1




     Ik herinner mij levendig den dag, - nu maanden geleden, - dat ik voor het eerst het orkest van Dick Willebrandts door den luidspreker hoorde. Ik zette de radio aan, midden in een nummer, gespeeld door een dansorkest.... maar geen dansorkest dat ik mij kon herinneren. Want geen orkest, dat ik kende, had die prachtige, sonore klank van koper en saxofoons, geen arrangeur van een bestaand orkest zulk een fantasie en vaart in zijn arrangementen.
     Na twee minuten kwam de schok: „Luisteraars, als volgend nummer zullen Dick Willebrandts en zijn orkest voor u spelen: Der Onkel Jonathan, in het arrangement van Pi Scheffer.”
     In de weken daarna heb ik het spoor van Dick Willebrandts door den zendtijd gevolgd met de hardnekkigheid van een Indiaan. Na het hooren van de eerste drie nummers wist ik, dat hier - eindelijk, ten langen laatste, - het Nederlandsche dansorkest aan het groeien was.
     En nu heb ik met Dick Willebrandts zlf gesproken. Inderhaast, want bij de radio gebeurt uit den aard der zaak alles overhaast en bovendien ligt Willebrandts altijd overhoop met zijn agenda, met de treinen, de electrische klokken en de maaltijden, omdat hij constant op tournee is, van plaats tot plaats en daartusschendoor ruimte moet vinden voor repetities, voor radio-uitzendingen, voor gramofoonopnamen en wat al niet. Het is heerlijk om een dansorkest te hebben.... maar Dick Willebrandts zou al lang grijze haren hebben gehad en aan ondervoeding zijn gestorven, als zijn orkest niet uit zulk een troep onverbeterlijke grapjassen bestond.... die Willebrandts er gestadig aan herinneren, dat hij niet moet vergeten te eten.


Het orkest van Dick Willebrandts; links de populaire leider.                      (Foto Ned. Omroep)

     Ik had dus eindelijk Willebrandts in een hoek van de cantine in studio A gedreven en hem daar omsingeld; nauwelijks een potlood van hem geleend, om aanteekeningen te maken achterop Cinema & Theater, of drie menschen stoven op hem af, waarvan de een koffie bracht, de tweede alles wilde weten over zes verschillende arrangementen en de derde wanhopig vroeg, hoe zij het moesten klaarspelen in Rotterdam en in Leiden tegelijk te zijn op n en hetzelfde uur op 13 April.
     Ten laatste vond ik weer een opening, en kon ik me verstaanbaar maken.
     „Jij bent geboren in Rotterdam?” vroeg ik. Willebrandts knikte.
     Ik schreef dit naarstig op.
     Toen kwam Pi Scheffer erbij, een van Willebrandts’ oudste handlangers. Zij hebben lange tijd geleden samen gespeeld in de „Decibels”, bij Eddy Meenk. Nu maakt Pi Scheffer, die zelf in Amsterdam verschillende orkesten heeft gehad, het leeuwendeel van Willebrandts’ arrangementen.
     Een dansorkest, elk dansorkest, staat of valt met de kwaliteit van drie dingen: ten eerste de kwaliteit der spelers; ten tweede: het stempel dat de leider erop drukt en ten derde: de muzikale verbeeldingskracht van den arrangeur. Wij zullen deze drie factoren in volgorde lezen: Willebrandt’s orkest bestaat uit zorgvuldig uitgezochte, voortreffelijke solisten. Elk van hen kan voor de vuist weg een solo blazen als de droom van een opiumschuiver.
     En nu: het stempel dat Willebrandts erop drukt. Ik vroeg het hem:
     „Wat heb je beoogd, toen je dit orkest samenstelde?”
     Willebrandts keek mij enigszins verward aan met zijn lichtgrijze, helle oogen, dacht even na.... „Een speciaal muzikaal dansorkest,” zei hij dan; „niet een orkest, dat op tooneel allerlei grapjes uithaalt en zich verkleedt als Turken of Negers of Cubanen of Cowboys en verder zoo maar wat toetert, maar een orkest, dat een eigen stijl gaat krijgen, dat elk nummer vertolkt op een geheel eigen wijze met gebruikmaking van alle mogelijkheden die een goed dansorkest biedt.... Snap je?”
     Ik begreep hem. Elk arrangement moet een geheel eigen karakter hebben, een juweel zijn van muzikale fantasie en pracht van accoorden, een muzikaal vuurwerk van elkaar met metronome-achtige nauwkeurigheid afwisselende klank-effecten.
     En dat is het werk van den arrangeur. Willebrandts heeft er drie. Pi Scheffer, Francis Bay, zijn trombonist en Kees Bruin, de tenorsax. Het is verbazingwekkend, wat via knap geschreven arrangementen en goed samenspel bereikt wordt door dit orkest, dat bestaat uit vijf saxofoons, drie trompetten, twee trombones, en een rhythme-sectie van piano, drum en slagbas.
     Ik zei hierboven al, dat alles in dit orkest met zorg is uitgekozen. Dat geldt ook voor de zangers, Nellie Verschuur en Jan de Vries. Het werd een heele vergadering aan het tafeltje in de cantine. Pi Scheffer is lang, laconiek en gek volgens de rest van het orkest. Nellie Verschuur is lang, blond, zoo mogelijk nog laconieker en, volgens enthousiaste bewering van Pi Scheffer, die toen plotseling uit zijn slof schoot, de lieveling van het orkest. Zij is een geboren Amsterdamsche, met een aangeboren feilloos gevoel voor rhythme en klank. Volgens geruchten zong zij al als baby in de badkuip. Zij is een ontdekking van Dick Willebrandts. Rond Jan de Vries ontstond een heele deining. Willebrandts beweerde, dat hij de Adonis van het orkest was, waarop een groot gelach volgde en de verzekering van Jan de Vries, dat hij me krijgen zou als ik dat vermeldde. Ik vermeld dit, teneinde een aanwijzing te geven betreffende den dader, als ik een dezer dagen als stoffelijk overschot word aangetroffen.
     Jan de Vries is in Indi geboren en is met zingen begonnen bij de Maui Eilanders.... op zijn dertiende jaar stond hij voor het eerst voor de microfoon, maar ik kon niet uit hem krijgen bij wat voor sinistere gelegenheid dt geweest kon zijn. Waarschijnlijk een kinderkoor. Behoef ik over zijn zang nog iets te zeggen? Er zijn in Nederland weinig goede zangeressen bij dansorkesten... maar goede zangers nog minder. Jan de Vries is een der beste.
     Dit orkest is, ik herhaal het: een dansorkest in opbouw.
     Maar ik herhaal ook: Het heeft alle vereischte eigenschappen om aan de spits te komen.... Het zoeken is nu naar een eigen stijl, een eigen karakter. Maar dt wordt gevonden. Een intusschen.... volg ik met spanning de ontwikkeling van Dick Willebrandts en zijn jongens.... n Nellie Verschuur.
WILLEM W. WATERMAN.




[1]Column uit „Cinema & Theater”, 1943, nr. 13 (Amsterdam, 26-03-1943).