N O T A   V A N   G R I E V E N
inzake H. A. Seyffardt.
AAN DE RAAD VAN BEROEP VOOR
DE PERSZUIVERING
TE
ĎS - G R A V E N H A G E





Ter aanvulling van mijn brief van 25 Mei 1948, waarbij ik namens mijn cliŽnt H. A. Seyffardt in beroep kwam van de d.d. 27 April j.l. door de Commissie voor de Perszuivering te zijner aanzien gegeven beslissing, moge ik namens cliŽnt, die te dezer zake domicilie kiest bij mij, Mr. G. A. Hungerink, advocaat en procureur aan de Hooigracht nr. 2 te Ďs-Gravenhage, nog de volgende grieven tegen bedoelde beslissing naar voren brengen:

                  Er schijnt enig misverstand te bestaan over het begrip "illegaal" van De Gil, aangezien dit punt in de sententie sterk belicht wordt en vele getuigenverklaringen daarop terug te voeren zijn.

                  Mijn cliŽnt heeft nooit beweerd dat "De Gil" een illegaal blad was, of dat het in de bedoeling lag het als zodanig te doen voorkomen. Een blad, dat openlijk aan kiosken en op stations verkocht werd gedurende de bezettingstijd, kan bij niemand in de lande - behalve bij zwakzinnigen - de indruk hebben gewekt, dat het "illegaal" of "ondergronds" was. Ook is door mijn cliŽnt in zijn uitvoerige verklaring voor de P.R.A. duidelijk uiteengezet, wat de opzet van "De Gil" was.
                  CliŽnt acht alle getuigenverklaringen en de commentaren van de Commissie in deze, misleidend, omdat deze de indruk wekken, als zou hij een foutieve voorstelling van feiten hebben gegeven. Mijn cliŽnt beschrijft hier uitsluitend zijn eigen aandeel in het verschijnen van "De Gil" en weerlegt dus alleen in de sententie gestelde feiten die in zijn nadeel spreken.
                  Scherp dient te worden gesteld, dat "De Gil" als Duits propaganda orgaan - elk destijds verschijnend dag- of weekblad was min of meer als zodanig te beschouwen - niet verder ging, dan welk andere in Nederland verschijnend blad ook, dat Duitse weermachtsberichten, commentaren en redevoeringen van Nazi's in extenso opnam. Integendeel; "De Gil" ging in dit opzicht lang zo ver niet en de summiere propagandistische waarde voor Nazi-ideeŽn werd geleidelijk geheel weggedrukt door de meer Engels getinte artikelen, de amusante advertenties, de Gil-club commentaren enz. enz..
                  Een gans andere kwestie is echter, dat "De Gil" zonder medeweten van het Rijkscommissariaat wŤl van illegale zijde werd gesanctionneerd er dat er van bonafide illegale zijde afkomstige artikelen in werden opgenomen. De bewering van getuigen, dat het Rijkscommissariaat of andere Duitse instanties hiervan op de hoogte waren en zulks oogluikend toelieten is, naar cliŽnt aanvoert een aperte onwaarheid. Dit moge door bepaalde getuigen later, nŠ hun arrestatie, zijn opgemerkt om zichzelf te redden, omdat "De Gil" het Duitse propagandadoel geheel was voorbijgeschoten. Elke verklaring in die geest is in flagrante strijd met de werkelijkheid.

            De oorspronkelijke bedoeling van Thijssen om van "De Gil" een propaganda-orgaan te maken voor Duitse ideeŽn, is al heel spoedig doorkruisd door de onderlinge afspraak tussen v.d. Hout en mijn cliŽnt het blad zo dol te maken, dat elke pro-Duitse propaganda in het niet zou verzinken en tenslotte de Engels-Amerikaanse ideeŽn de boventoon te laten voeren. Al spoedig werd door cliŽnt contact opgenomen met Boogerman, die, zoals hem bekend was in nauw contact stond met een bepaalde illegale groep (G D N ). Boogerman schreef, behalve een feuilleton, speciale politieke artikelen, die afgestemd waren op de zienswijze van de G D N. Dat hierin bijwijlen critiek werd geleverd op bepaalde besluiten en handelingen van de Londense Regering, blijft voor verantwoordelijkheid van de G D N. Hiermede wordt tevens een cardinaal punt geraakt, n.l., de verhouding tot de G D N , en wat cliŽnt speciaal betreft, de relatie met Cageling, de secretaris van de chef G D N (schuilnaam Vogel).

            CliŽnt bestrijdt beslist de lezing van de Commissie als zou zijn verbinding met Cageling en de G D N op fantasie berusten. De sententie zegt letterlijk: ....." M. A. Cageling, voorgevende te behoren tot de G D N namens deze dienst vrijwaring voor moeilijkheden zou hebben toegezegd, doch de heer Cageling ontkent dit zelf en de voor de G D N tot spreken gerechtigden verwerpen volledig deze lezing.". CliŽnt weigert pertinent aan te nemen, dat de heer Cageling deze ontkenning zou hebben uitgesproken. Waar is de betreffende verklaring van Cageling dat hij zulks ontkent? Waarom verschijnt Cageling niet zelf voor de Commissie om zulks te ontkennen? Wie zijn de voor de G D N tot spreken gerechtigden? Waar is de chef van de G D N, de heer Nieuwenhuis, alias Vogel? Waarom deze vage ontkenning, gesteld tegenover positieve verklaringen van het tegendeel? Of was after all de G D N niet zo illegaal als deze het destijds deed voorkomen? Moet de G D N nu gespaard worden? Er is na de bevrijding komen vast te staan, dat er in de G D N meer S-D. Agenten werkzaam waren dan bonafide illegalen, ja, dat er bepaalde afspraken bestonden tussen de S-D. Enerzijds en illegalen anderzijds in het kader van de G D N , dat de G D N voor zijn berichtendienst naar Engeland gebruik maakte van een S-D.-zender enz. enz. enz.. Welke motieven van nationaal belang hier ook een rol mogen spelen, cliŽnt acht het in strijd met alle begrippen van recht, hem en anderen slachtoffer te laten worden van de praktijken van diezelfde G D N , als het dan gebleken is, dat men hem in die jaren een rad voor ogen heeft gedraaid. Zowel v.d. Hout als cliŽnt waren volkomen overtuigd van de eerlijkheid van Cageling c.s..

            In tegenwoordigheid van Boogerman, die cliŽnt tot dit doel speciaal bij Cageling introduceerde kort na Boogerman's intrede bij de redactie van "De Gil", heeft Cageling uitvoerig aan cliŽnt uiteengezet, dat het o.m. de bedoeling van de G D N was, om ex-N.S.B.-leden, die zich overigens niet misdragen hadden, voor moeilijkheden en arrestatie te vrijwaren, op voorwaarde dat deze voortaan zouden willen medewerken aan de illegale zaak. Daarbij deelde Cageling mede, dat de G. D. N. de officiŽle illegale voortzetting vormde van de GS III, dat de chef der G D N ( Vogel ) in nauw contact stond met Generaal Kruls. De G D N had o.m. tot taak toezicht te houden over de verschillende illegale bewegingen en groepen, en volgens de G D N opvattingen was het in de Nederlandse ondergrondse een hopeloze bende van elkaar vliegen afvangende en elkaar bestrijdende groepen, die in geen geval aan de macht mochten komen als de bevrijding een-maal een feit was geworden.

            CliŽnt is in die tijd ( zomer 1944 ) verschillende malen ten huize van Cageling geweest steeds in gezelschap van Boogerman en een enkele keer alleen, waarbij hij tevens kennis maakte met de echtgenote en de moeder van de heer Cageling.. Cageling was volkomen op de hoogte van de bedoelingen van "de Gil". Enige malen gaf Cageling foto's aan cliŽnt, die in "De Gil" moesten worden gepubliceerd, nl. een foto van Admiraal FŁrstner en een foto van Minister v. Kleffens welke moesten dienen ter illustratie van artikelen, die door Boogerman werden geschreven. Alle drukproeven werden in die tijd door Cageling vůůr-gecensureerd in opdracht van de G D N. Ongewenste uitlatingen en berichten werden op zijn aanwijzingen uit "De Gil" geschrapt. Cageling deed het voorkomen alsof exemplaren van "De Gil" direct naar Londen werden doorgezonden en hij deelde mede, dat Generaal Kruls zelf, bijzonder geamuseerd was over het blad. De mogelijkheid bestond zelfs, het blad na de bevrijding voort te zetten. In Augustus kwam dit plan in definitieve vorm. Bij de "Residentiebode" werd in het geheim (machinezetter Fruitier) een kop "De Vrije Gil" gegoten, terwijl Boogerman enkele artikelen voor het eerst verschijnend nummer schreef. Mijn cliŽnt zocht de daarbij behorende foto's bijeen. Cageling heeft al dit materiaal gezien en was er mede in zijn schik. Met Boogerman en met cliŽnt besprak Cageling het raamwerk van de nieuwe redactie, waarbij hijzelf als Hoofdredacteur zou optreden en cliŽnt zou normaal doorgaan met zijn functie als opmaker.

            De gehele houding van Cageling was van dien aard, dat bij cliŽnt, noch bij Boogerman een ogenblik van twijfel over zijn goede trouw, opkwam. Wanneer Cageling het te druk had, verzorgde cliŽnt voor hem bepaalde contacten. O.a. heeft cliŽnt in zijn opdracht, op een adres aan de Ieplaan een officier van de NSKK bezocht ( een illegale verbinding van de G D N ), die cliŽnt de juiste positie opgaf van het grootste Duitse benzine-depŰt in het oosten van het land. CliŽnt tekende dit precies aan op een stafkaart en overhandigde deze aan Cageling, die voor onmiddellijke doorzending naar Engeland zou zorgdragen.

            Toen Boogerman tijdens een overval van de S-D. in een perceel in de Adelheidstraat gewond was geraakt en in de buurt tijdelijk was ondergedoken, heeft cliŽnt, tezamen met zijn vriend Otterspoor, per aapje Boogerman opgehaald en overgebracht naar de kelder onder de winkel van Otterspoor in de Korte Poten. CliŽnt heeft toen direct een dokter uit het Militair Hospitaal laten komen, die Boogerman behandeld heeft. Zij hebben Boogerman daar vele weken verplaagd, niet zonder risico, aangezien al Boogerman's papieren in handen waren gevallen van de S-D. Cageling is ( onder de schuilnaam Swart ) verschillende malen Boogerman komen opzoeken, waarvan Otterspoor en diens echtgenote getuigen van waren, terwijl cliŽnt gedurende die tijd de opdracht had, het dagelijks contact tussen Boogerman en Cageling in stand te houden.

      Na de spoorwegstaking en de stopzetting van de "Haagse Courant", kreeg cliŽnt van Cageling de pertinente opdracht, namens de G D N , het technisch personeel van de Residentiebode tot staking te bewegen. Dit is ook bijna gelukt en zulks kan door tal van machinezetters en de bedrijfsleider Burgers, bevestigd worden ( getuigen: Fruitier, Appelman, Koning, en enkele anderen wiens namen cliŽnt zich niet meer kan herinneren).

      Twee dagen voor de bevrijding dineerden Cageling en zijn echtgenote, en Boogerman bij cliŽnt, waarbij ook de chef der G D N ( Vogel ) was uitgenodigd, doch deze had op het laatste moment afgezegd. Hierbij werd nogmaals door Cageling verzekerd, dat cliŽnt geen moeilijkheden zou ondervinden, mede in verband met al hetgeen hij voor de dienst van de G D N had gedaan. Hij raadde cliŽnt echter wel aan enkele dagen na de bevrijding te onderduiken, omdat in de eerste dagen, in de verwarring, mogelijk vergissingen konden worden gemaakt. CliŽnt zei er niet aan te denken om onder te duiken, aangezien hij zich van geen kwaad bewust was en niets te verbergen had.

      CliŽnt achtte de figuur van Cageling boven elke verdenking verheven en dacht er zelfs niet aan van hem een schriftelijke verklaring of vrijgeleide te verlangen. CliŽnt meende met het noemen van Cageling's naam en die van de G D N te kunnen volstaan.

      Na alles wat is voorgevallen, gaat het niet aan de verbinding G D N op zij te schuiven met de dooddoener, dat Cageling dit alles ontkent. Zelfs indien cliŽnt zich in de G D N en in de zich namens deze, bij hem aandienende figuren mocht hebben vergist, is hij daarbij volkomen te goeder trouw geweest.

      Het lijkt cliŽnt overbodig nader in details te treden over de redactionele inhoud van "De Gil", de strekking van de artikelen, enz. Hij stond daar volkomen buiten en zulks wordt door de Commissie ook erkend wanneer zij zegt, dat cliŽnt "als opmaker geenszins een vooraanstaande positie bij "De Gil" had ingenomen". CliŽnt had zich, als opmaker, slechts te overtuigen dat het werk als zodanig de sanctie had van de G D N en dit eenmaal zo zijnde, deed hij niets waarvoor hij zich later zou moeten verantwoorden of waarvoor hij strafbaar zou zijn.

      Dat de Commissie tevens in beschouwing neemt dat cliŽnt werkzaamheden voor de ECVO en niet nader te noemen werkzaamheden voor de vijand zou hebben verricht, acht cliŽnt onjuist. De Commissie is in deze tot oordelen onbevoegd., daar de daartoe aangewezen instantie zich over deze zaken nog niet heeft uitgesproken. De Commissie loopt hier dus vooruit op een nog te nemen rechterlijke beslissing en gaat niet uit van feiten, waarvan nog niet vaststaat of zij bewezen zijn.

      Namens cliŽnt moge ik Uw Raad derhalve verzoeken de hier bestreden beslissing van de Commissie voor de Perszuivering te vernietigen en alsnog te bepalen, dat t.a.v. van de Heer H. A. Seyffardt geen maatregelen op grond van het Perszuiveringsbesluit dienen te worden genomen, althans de door genoemde Commissie vastgestelde uitsluitingstermijn terug te brengen tot een mate als Uw Raad, gezien de vorenomschreven omstandigheden, billijk zal achten.

d e   g e m a c h t i g d e

[handtekening]
( Mr. G. A. Hungerink )