Ter introductie

van Philip Raack



     Philip Raack is de eenige zoon van wijlen een schatrijk Indisch planter, die hem zijn geheele vermogen en een groot huis op de Koningsgracht te Amsterdam naliet - zoo werd Philip ons voorgesteld in het eerste nummer van „De drie-stuivers-roman”.
     Hoewel zijn vader hem graag dokter had zien worden, zwierf Philip bij voorkeur in café’s en havenbuurten, werd dikke vrienden met chauffeurs, kellners, zeelieden, politieagenten, die hij hielp waar bij kon, óók financieel, zij het dan anoniem. Hij wilde wat van de wereld zien en.... de cententellende, krentenwegende, gezapige burgers, wáár hij kon, een hak zetten.
     Sonja, een wees van goede familie, die als cabaretzangeres in een Rotterdamsche café was terechtgekomen en daar om haar uiterlijk groot succes oogstte, zette op slag Philip’s hart in vlam.
     Sinds twee jaren zwierven zij door de wereld, een knap, maar merkwaardig paar, belust op avontuur. En in die twee jaren was er heel wat gebeurd. Als een tweetal wrekende goden waren zij er op uitgetrokken, hun hersens, hun vindingrijkheid en Philip’s geld gebruikend om te speuren naar dikgegeten renteniers, onscrupuleuze zakenlieden, verwijfde rijkeluiszoontjes, die nog geen roeispaan konden tillen, en juffertjes van goeden huize, die niets beters te doen wisten dan hun dienstmeisjes het leven zuur maken, en zij waren niet afkeerig van een detective-karweitje, dat hen al eenige keeren met de politie in aanraking had gebracht....



SONJA ONTVOERD



     Rrrreng!.... Het geluid van de telefoonbel wekte Philip Raack uit zijn slaap. Rrreng!.... Ten tweeden male, luid en nadrukkelijk in den stillen nacht. Philip schoot overeind in zijn bed. De lichtgevende wijzers van den wekker wezen half twee. Hij vroeg zich af, wie het in zijn hoofd kon halen hem op zulk een onzalig uur op te bellen. Rrrreng!.... belde het toestel in de hall voor den derden keer. Waar bleef die Ben toch? Hij was anders altijd direct wakker, sliep trouwens vlak bij het toestel.
     Het was koud in de slaapkamer. Philip verwenschte de kou en vervloekte den onbekende, die het in zijn hoofd had gehaald hem op dit uur uit zijn bed te bellen. Hij wachtte nog even. De telefoon ratelde schel en alarmeerend door. Philip uitte een minder passend woord, slingerde zijn beenen over den bedrand, graaide naar zijn kamerjas, die op een stoel naast zijn bed lag, trok die aan en begon den tocht naar beneden, naar de hall.
     Het vuur in den open haard was uitgegaan, hier en daar lag nog een stuk steenkool te smeulen. Hij tastte naar den schakelaar, knipte het groote middenlicht aan en nam den haak op.
     „Raack,” sprak hij kort, en luisterde.
     „Ah, mijnheer Raack,” antwoordde iemand aan den anderen kant van de lijn. „Ik moge u eerst mijn oprechte verontschuldigingen aanbieden voor het feit, dat ik u nog zoo laat opbel, maar mijn tijd is zeer beperkt. Ik heb u een aanbieding te doen.”
     „Een wàt?”, vroeg Philip. Visioenen van stofzuigers, levensverzekeringen en auto’s op afbetaling flitsten door zijn hoofd.
     „Een aanbieding, mijnheer Raack, en een heel mooie ook. Ik....”
     „Ja, maar verdraaid,” brieschte Philip, die het koud begon te krijgen, „is dit een grap, mijnheer? Of wat heeft dit te beteekenen? Om half twee in den nacht aanbiedingen doen? Doet u mij een plezier, mijnheer, en komt u morgen persoonlijk hier. Dan kan ik u tenminste ook een aanbieding doen. Heele firmamenten, compleet met sterren.”
     „O mijnheer Raack,” zalfde de stem verder, „kwaad worden is heel onverstandig van u. De aanbieding, die ik op het oogenblik heb, is een zeer speciale. Dat treft u geen tweeden keer. U heeft geen idee, wie ik ben.”
     „Wie u bent, of wat u bent, laat me koud,” brulde Philip woest. „Heeft u iets van belang, ja of neen? Anders ga ik naar bed.”
     „Ik vermoed, dat u het vrij belangrijk zult vinden,” sprak de stem aan de andere zijde van de lijn. „Kijk eens, mijnheer Raack, we zullen er geen doekjes om winden: het betreft dat mooie juffertje, dat bij u in huis woont. Dat mooie vriendinnetje van u.... Weet u niet?”
     „Sonja?” vroeg Philip, plotseling op zijn hoede. „Wat bedoelt u?”
     „Niets bijzonders, mijnheer Raack. We hebben haar alleen een beetje veilig opgeborgen. Waar, dat doet er niet toe. Nu heb ik het volgende voorstel: Morgenavond om ongeveer acht uur komt er iemand bij u met een brief voor u. Dezen persoon geeft u een bedrag van, nou, laat eens kijken, mijnheer Raack, u bent nogal rijk, - nou, goed, u geeft hem twintig mille mee in niet al te nieuwe briefjes van tien. Geen chèque, of iets dergelijks, daar zijn we vies van. Ik persoonlijk garandeer u, dat uw vriendinnetje dan overmorgen weer bij u is, zonder één enkel schrammetje. Afgesproken? O ja, nog één goede raad, mijnheer Raack: denkt u er vooral aan, geen woord tegen de politie, anders zouden er heel onprettige dingen met uw juffrouw Sonja kunnen gebeuren. Afgesproken, mijnheer Raack? Er zal trouwens weinig anders voor u opzitten!”
     „Schoft, vuile schoft,” schold Philip, zijn zelfbeheersching verliezend, „wacht, tot ik je in mijn vingers krijg!”
     „Schelden staat niet netjes, mijnheer Raack,” antwoordde de stem en ging verder: „Dus, tot morgen, zooals afgesproken. Goeden nacht, mijnheer Raack.”
     Er klikte iets in het toestel. De verbinding was verbroken.
     Philip legde uiterst langzaam den hoorn op den haak, draaide zich om en begon zwijgend den terugtocht naar zijn kamer, het licht in de hall aanlatend. In den open haard glommen de laatste vonken van een stervend vuur.

* * *

     Philip sliep niet, dien nacht. Hij liep eerst in zijn slaapkamer heen en weer, de eene sigaret rookend na de andere. Daarna ging hij naar de keuken en zette een grooten pot koffie. Hij had rust noch duur. Allerlei gedachten woelden dooreen in zijn hoofd. Sonja! Hoe zou zij het nu maken? Hoe zouden zij haar behandelen? Wie zou haar verborgen houden en waar? Hoe zou zij in hun handen gevallen zijn? Zij was twee dagen tevoren naar Utrecht vertrokken.... En die vent aan de telefoon had nog gelijk ook! Hij kon onmogelijk de politie in deze zaak mengen.
     Zoo langzamerhand maakte een gevoel zich van Philip meester, of neen - hij wist het nu zeker, een gevoel was het niet - het was de zekerheid, dat Sonja, de vriendin, met wie hij eenige jaren lief en leed gedeeld had, die altijd zijn trouwe helpster was geweest bij het uitvoeren van zijn (zij het niet altijd even correcte) plannen, voor hem toch wel iets méér beteekende dan alleen een „vriendin”.
     De gevoelens, die hij voor Sonja koesterde, zaten dieper en brachten hem tot de overtuiging, dat zij een toch wel zeer groote plaats in zijn hart veroverd had in den loop der jaren. Hij was in het geheel niet verliefd op haar, en trouwen was een mogelijkheid, die zij beiden altijd verworpen hadden. Zij wisten, ja, waren er beiden van overtuigd, dat een huwelijk tusschen hen een fiasco worden zou. Sonja en hij getrouwd! Philip glimlachte even, bij de gedachte alleen. Sonja en hij, zittend bij den haard, hij met een boek, zij met een handwerkje. Herinneringen ophalend. Van die „Zeg-weet-je-nog’s”. Zij beiden met hun ingeboren afkeer van alles, wat naar burgerlijkheid zweemde, zij pasten beter zóó bij elkaar.
     En toch.... Philip smeet zijn sigaret in een leeg kopje. Wat mankeerde hem toch? Sentimenteele idioot! schold hij zichzelf. Het was beter na te denken over een manier om Sonja te bevrijden! Hij zou die lui te pakken nemen, zwoer hij. Hoe, wist hij nog niet.
     Hij lag achterover in een stoel, staarde naar het schemerig witte plafond boven zijn hoofd en peinsde, peinsde.... Het was niet gemakkelijk. Hij had geen vaag idee, wie Sonja gevangen kon houden of waar zij gevangen kon zitten.
     Toen het eerste, grauwe morgenlicht door de gordijnen kierde en de eerste trams rammelend de remise uitreden, had Philip nog steeds geen oplossing gevonden.

* * *

     Om acht uur dien morgen werd Philip, die ruggelings op zijn bed lag, uit zijn overpeinzingen gewekt doordat Ben, zijn trouwe kamerdienaar, binnentrad en de gordijnen opentrok. Philip zei: „Ben....”
     Op het geluid van zijn stem draaide deze zich om. „Goedenmorgen, mijnheer. U is vandaag al vroeg wakker!”
     „Ben,” sprak Philip weer, „ga beneden een pot thee voor me zetten en kom dan eens hier op dezen stoel zitten. Ik heb je wat te vertellen.”
     „Zeker mijnheer.” Ben boog, en verdween, de deur zacht achter zich sluitend.
     Ben, overwoog Philip, zou zeker bereid zijn hem te helpen Hij was een prachtkerel, zorgde voor het eten, beheerde de huishoudkas, regelde alles met de leveranciers, verscheen altijd op het juiste moment, kortom, Philip kon zich het leven niet indenken zonder Ben.
     Ben trad weer binnen, plaatste een pot thee op het nachttafeltje naast Philip’s bed, nam plaats op den hem aangewezen stoel en keek afwachtend.
     „Ben,” zoo begon Philip, na zijn keel geschraapt te hebben, „zou jij mij ergens mee willen helpen? Het is een vrij moeilijk uit te voeren opdracht en je hebt behoorlijke kans, dat je een blauwe boon tusschen je ribben krijgt. Ik waarschuw je vooruit.”
     Ben haastte zich Philip ervan te overtuigen, dat niets hem liever zou zijn dan wat opwinding.
     „Zooals u misschien nog wel weet, mijnheer, heb ik acht jaren op de „Vrijbuiter” gevaren. Het leven op dat schip liep ook niet altijd bepaald rustig.”
     „Goed,” zei Philip. „Goed, luister dan....” Hij vertelde hem het verhaal van den voorbijen nacht. Toen hij uitgesproken was, nam hij zijn bijna koud geworden thee van het nachttafeltje, en keek Ben gespannen aan.
     Deze zei niets, maar zat daar met gefronste wenkbrauwen eenigen tijd voor zich uit te staren. Philip grabbelde in de la van het nachttafeltje, zonder zijn blik van Ben af te wenden. Sigarettenrook kringelde dra blauw omhoog.
     Eindelijk schraapte Ben zijn keel, deed een extra diepe haal aan zijn sigaret, keek Philip aan, en sprak: „Ja, mijnheer Raack, dit is wel een heel erg moeilijk geval. De politie kunt u hierin niet mengen. Wij zullen dus heelemaal aangewezen zijn op eigen kracht. Het uiterste zullen we in dit geval moeten probeeren. Juffrouw Sonja moet gered worden, koste wat het kost. Ik heb nu het volgende plannetje, tenminste, als u ermee accoord gaat. U heeft gezegd, dat die man vanavond om een uur of acht zal komen. Ik zal hem dan binnenhalen en bij u brengen, in de bibliotheek. Dan ga ik zoo snel mogelijk een andere jas aantrekken en een bril opzetten. Daarna zal ik langs den achterkant het huis verlaten. Als u dan vanmiddag in de stad een auto gaat huren, dan zal ik probeeren den vent te volgen als hij dit huis weer verlaat. Misschien kan ik op die manier het adres te weten komen, waar juffrouw Sonja verborgen wordt gehouden. Anders misschien de verblijfplaats van de bende. Juffrouw Sonja zal en moet uit hun klauwen worden bevrijd.”
     Hij staarde voor zich uit, zijn oogen stonden strak, zijn kin vastberaden. „Er is echter één ding, mijnheer Raack: u zult dengene, die vanavond bij u zal komen, het geld mee moeten geven, daar zal niets anders opzitten.”
     „Ja, ja,” antwoordde Philip, „daaraan zal niets te veranderen zijn.” Hij knipte de asch van zijn sigaret bedachtzaam in het aschbakje.
     „In elk geval, mijnheer Raack,” zei Ben, „u kent me zoo langzamerhand al heel wat jaartjes. U en ik hebben samen al heel wat uitgehaald. Als het erop aankomt, sta ik mijn mannetje heusch wel. En nu het om juffrouw Sonja gaat....”
     Hij zweeg abrupt. Er was een vreemde glans in zijn oogen gekomen. Philip staarde hem verbaasd aan. Dan reikte hij hem de hand.
     „Accoord Ben, wij samen, jij en ik, wij wagen het erop. Ik ga me nu aankleeden en dan zal ik in de stad een wagen gaan halen.”
     Ben schudde de hem aangeboden hand krachtig, draaide zich om en verliet zwijgend de kamer.
     „Ben,” riep Philip plotseling. „Ben. Ben je daar nog?” De deur zwaaide weer open, op de drempel verscheen Ben. „Zeg,” zei Philip, „Heb je nog een revolver?”
     „Ja zeker, mijnheer. Ik wilde hem juist op mijn kamer gaan halen. Ik moet hem nog even nazien. De olie er afvegen en zoo.”
     Philip knikte. Dan was hij weer alleen.

* * *

     Laat in den namiddag keerde Philip terug, gezeten achter het stuur van een vreemde auto. Hij zette den wagen zorgvuldig aan de achterzijde van het huis op een niet in het oog loopende plaats vlak tegen struiken, trok den contactsleutel uit het slot en ging aan de achterzijde het huis binnen. Op zijn roepen verscheen Ben, uit zijn eigen kamer. Zijn handen zaten vol olie. Bij het zien van Philip’s verbaasde blikken verklaarde bij nader:
     „Ik heb hem juist onderhanden, den revolver. Ik loop liever geen risico met dergelijke grapjes. Dat begrijpt u wel, mijnheer.”
     Philip knikte. „Kijk eens hier, Ben. Ik heb hier vier contactsleutels. Deze twee van mijn eigen wagen en deze zijn van den wagen, dien ik vanmiddag heb gehuurd. We nemen ieder een stel, dan kunnen we dus beiden, onafhankelijk van elkaar, de twee wagens berijden. Dit lijkt me wel zoo goed. Het geld heb ik van de bank gehaald, dat is ook in orde. Zoo gauw je dus dien kerel bij mij hebt gebracht in de bibliotheek, verdwijn jij ongezien achter uit het huis en probeert met den wagen weg te komen. Het lijkt me beter, dat je die auto eerst maar eens gaat bekijken en als ik jou was, zou ik hem meteen maar een eind verder het park inbrengen. Anders hoort die kerel je den motor misschien starten en krijgt hij achterdocht. Wat mij betreft; ik zal doen, wat ik kan. Maar ik vrees, dat ze mij terdege in de gaten zullen houden. Als ik me niet heel sterk vergis, ben ik vanmiddag al zoo’n beetje „geschaduwd”. Ik heb tenminste al verschillende malen het ongure tronie moeten bekijken van een kerel, die me voortdurend volgde. Hij was gewoon niet van me weg te slaan. Maar ik geloof toch, dat ik hem tuk had op het laatst. Hij brak tenminste bijna zijn nek om mij bij het springen van een rijdende tram te volgen. De conducteur greep hem toen juist in zijn kraag. Enfin, je kent dat soort opstootjes.” Philip grinnikte nog even na bij de herinnering.
     „Ik ga nu naar de bibliotheek. Als je me nog noodig mocht hebben, kun je me daar vinden. Ik geloof niet, dat er zoo op het eerste oog nog moeilijkheden zijn, wel?”
     Ben dacht even na en schudde ontkennend het hoofd. „Neen mijnbeer, ik geloof het ook niet. Het eenige, wat we vanavond noodig zullen hebben, is wat geluk. Enfin, we zullen afwachten.”

* * *

     Den hem nog resteerenden tijd benutte Ben zeer goed. Allereerst maakte hij zijn revolver verder grondig schoon, laadde hem zorgvuldig en borg hem tenslotte in zijn linkerbinnenzak. Het was een klein model, dus dat was mogelijk, zonder dat het erg opviel. Een blik op zijn horloge overtuigde hem ervan, dat hij nog tijd genoeg had. Hij begaf zich naar buiten en ging de door zijn baas gehuurde auto eens goed bekijken.
     Het was een lange, lage, donkergrijze wagen. Op het eerste gezicht dacht men aan een tor, met een ontzaglijk langen neus. Ben, hartstochtelijk liefhebber als hij was van alles, wat maar een motor in zich verborg, grijnsde verheugd bij het aanschouwen van dit product der techniek, en strekte zijn onderzoekingstocht rond den wagen verder uit. Opvallend waren een paar ontzaglijk groote zoeklichten, welke op de bumpers aan weerszijden van den radiator waren bevestigd, benevens twee zoeklichten boven aan het chassis. Dit alles was gerekend buiten het gewone aantal kop- en stadslichten.
     Ben trad een paar schreden terug, stak zijn handen in zijn zakken en bekeek het geheel met een welgevallig oog.
     „Sjonge,” mompelde hij, „da’s tenminste een auto, die er zijn mag. Knappe vent, die dien wagen vóór blijft!”
     Hij keerde zich op het geluid van naderende voetstappen om. Het was Philip zelf, die naderbij trad met een verontschuldigenden glimlach.
     „Ik hoop, Ben,” sprak hij, „dat deze wagen je aanstaat. Ik dacht er vanmorgen ineens aan. Hij is van een vriend van me geweest. Die vent zat vol complexen. Hij wilde altijd alles grooter, beter en mooier hebben dan een ander. Maar nu hij hem toch niet kon gebruiken, verkocht hij dien wagen aan een garagehouder. Ze gebruiken hem daar dikwijls voor het optrekken van vrachtwagens en zoo. Er zit een ontzaglijke motor in.”
     „Ja, dat geloof ik ook,” zei Ben, met een eerbiedigen blik naar de geweldige motorkap.
     In de toenemende duisternis geleek de auto meer en meer op een of ander veeloogig monster, dat dicht bij den grond gereed lag om zijn prooi te bespringen. De laatste lichtstralen, welke door het dichte bladerdak boven hun hoofden naar den grond beneden hen doordrongen, werden veelzijdig weerkaatst door de gepolijste reflectoren van de talrijke lampen.
     „Als u het goed vindt, mijnheer,” zoo verbrak Ben plotseling de stilte, „zou ik het beestje graag even op zijn plaats brengen. Ik weet een heel mooi plekje. Ze zullen daar vast geen auto zoeken.”
     Hij bracht zijn polshorloge dicht bij zijn oogen en tuurde er op. „Ik zal moeten opschieten,” mompelde hij, „ik moet me nog verkleeden ook.”
     Hij stapte op den wagen toe, tastte in zijn zak naar het contactsleuteltje. „Verdorie, waar heb ik dat ding nu gelaten?” Hij stond stil voor het linkerportier en zocht al zijn zakken na. „Waar heb ik dien sleutel nu toch gelaten. Deze zak niet.... hier ook niet.... Ah, hier is hij.”
     Het portier werd geopend en Ben kroop achter het stuur. Daar de duisternis intusschen volslagen was geworden, onderscheidde Ben niets anders dan een aantal glanzende knoppen en handles. Het geheel maakte een goedverzorgden indruk. Om zich méér licht te verschaffen, probeerde hij een aantal van deze knoppen. Toen hij den eersten schakelaar indrukte, bleek deze van de stadslichten te zijn, die zacht aangloeiden. „Verkeerd,” mompelde hij.
     Zijn oog viel op een op het dashboard geheel apart staanden schakelaar. „Misschien deze,” zei bij, tusschen zijn tanden fluitend. „Als er tenminste geen kanon gaat schieten of zooiets.”
     De schakelaar werd ingedrukt. Er ging géén kanon schieten. Wel spoten er van vóór den wagen twee machtige lichtbundels te voorschijn, welke het geheele park voor hem uit in een helderwitte lichtschijn zetten. Ben onderdrukte een opkomenden vloek en verbrak haastig het contact. Eindelijk, na heel wat gezoek en geprobeer, had hij den schakelaar van het binnenlicht gevonden. Een ronde, mat-rose lamp, midden in het plafond van den wagen, gloeide aan, en verlichtte het dashboard. Hij slaakte een zucht van verlichting in den letterlijken zin des woords, stak den sleutel in het contactslot, draaide hem om en trapte op den starter. De wagen sloeg loeiend, maar perfect aan. Het geloei verminderde tot een bedaard grommen, dat echter sinister klonk. Het was, alsof onderaardsche machten slechts wachtten op één handgreep om dan voort te stormen. Ben schudde zijn hoofd, zuchtte nogmaals en schakelde in. Het grommen werd gieren. De wagen bewoog, schoot met snel toenemende vaart vooruit en verdween tusschen de boomen.
     Philip stond grimmig glimlachend toe te zien. Langzaam verdween het roode achterlicht van den wagen in het park. Enkele oogenblikken later kwam Ben weer uit het park te voorschijn, zijn voorhoofd afvegend met een witten zakdoek. En tezamen begaven zij zich naar het groote huis terug.
     Geen van tweeën hadden zij den man bespeurd, die hen van achter een dikken boom had beloerd.


... de man, die hen van achter een dikken boom had beloerd....

* * *

     Klokslag half acht galmde dien avond de bel door het groote huis. Philip, die er blijkbaar op had zitten wachten, liep de bibliotheek uit, op Ben af, die op hetzelfde oogenblik aan de andere zijde de hall betrad. Hij was gekleed in een manchester pak.
     „Dus alles is duidelijk?”, fluisterde Philip. „Nadat je hem bij mij binnengebracht hebt, ga je naar buiten en posteert je met den wagen ergens voor het huis, zoodat je ieder, die naar buiten komt, kunt zien. Houd de zaak in vredesnaam goed in de gaten, Ben, het gaat hier om Sonja.”
     Philip was anders zoo koel als een komkommer, maar de gedachte aan Sonja scheen hem een weinig op te winden.
     Ten tweeden male galmde de bel. Philip drukte Ben vluchtig de hand en dook weer in de bibliotheek terug.
     Ben haastte zich naar de voordeur en zwaaide die wijd open. Hij had van alles verwacht te zien, van den meest elegant gekleeden heer, tot den meest viezen schooier toe. Niets zou hem verwonderd hebben. In plaats daarvan stond er.... een meisje op de bovenste stoeptrede, dat zich, toen de deur openging, omdraaide. Ze was middelmatig groot, had blond haar, grijze oogen en droeg een grijze tailleur van onberispelijken snit. Ben qualificeerde haar onmiddellijk als een dame. In haar linkerhand hield ze een dofzwart taschje en een groote, gele enveloppe.


Ze was middelmatig groot, blond... en had een groote enveloppe in de hand....

     Met een hooge, heldere stem vroeg ze, of de heer Philip Raack misschien ook thuis was. Op Ben’s bevestigend antwoord sprak zij: „Mijnheer Raack verwacht me. Zoudt u me misschien bij hem willen brengen?”
     „Aha,” dacht Ben wijsgeerig, „dus er spelen ook vrouwen mee in die bende.” En geleidde haar naar de bibliotheek, de deur achter haar sluitend.
     „Zoo jong, en toch al zoo verdorven,” mompelde hij....
     Bij de binnenkomst van het meisje stond Philip op uit den stoel, waarin hij tot dien tijd gezeten had, en liep haar tegemoet.
     „Mijnheer Raack?” sprak het meisje. Op Philip’s bevestigend antwoord ging zij verder: „Mijnheer Raack, u weet, waarvoor ik gekomen ben. Nadere verklaring behoeft u dus niet te hebben. We zullen spijkers met koppen slaan. Bent u bereid, ja of neen?” Zij scheen ten prooi aan een hevige opgewondenheid.
     „Allereerst, mejuffrouw,” sprak Philip, „moge ik u verzoeken plaats te nemen.” Tijd winnen, flitste het door zijn hersens. Tijd winnen, om Ben de gelegenheid te geven met de auto weg te komen.
     Het meisje nam plaats in den haar aangeboden stoel, haar lippen vast opeen geperst. „Mijnheer Raack,” begon zij weer, nog voordat Philip de gelegenheid kreeg wat te zeggen, „hoe is uw antwoord? Indien het: „ja” is, laat ons dan tot daden komen. Is het echter „neen”, dan zijn de gevolgen natuurlijk geheel voor uw eigen rekening. In dat geval - enfin; ik behoef hieraan verder geen woord meer toe te voegen. Wat is uw beslissing?” Zij keek hem vragend aan.
     Philip had den sigarettenkoker uit zijn zak genomen en met zorg een sigaret gekozen. Daarna nam hij een aansteker, knipte dien aan en staarde over het vlammetje heen naar het meisje. Zijn gezicht stand strak, de oogen vastberaden.
     „Juffrouw,” zei hij dan, „zooals de zaken op het oogenblik staan, kan ik uw aanbod, tenminste wat u met uw bende een aanbod noemt, moeilijk afslaan. Met andere woorden: ik accepteer dit. Maar eerst zou ik graag nog enkele dingen zeggen. U noemt dit een aanbod. Ik niet. Wat hier op dit oogenblik geschiedt, is met één enkel woord gezegd: chantage. Ik bedoel niet, dat het feit op zichzelf bijzonder is. O neen, chantage is iets, waarvan de wereld aan elkaar hangt. Massa’s menschen chanteeren. Duizenden menschen kijken elkander vriendelijk aan, knikken elkaar elken morgen en elken avond heel liefjes goedendag, alleen om dit ééne woord, om hetzelfde beginsel. Maar nu dit zeer speciale geval: Een vrouw wordt ergens opgesloten en uitgespeeld tegen vuil geld. U allen begrijpt dit geheel verkeerd. Dit is geen kwestie van geld, tenminste voor mij niet. Dit is een eerezaak. Al moest het mij mijn laatste geld kosten, zelfs om een geheel onbekende, fatsoenlijke vrouw uit de klauwen van een bende, als van welke u deel uitmaakt, te redden, dan gebeurde het.”
     Philip sprong op uit zijn stoel en beende het vertrek heen en weer. De handen diep in de zakken, de sigaret onaangestoken tusschen de lippen. In zijn oogen blonk een vreemd licht. Het was duidelijk, dat het meisje niet op haar gemak was. Haar vingers speelden nerveus met het taschje. De gele enveloppe lag vergeten op het tafelblad. Philip stond plotseling stil en greep naar zijn portefeuille. Daaruit haalde hij een dikken bundel bankbiljetten en smeet die op de tafel vóór het meisje neer. Het geld viel met een doffen smak.
     „Alstublieft,” sprak hij dan, „uw loon. Prachtaanbiedingen! Alleen à contant! En dit in beschaafde landen! Men kan beter zeggen: in landen, waar de schofterij op een meer beschaafde manier wordt uitgeoefend.... Enfin, telt u uw geld na en verdwijnt u alstublieft zoo spoedig mogelijk uit deze kamer.... Eén ding moet mij nog van het hart: Als morgen Sonja niet heelhuids en gezond hier bij mij is, zult u een feest beleven, zoowaar ik Philip Raack heet! Vinden zal ik u! Al moet ik ook het donkerste oerwoud van Afrika binnenstebuiten keeren en platbranden.... En nu, daar ligt uw geld. Mag ik u verzoeken?”
     Hij trad op de deur toe en opende die. Toen was het met de zelfbeheersching van het meisje gedaan. Zij nam het pak bankbiljetten op en slingerde ze met een gebaar van afschuw op de tafel terug. Enkele ervan vielen op den grond.
     Zij stond eveneens op.
     „Houd op!”, riep zij, „houd in ’s hemelsnaam op!.... Ik kan dit niet langer aanhooren.... Dit is te veel voor mij.”
     „Zoo?” Om Philip’s lippen krulde een verachtelijk glimlachje. „Ah zoo, dat zegt u nu. Maar straks, als de buit verdeeld wordt, wat zegt u dan? Het spijt me, jongedame, maar tegen dergelijke trucjes ben ik bestand. Doet u me één plezier, en verdwijn. Ik wil alleen zijn. Ik....”
     Hij kwam niet verder. Het meisje kwam vlak voor hem staan, vouwde smeekend haar handen. „Alstublieft, luister. Vijf minuten maar.”
     Iets in de toon, waarop het meisje gesproken had, trof Philip Hij keek haar enkele seconden lang strak aan.
     „Gaat u zitten,” sprak hij dan, niet meer zoo barsch. „Wat wilt u?”
     Het meisje zette zich in den haar aangeboden stoel en legde de armen op de leuning. Philip nam eveneens plaats en wachtte den verderen loop der gebeurtenissen af. Even later stond bij weer op en ging naar het buffet tegen den wand van de kamer. Glazen rinkelden zacht. Nadat het meisje iets gedronken had, hief zij het hoofd op en keek Philip aan.
     „Verbaas u niet over hetgeen ik u nu vertellen ga,” sprak zij. „U zult op mijn eerewoord moeten gelooven, dat alles woord voor woord waar is.”
     Philip knikte en bood een sigaret aan. Het meisje bedankte.
     „Mijn naam is Dora Verfrancken,” ging zij verder. „Ik weet niet, of u de firma Verfrancken uit Rotterdam kent?”
     „De Verfrancken van de warenhuizen bedoelt u?”
     „Juist. Ik ben zijn dochter.” Verbazing op Philip’s gezicht.
     „U kijkt verwonderd, mijnheer Raack,” zoo ging het meisje verder, „maar het is niet zoo erg verwonderlijk. Luistert u maar. Herinnert u zich het Coopman-schandaal, mijnheer Raack?”
     Philip knikte. „Het bankroet bedoelt u? Dat herinner ik me zeer zeker.”
     „Welnu, hoewel zijn naam niet genoemd werd, was mijn vader ten zeerste bij deze affaire betrokken. Dit moest om bepaalde redenen geheim blijven. Echter heeft de een of ander lucht van deze zaak gekregen en ik ontving vorige week, vlak na elkaar, enkele brieven, waarin mij werd medegedeeld, dat ik, wilde ik mijn vaders naam er buiten houden, mij in verbinding moest stellen met een bepaald persoon in Amsterdam. Daarbij werd mij medegedeeld, dat ik onder géén voorwaarde de politie ervan in kennis mocht stellen, daar anders mijn vader de dupe zou worden. U begrijpt dus: ik móést. Op deze wijze heeft men mij, een onverdachte en bij de politie onbekende persoon dus, ertoe gedwongen hier vanavond bij u te komen. Ik zou gedaan hebben wat van mij gevraagd werd, mijnheer Raack, als u niets gezegd zoudt hebben. Toen u echter begon te spreken, ging het niet langer. Ik riskeer alles door u van deze feiten op de hoogte te stellen. Ik had al lang terug kunnen zijn met het geld. Wat moet ik nu doen?”
     Juffrouw Verfrancken wees op het geld op de tafel: „Voor u is de losprijs twintigduizend gulden. Maar bij mij is de losprijs: mijn vader.”
     „Luister. Bent u op uw weg hierheen gevolgd? Bent u alleen gekomen?”
     „Ik ben alleen gekomen, maar ik ben ervan overtuigd, dat de een of ander mij op mijn hielen gevolgd is en nu hier in de buurt van het huis rondzwerft. Ze zullen wel zoo slim zijn mij terdege in de gaten te houden.”
     Beiden verzonken in gepeins.
     „Het eenige, wat we kunnen doen,” verbrak Philip het stilzwijgen, „is, dat u gewoon het geld meeneemt en ermee naar die kerels gaat. Ik, van mijn kant, zal dan alle mogelijke moeite doen hen te volgen. Probeer, indien het mogelijk is, een adres of een aanwijzing of zooiets achter te laten. Dat lijkt me de eenige oplossing.” Het antwoord van het meisje bestond in het bijeenrapen van het geld. Philip hielp haar. Daarna stopte ze alles in haar taschje.
     „En dan nog iets, juffrouw Verfrancken. Als men u vraagt, of mijn bediende hier aanwezig was, zegt u: ja. Mijn knecht Ben is namelijk óók buiten aan het ronddazen. Hij is volledig ingelicht.”
     Het meisje knikte.
     „Het lijkt mij beter, mijnheer Raack, als ik nu maar wegga.” Zij reikte hem de hand.
     „We zullen het beste er maar van hopen, juffrouw Verfrancken,” sprak Philip, begeleidde haar door de hall naar de voordeur, drukte nog eenmaal haar hand, opende de zware eikenhouten deur en sloot deze achter haar.

* * *

     Zoodra Ben de deur achter het binnenkomende meisje gesloten had, had hij zich naar zijn kamer gehaast, een zware tweed-jas aangetrokken en een hoed opgezet. Den rand trok hij diep over zijn oogen. Aldus uitgedost verliet hij door den achteringang het huis en sloop behoedzaam door het park, waar hij de auto had neergezet. Zooveel mogelijk liep hij over grasranden, om alle gerucht te vermijden. Evenals Philip was hij ervan overtuigd, dat het meisje niet alléén gekomen was, doch dat er ergens buiten een of meer handlangers op haar stonden te wachten. Omzichtig om zich heen ziend ging hij zijn weg. Vóór hem, in de duisternis, doemde de inktzwarte silhouet van de auto op. Hij keek nog eens om zich heen en bleef even doodstil staan luisteren. Niets verdachts te bespeuren. Hij liep langs den wagen, opende het portier en kroop achter het stuur, den contactsleutel gereed in zijn rechterhand. Ziezoo; hier was hij tenminste. Het zou een knappe jongen moeten zijn, die hem er nu nog uitkreeg!
     Op hetzelfde oogenblik sprak een stem uit de duisternis: „Handen op, vriendje! Jouw spel is uit.... Nee, nee, geen gijntjes. Ik zei: handen omhoog! Vlug je revolver hier! Schiet op! We hebben geen uren tijd!”
     „Ik heb geen revolver,” loog Ben onvervaard. Hij was woedend op zichzelf. Stom van hem, om niet eerst den wagen te doorzoeken!
     „Ik zei juist al: geen gijntjes! Geef hier je revolver!”, snauwde de ander. „Houd je linkerhand omhoog en gooi met je rechter den revolver hier op de achterbank, naast me. En blijf recht voor je uitkijken. Ik neem met jou geen risico.”
     Ben vloekte inwendig, hartgrondig en stil. Enfin, zijn eigen schuld. Toen, met een schouderophalen, gooide hij zijn revolver op de achterbank.
     „Rijd het park uit en volg den weg naar het Gooi,” sprak de stem achter hem. „Daar zal ik je wel nader inlichten, waarheen je te rijden hebt. Wij gaan vanavond samen eens een mooi ritje maken. Deze wagen lijkt me uitermate geschikt. Bij voorbaat zal ik je nu reeds mededeelen, dat ik niet aarzelen zal je een kogel door je ribben te jagen, als je mijn orders niet precies opvolgt. Misschien interesseert het je te weten, dat er een prima knaldemper op dit apparaat zit. Wacht; ik zal in dezen hoek gaan zitten, dan kan ik je beter in de gaten houden.” De man verhuisde van de linker- naar de rechterzijde van de achterbank. „En nu, rijden, chauffeur!”
     Ben knarsetandde van woede en liet den wagen met een ruk vooruit schieten. Het gevloek achter uit den wagen bewees de hevigheid van den schok.
     „Heeren vloeken nooit,” zei Ben ernstig.
     „Je houdt je smoel,” brulde de man woest, „en je rijdt behoorlijk, anders....”
     „Ja zeker, meneer. Gaat het zoo goed, meneer?” vroeg Ben onderdanig. Er kwam geen antwoord van achteren. Ben gaf meer gas en reed in een kalm tempo het park uit. Op de straat voor het huis was niemand te zien. Hij zuchtte en sloeg de aangegeven richting in.
     Het was een prachtige avond. Helder schitterden de sterren aan den donkeren hemel. De motor zong zijn eentonig lied. Had Ben niet in zulke benarde omstandigheden verkeerd, dan zou dit tochtje voor hem een waar feest beteekend hebben. Nu echter woelden allerlei gedachten door zijn hoofd. Hoe zou het verder gaan? Waar zou de heer Raack op dit oogenblik zijn? En niet te vergeten, hoe zou het nu met juffrouw Sonja gaan? Zou ze toch vrij komen, nu ze hem gepakt hadden? Verdorie, hij moest hier uit zien te komen! Zich van dien knaap probeeren te bevrijden! Maar hoe?
     En toch, al peinzend, kwam Ben tot de conclusie, dat het misschien maar beter zou zijn zich door hem mee te laten nemen. Allicht werd hij er nog iets wijzer van. Van dit oogenblik af werd Ben de vriendelijkheid zelve. Hij vroeg uiterst beleefd verlof een sigaret te mogen rooken, hetgeen hem werd toegestaan.
     Ben verdacht er den man sterk van blij te zijn dit tochtje even te kunnen onderbreken. Hij stopte en stak een sigaret op.
     Toen waagde hij het zijn hoofd even om te draaien en zijn begeleider zoo goed mogelijk te bekijken. Het gezicht, waarop juist lantaarnlicht scheen, viel hem niet mee. De man zag er grauw en ongeschoren uit en droeg een slobberig pak. Hij hield den revolver nog steeds in zijn hand en probeerde een lucifer aan te steken met de andere. Toen hij zag, dat Ben zich omdraaide, werd de loop van den revolver onmiddellijk weer op zijn hart gericht en het mannetje snauwde: „Kijk vóór je. Je hebt niks met mij te maken. Ik zal.... Au! Voor jou nog mijn pooten branden ook. Kijk vóór je, zeg ik je!” Zijn stem sloeg over van opgewondenheid.
     Ben schoof weer recht. Een flauw glimlachje speelde om zijn lippen. Voor dat mannetje was hij niet bang! Hij draaide het raampje aan zijn kant naar beneden en mikte zijn lucifer naar buiten. Zonder verder iets te zeggen bracht hij den motor weer op gang en schakelde in. De wagen reed verder.
     Na een goed half uur beval de man hem een zijweg aan zijn linkerhand in te slaan. Eerst was het nog een steenweg, welke echter spoedig overging in een zandweg vol met gaten en karresporen. Hier en daar verspreid lagen enkele groote keien.
     Naarmate zij verder van den grooten weg verwijderd raakten, begon het geheele aspect te veranderen. Hier en daar werden groepjes boomen zichtbaar, welke zich spoedig aaneenrijden tot complete bosschen, waartusschendoor de weg zich slingerde.
     „De eerste weg rechtsaf en dan weer de eerste weg links,” liet de man achter Ben zich nu hooren, „de lichten dooven. Ik voel er geen sikkepit voor om precies den weg aan te geven, dien we volgen. Vooruit, doof die lampen!”
     Ben gehoorzaamde prompt en drukte tevens het gaspedaal dieper in. De minuten, die nu volgden, bezorgden den man achter in de auto het gevoel, of hij in een of andere groote kist opgesloten zat, die naar willekeur heen en weer werd geslingerd. De weg was nog even slecht als tevoren, maar Ben slaagde erin over elken steen te rijden en de auto door elk gat te sturen! De loop van den revolver wees nu eens naar boven, dan weer naar links, dan weer op ’s mans eigen beenen. Met één hand hield hij zich vast aan de stang, welke bevestigd was achter aan de voorzittingen.
     Aan de rechterzijde van den weg doemde een zwarte schaduw op, welke nog zwarter was dan de nacht om hen heen en bij nadering een houten zomerhuisje bleek te zijn. De man achter Ben kwam met uiterste krachtsinspanning overeind. Zweet parelde op zijn voorhoofd. Hij greep Ben bij zijn rechterschouder en wees met de band, die den revolver vasthield, naar het huisje. Ben tilde zijn voet op van het gaspedaal. Het lawaai ebde weg. De wagen zwaaide het erf voor het huisje op. Ben’s laatste wraak bestond hierin, dat hij den wagen met een ruk deed stilhouden. Door den schok vloog het mannetje bijna voorover over de voorzitting. Hij vloekte hartgrondig, opende snel het portier aan zijn kant en stapte achterwaarts uit, Ben beduidend eveneens zoo te doen. Ben volgde, trok in het voorbijgaan den contactsleutel uit het slot en liet dien in zijn zak glijden. De man zwaaide den revolver voor zijn maag heen en weer.
     „Loop recht voor me uit en waag het niet te ontvluchten. Vooruit!”
     Het was duidelijk, dat zijn moed weergekeerd was. Ben glimlachte fijntjes. Ontvluchten! Haha! Al kreeg hij geld toe, dan zou hij hier nog niet weg willen. Nee, eerst dat huis van binnen bekijken. Mogelijk kon hij er nog iets van Sonja te weten komen!
     Plotseling werd de voordeur van het huisje geopend. Een man stond op den drempel en tuurde ingespannen naar buiten in de duisternis. Achter hem was een klein portaaltje van ongeveer twee bij twee meter, waarop nog een drietal deuren uitkwamen. Eén ervan stond half open en Ben zag door de opening een tafel, waarop een stuk brood en een flesch melk; op den houten vloer stond een stoel. Verder zag hij nog juist een gedeelte van een potkacheltje.
     De man achter hem porde hem met den revolver in zijn ribben. „Vooruit jij, naar binnen.”
     Ben trad vooruit, de man op den drempel ging opzij om hem door te laten. „Hallo Tim, wat heb je nou meegebracht?” Hij keek Ben’s begeleider afwachtend aan en spuwde een straal bruin tabakssap naar buiten in de duisternis.
     „Eentje, die ons wilde dwarsboomen,” gromde de ander terug, „ik heb hem maar effetjes hier mee naar toe genomen. Kan hij haar gezelschap houden. Hallo jij, hierheen!”
     Hij opende de deur aan zijn rechterhand. Een tweede kamer werd zichtbaar, eveneens uiterst eenvoudig gemeubeld. Op den houten vloer lag een mat. Een tafel en een withouten stoel, in den hoek een veldbed met wat dekens voltooiden het geheel. Aan den wand hingen enkele door het vocht verkleurde en opgerimpelde foto’s. In den hoek naast de deur stonden nog eenige opgevouwen ligstoelen en een tuinparasol. Alles was bedekt met een dikke laag stof, en versterkte slechts den eersten indruk, dien Ben van het geheel had gekregen: namelijk, dat de bende haar hoofdkwartier had opgeslagen in een van de houten zomerhuisjes van den een of anderen fabrikant. Huisjes, die alleen gedurende de zomermaanden bewoond worden. Werkelijk een ideale plek om iemand gedurende eenigen tijd te laten verdwijnen!
     „Me zalle hem ook maar in de bajes stoppen,” stelde de tweede man voor. „Me zalle maar denke, beter hij derin dan wij.”
     Hij liep door het kamertje heen op een deur toe, die al eerder Ben’s bevreemding had opgewekt. Wat ter wereld deed men in een zomerhuisje met een cel? Naar de deur te oordeelen zou het inderdaad wel zooiets zijn. Deze zat vol met schroeven, en was voorzien van twee zware ijzeren staven, welke elkaar in het midden kruisten. De tweede man haalde een sleutel uit zijn zak en stak dien in het sleutelgat. Knarsend draaide het slot om. De deur zwaaide open.
     Op een gebaar van den man-met-den-revolver stapte Ben over den drempel. De deur smakte achter hem dicht. Het slot knarste weer. De twee boeven verwijderden zich lachend.


.... De deur zwaaide open.... Ben stapte over den drempel.... De deur smakte achter hem dicht....

     Binnen in het hok was alles pikdonker. Ben bleef staan, tot zijn oogen een weinig aan de duisternis gewend waren, tastte toen in zijn jaszak en haalde een kleine, electrische zaklantaarn te voorschijn. Een witte lichtbundel doorsneed de duisternis. De ruimte, waarin hij terecht was gekomen, was iets grooter dan het portaaltje bij de voordeur. Aan de wanden waren houten rekken bevestigd, terwijl hoog boven hem aan den houten wand twee ventilatiekokers waren aangebracht. Door één ervan kon hij de sterren zien schitteren. Het andere was blijkbaar afgesloten. Er hing een eigenaardige, doordringende geur in het hok. Ineens snapte Ben de bedoeling ervan: het werd natuurlijk door de menschen, die er ’s zomers verblijf hielden, gebruikt als provisiekast. Vandaar natuurlijk die met ijzer beslagen deur.
     De lichtbundel uit de lantaren in Ben’s hand schoof verder langs de wanden, en bleef tenslotte rusten op iets, wat Ben hier heelemaal niet had verwacht. In een hoek, die het verst van Ben verwijderd was, stonden enkele leege kisten. Op één ervan, welke omgedraaid was, zat.... Sonja! Weliswaar met verwarde haren en met een bleek gezicht, waarop de angst voor den vreemde te lezen stond, maar verder zoo op het eerste gezicht ongedeerd. Ben, de zoo goed getrainde Ben, de bediende bij uitnemendheid, de man, die zijn gezicht altijd nauwkeurig in bedwang had, uitte een wilde kreet van verbazing en vreugde.
     „Juffrouw Sonja, u hier? Bent u het werkelijk? Goddank! Nu weet ik tenminste, dat u nog ongedeerd bent.” Hij trad op haar toe en drukte haar de hand.
     Sonja liet zich van haar kist glijden. „Goeie, ouwe Ben. Hebben ze jou ook te pakken genomen? Waar is Philip? Wat gebeurt er nu? Hoe hebben ze je te pakken gekregen, Ben?”
     Ben vertelde alles, van het oogenblik af, dat de telefoon ’s nachts ratelde, tot nu toe. Toen hij uitgesproken was, zwegen zij beiden een oogenblik. Sonja was weer op haar kist geklommen, haar handen op de randen van de kist gesteund. Naast haar op den grond stonden een bord en een kopje. Ben plaatste de zaklantaarn op een der planken langs den wand, schoof een kist naast de hare en zette zich. Op Sonja’s vraag of hij misschien nog sigaretten bij zich had, haalde hij zijn zilveren koker te voorschijn en hield haar dien voor.
     „Wat nu, Ben? Ik zou wel eens willen weten, hoe we hier nog ooit uit moeten komen. Al willen ze ons hier drie weken houden, dan zal geen haan er ooit naar kraaien. Ik geloof niet, dat hier ooit iemand komt... Waarom lach je? Ik vind de situatie heelemaal niet om te lachen. Nu ze jou ook gepakt hebben, is het heelemaal niet eenvoudig.” Zij staarde Ben aan, die zat te lachen en Sonja opgewekt aankeek.
     „Kijkt u eens hier, juffrouw Sonja,” sprak hij, „dacht u nu werkelijk, dat ik me zoomaar in dit hok had laten stoppen als ik geen uitweg had geweten? U kent me toch wel langer dan vandaag? Als ik gewild had, had ik dat kereltje onderweg ten minste zevenmaal kunnen vermoorden. Maar dat wilde ik juist niet. Het is trouwens heel duidelijk, dat we hier te doen hebben met een stelletje beginnelingen. In de eerste plaats heeft die kerel mijn revolver op de achterbank van de auto laten liggen, tenminste, hij heeft hem niet mee uit den wagen genomen. Ik heb er scherp op gelet. In de tweede plaats heb ik nog steeds den contactsleutel van den wagen. In de derde plaats heeft hij mij zelf laten rijden, zoodat ik den weg ken. En in de vierde en voornaamste plaats hebben ze de onvergeeflijke fout gemaakt, mij niet te fouilleeren voor ze me hierin stopten. Nu moet u eens kijken.”
     Hij stond op van zijn kist, hield zijn rechterbeen binnen den lichtstraal van de lantaarn en trok zijn rechterbroekspijp een weinig op. Om zijn been was een smal leeren bandje bevestigd, waaraan een klein voorwerp bungelde. Hij gespte het bandje los en hield het voorwerp in de palm van zijn rechterhand.
     „Zooals reeds zoovele malen: mijn redder in den nood,” glimlachte hij. „Die heeft mij al heel wat diensten bewezen en als ik me niet vergis, laat hij me nu ook niet in den steek. Zoo dadelijk gaan wij deze twee heeren eventjes een opfrisschertje bezorgen, waarvan ze zullen opkijken.”
     Hij grinnikte reeds bij voorbaat. Het voorwerp, dat hij in zijn hand hield, was een kleine, stalen looper.
     „Op het oogenblik,” zoo vervolgde hij, „zijn we geen van beiden in het bezit van een revolver en dat is toch wel een eerste vereischte. Ik zal dus moeten probeeren buiten te komen en de mijne uit de auto te halen. Enfin; dat is van later zorg. Het zal toch wel héél erg raar moeten gaan, willen we hier niet uit komen.”
     Hij stond nogmaals op van zijn kist, nam zijn lantaarn van de plank en bekeek de deur eens grondig. „Hmmm,” mompelde hij, „het slot is niet veel zaaks. Als u die lamp nu even vasthoudt, heb ik mijn twee handen vrij.” Hij knielde voor de deur neer, stelde zijn looper een weinig bij en porde hem in het sleutelgat. Het slot klikte, doch de deur ging niet open. Nogmaals een weinig bijstellen.... en open kon de deur! De scharnieren knarsten even. Zij hielden hun adem in of niemand iets gehoord zou hebben. Heel onduidelijk hoorden zij uit de kamer verderop stemmengemompel Op hun teenen slopen zij uit het hok en duwden de deur zoo zacht mogelijk weer achter zich dicht.
     In het kamertje, waarin ze zich nu bevonden, brandde nog steeds de lamp. Hun oogen knipperden even. Toen trad Ben, op den voet gevolgd door Sonja, op het raam toe, dat zich tegenover hen in den wand bevond, en begon uiterst voorzichtig de knippen los te schuiven. Achter het raam bevond zich een luik, dat eveneens met twee grendels gesloten was. Op het eerste gezicht zag Ben, dat het niet mogelijk zou zijn deze grendels zonder lawaai weg te schuiven. Hij koos daarom de wijste partij en verwijderde de grendels, door ze er snel af te schroeven. Het luik week. Door de houten wanden heen hoorden zij, dat iemand in de kamer ernaast in de ijzeren kachel pookte.
     „Dus dáár zitten de schurken,” fluisterde Ben. „Nu, ik zal het er maar op wagen. Doet u even het licht uit!”
     Hij duwde het luik heelemaal open en zwaaide zijn beenen over de vensterbank. Sonja trok het luik weer dicht. Hij stond alleen in het donker. Vóór hem doemde de silhouet van den wagen op. Op den wagen toesluipen en op de achterbank naar zijn revolver grijpen, was het werk van een oogenblik. Gelukkig! Zijn vingers omsloten het koude staal! Hij sloop naar het raam terug en tikte zacht tegen het luik, dat van binnen af weer werd opengeduwd. Ben werkte zich weer naar binnen. In de rechterhand hield hij den revolver.
     „Blijf achter me,” fluisterde hij en sloop op de deur toe, op den voet gevolgd door Sonja. Langzaam, o zoo langzaam, drukte hij de deurklink naar beneden. De deur gaf mee. Hij gluurde voorzichtig om het hoekje, de revolver tot schieten gereed. Het portaal was leeg, de drie andere deuren waren gesloten. Van achter de deur aan zijn rechterhand weerklonk het geluid van stemmen. Nu kwam het erop aan! Ben keek achter zich naar Sonja, glimlachte bemoedigend, haalde diep adem en wierp de deur vóór zich wijd open.
     In de kamer zaten twee mannen, links en rechts van de ijzeren potkachel, hun voeten steunend op den ijzeren bovenrand, hun stoelen achterovergewipt. Voor de kachel op den grond lagen houtblokken. Een dun straaltje rook sliertte uit een gat in de kachelpijp naar boven, naar de houten zoldering.
     „Wel verduiveld,” begon de man, die met zijn gezicht naar Ben toe zat. Hij liet met een bons zijn voeten op de ijzeren kachelplaat vallen. Zijn stoel kletterde op den grond. Langzaam gingen zijn handen omhoog. De tweede man zei in het geheel niets, maar staarde Ben met wijdopen angstoogen aan. Hij was het mannetje-met-den-revolver.
     Zwijgend, met grimmig verbeten gezicht, staarde Ben de twee kerels aan. Juist dat zwijgen bracht hen van hun stuk. Ben wees met zijn vrije hand naar het midden van de kamer. Het was een gebiedend gebaar. De twee kerels schuifelden er langzaam heen.
     „Zoudt u hen misschien even willen fouilleeren, juffrouw?” zei hij tegen Sonja, die nog steeds achter hem stond. Zij kwam naar voren en deed het gevraagde. Drie revolvers kwamen te voorschijn.
     „Houdt u dien eene,” wees Ben en stak met zijn vrije hand de twee overige in zijn zakken, die hevig uitbolden, als om te protesteeren tegen het vormen van zulk een arsenaal.
     „Achter in den wagen, onder de zitting, ligt een lang touw. Zoudt u dat misschien even willen gaan halen?”
     Sonja draaide zich zwijgend om en kwam even later terug met het touw. Het was een zwaar touw, vele meters lang. Op Ben’s aanwijzingen bond zij vervolgens de handen der boeven aan elkander vast, op een wijze, een man waardig. Haar revolver had zij tusschen de ceintuur van haar mantel gestoken. Haar haren waren weer losgeraakt. Een weerbarstige lok schoof telkens voor haar oogen.
     Toen de gebonden handen der mannen hem voldoende zekerheid boden, dat er geen grapjes zouden worden uitgehaald, vroeg hij haar zijn plaats in te nemen en nam het knevelen van haar over. Het touw was lang en er werden zeer vele, stevige knoopen gelegd dien nacht! Het laatste eind drapeerde hij in een sierlijke lus om de halzen der beide kerels, en trad eenige schreden terug om het resultaat te bewonderen. Het was perfect! Er was voor den een geen beweging mogelijk, zonder dat de ander dezelfde beweging meemaakte.
     Ben vischte het contactsleuteltje te voorschijn en reikte het aan Sonja over. „Zoudt u misschien willen chauffeeren? Ik neem liever geen risico meer.”
     Op een gebaar van Ben schuifelde de Siameesche tweeling in de richting van de deur. Ben draaide de lamp achter zich uit en sloot de deur. Buiten zat Sonja achter het stuur, en de motor zong reeds zijn eentonig lied. Op het oogenblik, dat hij juist, na veel duwen en wrikken, de tweeling op de achterbank had gepropt, hoorde Ben eenig gerucht achter zich. Hij draaide zich bliksemsnel om, maar was een fractie van een seconde te laat. De kolf van een revolver trof hem hevig op het achterhoofd. Alles werd zwart voor zijn oogen. Het laatste, wat hij zag, was dat een man zich over hem heenboog en tevreden grijnsde.

* * *

     Toen Dora Verfrancken het huis aan de Koningsgracht verlaten had, keerde Philip terug naar de bibliotheek. In de hall, bij het telefoontoestel, aarzelde hij en bleef stilstaan. Zou hij de politie toch maar opbellen? Hij strekte reeds een hand uit naar den hoorn, maar trok hem weer terug. Hij bedacht, dat het tenslotte toch niet de verstandigste weg zou zijn. Misschien was het maar beter zoo. En misschien, wie weet, wat Ben bereikte. Ben was er de man niet naar er halverwege het bijltje bij neer te gooien. Nee, dat wist hij zeker. Ben zou doorzetten.
     Rusteloos liep hij de kamer op en neer. Heen en weer, heen en weer. Eindelijk zonk hij neer in een fauteuil bij den open baard en huiverde. Hij lichtte het deksel op van de zware kist, welke bij den haard stond, en wierp eenige blokken op het vuur. Een vonkenregen sprong op, hoog in den wijden schoorsteen. Met een klap viel het deksel van de kist dicht. Philip staarde in de kleine, dansende vlammen, die gretig het nieuwe voedsel bestormden, en peinsde. Langzaam tikte de ouderwetsche klok aan den wand de minuten weg.
     Het geluid van de rinkelende telefoonbel riep hem tot de werkelijkheid terug. Philip sprong op, was in drie stappen bij de deur, rukte die open en stormde de hall in.
     „Met Raack.”
     „O, mijnheer Raack, u spreekt hier met juffrouw Verfrancken.”
     „Ja, is er nieuws?” Philip was ademloos van opwinding.
     „Ja, ik geloof het wel. Ik had de opdracht gekregen om, als ik het geld bij u geïncasseerd had, regelrecht naar een bepaald adres te gaan. Ik zou daar dan iemand treffen. Welnu, ik ben daarheen gegaan en trof daar niet één, maar twee mannen. Eén ervan scheen de baas van de bende te zijn, tenminste: hij nam het geld in ontvangst, telde het na en borg het in zijn portefeuille. Ik heb van te voren moeten beloven dit adres aan niemand te vertellen. Enfin, dat doet er ook niet toe. In elk geval, toen het geld in orde bleek te zijn, zeiden ze tegen me, dat ik bedankt werd voor de hulp en dat ik wel gaan kon. Als ik echter hierover ooit met iemand één woord durfde te praten, zouden ze me wel krijgen, tenminste, mijn vader. Ik ben toen weggegaan, maar heb achter de gesloten deur nog even staan luisteren. Toen hoorde ik nog juist den „baas” zeggen: „We zullen dat juffertje eens hooren als ze later merkt, dat we haar buitenhuisje óók nog gebruikt hebben,” en hij lachte demonisch. Ik heb toen gemaakt, dat ik wegkwam, om niet ontdekt te worden. Ik neem een groot risico, door u dit te vertellen, maar naar eer en geweten kan ik niet anders. Ik kon nog maar één ding doen: U zoo vlug mogelijk opbellen.”
     Philip kwam meteen in actie. „Waar staat uw buitenhuisje, juffrouw Verfrancken?” Het meisje duidde het uit.
     „Nu nog één vraag: Zoudt u morgenochtend om negen uur nóg eens hierheen willen bellen?”
     „Afgesproken,” beloofde Dora. „Morgen om negen uur bel ik opnieuw. En weest u voorzichtig, mijnheer Raack. Dergelijke kerels staan voor niets.”
     „Ik ook niet,” bromde Philip en legde den hoorn neer.
     Vijf minuten later raasde een lage, roode wagen met topsnelheid dwars door Amsterdam, op weg naar Sonja. Hij sloeg den weg naar het Gooi in, kwam tenslotte op den zandweg. Om er zeker van te kunnen zijn, dat het geluid van den motor niet gehoord zou worden, stopte Philip op een behoorlijken afstand van het huisje en ging te voet verder. Hij was erg kalm, doch zijn zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Behoedzaam om zich heen spiedend liep Philip het laatste gedeelte van den weg af. Daar doemde het huisje voor hem op, een zwakke lichtschijn drong onder den drempel van de voordeur door naar buiten.


... Philip’s roode wagen kwam tenslotte op den zandweg....

     Philip bleef staan in de schaduw van een grooten struik en overzag het geheel. Er was niemand te zien. Vlak voor de deur stond echter een hem onbekende auto. Meer terzijde, meer naar rechts, stond er nog een, welke hij onmiddellijk herkende als den wagen, waarin Ben was weggegaan. Dit zou dus hoogstwaarschijnlijk beteekenen, dat Ben op de een of andere manier in handen der bende was geraakt. Langer aarzelen was nutteloos. Elk oogenblik kon iemand naar buiten komen en dan was de zaak verkeken.
     Philip haalde zijn revolver voor den dag, sloop behoedzaam naar de voordeur en luisterde ingespannen. Er was geen geluid te hooren. Hij strekte reeds zijn hand uit naar de deurklink en verstarde op hetzelfde moment. Van binnen uit klonken bonkende voetstappen op den houten vloer. De deur ging open en in het zwak verlichte vak teekende zich het silhouet af van een man, die naar buiten kwam en op den wagen toeliep. De deur liet hij half achter zich open staan. Als hij terug zou komen, zou hij Philip onherroepelijk moeten zien. Dus was de kracht, waarmee de stalen kolf van Philip’s revolver op ’s mans achterhoofd neerdaalde, niet gering. Als een blok zonk hij ter aarde, zonder één kik te geven. Met zijn eigen broeksriem werden hem zijn handen deskundig gesnoerd.. Zijn voeten ondergingen snel hetzelfde lot door middel van Philip’s shawl. In zijn mond propte Philip zijn zakdoek.
     Philip beschouwde het resultaat met voldoening. Hij bedacht echter bliksemsnel, dat hij nu niet lang meer kon aarzelen. Als de man wat te lang wegbleef, zou men een onderzoek instellen, hem vinden, en dan natuurlijk onmiddellijk alarm slaan. Dus nam Philip den revolver stevig in de rechterhand, heesch met de linker zijn broek op en stapte over den drempel naar binnen, zonder gerucht te maken. Voor zich uit zag hij dezelfde deur, waarvoor Ben eenigen tijd geleden met Sonja had gestaan. De deur stond op een kier, en hij hoorde het geluid van verschillende menschen. De bende scheen dus compleet te zijn. Ineens hoorde hij een stem zeggen:
     „Kom nou, liefie, wees nou niet zoo flauw, geef me nou een zoentje....”
     Toen was het uit met Philip’s zelfbeheersching. Hij schopte de deur verder open en stond als brieschende leeuw in de kamer. Er heerschte doodsche stilte in het vertrek. Men had een speld kunnen hooren vallen. Zware wolken tabakswalm dreven voorbij de lamp en lijnden alles wazig af.
     Langzamerhand wenden Philip’s oogen aan den rook. In den eenen hoek onderscheidde hij Ben, deskundig vastgebonden op een stoel. In den anderen hoek leunde Sonja tegen den wand. Bij haar stond een der kerels. Hij had zijn arm om haar middel geslagen en hield haar handen vast. Bij de kachel zaten nog drie mannen. Een van hen rookte een pijp; de ander had zijn stoel achterover gewipt en hield zijn voet boven op het kacheltje. Een sigaret bungelde uit zijn mondhoek. De derde man snorkte vredig. Hij lag onderuit geschoven in zijn stoel. Zijn hoofd rustte op de rugleuning.
     De man, die bij Sonja stond, had zich bij Philip’s binnenkomst bliksemsnel achter haar geplaatst, en zijn revolver getrokken.
     „Schiet dan,” hoonde hij, „schiet maar als je durft.” Met de linkerhand hield hij Sonja’s arm vast om haar te beletten weg te loopen, de loop van zijn revolver wees van achter haar rug vandaan en hield Philip in bedwang.
     Philip zag, hoe de wijsvinger langzaam maar zeker zich kromde om den trekker, terwijl de loop een weinig omhoog schoof. In den hoek deed Ben wanhopige pogingen om uit zijn stoel los te komen. Philip dacht bliksemsnel na: Op den man schieten kon hij niet. Hoe goed schutter hij ook was, de kans Sonja te raken zou te groot zijn. Bliksemsnel vloog een gedachte hem door het hoofd: De lamp! Schiet de lamp uit! Snel als de weerlicht richtte hij zijn revolver; het schot daverde door de klein ruimte, en op hetzelfde oogenblik was alles in het duister gehuld. De scherven van den porceleinen bol, welke om de lamp heen had gezeten, vielen kletterend neer op den houten vloer.
     Onmiddellijk nadat hij het schot had afgevuurd, wierp Philip zich op den vloer, trapte met zijn eenen voet de deur achter zich dicht en rolde zich over den grond opzij. Het was ineens doodstil in het vertrek. Recht voor zich uit zag Philip een zwakken lichtgloed, welke door het rooster van de kachel scheen. Plotseling verscheurde een tweede schot de stilte. De vuurstraal uit den mond van het pistool wees in de richting, waar hij eerst gestaan had. Philip klemde de kaken opeen. Het scheen hier bittere ernst te gaan worden! Zijn strijdersbloed ontwaakte nu pas goed.
     Zijn antwoord bestond uit het lossen van een schot in de richting van de kachel. Het was een op goed geluk afgevuurd schot, in de hoop daardoor de plaats te weten te komen, waar zijn tegenstanders zich bevonden. Het resultaat was echter verbluffend. De kogel kwam terecht tegen de ijzeren kachelpijp, ketste af, en gierde weg. Duidelijk was de doffe klap te hooren, toen de kogel in den wand verdween. Een ijselijk gevloek steeg op van achter de kachel. Blijkbaar had een scherf of een splinter doel getroffen.
     Philip grijnsde in zichzelf, en veranderde snel en geruischloos van positie. Het gevloek van achter de kachel ging over in kermen. Blijkbaar was één der schurken buiten gevecht gesteld.
     Het volgende oogenblik dreunde er weer een explosie door het vertrek, en een kogel plofte in het bout boven zijn hoofd. Een tweede floot vlak over zijn hoofd.
     Toch begon het Philip duidelijk te worden, dat deze toestand op den duur voor hem niet houdbaar zou zijn. De kerels hoefden maar een goed onderhouden vuur te openen naar de zijde van de kamer waar hij zich bevond, en hij zou vroeg of laat toch het loodje moeten leggen. Terugvuren kon hij practisch niet. In den eenen hoek bevond Sonja zich; in den anderen zat Ben vastgebonden op zijn stoel.
     Ben! Plotseling flitste een gedachte door zijn hersens. Als hij eens probeerde Ben te bevrijden? Dat zou natuurlijk de ideale oplossing zijn! Om dat echter te bereiken, zou hij dwars door de kamer tusschen de in de hoeken liggende kerels moeten sluipen, en dat zou heusch niet meevallen.
     Met uiterste voorzichtigheid ving hij zijn tocht aan. Langzaam, uiterst langzaam begon hij in de richting te kruipen, waar hij Ben het laatst had gezien, vastgebonden op zijn stoel. Hij drukte zich zoo plat mogelijk tegen den vloer en lag telkens doodstil, om te luisteren, of de tegenpartij zijn bewegingen zou kunnen volgen. Niemand echter bewoog. Alleen de gewonde kermde zacht. Af en toe daverde een schot over zijn hoofd en Philip hoopte, dat zij hem niet zouden opmerken in het licht der vuurstralen.
     Verder, steeds verder vorderde Philip. Nu moest hij toch wel zoo ongeveer bij de plaats zijn, waar Ben zich moest bevinden. Hij strekte voorzichtig zijn hand vooruit, en tastte rond. Hij voelde een schoen. Voorzichtig kropen zijn vingers langs den schoen omhoog, langs den enkel, tot zij een touw voelden, dat eenige malen om beide beenen gewonden was. Toen wist Philip zeker, dat hij Ben voor zich had. Snel tastte hij naar zijn zakmes, en begon de touwen om Ben’s beenen door te snijden. Het ging nu om seconden. Alles bleef stil in de kamer. Niemand bewoog zich, alleen de gewonde man bij de kachel kermde nog steeds. Er knalde weer een schot en de heele kamer was één tel lang verlicht. Er klonk een kreet.
     Philip schoof de laatste touwen van Ben’s handen af. Hij was de laatste seconden zóó ingespannen bezig geweest, dat hij zijn voorzichtigheid wel een beetje uit het oog had verloren. Eén der kerels had in de gaten gekregen, wat Philip uitvoerde en kroop zacht achter hem aan. Op het oogenblik, dat Philip zich weer op den grond liet zakken, voelde hij zich van achteren aangegrepen en plat tegen den grond gedrukt. Doordat hij op zijn buik lag, kwam hij al dadelijk in een netelige positie te verkeeren. De man had hem met de ééne hand bij de keel gegrepen, schreeuwde naar zijn kornuiten om hulp en poogde met de andere hand Philip’s handen van zijn lijf te houden. De man was ontzaglijk sterk, de hand om Philip’s keel werd al vaster en vaster; hij hijgde naar adem. Lang zou hij het niet meer kunnen volhouden, dat voelde hij, en dus vocht hij als een waanzinnige, om op zijn rug te komen. Met uiterste krachtsinspanning gelukte het hem eindelijk zich op den rug te draaien en één oor van den kerel te pakken te krijgen. Hij begon het om te draaien. Als antwoord bonkte de man hem eenige malen hevig met het hoofd op den grond. Het bloed gonsde Philip in de ooren, zijn slapen bonsden. Hij rukte een paar malen extra stevig aan het oor, en trok plotseling zijn knieën op, ze den man in zijn maag rammend.
     Het resultaat was verbluffend. De druk op zijn luchtpijp verminderde oogenblikkelijk. De man boven hem hijgde eveneens naar adem. Al zijn laatste krachten verzamelend, werkte Philip zich met een plotselingen ruk onder zijn tegenstander uit. Hij richtte zich half op, liet het oor los, haalde uit, en bracht met de gebalde vuist den man een hevigen slag toe tegen den slaap. De schurk liet zijn keel nu geheel los, en gleed langzaam achterover.
     Philip kwam waggelend overeind in het donker en werd onmiddellijk weer onder den voet geloopen. Een nieuwe strijd speelde zich in de kamer af. Hij zag niemand, doch hoorde alleen hijgende ademhalingen, geschreeuw en gestommel, naar de kreten te oordelen, waren drie mannen aan het vechten. Ben scheen dus met de twee overige schurken slaags geraakt te zijn. Philip pijnigde zich juist de hersens, om te weten te komen, wèlke van de drie Ben wel zijn zou, toen het heele kluwen als een lawine over hem heen rolde. Philip werd onmiddellijk weer actief en vocht mee, maar zonder te weten, wie vriend en wie vijand was, zou hij toch niets kunnen bereiken. Dus werkte hij zich moeizaam onder de kluwen vandaan, en grabbelde in zijn zak naar zijn sigarenaansteker. Het ding werkte den eersten keer reeds.


Philip werd onmiddellijk weer actief en vocht mee....

     Het flakkerende vlammetje belichtte een prachtig schouwspel.
     Aan zijn linkerhand lag de door hem buiten westen geslagen kerel. Bloed droop uit zijn oor en had een klein plasje gevormd rond zijn achterhoofd. Een paar flinke krabben op zijn gezicht sierden het geheel nog verder op. Aan Philip’s rechterhand was het, alsof er een veelhoofdig, zespootig wezen over den grond kroop. De kreten, welke uit het binnenste ervan opstegen, bewezen de hevigheid van den strijd. Opeens herkende Philip in het aarzelende licht het hoofd van Ben. Zijn ééne oog was heelemaal opgezwollen; zijn haren hingen verward over zijn voorhoofd. Hij was bezig den kerel, die onder hem lag, af te rossen, terwijl hij op zijn beurt een pak slaag te incasseeren kreeg van den man die op hem lag. Op dat oogenblik zag Philip den man achter Ben zijn revolver optillen, om dien op Ben’s schedel te laten neerkomen. Er was geen seconde te verliezen.
     Philip had zijn revolver in de hitte van het gevecht verloren, dus bukte hij zich snel, greep de kachelpook en gaf een geweldigen klap op het naar hem toegekeerde achterhoofd. De klap bleek ruim afdoende. Het slachtoffer zakte als een leege meelzak ineen. Tezamen met Ben was het voor Philip een kleinigheid het laatste slachtoffer te overmeesteren. Met behulp van de touwen, die gediend hadden Ben te binden, en bij het licht van Philip’s geïmproviseerde lamp, werd hij deskundig gekneveld. Hij bleek de man te zijn, die Ben in de auto had vergezeld.
     Sonja’s heldere stem verbrak de doodsche stilte, die nu heerschte, na het ontzaglijke tumult van zooeven. „Zijn jullie onderhand klaar met vechten? Ik zit me hier dood te vervelen!”
     Zij liepen op het geluid af. Philip stak opnieuw den sigarenaansteker aan en hield dezen als een flambouw boven zijn hoofd. Sonja zat midden in de kamer op de tafel, trok Philip’s aansteker naar zich toe, en stak haar sigaret er mee aan.
     „We zullen hier op een of andere manier licht moeten krijgen,” sprak Philip, „dan kunnen we het slagveld tenminste eens overzien. Het eenvoudigste lijkt me om er een andere lamp in te draaien. Tenminste als ik de fitting niet defect geschoten heb.”
     „Het was anders een prachhtschot,” zei Ben bewonderend. „Het was het eenige wat u kon doen.”
     Hij verdween naar de kamer ernaast, om even later terug te keeren met een andere lamp. Hij klom op de tafel. Philip stak zijn aansteker hoog op. Het vlammetje werd steeds kleiner. Ben schroefde het gedeelte van de oude lamp, dat was blijven zitten, eruit, en wierp het beneden zich op den vloer. De fitting was niet beschadigd.
     Toen de andere lamp begon te branden, knipperden zij alle drie even met hun oogen, en keken rond. Het was, of er een complete oorlog had gewoed binnen de vier muren van het vertrek. Scherven, stoelen, stukken touw, enkele revolvers, alles lag dooreen in een bonte mengeling, om van de lijken nog te zwijgen. In den hoek bij de kachel lag de man, die door het revolverschot was gewond. Een stuk ijzer van den sleutel in de kachelpijp scheen bij zijn schouder het lichaam binnengedrongen te zijn, want zijn jas was met bloed doorweekt op die plaats. Aan de andere zijde van de kamer lagen de drie andere kerels kris-kras door elkaar. Twee ervan waren nog steeds buiten westen. De gebondene staarde hen aan. Hij was er ook niet zonder kleerscheuren afgekomen. Builen en schrammen vertoonden zich aan alle zijden.
     Philip ging rond en raapte al de revolvers op. Hij haalde een touw door de trekkerbeugels, en slingerde het heele geval over zijn schouder, draaide zich om naar Sonja en vroeg: „Wie was de baas van het heele spul, Sonja?”
     „Die eene daar, met dat bloedende oor,” antwoordde Sonja zonder aarzelen. Philip grijnsde verheugd. Hij bedacht nog met intense vreugde, hoe hard hij aan dat oor gedraaid had. Dus dat was de hond, die hem ’s nachts uit zijn bed had gebeld! Hij bukte zich over den man heen, en knoopte zijn jasje open. Het was duidelijk te zien aan welken kant de portefeuille zat.
     Op het oogenblik dat Philip zijn hand in de binnenzak stak om de portefeuille eruit te halen, gaf Sonja onverwachts een onderdrukte gil. Philip keerde zich bliksemsnel om, maar het was te laat om nog wat ook te ondernemen. De deur was vrij zacht opengegaan en geen van allen had het bemerkt, daar zij met den rug naar den uitgang, naar Philip hadden staan kijken.
     De loop van een revolver was op hem gericht. „Handen hoog!” klonk een barsche stem.
     Er viel niet anders te doen dan aan dit bevel gevolg te geven. Langzaam gingen drie paar armen omhoog.
     Voor hen stond een rijzige gestalte in een onberispelijke gele jas. Een paar donkere oogen keken koel in hun gezichten. Philip herinnerde zich in een flits, dat hij dezen man al eens eerder ontmoet had, maar kon hem niet thuis brengen. „Vervloekt”, hoorde hij Ben naast zich mompelen. Sonja keek, kwasi-gedesinteresseerd, een anderen kant op.


.... stond een rijzige gestalte in een gele jas. „Handen omhoog!

     De man wees met zijn linkerband naar Ben. „Maak dien keurig gebonden meneer bij de kachel los!” commandeerde de stem.
     Langzaam liet Ben zijn armen zinken. Het was duidelijk, dat hij ingespannen nadacht, hoe van dit moment te profiteeren, maar even duidelijk was het, dat hij niets vinden kon. Hij liep traag naar den man bij de kachel en begon hem los te knoopen.
     „Een klein tikje vlugger kan óók wel!” spoorde de man bij de deur hem aan. Ben veranderde zijn tempo niet. Door de ruiten kondigde een grijzig licht de komst van een nieuwen dag aan.
     Philip liet zijn gedachten bliksemsnel werken. Was de man alleen? Weldra, als de kerel bij de kachel, notabene door Ben zelf, losgemaakt zou zijn, zouden zijn tegenstanders in ieder geval twee man sterk zijn. Hoe kon hij op dit laatste kritieke oogenblik de fout gemaakt hebben, na het winnen van den veldslag binnenkamers, niet onmiddellijk buiten den toestand in oogenschouw te nemen? - Neen, hij kon niets riskeeren. De volmaakte zelfbeheersching, waarmede de ander optrad, leek hem niet geveinsd te zijn. Hij keek tersluiks naar Sonja, maar zij verroerde geen vin en stond met haar armen omhoog.
     Ben was, hoe traag hij zijn opdracht ook uitvoerde, aan het einde ervan gekomen. De man bij de kachel stond op, rekte met een van pijn vertrokken gezicht zijn leden uit, raapte eerst de revolvers op en zei: „Dat was op het nippertje, meneer!”
     De ander knikte met een hooghartigen glimlach, maar antwoordde niet. Na een poosje zei hij: „Zoo, meneer Raack, u dacht mij te slim af te zijn! U hebt u vergist! Gerrit, wil jij de dame en de heeren maar op de bekende plaats opsluiten? Het is er wel een beetje nauw, maar dat went op den duur wel. Wilt u vooraf even uw wapens hier op tafel deponeeren? Juist, dank u.”
     Na eenige oogenblikken viel de deur achter hen in het slot. Geen woord spraken zij tot elkander. Door het hooge raampje vielen schuin de eerste zonnestralen binnen. Philip Raack, Sonja en Ben zaten gevangen....

(Teekeningen van Karel Thole)


De reeds verschenen nummers van „De Drie-Stuivers-Roman” waren getiteld:

Nr. 1 :
Nr. 2 :
MISDAAD IN HET PARKHOTEL
DE MISLUKTE AANSLAG





Aangrijpende gebeurtenissen hergeven
Philip, Sonja en Ben hun vrijheid.
Onmiddellijk wordt Philip in nieuwe
avonturen gewikkeld.



Philip Raack’s
vierde avontuur




Op 18 Februari bij alle kiosken!

Ook verkrijgbaar bij den boekhandel.




Postabonnementen worden door de Uitgeefster NIET aangenomen



„DE DRIE-STUIVERS-ROMAN” verschijnt Vrijdags om de 14 dagen onder redactie van Louis Thijssen, Voorburg (Z.H.) - Uitgave der N.V. Nederlandsche Uitgeverij „Opbouw”, Paulus Potterstraat 4, Amsterdam-Z. - Telef. 98145, 21511, 21424. - Offsetdruk van Drukkerij Verweij, Mijdrecht.

PRIJS PER NUMMER 15 CENTS.
EERSTE JAARGANG - NUMMER 3 - 5 FEBRUARI 1943

P 1083/6


Het vervolg op deze aflevering is De Drie-Stuivers-Roman, Eerste jaargang, nr. 4, „Dr. Kramer ontmaskerd”.
Op grond van stilistische kenmerken („Hij schudde het hoofd”, „Hij haalde de schouders op”, etc.; daar waar „Thijssens” Philip slechts zei, vroeg en een enkele maal antwoordde, heeft „Van den Houts” Philip meer manieren om zich uit te drukken: deze ried, gromde, grijnsde, gaf te kennen, meende, glimlachte, riep, etc.) is deze aflevering van „Philip Raack” waarschijnlijk toe te schrijven aan W.H.M. van den Hout; aangezien bovengenoemde stilistische kenmerken echter minder frequent voorkomen dan in andere Philip Raack-deeltjes van W.H.M. van den Hout, valt ook te denken aan een constructie, waarbij een van de door Willem in zijn Analyse en weerlegging van beschuldiging inzake W.H.M. van den Hout genoemde onderduikers deze aflevering heeft geschreven (, vertaald of bewerkt?), waarna Willem de aflevering geredigeerd heeft.