens het buiten geweest zijn van een welgesteld man, maar dat het lang geleden was geweest, was aan alles te zien. Van het dak ontbraken heele rijen pannen. De planken van de waranda waren verrot en bezweken onder zijn tred, de voordeur was dicht, maar het raampje erin bezweek toen hij er tegen duwde. Het slot was zoo verroest, dat hij het niet kon openen toen hij zijn arm door het raampje stak. Maar dat was geen bezwaar. Landloopers hadden blijkbaar in het huis overnacht en er ettelijke ruiten uitgehaald. Philip klom naar binnen en onderzocht het vreemde bouwvallige huis van den zolder af.


.... het moest vroeger eens een buiten geweest zijn van een welgesteld man....

     In een kamer op de benedenverdieping vond hij een massa bladeren, stroo en hooi.... daar blijkbaar verzameld door de landloopers, die er overnachtten. In dat vertrek was ook een open haard, die, te oordeelen naar de asch erin, op koude dagen door de daklooze heeren werd gestookt. Die open haard verklaarde ook, waarom er in het huis zooveel kastdeuren en planken ontbraken.... van tijd tot tijd werd blijkbaar voor het gemak een kastdeur of een kastplank in spaanders geslagen om te dienen een hongerigen landlooper wat warmte in zijn botten te brengen.
     Het was Philip niet duidelijk, wat Schele Hendrik met een dergelijken bouwval van een landhuis had moeten uitvoeren, maar toen hij het gebouw wat beter bekeek, werd het hem duidelijk, dat de meeste schade was aangericht doordat het huis vijf jaar lang aan weer en wind was blootgesteld geweest.... Vijf jaar regen, vorst, storm en wind benevens vijf jaar landloopers kunnen een tamelijk bruikbaar huis midden in een bosch in een halve ruïne veranderen!
     Op den zolder op de eerste verdieping en gelijkvloers vond hij totaal niets. Hij zocht met groote zorg alle kasten af; mat de muren en de kamers na om uit te zoeken of er ergens wellicht door middel van bijmetselen een geheime ruimte was gemaakt; brak hier en daar met een breekijzer een plank uit den vloer, maar dat laatste zonder veel overtuiging, want als er ergens een lijk tusschen den vloer was verstopt, zou dat, door de lucht alleen, reeds lang geleden zijn ontdekt.
     Op de eerste verdieping opende hij een venster. Het ging met veel moeite open en draaide knersend op zijn verroeste scharnieren. Toen het heelemaal open was, brak een doorgeroest scharnier af en het raam boog om; het andere scharnier brak eveneens en het raam viel kletterend op den grond in scherven en splinters. Philip maakte zich daarover geen bijzondere kopzorgen en staarde peinzend het bosch in, dat het heele landhuis omgaf. Zou het lijk - àls er tenminste wèrkelijk een lijk, het lijk van Rooie Gerrit, verborgen was - in den tuin, in het bosch zijn begraven? Hij dacht even na en schudde dan het hoofd. Het dorp Vierhouten was daar vlak in de buurt.... Boerendorpen hebben vele kinderen en bijna evenveel honden. Als er daar een lijk werd begraven, zou dat binnen enkele weken door een hond zijn ontdekt en opgegraven.... Neen. Philip zette de bosch-theorie uit het hoofd. Maar waar dan wèl?
     Hij liep de keuken in en ontdekte toen een deur in den hoek, die hij nog niet had opgemerkt. Het was niet de deur, welke naar de bijkeuken voerde. Hij opende haar.... Zij voerde den kelder in. Een muffe schimmelige geur kwam hem tegemoet. Het was stikdonker beneden. Philip floot zacht, stond even te denken boven aan de trap, ging dan terug en haalde uit het koffertje een kleine schop, een breekijzer, een hamer en een zaklantaarn. Met deze instrumenten gewapend daalde hij de keldertrap af.
     Op de laatste trede bleef hij staan, zachtjes fluitend, en keek rond, zijn lantaarn overal heen lichtend. De vloer van den kelder bestond uit aarde. Zwarte, hard aangeplempte aarde. In die aarde waren hier en daar paddestoelen opgeschoten en in een hoek groeide een van de mooiste collecties champignons, die Philip ooit had gezien!
     Langs den wand, dik bedekt met schimmel, waren rekken tot meer dan manshoogte. Aan de eene zijde wijnrekken, aan de andere zijde rekken voor inmaakpotten en eieren en aan het einde van den kelder waren houten hokken, kennelijk bestemd voor aardappels en kolen. De kelder was ten minste acht bij twaalf meter groot.
     Philip floot peinzend verder. Tenslotte trok hij met een besloten gebaar zijn flanellen jas uit en hing die aan een spijker in een rek. Hij zette zijn zaklantaarn op het rek aan de overzijde, en waadde door de paddestoelen naar het einde van den kelder. Hij nam breekijzer en hamer en sloeg het ijzer uit alle macht in den grond, tot het er bijna in verdween; trok het er weer uit, dreef het met kracht opnieuw in de aarde, een voetlengte verderop. Zoo werkte hij de twaalf meter lengte van den kelder af. Toen hij den achterwand had bereikt, druppelde het zweet van het voorhoofd en zijn rug deed pijn. Hij richtte zich op en keek wanhopig de acht meter breedte over, die hij op deze wijze zou moeten bewerken. Hij legde het gereedschap op den grond, stak een sigaret op, en bedacht, dat steeds en ten allen tijde dom werk kan worden bekort door eerst na te denken en dan te gaan werken.
     „Als ik,” zei Philip tot zichzelf, „hier in Nederland Amerikaansche gangstermethodes toepaste, en ik zou hier een lijk begraven, waar zou ik het dan doen?.... Juist, Philip! In den kelder. Maar wat zou ik doen om zeker te zijn, dat politie- of gewone honden het niet zouden ruiken en het opgraven?.... Juist, Philip! Ik zou het ingieten in een blok beton.... En, wáár zou ik het in den kelder begraven?.... Juist, Philip! Elk menschelijk instinct zou mij aandrijven om het niet in het midden van den kelder te doen, maar in een van de hoeken.”
     Hij gromde, smeet zijn sigaret weg, liep naar een hoek van den kelder, zette zich weer op één knie en dreef het breekijzer weer in den grond, en vernielde daarbij vier prachtige champignons.


... liep naar den hoek van den kelder, zette zich op één knie....

     „Als ik hier bot vang, zal niets mij beletten mij te troosten door hier voor een volle week maaltijden champignons vandaan te sleepen,” overlegde Philip.
     Hij liep naar den anderen hoek, sloeg weer op het breekijzer, dat met een metaalachtigen klank afketste op steen, niet meer dan vijftien centimeter onder de zandoppervlakte.
     „Wel, wel,” zei Philip, „laten wij hopen dat het niet de fundamenten zijn of resten van een oude Romeinsche nederzetting.” Hij sloeg voor de tweede maal, een voet meer naar het midden. Hetzelfde geluid op dezelfde diepte. Binnen twee minuten had hij bepaald, dat er onder de aarde een bandlengte diep, een blok steen lag van ongeveer één meter tachtig bij zestig centimeter. Hij wierp hamer en breekijzer weg, nam het schopje en legde na eenigen tijd een blok beton bloot. Daarna nam hij het breekijzer weer op en begon te hakken met een voorbeeldeloozen ijver.
     Het was geen beton, waaruit het blok bestond, het was bijna zuiver cement, zoo hard als graniet. Het zweet stroomde tappelings langs zijn rug, de stukken cement vlogen hem in het gezicht, maar hij hakte door, al zijn krachten bepalend op het midden van het blok. Het kostte hem tien volle minuten om te bereiken wat hij wilde bereiken. Toen zakte plotseling zijn breekijzer weg in het midden van het ruwe gat, dat hij had gebikt. Eén blik was voldoende. Hij bekeek peinzend het eind van het weer opgehaalde ijzer. Het was volkomen afgestompt door het hakken en nu besmeurd met een vreemde substantie....
     Hij legde het gereedschap weer neer, stak een sigaret op en knoopte zijn shirt los. Het was kletsnat op den rug. Hij wischte zijn gezicht af, veegde zijn handen schoon zoo goed het ging en beklom moe en hijgend de trap naar de keuken. Hij sloot de deur naar den kelder, ging naar den achterkant van het huis en vond daar wat hij zocht: de regenput. Bijster schoon was het water niet, maar hij kon er zijn handen in wasschen en dat was voldoende.

* * *

     Yvette keek hem verwijtend aan, toen hij eindelijk, met eenigszins stramme beenen, over het terras vol menschen naar haar tafeltje toe kwam. Het verwijt in haar oogen werd een lichte verbazing, toen zij zijn besmeurd gezicht zag, zijn vuile hemd en de vegen op zijn broek, welk zoo smetteloos was geweest dien ochtend bij het vertrek.
     „Mijn hemel!” riep ze uit, „wat heb je uitgevoerd? Heb je gevochten met den veldwachter?”
     „Ik smeek je, nog tien minuten te willen wachten,” zei Philip, „tot ik me ergens in dit hotel van het ergste vuil heb ontdaan.”
     Na eenig gepraat en eenig uitdeelen van rijksdaalders speelde hij het klaar een badkamer ter beschikking te krijgen. Hij waschte zich, ontdeed zich van resten schimmel, aarde en stukken champignon, reinigde zijn nagels, kamde zijn haren en veegde het ergste vuil van zijn broekspijpen.
     „Nu zou ik toch wel graag willen weten, wàt je eigenlijk hebt uitgevoerd,” zei Yvette, toen hij terugkwam.
     „Dat,” zei Philip, „is een sinister verhaal. Ik heb hedenmiddag een strop gevlochten voor jouw grooten vriend De Beer.” Hij sprak met innige voldoening en Yvette keek hem verbaasd aan.
     „Voor De Beer?” vroeg ze. „Een strop?”
     Philip knikte en toen begon op gedempten toon een conversatie, welke hoofdzakelijk door Philip werd gevoerd en waarbij Yvette langzaam bleeker werd. Toen Philip ophield met praten en den kellner riep om twee glazen met nieuwen, koelen inhoud, zat zij enkele minuten lang voor zich uit te staren.
     „Hemel,” zei ze eindelijk, „je zou ook niet zeggen, dat die mijnheer De Beer zoo’n schurk was.”
     „Lieve, lieve Yvette,” zei Philip, „ik zou niets liever doen dan je op stel en sprong eindeloos kussen.”
     „Ja?” zei Yvette; haar bruine oogen keken fluweel-zacht en het woord werd meer geademd dan gesproken.
     „Ik zal het echter moeten nalaten,” zei Philip, ietwat spijtig; „maar als ik met dit verhaal alléén maar bereik, dat het tot je sierlijke hoofdje doordringt, dat de wereld voor driekwart bestaat uit menschen, die hun uiterste best doen hun medemenschen te flesschen, zal ik me rijkelijk beloond achten.”
     „Dat is natuurlijk overdreven,” meende Yvette. „Driekwart!”
     Philip zuchtte en nam een zeer langen teug van zijn versche, koele glas. „Integendeel,” zei hij, „het is te zacht uitgedrukt. Maar dat geloof je toch niet. Als je nu maar alvast gelooft, dat er veel menschen zijn, die azen op onschuldige meisjes zooals jij, en dat je als vrouw steeds beginnen moet met achter àlles een bijbedoeling te zoeken, welke ongunstig is.... wel, dan zijn we een heel eind.”
     „Maar dan wordt het leven zoo akelig,” zei Yvette.
     „Integendeel,” antwoordde Philip, „dan wordt het leven pas een groot pokerspel. Het leven is niets anders.... Zullen we hier blijven eten?”
     Zij bleven daar eten. De dag was veel te mooi om daar zoo gauw weg te gaan. Trouwens, zij schoten wonderlijk goed op samen.

* * *

     Het was tien uur in den avond, toen zij weer op het Centraal Station stonden, Philip fluitend, Yvette zonder hoed, haar gouden haren fladderend in den zomeravondwind.
     „Weet je wat ik doe, voordat ik je thuis breng?” zei Philip. „Ik bel in die telefooncel mijn huis eerst op of er nieuws is. Ik ga maar niet meer naar de politie; die kan ik ook morgen vroeg waarschuwen. Mijn kleine vrienden van de recherche hebben er tòch een hekel aan om op een prachtigen zomeravond te worden gealarmeerd met gevonden lijken, die vijf jaar oud zijn.”
     Hij ging naar de telefooncel en kwam er even later weer uit met een zonderlingen trek op zijn gelaat. „Jouw vriend De Beer heeft vandaag driemaal opgebeld. Hij moest mij dringend spreken. Zijn particulier adres is in de De Riemerstraat. Laten we er langs rijden.”
     „Zou hij lont geroken hebben?” vroeg Yvette.
     „Onmogelijk zei Philip, „hoe zou dat kunnen?”
     Op dat oogenblik dacht hij niet aan de vreemde belangstelling van den man bij de rijwielreparatieplaats in Vierhouten. Een uur later dacht hij daar wèl aan en toen werden hem vele dingen duidelijk.
     Tien minuten, nadat zij het station verlaten hadden, waren zij in de De Riemersstraat. „Nummer 48,” mompelde Philip. Van nummer 76 af kwamen er groote, hooge heerenhuizen. Het begon al aardig donker te worden. Het was kwart over tien, toen Philip stopte voor nummer 48. Het huis onderscheidde zich door niets van de andere huizen in de buurt.
     „Je hebt natuurlijk geen revolver meer?” vroeg Yvette.
     „Nee,” antwoordde Philip, „maar dat komt wel goed.”
     „Je bent gek,” meende Yvette.
     „Weet ik,” zei Philip kalm; „er zijn weinig dingen ter wereld heerlijker dan op zijn tijd behoorlijk gek zijn. Blijf alsjeblieft kalm daar aan den overkant met de fietsen staan tot ik weer naar buiten kom.”
     Hij klom de drie treden van de stoep op en drukte op de bel. Een electrische deuropener gromde en het slot sprong los. Philip duwde de zware deur open en keek de gang in. Er brandde, in de hall achter de blauwglazen tochtdeur, een groote lamp hoog aan het plafond. Toen hij die deur doorging strekte een donkerroode looper zich voor hem uit. De gang was echter totaal verlaten. „Asjemenou,” mompelde Philip. Hij liep enkele passen de gang in en bleef staan.
     Het huis was doodstil. Philip begon zich onbehaaglijk te voelen. De volkomen stilte in dat huis, het hel brandende kunstlicht verspreidden een geheel andere sfeer dan het laatste daglicht buiten van een vroolijken zomerdag.
     „Hallo!” riep hij. Geen antwoord.
     Philip schoof zijn hoed achter op het hoofd en stond nog steeds aarzelend stil. Het was nu wel duidelijk, dat er ergens iets niet in orde was.... Als De Beer iets met hem te bespreken had, zou hij hem wel tegemoet gekomen zijn. Per slot van rekening had iemand toch onmiddellijk na zijn bellen de deur geopend! Philip nam zijn besluit. Het zou roekelooze waanzin zijn zich zonder wapens verder in dat huis te wagen.... De gang strekte zich voor hem uit met deuren links en deuren rechts. Als hij verder liep, kon uit elke deur een vent met een ploertendooder springen. Hij wendde zich om, op de voordeur toe.... Maar het was al te laat, hij hoorde een licht geluid achter zich, keerde zich met een ruk om.... en stond voor De Beer, De Beer met een vettigen, triomfeerenden grijns op zijn gezicht en in de hand een automatischen revolver; op het einde van den revolver ontwaarde Philip een cylindrisch voorwerp.... een knaldemper.
     „Handen omhoog.... Snel!” siste De Beer. „Ik schiet onmiddellijk!”
     Philip was een uitmuntend menschenkenner. Hij wist, dat iemand als De Beer, die in het nauw zat, zonder medelijden zou schieten... als hij dat zonder risico kon doen. De Beer kòn zonder risico schieten, want zijn pistool zou geen knal geven. Philip hief zijn handen omhoog.
     „Loop naar achter de gang door,” siste De Beer. „Vlug wat!” Zijn half dichtgeknepen oogen lieten Philip Raack geen seconde los. Philip wist, dat De Beer van hem verwachtte, dat hij een sprong zou maken en hem een schop geven.... Hij zag, hoe de vette voorvinger, waaraan drie diamanten ringen prijkten, gekromd lag om den trekker van den revolver....


„Loop de gang door.... Vlug wat!”

     Zij stonden met zijn tweeën in de gang. Wilde Philip de gang uitloopen, dan moest hij De Beer passeeren. De gang was in totaal misschien een flinken meter breed. De Beer gaf hem zooveel mogelijk ruimte. Hij stond met zijn rug tegen den muur, zijn elleboog tegen den wand gesteund, en hield den loop van zijn pistool zonder weifelen op Philip gericht. „Vlug, vlug,” siste hij, „loop me voorbij....”
     Philip strekte zijn handen zoo hoog mogelijk boven het hoofd en legde op zijn gezicht een trek van grooten angst. Zijn tegenstander zag het en een glans van triomf kwam in zijn oogen. Philip begon achteruit te schuifelen, langs hem heen. Hij was bijna tegenover hem.... De mond van den revolver wees recht naar zijn maag en volgde hem feilloos. Schoppen, slaan en springen zou onmiddellijk den dood tengevolge hebben, daarvan was Philip zeker... Nog twee passen.... nog één.... Hij was vlak tegenover De Beer en drukte zich plotseling uit alle macht voorwaarts - zijn handen nog steeds geheven - tot hij met zijn maag tegen den mond van het automatische pistool drukte. De Beer’s elleboog rustte tegen den wand en Philip duwde tegen den mond van den revolver tot hij dacht, dat deze er naast zijn ruggegraat weer uit zou komen.
     Er volgde een moment van ongelooflijke spanning.... Elk onderdeel van een seconde verwachtte Philip een doffe „plop” te hooren en een kogel door zijn maag te voelen gaan. Het schot kwam niet. Beneden hem zag hij eerst een blik van groote verbazing op het gezicht van De Beer en dan een trek van ontzetting. Philip liet bliksemsnel één hand zakken, nog steeds tegen den mond van den revolver drukkend, en duwde de lade van het automatische pistool terug, tot het wapen de patroon opzij uitspuwde. De glanzende koperen patroon viel op het roode tapijt.
     Dat was gebeurd! Philip haalde uit zoover zijn vuist reiken wilde, klemde zijn tanden op elkaar en gaf den vuistslag, dien hij sinds vier-en-twintig uur brandde van verlangen om te kunnen geven midden in het vettige gelaat voor hem. Een snelle ruk en hij hield den revolver in zijn hand. Hij liet het wapen in zijn broekzak glijden, greep zijn belager in den kraag, die met een gelaat, star van angst en ontzetting, hem aanstaarde, en zette hem midden in de gang.


.... Philip haalde uit en gaf een slag....

     „En nu: als man tot man, vervloekte lafaard!” zei Philip. Hij haalde uit en gaf een slag, die den ander drie meter verder in de gang deed belanden. En toen gaf Philip het vreeselijkste pak slaag, dat hij ooit iemand had toegediend, tot er weinig meer over was dan een jammerend hoopje ellende, dat zijn dichtgemepte oogen met de hand beschutte en om genade kermde.
     „Wel, wel,” zei Philip, „wat een held!”
     Hij pakte de hoop ellende in zijn kraag, sleepte hem naar de keuken - Philip verwonderde er zich over, dat er blijkbaar niemand anders thuis was - en hield hem met het hoofd onder de koude kraan, tot hij weer capabel was om op zijn beenen te staan.
     „Ik zou eigenlijk weer opnieuw moeten beginnen,” zei Philip, „maar ik weet iets veel leukers.” Hij nam een paar handdoeken van het rek, vond een bos touw in het aanrechtkastje en begon zijn gevangene deskundig te binden.
     Toen hoorde hij een geluid achter zich. Hij keerde zich met een ruk om: het was Yvette. Zij zag doodsbleek en staarde hem aan met wijdopen oogen.
     „Hoe.... hoe durfde je dat in ’s hemelsnaam?” hijgde zij en zonk op een stoel neer.
     Philip nam snel een glas water en liet haar drinken. „Wat bedoel je?” vroeg hij.
     Yvette dronk en drukte een hand op haar hart. „Philip....,” zei ze, „ik dacht dat ik van angst flauw zou vallen. Waarom schoot hij niet?” Zij knikte naar De Beer, die op een stoel was neergezegen, een samengebonden bundel.
     Philip lachte opgewekt: „O ja.... Dat snapt hij zelf nog niet eens, geloof ik. Ik zal het jullie laten zien.”
     Hij trok het automatische pistool uit zijn broekzak en hield het tusschen hen in.
     „De Beer kan het niet zien,” zei Philip, „zijn oogen zitten volkomen dicht. Maar hij kan het hooren. Kijk.... als je een automatisch pistool hebt, kan de loop van het ding - de lade heet dat - op de kolf voor- en achteruit schuiven, zie je?” Hij schoof de lade achteruit en een patroon viel op den grond. „Maar het leuke bij een automatisch pistool is ook, dat de trekker niet kan overgaan, als de loop zelfs maar een paar millimeter achteruit schuift. Kijk maar.” Hij schoof den loop een paar millimeter naar achteren en drukte op den trekker. Er gebeurde niets.
     „Dat was, wat ik deed,” zei Philip. „Omdat zijn elleboog tegen den muur steunde, drukte ik den loop van het pistool naar achteren en de arme De Beer kon niet schieten, hoe graag hij het ook wilde....”
     Philip liet het pistool in zijn broekzak glijden en keek even peinzend op Yvette neer. „Dat is waar ook,” zei hij, „hoeveel krijgt De Beer nog van je?”
     „Zevenduizend vierhonderdvijftig gulden,” antwoordde Yvette. Philip tastte in De Beer’s binnenzak en haalde er een dikke portefeuille uit. Hij telde zevenduizend vierhonderd vijftig gulden uit, en gaf ze aan Yvette.
     „Alsjeblief zei hij, „wees niet bang. Mijn vriendjes van de recherche zijn zoo blij met het nieuws, dat ik ze kom brengen, dat ze er niet over zullen peinzen, dat dit een beetje langs den on-officieelen weg gebeurt. Zuiver juridisch bekeken maak ik mij schuldig aan diefstal en jij aan heling, maar moreel gezien is het mijn goed recht. En dat snappen ze op de centrale recherche ook wel. De politie is heusch niet zoo gek.” Hij liet den bundel De Beer in den stoel gebonden achter, zette voor den spiegel in de gang zijn hoed weer op, die bij het gevecht was afgevallen, en verliet met Yvette het huis.


.... zette zijn hoed voor den spiegel weer op...

     „Waar ga je heen?” vroeg Yvette.
     „Even een berichtje afgeven op het politiebureau,” zei Philip. „Ga je mee? Ik kan je goed gebruiken als getuige. Daarna staat er een koel glas op het programma.”
     Hij trok de deur achter zich dicht.
     „Philip,” zei Yvette, toen zij wegreden.
     „Zeg het eens,” antwoordde Philip opgewekt.
     „Mag ik je dat koele glas aanbieden van de gemaakte winst?”
     „Kind,” zei Philip, „als je dat plezier doet.... graag.”
     Zij reden door het park verder.
     „Philip,” zei Yvette.
     „Engel?” vroeg Philip.
     „Zul je dergelijke vrééselijke dingen als met dat pistool nooit meer doen? Je bleef zoo lang weg, dat ik ging kijken. Ik was juist binnengekomen, toen je je daar tegen dien revolver opdrukte. Ik dacht, dat ik het bestierf van schrik.”
     „Engel,” zei Philip, „dergelijke dingen zal ik waarschijnlijk nog vele malen moeten doen, maar trek je er maar niets van aan.... trouwen doe ik nooit. Ook jou niet. Juist daarom! Want zoo gauw je getrouwd bent, begint je vrouw je alles te verbieden wat gevaarlijk is.... Ze rijdt je achterna met jaegertjes tegen kouvatten en aspirine tegen griep, en vóór je weet waar je bent, mag je niet eens meer met een revolver spelen. Ik trouw nooit, Yvetje.”
     „O,” zei Yvette, peinzend. Zij voelde, dat hij een van de héél weinige mannen was, die dat meenden.

(Teekeningen van Karel Thole)


De reeds verschenen nummers van „De Drie-Stuivers-Roman” waren getiteld:

Nr. 1 :
Nr. 2 :
Nr. 3 :
No. 4 :
MISDAAD IN HET PARKHOTEL
DE MISLUKTE AANSLAG
SONJA ONTVOERD
Dr. KRAMER ONTMASKERD


Deze nummers van „De Drie-Stuivers-roman” zijn bij de Uitgeefster uitverkocht



Philip Raack’s
zesde avontuur:


DE VERDACHTE NOTARIS


     „Notaris Vermeulen, als ik het wel heb?” zeide Philip. Hij had hem nooit te voren gezien, alleen maar in een bepaald verband, dat hij zich met den besten wil van de wereld niet meer herinneren kon, maar dat van ongunstig karakter moest zijn geweest, van hem gehoord. Zijn haakneus en scherpe oogen gaven hem iets van een arend. Zijn stem stond echter in belachelijken tegenspraak met dit uiterlijk. Die was hoog en vrouwelijk....

     .... Philip bevond zich in de denkbaarst ongunstige positie. Opgerold onder een bureau in een nauwe ruimte, moest hij, met bovendien een muur achter zich, zich voelen als een rat in zijn hol, waarvoor een val stond. Bezat zijn tegenstander een revolver, dan was hij verloren....

     .... „Ik heb het gedeeltelijk ontcijferd,” zei Philip. „Morgen, o nee.... vandaag zelfs, met den middagtrein uit Groningen, komt er een sinjeur O 14 en hij heeft iets heel belangrijks bij zich: briljanten. Kijk, een nauwkeurige beschrijving volgt. Men kent hem dus blijkbaar hier niet....”

     „.... en in de voornaamste plaats, Sonja, wil ik weten, wat Vermeulen er toe dreef op het laatst zoo hartstochtelijk te schreeuwen, dat hij jou wel zou krijgen....”



Op 19 Maart bij alle kiosken!

Ook verkrijgbaar bij den boekhandel.


Postabonnementen worden door de Uitgeefster NIET aangenomen



„DE DRIE-STUIVERS-ROMAN” verschijnt Vrijdags om de 14 dagen onder redactie van Louis Thijssen, Voorburg (Z.H.) - Uitgave der N.V. Nederlandsche Uitgeverij „Opbouw”, Paulus Potterstraat 4, Amsterdam Z. - Telef. 98145, 21511, 21424. - Offsetdruk van Drukkerij Verweij, Mijdrecht.

PRIJS PER NUMMER 15 CENTS.
EERSTE JAARGANG - NUMMER 5 - 5 MAART 1943

P 1083/6


Op grond van stilistische kenmerken („Hij schudde het hoofd”, „Hij haalde de schouders op”, etc.; daar waar „Thijssens” Philip slechts zei, vroeg en een enkele maal antwoordde, heeft „Van den Houts” Philip meer manieren om zich uit te drukken: deze ried, gromde, grijnsde, gaf te kennen, meende, glimlachte, riep, etc.) is deze aflevering van „Philip Raack” hoogstwaarschijnlijk toe te schrijven aan W.H.M. van den Hout, die ons wel in verwarring probeert te brengen door eenmaal „in plaats van” te schrijven, maar zich toch verraadt door het gebruik van de uitdrukking „een borst als een biervat” (blz. 4).